Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘natuur’ Category

Afstand

09082017

 

Weer wat geleerd: volgens een deskundige behoor ik tot een mensentype (daarvan zijn er negen, dus ik ben beslist niet de enige) dat probeert zijn identiteit te baseren op zijn eigen gevoelens. Soms zelfs op zijn emotionele reacties op wat het leven brengt. Dat is volgens die deskundige een hachelijk avontuur en daar kan ik als ervaringsdeskundige uiteraard over meepraten. Toevallig had ik het er recentelijk nog over, hier op dit weblog. En ongeveer tegelijkertijd las ik een artikel in de krant over de zegeningen van het kwijtraken van jezelf – of je ‘zelf’.

Nu heb ikzelf daarover, zoals over alles, altijd gemengde gevoelens gehad. Zolang ik nog druk doende was met het verkrijgen van zo’n ‘zelf’, moest ik er niet aan denken er alweer afstand van te moeten doen. Tegelijk kon dat hele gedoe me soms zozeer gestolen worden, dat al wat in mij was leek te verlangen naar vergetelheid.

And if tonight my soul may find her peace
in sleep, and sink in good oblivion,
and in the morning wake like a new-opened flower
then I have been dipped again in God, and new-created.

Shadows door D.H. Lawrence

In het hierboven genoemde artikel trof mij een inzicht, dat aan Daniel Dennett werd toegeschreven: “(…) beslissingen worden op verschillende plekken in ons brein genomen en er bestaat geen centraal handelend zelf. Het zelf wordt geconstrueerd door het brein, en niet eens continu, maar af en toe. De rest van de tijd is het afwezig.” Tja, bij nader inzien ben ik dus zo gek nog niet. Niemand ontkomt eraan, aan dat zoeken en kwijtraken van zichzelf. Zouden er dan negen verschillende manieren zijn om die beide extremen te bereiken, of het midden daartussen te bewandelen?

Vervolgens las ik iets in het artikel dat er niet stond. Ik begreep dat we het ‘zelf’ construeren, zoals we een vertrouwd landschap waarnemen: het bestaat uit oneindig veel details en het is altijd aan verandering onderhevig en toch ervaren we het als iets statisch. Er hangt als het ware een schilderij van in onze bovenkamer. Dat ik “werkelijkheid” onbewust verving door “landschap”, zegt iets over de manier waarop ik me tot de wereld om mij heen én tot mijn eigen binnenwereld probeer te verhouden. Weliswaar wandel ik erin, maar voor mijn gevoel doe ik dat altijd bergopwaarts, zodat ik op zeker moment uitzicht heb over een landschap.

Nu zou ik het verder bijvoorbeeld over landschapsarchitectuur kunnen hebben en bij de mystiek van Zuster Bertken en haar “hoofken” uit kunnen komen, maar dat doe ik niet. Vandaag ben ik geboeid door de idee van afstand nemen, aangetrokken door heldere berglucht. Bovendien gonst er een ander inzicht in mijn herinnering. Ergens in zijn boek Über das Wesen der Bienen maakt Rudolf Steiner een opmerking over bijen en individualiteit. Volgens hem is een honingbij op zichzelf eigenlijk geen individu, misschien zelfs niet eens een dier. Buiten haar bijenvolk kan zij immers geen dag leven. En dan stelt hij zich voor dat je een heel bijenvolk onder het omgekeerde van een microscoop zou kunnen leggen. (Uitzoomen, zouden wij nu zeggen.) Dan zou je, volgens hem, op zeker moment een soort aangezicht zien en zou de imme een persoon worden.

In de jaren dat ik bijen hield heb ik mij er geregeld over verwonderd, dat elk volk een eigen karakter leek te bezitten. Een karakter dat bovendien constant bleef zolang de voortdurend wisselende populatie dezelfde moeder had. Ook bleef het mij intrigeren dat een volk altijd een volk bleef, niet alleen wanneer het ’s winters als een bal tussen de rijk gevulde raten samenklonterde, maar ook als het zichzelf verloor in het zomers landschap, verstrooid over een oppervlak met een diameter van wel zes kilometer. Helaas kon ik de bijen niet vragen of zij het zelf ook zo ervoeren, of zij bij zichzelf een ‘zelf’ gewaar werden.

