Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for december, 2014

Rafelrandjes

29122014

Ach, het zijn heus niet alleen de managers, die in hun hang naar doelmatigheid het leven van zijn marges willen ontdoen. Ik vermoed dat wij allen met een verlangen naar zuiverheid beschmutzt zijn. Als we niet iets hebben dat we graag verboden of uitgebannen zouden zien, dan is er toch zeker wel iets dat we overbodig achten of niet de moeite waard. Gelukkig zijn we als het erop aankomt allesbehalve eensgezind. Alles vindt wel een verdediger en dat is maar goed ook, want il faut de tout pour faire un monde.

Mijn dagelijks werk draait om een randverschijnsel, waar wij als collectief steeds meer moeite mee hebben: de ouderdom. Nee, niet die permanente zonnige vakantie in Zuid-Frankrijk, die de verzekeraars ons proberen te verkopen, maar de moeizame aftakeling, die de verzekeraars op een hoopje en onder het tapijt willen vegen. De mensen die ik help om dat afbrokkelende leven te blijven verzorgen, zuchten vaak en roepen daarover in koor: “Iedereen wil oud worden, maar niemand wil het zijn!” En als ik zelf – moe van hun geweeklaag en mijn geploeter – de krant open klik, dan kijk ik verwonderd naar de bespiegelingen die mijn geleerde leeftijdgenoten wijden aan de oude dag.

Zo las ik eind oktober een boeiend betoog van ene Ezechiël Emanuel (1958), die zich voornam om na zijn 75ste verjaardag geen medische interventies meer toe te laten. Hij had dit goede voornemen met een heleboel prachtige redenen omkleed, nam een verstandige slag om de arm en benadrukte graag dat hij dit niet bedoelde als een recept voor het levenseinde van zijn toehoorders. Misschien had hij het dan, zeker in zijn hoedanigheid als bio-ethicus, beter voor zich kunnen houden, ben ik geneigd te denken. Maar geen nood, gelukkig kent de wereld tegengeluiden. Twee maanden later nam een andere hoogleraar (Joep Dohmen – 1949), “auteur van een aantal boeken over levenskunst”, tegenover hem plaats op de wip.

Tja, en hoe gaat dat dan in de academische speeltuin? Dohmen was niet zwaarder, dus hij schoof zich stiekem wat verder naar het uiteinde, zodat Emanuel op het hoogste punt een eindje de lucht in vloog. Het lukte me niet in de lach te schieten, want de karikatuur die hij van zijn waarde opponent maakt, had ik er niet in gezien. En nog niet, trouwens. Al met al biedt hij in mijn ogen weinig soelaas. Eigenlijk treft mij vooral de overeenkomst tussen de dappere bio-ethicus en de hooggeleerde humanist: beiden kijken op een idealiserende manier naar het leven. Waar de één het rottigste stukje er maar liever af wil knippen, naait de ander er een fraaie lap overheen. Ik kan het niet laten om het citaat van Goethe, waarmee hij zijn rede afsluit, te herhalen:

Weliswaar is mij niet onbekend gebleven dat allerlei moraalfilosofen over de ouderdom en de bijbehorende ellende hebben geschreven, maar ik heb geen van die betogen gelezen omdat ik een onvermijdelijk lot, als het mij gegeven mocht zijn, op dezelfde manier als veel andere dingen wilde ervaren en doorgronden. Wat je hebt meegemaakt, moet je weten te waarderen, het meest de nadenkende mens op hoge leeftijd; hij voelt vol vertrouwen en welbehagen dat niemand hem dat kan afpakken. Ook de hoge leeftijd kent zijn bloei.

