Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for januari, 2014

Coquo ergo sum

29012014

*

Cooking is even more uniquely characteristic of our species than language. Animals do at least bark, roar, chirp, do at least signal by sound; only we bake, boil, roast, and fry.

Alfred W. Crosby in Hungry Planet

Hoewel ik deze uitspraak met oprechte instemming citeer, geloof ik ook zonder een dergelijk criterium heilig dat mensen geen dieren zijn, laat staan de mens een dier. Mensen zijn van een andere orde; zelfs als wij ons onmenselijk gedragen, komen we daar niet onderuit. En als we alle attributen die men wel aandraagt om ons van de dieren te onderscheiden kwijt zijn, dan nog zijn wij mens. Wat niet wegneemt dat je in grote moeilijkheden kunt geraken als je besluit de enige mens te zijn die haar voedsel niet kookt. De mens heet ‘ein geselliges Tier’ te zijn, maar dat is lang niet altijd even gezellig.

Misschien betekent het eerder dat het dier (of is het de mens?) in ons graag ergens bij wil horen én verlangt naar exclusiviteit. Naast onze taal gebruiken wij daarvoor ons voedsel: ‘nation-making’ noemde een leraar geschiedenis dat, toen we het gisteren tijdens de ‘douchebeurt’ over voedselgeschiedenis hadden. Men denke daarbij aan “de W van stamppot eten” en aan Maxima’s koekje bij de thee (één koekje, wel te verstaan). Dat deden de Romeinen ook al: Plautus noemde zijn eigen volk gekscherend (en tweetalig!) ‘pultophagonides’. Op mijn andere blog zal ik het nog regelmatig hebben over de rol van hun eetgewoonten bij hun streven naar elitevorming.

Ik doe daar trouwens graag aan mee, zolang ik het met een korrel zout mag nemen. Zo ben ik dol op het begrip ‘terroir’, die romantische stepping stone in het mistige moeras van onze geglobaliseerde voedselproductieketen. Maar als ik kijk naar de natuurlijke gesteldheid van de landstreek waar ik ben opgegroeid en nu al een halve eeuw rondloop, dan word ik snel minder enthousiast. Mijn voorouders (van vaders kant) waren veeboeren en kooikers. Veel anders zat er niet op, temidden van veenweiden, elzenbroek en water, water, water. Nu heb ik niets tegen vlees en zuivel, vissoep en eend lust ik ook, – eendeneieren kan ik minder waarderen – maar roggebrood, brrrr! Nee, sleep maar aan, dat tarwebrood, die mandarijnen, aubergines, kippen, avocado’s.

Als het er op aankomt ben ik echter het meest gecharmeerd van de grensoverstijgende mogelijkheden van het samen eten. Minstens eens in de drie jaar kijk ik naar Babettes gæstebud, om te zien hoe de liefde van een kok zelfs de meest weerspannige zielen over een heilzame streep kan trekken. Die andere film moet ik nog steeds een keer zien: Salata Baladi van Nadia Kamel. En als ik een keer feestelijk wil koken voor mijn gasten, laat ik me graag inspireren door Yotam Ottolenghi, u weet wel, die leuke Londense chef met zijn vele nationaliteiten: geboren in Israël, van een Duitse moeder en een Italiaanse vader.

He received his British citizenship in 2012. He lives in West London with his partner, Karl Allen, whom he married in September 2011, in Massachusetts. They have a baby son.

Heerlijke ingrediënten! Zonde om daar een stamppot van te koken, liever meng ik ze tot een salade. Rauw, met de Franse slag.  Je n’ai jamais loupée une de mes vinaigrettes, dat heb ik geleerd van mijn Franse schoonzus.

*

Exif_JPEG_PICTURE

Read Full Post »

Zuster ezel

27012014

Er is een tijd geweest waarin ik een heel basale antipathie ervoer, telkens wanneer ik geconfronteerd werd met heiligen en hun houding tegenover het lichaam en zijn passies. Precies dezelfde irritatie voelde ik wanneer ik vrouwen op een militante toon het moederschap hoorde devalueren. Inmiddels snap ik waarom: in mijn ogen wezen zij de mooiste der menselijke mogelijkheden af. Juist die waarvoor ik mijn ziel aan de duivel had willen verkopen om daar dichter bij in de buurt te geraken. Nu kan ik hen zien en aanvaarden zoals zij zijn, zonder de noodzaak mij tot hen te verhouden.