Hoe deed ik dat zelf, toen ik mijzelf een wolkje muggen boven een tuinpad voelde? Hoe doe ik dat nu, terwijl ik mijn verstrooide gedachten samen probeer te brengen in een tekst die anderen kunnen begrijpen? Misschien moet ik hoger en hoger klimmen. Hoger dan de blauwe luchten, tot waar ik het allemaal op grote afstand zie en begrijp. Als een landschap, als een aangezicht.

Read Full Post »

Poeze-Mientje

07012017

 

Wat een geluk dat ik geen man ben! Of misschien is het al genoeg dat ik geen vrouw heb. Zo’n vrouw die op een goeie dag een lange blonde haar op d’r mans (of vrouws!) schouder ziet liggen, terwijl zij zelf korte donkere krullen heeft. Ze deinst meteen terug en een draaikolk van destructieve gevoelens woelt op vanuit haar binnenste. Haar hoofd is een klok vol galmende vragen: Van wie is die haar?! Hoe oud is zij? Hoe lang is het al gaande? Wat zijn mijn kansen?

Wacht, lieve vrouw (of man!) die er niet is. Ik kan het allemaal uitleggen. Kijk om te beginnen goed. Doe van mijn part het licht aan. Je zult zien dat die haar niet lang is, maar kort, en niet blond, maar wit, en dat ie daar niet alleen ligt, maar met honderd, wat zeg ik, duizend tegelijk! Jij bent er niet, maar er is ook geen ander. Hou nou toch op! Ik heb gewoon een kat in huis gehaald, dat is alles. Echt.

Terwijl ik mij voorzichtig naar rechts draai, naar de lege stoel waartegen ik net zat te praten, schiet er een lichtflits in mijn ooghoek. Een vallende ster, een geest uit een fles. En daar staat ze al: luid spinnend draait ze zich een paar keer om en springt dan op mijn schoot, op mijn toetsenbo0dsVLK[MV=9djkadjqh-38hnv’an, en vandaar weer op mijn schoot.

Tot straks, ik moet even aaien.

O ja, en nu de vragen. Ze (ja, het is een zij) is ongeveer vier jaar oud en ze leeft sinds 27 december 2016 met mij onder één dak. Op die dag heb ik haar gered uit een hel van blaffende honden, getraumatiseerde katten en door oprukkende digitalisering getergde verzorgsters. Daar was ze beland, toen haar vorige baasje/vrouwtje overleed. Volgens de rapportage op haar hokkaart was zij “een lieve, verlegen dame, die eerst vanuit verstopplekjes de kat uit de boom kijkt, maar na een poosje zal ontdekken dat wij mensen wel meevallen en dan vanzelf om een aai zal komen”.

Thuis aangekomen deed ik het deurtje van de mand open en verwijderde ik mij discreet. Na een afwasje van niks kwam ik de kamer weer in. De mand was leeg en de poes onvindbaar. Uiteindelijk bleek zij achter de piano te zijn gekropen. God, wat een sneu gezicht! Angstig ineengedoken zat zij daar, aan alle kanten ingeklemd als een gebakerde baby. Drie dagen heeft dat geduurd, dat verstoppen. Alleen ’s nachts kwam zij tevoorschijn, getuige het lege schoteltje in de keuken en het drolletje dat ik ’s morgens vroeg in de kattenbak zag liggen. Toen kwam vriendin Renée op bezoek, met een zakje kattenlekkers in haar tas. Knisperend met dat zakje en met een hoog stemmetje pratend benaderde zij het bange diertje in haar donkere schuilhoek.

“Poezemientje!” was haar eerste woord en daarmee was zij peetmoeder geworden en had Poeze-Mientje haar naam. Het ijs tussen kat en mens was bovendien gebroken en een dag later sprong het poezenbeest vrolijk op mijn schoot en zette zij het op een spinnen. Ronkend van hartstocht was ze opeens all over me, met heel haar zachte, witte kattenlijf. Vandaar die haren. Zie je wel, niets aan de hand!