Ja, ja. Ik weet niet precies welk lot Goethe gegeven is geweest en hoe hij het op dat moment waardeerde. Nog minder weet ik wat mij gegeven zal zijn als het zover is, dus eigenlijk kan ik er ook niet veel over zeggen. In het nu sta ik met één been in de wereld van mijn aftakelende medemensen en met het andere in de wereld zoals de media me die aanreiken. In beide zie ik hoe de mensen zich in allerlei verschillende bochten wringen om oog in oog te kunnen staan met de ouderdom en het sterven. De een houdt zich groot en flink, de ander maakt het Erge kleiner met het vitriool van de galgenhumor. Weer iemand roept de schone kunsten te hulp, en nog een ander houdt al intellectualiserend de pijn ervan op gepaste afstand. Ik vind het allemaal goed en best, zolang we elkaar er maar doorheen helpen. Er is in dit alles echter één ding waar ik huiverig van word: soms lijkt het verlangen om de rafelrandjes van het leven te verwijderen normatief te worden. Dat is begrijpelijk, want ook met Goethe in de hand worden rafels geen franje. Maar laten we de ouderdom alsjeblieft niet afschilderen als een kostenpost of als iets wat niet strookt met de menselijke waardigheid. We verdienen beter.

Advertenties

Read Full Post »

Wonderen en wetten

13122014

De wonderen zijn de wereld nog niet uit en sinds kort heb ik begrepen dat dat ook nooit zal gebeuren, dankzij een bijzondere natuurwet. Laat ik voor alle duidelijkheid de wonderen die ik bedoel wat nader omschrijven: het gaat mij om ‘rekenwonderen’. En dan vooral om de mensen die doorgaans rekenen met meer dan zes cijfers vóór de komma. Die treft men vooral aan in de politiek, en als ze daarvoor nog iets te groen zijn, in het management van grote organisaties. Zij rekenen op een manier die mij altijd aan mijn vroegere wiskundelerares doet denken. Zij rekenen zich graag rijk, en dat lukt hen aardig, als je hun loonstrookjes als maatstaf neemt. Maar, zei mijn vader zaliger, wat niet uit de lengte komt, moet uit de breedte komen, en daar hebben ze niet bijster veel benul van.

U voelt het al: het zal weer over de zorg gaan. En gelijk heeft u: alweer denk ik aan de politici, die ons aanpraten dat de niet gespecialiseerde langdurige zorg in dit land wel door familie en vrienden kan worden verricht. Oh, en laat ik de buren niet vergeten! De buren, ofwel – in het jargon van onze managers – “het netwerk in de wijk”. Ik probeer mij dat heel braaf voor te stellen. Maar vooral heel concreet, cliënt voor cliënt. En dan zie ik twee groepen voor mij: degenen die wel over zo’n netwerk beschikken en degenen bij wie dat niet voorhanden is. Bij de eerste groep zijn de mantelzorgers meestal reeds overbelast of bezig dat te raken en bij de tweede groep hebben die zich allang uit de voeten gemaakt. Sommige mensen bezitten een onovertroffen talent om zich te isoleren.

Met andere woorden: het gaat ‘m niet worden, die participatiesamenleving, die ons allen zoveel geld zal besparen. Maar vertel dat maar eens aan onze managers. Die denken liever in de termen van de beroepsgroep waar zij zich alvast bij thuis voelen. Zo werden wij een paar maanden geleden onder druk gezet met alarmerende cijfers, met rekensommen in astronomische getallen. Gevolg was een poging van ons team om bij alle cliënten waar we meestal een ietsje eerder klaar waren de zorgtoekenning in te korten. Daardoor konden we met één collega minder toe. Fijn, want haar derde jaarcontract werd toch al niet omgezet in een vaste aanstelling. (Over het feit dat zij pas drie jaar geleden haar opleiding voltooide met subsidie van het Europees Sociaal Fonds zal ik het maar niet hebben. Wat vroeger kapitaalvernietiging heette, heet nu ‘creatieve destructie’.)