Nu ik zo dicht bij mijn eigen levensgeluk ben gekomen dat ik de warmte ervan onderga als een augustusmaand, merk ik dat mijn kijk op het lichaam zich als het ware verruimd heeft. Ik zie het niet langer in extremen, in termen van afwijzing en overgave, maar als een samengaan. Zoals het samen optrekken van een reiziger en zijn ezel en daarmee ben ik onbedoeld weer dichtbij een bekende heilige. Niet bij een dualisme in filosofische zin, zeg ik er voor alle duidelijkheid even bij.

Eerlijk gezegd moet ik nog een beetje wennen aan die nieuwe vorm van symbiose. Daarbij stel ik mij een soort innige ironie voor ogen, die ik – dankzij mijn werk – mag afkijken van vrouwen die al veel langer op reis zijn. Terwijl ik hen behulpzaam ben bij de zorg voor hun ezeltje, praten zij daar veel over. Soms mopperig, vanwege de nukken en grillen, meestal echter vol liefde. Het ezeltje zwijgt, maar God hoort hem grommen.

Een enkele keer mag ik met hen mee reizen tot een stukje voor de bocht in de weg waarachter zij het land der levenden verlaten. Of zij dan ook afscheid van elkaar nemen, weet ik niet, zoveel kan ik niet zien. Wel is me meer dan eens opgevallen hoe er dan een sfeer van onthecht zijn kan heersen, die voelt als een grote lichtheid. Een vertrouwdheid zonder bezitsdrang ook, als in een goed huwelijk. De opperste wederkerigheid van Philemon en Baucis: het doet er niet meer toe wie de baas is, wie er zorgt of wie er dient. “Het is goed,” zei de mevrouw over wie ik twee weken geleden schreef toen wij afscheid namen.

Read Full Post »

Apicius 4.0

apiciana

*

Eens in de tien jaar – zo merkte ik gisteren – keer ik, na enige omzwervingen, terug naar wat misschien wel mijn ware passie zal blijken te zijn: de kookkunst der Romeinen.

In 1984 studeerde ik klassieken en zat ik in de redactie van WAU, ons faculteitsblaadje. Wat is een periodiek zonder kookrubriek, dacht ik, en zo begon mijn eerste kennismaking met De re coquinaria, een verzameling recepten uit de vierde eeuw na Christus, waarschijnlijk ten onrechte toegeschreven aan Apicius. Al gauw deed de hele redactie mee en stond er van alles te pruttelen op de gasstelletjes in onze zolderkamertjes. We wisten van toeten noch blazen, maar dat mocht de pret niet drukken. Zo kookten wij een blik gekookte ham nog maar eens, na er een keurig ruitpatroon in te hebben gekerfd, maar dan met (gedroogde) vijgen. Wat in een kookboek staat, dat moet gekookt, nietwaar?

In 1994 zou ik het degelijker aanpakken, misschien zelfs met behulp van een echte computer (MS-DOS). Het kan echter ook té degelijk. Terwijl ik rondjes zwom in een mer à boire, kwam Patrick Faas in opspraak omdat hij witte muizen verdronk in rode wijn. Ik weet nog steeds niet waar hij dat recept had opgeduikeld. Zijn boek kon niet door mijn beugel, maar hij had een boek en ik ruimde na verloop van tijd mijn uitpuilende keukenkastjes leeg en stopte mijn aantekeningen onder in een doos. Voor later, er komen altijd betere tijden.

In 2004 was het zover: ik had (figuurlijk bedoeld) dat lang verbeide gebroken been dat tot lezen dwingt en haalde de vergeelde fotokopiëen van Jacques André maar weer eens voor de dag. Nu had ik een Mac en dank zij internet lagen alle bronnen binnen mijn bereik. Tot mijn verbazing kwam ik er niet in om, maar kwam er zelfs iets uit mijn handen, al werd ik er niet zo rijk van als ik wel had gehoopt. Er is een website die nog steeds bezocht en gewaardeerd wordt, vooral door scholieren die werkstukken moeten maken. Ik heb workshops gegeven, ben op de radio geweest en heb zelfs een heuse lezing gehouden die tweemaal op een avond een volle zaal trok. Waarom heb ik dat op een gegeven moment zomaar links laten liggen?