Ik kijk nog eens naar de stoel naast me, die nu weer leeg is. Poeze-Mientje ligt op de bank verder te verharen en nog wat na te spinnen. Het is net alsof ik de nagalm van de overgebleven vraag boven die lege plek hoor brommen: “Wat zijn mijn kansen?” Of die vraag nu gesteld wordt door mijzelf of door die imaginaire afwezige (m/v) in mijn leven: het zijn altijd de kansen die je grijpt. Het komt allemaal goed, als je van katten houdt, niet zeurt over een paar haren hier en daar, en net zo met je Berührungsangst omspringt als dit poezemientje.

Read Full Post »

In memoriam Twiggy

twiggy1

Het was een regenachtige zondag in het voorjaar van 2007, ik weet het nog goed. In een wat samenzweerderige stemming kwamen de kinderen de huiskamer binnen en haalden het ouderlijk duo achter koffie en krant vandaan voor een bijzonder familieberaad. “Wij willen een poes, die nog jonkies kan krijgen,” luidde hun eis en aangezien ze samen al bijna een absolute meerderheid hadden, was elke vorm van twijfel aan onze kant onmiddellijk in het voordeel van Het Plan. Dat onze huiskater Lano geen stem in het overleg had, verbaasde ons destijds – vreemd genoeg – niet.

Tegen lunchtijd hadden de zegeningen van het internet er al voor gezorgd dat zij een e-mail konden overleggen van een mevrouw in Gouda, die gratis en voor niks een poes aanbood, die niet alleen nog jonkies kon krijgen, maar juist op dat moment een hele buik vol jonkies had. Dat was ook de reden dat die dame van haar af wilde. Een uur later reden we door de stromende regen terug naar Amsterdam en werd het tengere lapjeskatje in de mand op hun schoot Twiggy gedoopt. Roos was die jaren helemaal into fashion.

Een week of wat later hoorden we op een ochtend wat gerommel tussen de dozen onder ons bed en wisten we meteen dat Twiggy daar haar kraamkamer had ingericht. Een paar uur later (wat gaat alles toch snel in dit verhaal!) lagen er vijf jonge poesjes op een rij aan haar tepels. Zog trappen konden ze van meet af aan.

 

twiggy2

 

Zindelijk worden was een ander verhaal. Toen ze eenmaal groot genoeg waren om de trap op en af te rennen en elkaar de gordijnen in te jagen, heb ik een paar weken lang weinig anders om handen gehad dan overal schattige kleine poepjes en plasjes op te ruimen. Gelukkig kwam het vanzelf goed, dus Dolce, Gabbana, Gucci, Pucci en Chanel konden na negen weken met een gerust hart worden uitgezonden naar andere gezinnen met poesbeluste kinderen.

Twiggy – of de Natuur – had er nog geen genoeg van en toen het voorjaar van 2008 zich aandiende, glipte ze op een morgen met Lano mee naar buiten. Na enig zoeken had ze een ongeholpen kater gevonden, die bereid was aan haar romantische gevoelens tegemoet te komen. Lang heeft de liefde niet geduurd: na een paar dagen had Twiggy haar buik vol van die zwarte met zijn dikke kop en kwam ze weer netjes drie hoog wonen. Een dag voordat wij met vakantie gingen, lag het tweede nestje er al, weer tussen de dozen onder ons bed. Van hun namen kan ik me alleen Rosso en Prugno herinneren, maar Roos weet vast en zeker nog hoe de anderen heetten.

 

twiggy3

 

Na deze beide worpen hebben we Twiggy met vervroegd pensioen gestuurd. De kinderen werden groot en mopperden vooral op de katten, als die weer eens ongegeneerd verharend op hun little black dress hadden gelegen. Lano had overdag zijn bezigheden buitenshuis en Twiggy sleet haar dagen als een reïncarnatie van Emily Dickinson, alleen met haar gedachten (gedichten?). Heel bescheiden, bijna onzichtbaar, op telkens een ander plekje in huis.

Pas toen het gezin uiteen viel in 2012, bleek zij de nieuw ontstane stilte net iets te stil te vinden en toonde zij zo nu en dan behoefte aan affectie. Meestal ging zij dan nogal demonstratief op de houten vloer liggen, rolde een paar keer om en maakte daarbij een koerend geluidje, precies als dat waarmee zij Zwarte Dikkop had verleid. Ik ben dan wel geen kater, maar tegen de universele roep om liefde heb ik weinig verweer, dus vleide ik mij naast haar en kroelde haar waar zij maar wilde, tot ze haar nagels in mijn hand zette en opeens besloot, dat ik het vast wel fijn vond eens lekker gebeten te worden.