Of we daarmee inderdaad hebben voorkomen dat onze organisatie haar hoofd niet tegen het zorgplafond heeft gestoten, weet ik niet. Wel kan ik u vertellen waar wij in ons dagelijks werk tegenaan liepen. Onze roosters zaten plotseling zo strak in elkaar, dat we geen enkele onvoorziene gebeurtenis (een man die ons belt omdat ie opeens niet zelf uit bad kan komen, een bed dat drijft van de diarree) meer konden opvangen zonder dat de rest spaak liep. En als we per ongeluk een dienst hadden met veel ‘kwartiertjes’ (steunkousen aantrekken, ogen druppelen), dan konden we de tijd die we nodig hadden om van het ene huis naar het andere te fietsen niet meer van de zorgmomenten afsnoepen. Wat niet uit de lengte…., enzovoort, dus dat moest uit onze eigen tijd komen, want we mogen niet meer dan een kwartier fietstijd per dag schrijven. Van de rekenwonderen verlos ons, Heer!

Maar dat zal niet gebeuren, want mensen zijn (precies als) dieren. Afgelopen week las ik in de krant een prachtig verhaal over koeien die niet geschikt blijken voor een gerobotiseerd boerenbedrijf. Op elke tachtig zijn dat er acht. Als je probeert die bij elkaar op een gewone boerderij te plaatsen, zodat je in de overige negen kuddes alleen maar goeie koeien overhoudt, dan gebeurt er iets wonderlijks: in elke stal blijken er opnieuw acht koeien te zijn die niet mee kunnen komen in de vaart der volkeren. En zet je op die ouderwetse boerderij een robot neer, dan doen 72 beesten netjes hun best om zich daarnaar te voegen.

Moraal van dit verhaal: verwacht niet teveel van al die pogingen om de dingen in deze wereld beter te regelen. Dit is al de ‘best of all possible worlds‘. Toegepast op onze situatie in de zorg: we moeten het zien te rooien met die rekenwonderen, die de wereld maar niet uit willen. Wat je niet uit de lengte krijgt, moet je maar uit de breedte halen. En: hopen dat die natuurwet van acht op tachtig zo vast is als hij lijkt.

Read Full Post »

Het ritselen van water

10122014

Laatst zat ik met mijn meest erfolgreiche broer aan de koffie. Ik vertelde hem dat ik een paar maanden geleden begonnen was Hebreeuws te leren, in de hoop dat ik ooit een gedicht van Jehuda Halevi zou kunnen lezen en de schoonheid daarvan zou kunnen bevatten. “Kun je niet iets nuttigers bedenken om te doen?” vroeg hij lachend. Vertwijfeld op zoek naar een antwoord verzuimde ik hem te vragen wat hij met de vraag bedoelde. Was het een aansporing om meer bij te dragen aan het bruto nationaal product? Of iets te doen waar zoveel mogelijk medemensen gelukkiger van zouden worden? Lag er misschien een diepere, meer existentiële vraag aan ten grondslag?

Vanochtend zat ik in de tram (het was slecht weer) op weg naar de Hebreeuwse les en ik rolde die lastige vraag nog eens als een okkernoot over een tafelblad. Nut, noot, nood. Ondertussen beviel het geluid me wel. Beter dan wat de mij omringende werkelijkheid op dat moment te bieden had. Terwijl ik al die mensen om mij heen zag bewegen van al die A’s naar evenzovele B’s, vroeg ik hen allemaal tegelijk naar het nut daarvan. Hevel heveliem, zuchtte Het en voor mij zag ik een woestijnlandschap met daarin een paar piramiden. Ooit hoorde ik iemand beweren dat de Egyptische beschaving te gronde ging door een uit de hand gelopen aandacht voor het leven na de dood. Hun hele economie draaide om die dodencultus, maar daar zat geen toekomst in.