Nu is het 2014 en gisteren was ik een van de toehoorders bij het eerste Amsterdam Symposium on the History of Food. Opnieuw was ik geraakt. Anderen hebben niet stilgezeten, het onderwerp leeft volop, in academia en daarbuiten. Oude bekenden waren er en bleken mij nog te kennen, allemaal dank zij internet. Kom op, weer aan de slag! Er spoken minstens twee boeken door mijn hoofd, één voor in de keuken en één voor op de bank. Dit jaar nog? Volgend jaar? In ieder geval voor 2024, neem ik mij voor. En omdat uit een keuken waar gewerkt wordt geuren moeten opstijgen en omdat de kok regelmatig moet proeven hoe het ermee staat, begin ik vandaag nog een nieuw blog.

Read Full Post »

Levenslessen

15012013

Gisteren zat ik aan het bed van een dame die rustig lag te wachten tot de dood haar zou komen halen. Of nee, zij sprak weliswaar op rustige toon, maar echt rustig was zij niet, eerder wat ongeduldig. Zij probeert in aanmerking te komen voor euthanasie en dat blijkt niet mee te vallen. Ogenschijnlijk is er geen sprake van het vereiste ‘ondraaglijk en uitzichtsloos lijden’. Wat haar naar het einde doet uitzien is een simpel ‘het is op’. Lichamelijk, maar daar hanteert de dood andere maatstaven, en geestelijk, maar daar neemt de wet geen genoegen mee.

In alles wat zij me vertelde trof mij vooral haar besef dat er niets meer te leren viel. Zijn wij dan hier op aarde om te leren? Non scholae sed vitae, maar dan nog een stap verder: levenslessen als viaticum voor de reis naar de eeuwigheid? Met veel plezier lees ik zo nu en dan in Trouw de rubriek Levenslessen, waarin bekende Nederlanders proberen te verwoorden wat het leven hen geleerd heeft. Ze doen dat volgens een vast ‘format’: een aantal scheurkalenderwaardige one-liners, gevolgd door een uitleg over de weg die hen tot die wijsheden heeft geleid. Boeiend om te zien hoe verschillend die lessen uitpakken. Daaruit trek ik op mijn beurt graag de lering dat er in het leven geen sprake is van De Bedoeling.

Voor mij is het bovendien aanstekelijke lectuur. Het zijn stuk voor stuk verslagen van de zoektocht naar zelfkennis, en aan de hand van de ervaringen en impliciete vragen die de openhartige BN-ers zich stellen, daal ik bij tijd en wijle af in mijn eigen binnenste, om te zien of er ook bij mij reeds sprake is van dergelijke wijsheden. Onlangs had ik iets opgediept wat er op leek. Ik was nog bezig het af te stoffen en tegen het licht te houden, toen ik een vergelijkbaar exemplaar tegenkwam in een boek dat ik las: Limonov van Emmanuel Carrère. De schrijver noemt het een roman, maar het leest als een biografie en verscheen voor mijn geestesoog als een documentaire.

Het gaat over het leven van een Russische avonturier, een man die alles in het werk stelde om zijn eigen held te worden. Wat de schrijver me in de eerste 146 bladzijden bijna ad nauseam had laten voelen, begon hij op pagina 159 te benoemen: de hoofdpersoon neemt zichzelf, de wereld en zijn medemensen voortdurend en meedogenloos de maat. Zo kwam zijn wereld eruit te zien als een toneel waarop Übermenschen en Untermenschen in schrille contrasten hun leven leiden, in de nimmer aflatende angst een ‘loser’ te blijken. En dan komt de wijsheid die toevallig ook in mijn rommelige kelder bleek te liggen – in wat voor oplage maakt het leven zulke lessen aan? Het blijkt een boeddhistische soetra te zijn:

Een mens die zich hoger, lager of zelfs de gelijke acht van een andere mens, begrijpt de werkelijkheid niet.