Slechts een heel enkele keer kwam zij op schoot, waar ik dan zo van genoot, dat ik me zo lang mogelijk doodstil hield. Zij had de reputatie dat ze nogal eenzelvig was, en misschien was ze dat ook wel. Maar door de jaren heen is ze mijn nabijheid toch gaan waarderen. Dat merkte ik vooral als ik bezig was met mijn pogingen de wereld om mij heen te begrijpen en daarover te schrijven. Dan lag ze graag tussen mijn beeldscherm en het toetsenbord, waarop ik vandaag deze woorden te harer nagedachtenis typ. Ze was een echte schrijverskat.

 

twiggy4

Read Full Post »

Jongskens

08062016

Mijn vader was een vogelaar, mijn moeder die zong psalmen, in mij vinden die twee elkaar, terwijl ‘k bij d’ afwas sta te galmen:

Zelfs vindt de mus een huis, o Heer’,
De zwaluw legt haar jongskens neer
In ’t kunstig nest bij Uw altaren,

Uiteraard ben ik vooral zo vrolijk, omdat mij sinds kort een eigen plekje in de nabijheid van een ‘aron hakodesj‘ ten deel is gevallen, maar niet al mijn lezers zullen zin hebben om daar de hele tijd naast mij te komen zitten. Daarom gaat dit berichtje over vogels.

Het is de laatste dagen schitterend weer. Mijn keukenraam staat open en als ik even niet zing, geniet ik van het drukke ge-kèwkèw van de jonge kauwen. Ongeveer een week geleden zijn ze uitgevlogen, uit een vermoedelijk niet zo kunstig nest in de spouwmuur van mijn huis. Wekenlang had ik hun ouders daar – reuze behendig! – in en uit zien vliegen, door een gat in de gevel, dat daar ooit gemaakt is om de boel te isoleren. Nu is de hele familie overdag buiten en ben ik getuige van een soort onafhankelijkheidsstrijd, die zich bij hen niet uit in puberaal gedrag van de jongskens, maar in een obstinate weigering van de kant van het ouderpaar om hun kroost nog langer te blijven voeren.

Soms hangen de jongens/meisjes vlakbij mijn keukenraam over de rand van de dakgoot en kijken me aan met een wat brutale, vragende blik. Zou ik ze nog tam kunnen krijgen, vraag ik me af. Mijn gedachten gaan terug naar zomervakanties lang geleden. Mijn broertje en ik logeerden op de boerderij van onze grootouders en de buurjongens daar vermaakten zich met het tam maken van jonge eksters. Ze geloofden heilig dat je de vogels kon leren praten, nadat je hun tong een heel klein beetje losser had gesneden. Zij voerden hen stukjes in melk geweekt witbrood en als het even kon een uit moeder’s kippenhok gestolen ei. Met een windbuks schoten zij op mussen, want daarmee zouden ze de eksters pas echt groot krijgen.

En dan bedenk ik me plotseling dat het misschien niet eens zo’n goed idee is om die schoffies hier aan me te binden: straks hebben ze het nog voorzien op de jonge duifjes, die ik gisteren uit het ei heb zien kruipen. In een verslonsde hoek van mijn balkon zat al een poos heel stilletjes een paartje stadsduiven te broeden en nu liggen daar op die paar schamele takjes twee blinde, kale (dat gele pluis kan ik toch geen dons noemen) jongkies. Ze kunnen hun kopje nog maar nauwelijks optillen, maar ik weet uit ervaring dat ze over een maand klaar zijn om hun leven als ‘vliegende rat‘ te beginnen. Tot die tijd moet ik hen toch maar tegen kat (sorry Twiggy) en kauwen beschermen.

Gisteravond tijdens het ‘lernen‘ werd ons gevraagd wat wij ons voorstelden bij de gedachte dat wij naar Gods beeld en gelijkenis zijn geschapen. Dat viel ons (te) moeilijk, want zodra je dat gaat benoemen, ben je al bezig een beeld van de Eeuwige te vormen en daarmee breng je de Onbegrensde in het nauw. Vanochtend valt het me makkelijker: al zingend en genietend van het jonge leven dat in mijn huis een huis vindt, zie ik een puntje van vergelijking. Een puntje, meer niet, maar zeker ook niet minder.