Buiten brak de zon door, maar het bewegen der mensen veranderde niet. Binnen waren mijn medereizigers op weg naar de nimmer eindigende eeuwigheid met hun smartphones in de weer. Als onze beschaving straks ten onder is gegaan, zal er dan iemand zijn die zegt: “Toen hun eerste levensbehoeften schijnbaar moeiteloos vervuld werden, overleefde het antwoord de vraag. Tenslotte draaide hun hele economie om een onverklaarbare verplaatsingszucht en een obsessie met informatie en communicatie. Wat de techniek mogelijk maakte, dat gebeurde ook. Onafwendbaar.” Zal er?

Tijdens de les lazen wij een eenvoudige tekst over een jonge vrouw, die verliefd werd (hiet’ahava) op het landschap van Israël. Verliefd op de lucht, op de mensen en op de taal. Middenin die verliefdheid werd ze geraakt door het lot van haar volksgenoten in Europa. Zij werd vrijwilliger bij een commando parachutisten en vertrok naar Joegoslavië om daar te vechten. De nazi’s pakten haar op en brachten haar ter dood, een paar maanden voor de bevrijding. Nut, nood, dood.

Op de volgende bladzijde van het boek stond een gedicht van haar (de tekst staat hier). Wij kenden op een paar na alle woorden: maar wat betekende ‘riesjroesj‘? Dat stond niet in de woordenlijst. Ook onze docent kon niet op het juiste woord komen. “Je zegt het van papier,” zei hij en frommelde een blaadje met iemands huiswerk tot een prop. “Ritselen,” riep iemand. “Juist,” riep hij, maar een ander opperde dat je eigenlijk niet kan zeggen dat water ritselt. “In het Hebreeuws ook niet, maar dat is juist het mooie als iemand een gedicht schrijft in een taal die haar niet eigen is,” wierp hij tegen. “Dan ontstaan er nieuwe verbindingen tussen woorden en betekenis.” En toen klikte hij een filmpje aan, want de les eindigt altijd met een liedje:

Read Full Post »

06122014“Mama, kijk: Zwarte Piet!!”

Dat was me een heerlijk avondje, gisteren. Geen koek en geen gard. Geen makkers en geen wild geraas. Door de bomen waaide zelfs geen wind. Heerlijk stil. Had ik de kat niet gehad, dan had ik zeker muizenvoetjes horen gaan: trippeltrippeltrippeltrap. Ook de krant die ik las, ritselde niet, want die gooit mijn goeie buur (vier verre vrienden waard!) geruisloos door mijn digitale brievenbus. Heerlijk, zo stil. Zo stil was het, dat ik mijn gedachten kon horen. En die klonken, als altijd, naar een boom vol spreeuwen die zich klaarmaken voor de nacht, een paar straten verderop. Ik dacht maar eens over Zwarte Piet, daar hoort men immers iets over te vinden.

Toen schrok ik, want ik dacht dat ik mezelf hoorde grinniken. Gelukkig bleek het de potkachel te zijn, die stond te snorren op vier, alsof dat nog steeds heel gewoon was. Gut, dat is waar ook, ik moet dit jaar de schoorsteenveger nog bellen! En weer hadden de spreeuwen het over Zwarte Piet. In de krant had ik immers gelezen dat het een geniale vondst was om het zwart van Piet aan zijn roetige arbeidsomstandigheden te wijten. De spreeuwenbomen bleken hoog en stonden langs een tuinpad, aan het eind waarvan ik mijn vader zag staan. Die was een halve eeuw geleden al op dat idee gekomen. Wat moest hij anders: we hadden daar in die “neevlen van het Noorden – Die winters dempen weiden, slooten dicht” nog nooit een ‘medemens-met-een-donkere-huidskleur-zal-ik-maar-zeggen‘ gezien. Die kwamen pas na zijn dood, een paar jaar later.