De rest van het boek toont de verdere Werdegang van Edward Venjaminovitsj Savenko, alias Limonov en hoe hij loskomt van die hardnekkige neiging het leven langs een meetlat te leggen. Mijn eigen tocht naar hetzelfde punt is uiteraard heel anders, maar vertoont ook wonderlijke overeenkomsten. De mooiste vind ik de observatie van Carrère hoe zijn held in de gevangenis naar de levens van anderen begint te kijken op een manier die niet classificeert maar tot een – alweer boeddhistisch – mededogen leidt. Alsof hij niet langer een duimstok maar een schilderspalet in zijn handen heeft.

De hand van de mevrouw die gisteren onwillekeurig de mijne vastpakte, heeft toevallig een groot deel van haar leven een palet vastgehouden. De werken die de muren van haar kamer sieren zijn haast nog kleurrijker dan de bloemen waarmee haar beminden haar omringen.  “Ik heb verschrikkelijke dingen meegemaakt en ook verschrikkelijke dingen gedaan, maar dat heb ik allemaal verwerkt. Wat overblijft is het gevoel dat het goed was.”

Read Full Post »

Verstand

09012014

In het voorjaar van 1968 kondigde zich vanuit het verre oosten een griep-epidemie aan, die alvast de Mao-griep genoemd werd. Ik zat in de hoogste klas van de Dr. Abraham Kuijperschool, een school met de bijbel, en voor de klas stond een bovenmeester, die een bijzondere fascinatie koesterde voor de Apocalyps. Iedere morgen begon hij met een overdenking, waarin hij een gemiste roeping als evangelist leek te willen goedmaken. Hoewel, een blijde boodschap was het doorgaans niet. Wij staarden zwijgend naar die buikige brulboei, die voor het schoolbord langs ijsbeerde, terwijl zijn stem aanzwol en wegebde als de Noordzee bij storm.

De eerste berichten over de verwachte griepgolf greep hij aan om ons met de neus op de feiten te drukken: aan het eind van dit jaar zou van deze klas nog maar de helft van de leerlingen over zijn. “Zijn jullie klaar om voor de rechterstoel van Christus te verschijnen?” donderde het vanachter de lessenaar, waaraan de meester zich met iets te veel gevoel voor drama vastgreep. Wat er in de andere stille hoofdjes omging, weet ik niet, maar mij werd het koud om het hart. Niet zozeer om mijn eigen dood, die was nog te onvoorstelbaar. Nee, ik keek opzij naar de dochter van onze nieuwe dominee, met wie ik een voorzichtige vriendschap was begonnen door boeken van haar te lenen. Zij niet, bad ik, alstublieft niet zij.

Het is allemaal erg meegevallen. We zijn allemaal uitgezwermd naar MAVO, LTS en Huishoudschool. Mijn vriendinnetje is, voor zover ik weet, met een dominee getrouwd en zelf ben ik ook op mijn plek geraakt. Toch zal ik die preek nooit vergeten. Vandaag ben ik er opeens weer dicht bij in de buurt. Niet omdat er een griep aan komt waaien, maar gewoon omdat ik beroepshalve geregeld met de dood van doen heb. Nog maar net onthoud ik de namen van al die mensen die ik in de afgelopen twee jaar tot het einde heb helpen verzorgen. Volgend jaar om deze tijd zijn dat er vijftien meer. Van sommigen weet ik dat nu al en dat voelt even vreemd als vertrouwd.

Een van hen ken ik nog maar pas. Zij is niet eens zo veel ouder dan ik, maar verwacht dat zij niet veel meer dan een half jaar te gaan heeft. Over een maand worden de palliatief bedoelde chemo’s gestaakt en dan, ja, wat dan? Ik vroeg haar of zij daarover wel eens van gedachten wisselt met mensen die haar na staan. Als antwoord uitte zij de wens er eens over te praten met ‘iemand die er echt verstand van heeft’. Tja, bestaat zo iemand eigenlijk wel? We doen het allemaal maar een keer en allemaal anders. Een gebruiksaanwijzing hebben we niet. De meeste mensen gaan dood zoals ze hebben geleefd, is mijn indruk.