Read Full Post »

22072015a

Een poosje geleden kwam Kairos weer eens langs. Ik greep hem bij zijn haarlok en toen hij uit het zicht verdwenen was, keek ik naar mijn hand. Die had een schoffel vast en voor mijn voeten lag een vijftig vierkante meter stugge zeeklei verwachtingsvol naar mij op te kijken. Doe iets met mij! Dat kwam goed uit, want ik had voor mezelf besloten dat het goed zou zijn mijn online leven in te dammen, voordat het helemaal geen oevers meer zou hebben om buiten te treden. Voltaire – Il faut cultiver son jardin! – keek instemmend over mijn schouder mee en ik ging aan de slag. Hierboven ziet u het resultaat van zeven weken wisselwerking tussen de natuur en mijn wil en inspanningen.

Ondertussen had mijn jongste dochter het VWO met goed gevolg afgerond en zat ik te luisteren naar de liefdevolle toespraken waarmee de docenten afscheid namen van twintig jongvolwassenen, met wie zij zes jaar waren opgetrokken. Bijzondere jonge mensen, we gaan nog van ze horen. Van die avond is één zinnetje bij mij blijven hangen: “Om je te kunnen ontwikkelen heb je privacy nodig,” citeerde een leraar uit het eindwerkstuk, dat een wat stille jongen had gemaakt over Big Data. Als die jongen terug is van zijn zomervakantie wil ik hem toch eens vragen of ik zijn scriptie mag lezen, om beter te begrijpen wat ontwikkeling en privacy met elkaar te maken hebben.

Overigens zou het niet slecht zijn om hier eerst een tijd lang in mijn eigen binnenwereld mee bezig te zijn. Niet slecht, wel ongemakkelijk: ik voel heel sterk mijn beperking, waar het gaat om het tot stand brengen van originele gedachten. Is alles wat ik hier schrijf eigenlijk een antwoord op wat er bij mij binnenkomt? Is de noodzaak die ik voel om op dit blog iets te maken van wat mij bezighoudt misschien louter het gevolg van een grote ontvankelijkheid? Is de tuin, die mij nu een omhulling geeft, verantwoordelijk voor de stilte op mijn schrijfplek? Was ik zozeer afhankelijk geworden van dat online leven voor het levendig houden van mijn gedachtenstroom?

Als dat zo was, dan ben ik waarschijnlijk niet de enige, en is het wellicht geen slecht idee om eens kritisch te kijken naar wat dat internet met ons doet. Een paar dagen geleden schoof Google me een moeilijk te negeren pop-up venster onder mijn neus, om mij te herinneren aan wat zij allemaal kunnen en willen doen met de data die ik met mijn surfgedrag genereer. Voor mijn bestwil, natuurlijk. Daarbij gaan zij ervan uit dat ik “relevantere zoekresultaten” van node heb, terwijl ik misschien wel zoek om iets te vinden waar ik nu juist niet op uit was. Scharrelmens die ik ben.

Laatst vroeg iemand mij – ze wist het antwoord wel – of ik ook het idee had dat gehurkt poepen momenteel een big thing was. Zij had op Facebook per ongeluk of uit nieuwsgierigheid een artikel over de ‘squatty potty‘ aangeklikt en kreeg nu al twee maanden regelmatig aanverwante artikelen toegeschoven in de suggesties waarmee de site je zo graag op weg wil helpen. En natuurlijk advertenties over andere ergonomisch verantwoorde toiletpotten. Is dat erg? Of alleen maar irritant? Waar het in ieder geval toe lijkt te leiden, is dat je in je online leven niet op weg geholpen wordt, maar in kringetjes rond geleid. Of in een fuik gelokt.

Zou hier misschien uit blijken dat het internet een obstakel kan zijn als je je wilt ontwikkelen? Lukt het de datareuzen steeds beter om ons gedrag te voorspellen doordát zij het onverwachte en ongerijmde uit onze levens verwijderen, tot wij alleen nog maar relevant zijn? Opeens maakt mijn rare associatieve brein een wilde sprong: in de wereld van Big Data ontwikkelen wij ons niet, wij accumuleren er slechts en elke gelaagdheid verdwijnt eruit. Daarbij ontstaat geen ‘profiel‘, maar bizar fossiel van een en face platgeslagen kop. Zoiets als het ding dat Johann Jakob Scheuchzer in 1725 ergens in Duitsland vond en aanzag voor een “homo diluvii testis en theoscopos“.