Ach, ik kan moeilijk zeggen dat er voor mij niets op het spel staat. Ik zou ‘m missen, Zwarte Piet. Maar ik heb niet veel te vrezen, want ik zal blij zijn met die dartele levende bezems, die (let op mijn woorden) over een jaar of tien als geluk zo gewoon zijn. Onder mijn vrienden tel ik één telg uit een roemrijk geslacht van schoorsteenvegers. Zal hij zich vereerd voelen? En verder heb ik al het wild geraas rond Zwarte Piet met grote verwondering gadegeslagen. Ik zag hoe de hoogopgeleiden met de winst van morele superioriteit aan de haal gingen en door de populisten met grachtengordelitis werden gediagnosticeerd. De nieuwe kloof, de oude klassenstrijd. Ik stond te kijken van de intellectuele ijver die aan al die analyses en duidingen werd besteed. Bovenal verbaasde ik me over al die mensen die serieus dachten dat cultuuruitingen met behulp van het Recht konden worden vastgelegd of uitgebannen. Quod deus avertat.

Nee, als je het mij vraagt zal het heil dit keer niet van de intelligentsia of de politiek komen, maar van de commercie en het amusement. Hopelijk was ik niet de enige die dubbel lag om de Sinterklaasreclame van bol.com of om de vindingrijkheid van de makers van het Sinterklaasjournaal. Vandaag stond er een interview in de krant met Ajé Boschhuizen, de baas van het circus. Ik was aangenaam getroffen door de bescheidenheid van die man. Hij gaf een kijkje in de keuken waar hij “een leuk tv-programma wilde maken, dat reflecteert op die discussie. Niets meer en niets minder.” Indrukwekkend. En dan weer die bescheidenheid: “We varen met de stoomboot door een smalle sloot. We kunnen een beetje naar links en een beetje naar rechts. Maar nooit teveel, want dan lopen we vast. Dat neemt niet weg dat we een grote verantwoordelijkheid voelen.”

En let op zijn relativeringsvermogen: “Ik zei: besef wel dat wij allemaal in Het Reservaat leven; Amsterdam, Haarlem, hoogopgeleide, artistieke kringen. Maar daarbuiten ligt een heel ander Nederland.” Speels is hij ook, als hij van de nood een deugd weet te maken in plaats van andersom. De schoorsteen van een verffabriek, die eerst “lelijk in het shot” leek, wordt “een teken” en uiteindelijk de oefenschoorsteen van de pietenschool. “Ik wilde laten zien dat piet een functie is; iets wat je kan leren.” Ook hier denkt hij op door, want de magie moet blijven. Als hij de Sinterklaastraditie “een sprookje” noemt, denk ik meteen aan de pogingen van weleer om heksen en stiefmoeders uit de kinderboeken te weren. Wat word ik toch oud!

En dan de zwarte sint. Die kun je volgens Boschhuizen “accepteren of niet, en volgend jaar verzinnen we weer iets heel anders. Wij willen juist laten zien: neem het niet te nauw. Je kunt veel kanten uit met deze traditie.” Dat wil ik wel even doorgeven.

Read Full Post »

Bescheiden professies

04122014

‘Ik ben blij dat dat ophemelen van de participatiesamenleving
nu eens vakkundig en met goede argumenten is doorgeprikt’

Els Borst-Eilers, 16 december 2013 (n.a.v. een andere lezing van Margo Trappenburg)

Wat ben ik toch blij dat ik in een land leef waar de dood van sommige mensen het begin is van een lezingencyclus. Als ik de kans krijg, ga ik er naartoe. Zo volgde ik dit jaar de vierde Rudy Kousbroek-lezing en de eerste Laurens van der Graaf-lezing, in levenden lijve. En als dat niet lukt – een lijf kan zich slechts op één plaats tegelijk bevinden – dan lees ik er graag over in de krant. Zo heb ik weet van de vierde Comenius-lezing en van de tweede Els Borst-lezing. Van al deze werd ik blij, maar de laatste wil ik graag nog een keer onder de aandacht brengen. Al was het alleen maar omdat het mijn dagelijks werk een sierlijke krans om hangt: vanaf nu ben ik niet slechts een werkende arme, maar beoefen ik een ‘bescheiden professie’.