Met dat ‘verstand’ en de blik die zij mij in haar geschiedenis heeft gegund, vrees ik dat het voor haar ingewikkeld kan worden. En voor mij niet makkelijk om op haar noden in te spelen. Ook daar is geen handleiding voor beschikbaar. Ik prijs me gelukkig dat ik er niet alleen voor sta, dat wij als team zo’n wonderlijk samenraapsel zijn en dat de teamgeest uitnodigt te praten over wat we meemaken. Dat lijkt me in ieder geval verstandig.

Read Full Post »

Utopia

02012014

*

Ah, but I was so much older then, I’m younger than that now.

Bob Dylan, My Back Pages

*

Om te kunnen leren moet je kunnen vergeten. Wanneer een kind leert rekenen is dat evident: op een gegeven moment moet het erop durven vertrouwen dat twee plus drie vijf is, ook zonder het telkens opnieuw op de vingers na te tellen. Maar het geldt ook voor andere terreinen van het leven. Zo heb ik jarenlang veel gedacht en geschreven over het thema ‘gender’, tot ik op een dag merkte dat ik ermee klaar was. Het huis stond er, de steigers konden weg. Of: ik kon zomaar fietsen, zonder steunwieltjes.

Daarom schuilt er (en nu richt ik mij rechtstreeks tot jou, Colline) een zekere tegenstrijdigheid in je wens dat ik in het komend jaar mijn draai zal vinden én door zal blijven gaan met bloggen. Ik schrijf om mijn draai te vinden; zodra ik die heb, is het niet meer nodig. Gelukkig is het leven een stroom met opeenvolgende golfbewegingen. Er is altijd weer een nieuwe draai om te vinden. En soms zie je oude wervelingen terug in de benedenloop, trager, langgerekter als het ware, maar toch herkenbaar. Hier is er een:

Van tijd tot tijd merk ik dat ik opnieuw probeer mij te verhouden tot de politieke idealen van mijn jeugd. Ik zeg met opzet niet mijn idealen, want juist nu vraag ik mij af wat daarin van mij was. Een ding is daarin zeker: ik voelde mij buitengewoon sterk aangetrokken tot het gezelschap van mensen met een vastomlijnd idee van hoe de wereld zou moeten zijn. Rechtvaardig, vooral. Zuiver, misschien ook wel. Ik leek daarin wel een beetje op Vasalis, en ook nu spiegel ik mij graag aan haar licht bittere vertedering om zichzelf van toen.

Wat gaf ik vroeger veel om zuiverheid.
Wat dacht ik dat het was?
Nuchter, met blote voeten waden door fris gras.
Strandwandelingen. Mager zijn. En politiek
zeer links. Verboden was lyriek.
Toekomstgedachten had ik niet
en heb ik sindsdien nooit gekregen
goddank, en had ik geen herinnering
dan was ik nog zo schoon als regen
en even drinkbaar, lieveling.

Ach, wat wist ik toen eigenlijk van de wereld! Ik was er helemaal niet geschikt voor. Ik las Utopia alsof dat in de toekomst lag in plaats van achter het spiegelglas van Thomas More’s gedachten. Dat soort idealen brachten mij nergens en ik bracht er niets van terecht. De discrepantie tussen doel en punt van vertrek zette ik om in een schuldgevoel, dat niet anders dan verlammend kon zijn. De strijd, eerste vereiste, was in strijd met mijn nog diepere verlangen naar harmonie. Was het me niet bovenal te doen om ‘offerzin en heilsverlangen’, om ‘onschuldfantasieën’? Jazeker, het raakte aan mijn paradijsverlangen. Maar daar stond een ander verlangen tegenover, dat ook zijn rechten opeiste.

Wat ik destijds vreesde, is gebeurd: ik ben dat idealisme (goeddeels) kwijt. Maar waar ik ook erg bang voor was, dat het in zijn tegendeel zou verkeren, is me bespaard gebleven: cynisch ben ik niet geworden. Misschien heb ik dat vooral aan mijn werk te danken, dat me dicht bij de werkelijkheid houdt. Zelfs het meest bescheiden doel – pappen en nat houden, omdat het allerergste nog komen moet – vraagt een geduldige en concrete inzet. Dweilen met de kraan open, verzucht ik in ogenblikken van vermoeidheid. Maar doorgaans ben ik dankbaar voor wat ik de mensen te bieden heb, en voel ik me jonger dan toen ik het was.

Read Full Post »