Misschien zijn wij straks allemaal reuzensalamanders, tenzij wij onze tuin onderhouden.

22072015b

 Voetnoot: het Latijn hierboven betekent “een mens die getuige is geweest van de zondvloed en die God heeft gezien“.

Read Full Post »

De wereld en ik

17012015a

Eigenlijk had ik nog willen ‘verwijlen‘ bij dat interview met de denker des vaderlands, maar toen gebeurde er opeens zoveel verontrustends, verderop in de wereld. Vandaag lijkt de Charlie-roes voorbij en is het geroezemoes zo polyfoon geworden dat ik er weer wat geruster op ben. Bovendien zat ik vanmorgen aan het bed van een man die op zijn laatste dagen loopt. Eerst voerde ik hem water met een theelepeltje, daarna nam hij een paar slokjes en toen ik hem wat later vroeg of hij misschien ook iets zou willen eten, antwoordde hij: “Ja, havermoutpap. Als het niet teveel moeite is.” Dat was het niet en even later pakte hij de kom en de lepel (ik wilde hem alweer voeren!) uit mijn handen en begon de pap heel langzaam uit te lepelen. “Dank je. Dat was lekker,” zei hij, wellevend als altijd. En toen viel hij alweer in slaap.

Zal hij er nog zijn, wanneer ik over twee dagen mijn volgende dienst draai? Dat ik er dan nog ben is waarschijnlijk, maar niet meer dan dat. En de wereld?

De aarde is niet uit haar baan gedreven
toen uw hartje stil bleef staan,
de sterren zijn niet uitgegaan
en ’t huis is overeind gebleven.

Dat constateert Willem Elsschot in de eerste strofe van gedicht Bij het doodsbed van een Kind. Verwonderd, bijna teleurgesteld.

Het trof mij diep, toen René Gude juist daarover begon in dat gesprek met Kefah Allush. Zelf was hij tot tranen toe geroerd en de interviewer hield het ook niet droog. (“Gekke kerel!”) Hij werd er verdrietig van, maar putte er ook kracht uit om zijn eigen dood te kunnen aanvaarden. Misschien is het raar, maar ik denk dat ik met hem mee kan voelen, ook al benut ik datzelfde vertrouwen juist om het dagelijks leven aan te kunnen. Het besef dat alles niet staat of valt met mijn bestaan of mijn bijdrage is een zegen voor iemand zo zwaar op de hand als ik.

Keer het eens om, zoals Housman – voor de grap – doet in dit gedicht:

Good creatures, do you love your lives
And have you ears for sense?
Here is a knife like other knives,
That cost me eighteen pence. 

I need but stick it in my heart  
And down will come the sky,
And earth’s foundations will depart  
And all you folk will die.

Als ik het me goed herinner troost Gude zich vooral met de gedachte aan zijn gezin, dat voort zal leven rondom de lege plek die hij hen laat. Een plek die zich langzaamaan ook weer met leven gaat vullen. Ik heb altijd gedacht dat het ingebed zijn in de loop van de generaties haast onmisbaar is voor een dergelijk levensgevoel, maar zonder meteen aan bloedverwanten of zelfs aan mensen te denken kan het ook:

Wanneer de lente komt
En als ik dan al dood ben
Zullen de bloemen net zo bloeien
En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.
De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

Ik voel een enorme vreugde
Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is

Als ik wist dat ik morgen zou sterven
En het was overmorgen lente,
Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.
Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd?
Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zoals het moet zijn;
Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield.
Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden,
Want alles is werkelijk en alles is zoals het moet zijn.

Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil.
Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen.
Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben
Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal het zijn dat wat het is.