Al lezend herken ik alles wat Trappenburg beschrijft: de nadruk die onze opleiders en managers – die zelf meestal nooit in de zorg gewerkt hebben – leggen op ‘methodisch denken en werken’. De tijd die wij steken in het registreren van al die plannen en activiteiten. En de weerbarstigheid van het jargon, waarin we de immer beweeglijke realiteit van de zorg die wij verrichten moeten zien te persen. Om nog maar te zwijgen van de neiging om juist die werkelijkheid als weerbarstig te zien en de regels en doelen als zaligmakend, of zelfs heilig en heiligend.

Alles moet SMART worden geformuleerd. Risicosignalering verloopt het beste via een strak formulier, waarin we enkele tientallen moeilijke vragen tot evenzovele simpele vinkjes reduceren en waar dan de BEM-score uit rolt, of de SNAQ-score. Om te voorkomen dat we iemand in de stront laten zitten, stellen we een zorgplan op, waarin decubituspreventie het doel is, dat dient om het drie maal daags verschonen van  inco-materiaal te heiligen. (Vaak moet eerst een dure deskundige worden ingeschakeld om vast te stellen of iemand daadwerkelijk incontinent is en de luiers vergoed mogen worden.) En zo zou ik nog wel even door kunnen wandelen in het woud van acroniemen.

Goed, we vullen braaf van alles aan ICT-shit in, voordat we aan die luier met poep toekomen, maar dat voegt, behalve het gevoel een zinloze bezigheid te verrichten, doorgaans niet veel toe. Het houdt slechts de wolven op afstand. En daarmee kom ik op een ander punt van Trappenburg: evidence based werken in de zorg speelt een belangrijke rol bij het beantwoorden van de vraag welke zorg wel en welke geen financiering vanuit collectieve middelen verdient. Achter het vaandel van de ‘participatiesamenleving‘ wordt daarmee schielijk de activiteit waar ik nu nog mijn brood mee verdien naar de privé-sfeer verschoven.

Vervolgens legt Margo Trappenburg zacht, maar ferm de vinger op de zere plek: de natuur is oneerlijk in het toekennen van zorgtaken. Anders gezegd: shit happens en de duivel schijt net als een varken liefst ergens waar al wat ligt. Wij hebben lang een samenleving genoten die zich ten doel stelde deze oneerlijkheid van de natuur een beetje recht te trekken. Nee, niet door zorgtaken binnen uitzichtloze situaties (mijn werk is veel pappen en nathouden, dweilen met de kraan open en huilen met de lamp aan) een passende beloning te geven, maar daar zeur ik allang niet meer over. Tot nu toe echter nog wel door die taken via de financiering ervan over ons aller schouders te verdelen. Laten we dat zo houden, betoogt Trappenburg, niet luidruchtig, maar hopelijk wel overtuigend.

Ik heb zelf een ongelooflijk leuke zoon die geen zorg van hulpverleners nodig heeft. Mijn ouders zijn relatief jong overleden, dus er wachten mij geen zware mantelzorgverplichtingen. Niettemin hoop ik dat ik in een gemeente woon die mild zal zijn voor inwoners voor wie dit anders ligt. Ik betaal graag belasting en premies zodat mensen die zorg en hulp nodig hebben, kunnen worden bijgestaan door bescheiden professionals met een normale baan en een fatsoenlijk salaris. Niet omdat die zorg en hulp door het hen omringende sociale netwerk met geen mogelijkheid kan worden geleverd, of omdat het hier zou gaan om hooggespecialiseerd werk vergelijkbaar met open hartchirurgie. Wel omdat het hier gaat om een verstandige vorm van arbeidsdeling, omdat mensen met zorgbehoevende familieleden ook een eigen leven moeten kunnen leiden.

De lezing Bescheiden professies – Over evidence based werken buiten de cure is hier in zijn geheel te lezen.

Read Full Post »