Fernando Pessoa, 1915 (vert. August Willemsen)

Opeens schiet me ook weer dat gedichtje te binnen van Hannah Szenes, dat ik tijdens de Hebreeuwse les leerde:

17012015b

Read Full Post »

Zien

02102014

Afgelopen week is me iets bijzonders gebeurd. Om vijf uur in de morgen werd ik wakker en ik wist meteen dat ik niet meer in zou slapen. Dan kan ik net zo goed voor mijn werk uit nog even gaan zwemmen, besloot ik. Onder een sterrenhemel, dat heeft wel wat, en bovendien zou ik de eerste zijn die noten kwam rapen onder de walnotenboom aan het Anton Schleperspad. Het was schemerdonker toen ik daar aankwam, meer donker dan schemer, en er was geen kunstlicht voorhanden. Terwijl mijn ogen hun best deden zich aan het duister te wennen, schoof ik voorzichtig met mijn schoenen over het asfalt. Ik wilde voor geen goud een walnoot stuk trappen. Zo vond ik er zes. Dat was het dan, dacht ik.

Toen hoorde ik in de ochtendstilte een geluid dat ik bleek te kennen: het vallen van een walnoot. Tot mijn verbazing kon ik goed horen waar hij viel en ook nog dat hij nauwelijks verder rolde. Met meer vertrouwen dan daarnet liep ik naar de plek die mijn oren hadden gezien en raapte de (zevende!) noot feilloos op. Masha’Allah! Precies op dat moment realiseerde ik mij dat ik het vorige blogbericht net zo goed aan mijn moeder had kunnen opdragen. Het gaat namelijk niet alleen over de natuur en over ‘woordkunst’, maar ook over zien. En afgezien van mijn vader, zijn vogels en zijn verrekijker, heb ik dat toch vooral van mijn moeder geleerd.

Mijn moeder was blind en haar kinderen waren haar ogen. Vanaf mijn vroegste herinnering was ik vaak haar geleidehondje. Uit die tijd herinner ik mij het eerste compliment dat mij in de roos trof. Op een dag, in de trein, ergens tussen Hoorn en Wolfheze, zei zij dat ze mij graag bij zich had, omdat ik haar bijna zonder onderbreking vertelde wat ik allemaal zag in het voorbijsnellende landschap achter het raam. Die symbiose bracht mij iets waar ik tot op de dag van vandaag dankbaar voor ben: een heilzame oefening in zien. In zekere zin ben ik namelijk een gebochelde. Mijn blik richt zich van nature hardnekkig naar binnen, waar de stroom van mijn gedachten mij vaak weerloos met zich mee sleurt. Woorden, woorden, woorden! Vanwege een introverte dispositie? Of is het omdat ik zo sensitief ben, dat ik de wereld met zijn gewarrel eigenlijk te ingewikkeld vind om aan te zien?

Aansluitend bij het laatste meen ik iets te begrijpen van mijn fascinatie voor mystiek getinte proza en poëzie, waarin gezocht wordt naar de Ene in al die veelheid. Er gaat vaak een rust van uit die ik als troostrijk ervaar, wanneer ik moe word van alles wat bij mij naar binnen stroomt, of van wat daar al kolkt en wemelt. Als het aan mij alleen had gelegen zou ik in staat zijn geweest genoeg te hebben aan “de geluiden van de eerste dag“. Of te blijven bij de schreeuw om stilte in het volgende gedicht van Vasalis:

De zomerwei des ochtends vroeg.
En op een zuchtje dat hem droeg
vliegt een geel vlindertje voorbij.
Heer, had het hierbij maar gelaten.

Maar als ik zo dicht bij de ultieme herkenning ben en weldra het Niets in de spiegel zal zien, schrik ik wakker. Het is alsof ik in de trein zit en ben weggedroomd, en of mijn moeder me aanstoot: “Waar zijn we?” Buiten zie ik paarden in de lentewei, koeien, schapen, pinksterbloemen, een roerdomp aan een waterkant, een handvol kauwen in een grijze lucht, rijen populieren, ijler dan je denken kan, en dat alles warrelt door het spiegelbeeld van een mooie dame die ik droomde dat ik was. Die houd ik voor mijzelf, de rest vertel ik aan mijn moeder.

Het Niets mag mij dragen, graag zelfs, maar tegelijk ben ik blij dat ik geleerd heb de andere kant op te kijken. Als ik uiteindelijk alles prijs zal geven, is dit wat overblijft:

En wat ik heb aanschouwd
in heel mijn heerlijk leven
staat in mijn hart van goud
voor eeuwig opgeschreven.

F.L.Bastet

Read Full Post »

Older Posts »