Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for september, 2019

Niet bang zijn

 

*

 

Je moet niet bang zijn, God, ze zeggen “mijn”
van alle dingen die geduldig zwijgen.
Ze zijn als wind, die langs de twijgen
schuurt en zegt: “mijn boom”.

Ze voelen niet,
hoe alles gloeit, waaraan ze raken, –
terwijl ze zelfs de slip van het gewaad
niet kunnen pakken zonder te verbranden.

Ze zeggen “mijn”, zoals een man soms graag
een koning “vriend” noemt bij de borrel,
zolang die koning groot is – en ver weg.
Ze zeggen “mijn” tegen gehuurde muren,
al kennen ze hun huisbaas nog niet eens.
Ze zeggen “mijn” en noemen het “bezit”,
maar ieder ding klapt dicht, als zij het naderen,
zoals misschien een smakeloze charlatan
de zon de zijne noemt of ’t bliksemlicht.
Zo zeggen ze: mijn leven, of mijn vrouw,
mijn hond, mijn kind, maar weten immers best,
dat alles: leven, vrouw en hond en kind
los van hen staan, en dat zij slechts
met blinde vingertoppen eraan raken.
Maar zeker weten dit alleen de waren,
die nog naar ogen haken. Alle anderen
willen niet weten, dat hun eenzaam dolen
met niets ter wereld samenhangt,
dat zij, gejaagd door have en bezit
en ongekend door al hun eigendommen,
geen vrouw bezitten en zelfs niet de bloem,
die – vreemd aan ons – zijn eigen leven leeft.

Raak daarom, God, niet van je stuk.
Wie van je houdt en je gezicht herkent
in ’t donker, wanneer hij flakkert als een kaars
op het bewegen van jouw adem –
ook hij bezit je niet.
En als ooit iemand in de nacht,
grip op je krijgt, zodat je komen moet
in zijn gebed:

Jij ben de gast,
die altijd weer vertrekt.

Wie kan, God, jou bevatten? Jij bent van jou,
door geen bezitters hand gegrepen,
zoals de nog niet uit gegiste wijn,
alleen zich zelve toebehoort,
en alsmaar zoeter wordt.

Rainer Maria Rilke

Advertenties

Read Full Post »

Een wij

 

Het is goed dat er niemand kijkt, want bijster elegant ziet het er niet uit. Ik hang wat onderuitgezakt in de fauteuil in de erker en Poezemien heeft zich over mij heen gedrapeerd. Dat wil zeggen: haar achterpoten rusten op de leuning, haar kin ligt helemaal hingegeben op mijn buik. Haar voorpoten heeft zij tot ver voorbij haar neusje uitgestrekt, alsof zich ergens links van mij iets bevond, dat absoluut aangeraakt moest worden. Er klinkt muziek en zij spint zachtjes mee. “Wat hebben wij eigenlijk met elkaar?” fluister ik zomaar, zonder dat van tevoren bedacht te hebben. Haar linkeroor tast naar het beetje geluid en opeens weet ik één ding zeker: wat ons tot een wij maakt, is niet de taal die op spraak berust.

Zijn wij dan wel een wij? Hoe wederkerig zijn onze betrekkingen nu helemaal? Goed, zij is (sorry, God) de eerste aan wie ik denk als ik wakker word. Zal ik eerst mijn Euthyrox slikken, of eerst Poezemientje iets lekkers geven? Pas dan denk ik aan God, die heeft gezegd: “Ik geef u gras op uw veld voor uw vee, en u zult eten en verzadigd worden.” Met andere woorden: eerst de beesten eten geven, daarna pas jezelf. De poes komt braaf aan trippelen, opdat ik mijn zegen brengende handeling kan vervullen. Is zij er voor mij of ben ik er voor haar? Of wij voor elkaar?

De bijsluiter zegt dat ik nog een half uur moet wachten, voordat ik mij aan het ontbijt mag zetten. Ik mompel een paar zegenspreuken en ga nog even liggen. Dat weet Poezemien. Met een kort miauwtje kondigt zij zich aan en springt meteen op het bed en vervolgens bovenop mij. Haar volle gewicht op die vier ronde voetzooltjes is me bijna teveel. Wilde ik niet nog even weg wegdoezelen? Ik kreun wat, maar zij weet van geen wijken. Hoe weet zij toch de liefde in mij te wekken, die zorgt dat ik haar wensen boven de mijne laat prevaleren? Ik praat en lach tegen haar, of zij het nou verstaat of niet. En zij, zij spint er keihard tegenin.

Mijn eigen menselijk bewustzijn met al zijn overwegingen ken ik wel zo’n beetje, maar hoe zit het met dat van een kat? Prediker heeft er gelukkig voor gezorgd dat de Bijbel ons voorhoudt, dat wij ons maar beter niet al te zeer op dat bewustzijn moeten laten voorstaan.

Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. (…) Wie zal ooit weten of de adem van een mens naar boven opstijgt en die van een dier afdaalt naar de aarde?

Hoe is het bewustzijn van mijn kat? Soms meen ik iets ervan te merken en dan moet ik meteen erkennen dat zij beslist in het bezit van een zintuig is, dat wij niet hebben en zelfs niet kunnen kennen en meten met onze vernuftige instrumenten. Zij weet altijd op welke plek in huis ik mij bevind, zonder dat zij mij ziet of dat ik geluid maak. Gezien de afstanden tussen de verschillende kamers, is het ook niet waarschijnlijk dat zij mij ruikt of mijn lichaamswarmte voelt. Een dergelijke gevoeligheid in de ons bekende zintuigen zouden haar het leven op andere momenten onmogelijk maken. Golven? Ach kom, ze zou allang ontregeld zijn door alles wat onze apparaten door de ruimte zenden.

Hoe ik dit weet? O ja, dat moet ik nog vertellen. Altijd, zodra ik in de fauteuil in de erker plaats neem, nauwlettend erop toeziend dat ik geen enkel geluid maak, springt Poezemien op van haar dommelplek van het moment – dat kan mijn bed zijn, de bank boven, een stoel op het balkon – en snelt naar waar ik ben, om zich op mijn schoot of buik te installeren. Even een wij te zijn. Terwijl ik probeer mij in te denken wat dat voor haar betekent, merk ik al snel dat ik die vraag voor mezelf niet eens kan beantwoorden. Zachtjes waait ergens een deur open, op een kiertje maar, die me vertelt dat er daarbuiten een wereld zonder woorden is. Betekenis betekent daar niets. Alles is gewoon. Eén groot wij?

 

Read Full Post »

Mindlessness

 

Misschien zwerft het nog ergens, dat psychiatrisch rapport, waarin werd geconstateerd dat ik een “sterke neiging tot intellectualiseren” had. Blijkens het vorige stukje valt dat tegenwoordig wel mee. Inmiddels krijg ik het gedaan om een hele avond lang mindless te genieten. Maar wacht: de mind laat zich niet zomaar ringeloren. Een heel toneelstuk door mijn ogen naar binnen laten stromen, om het daarachter ergens onder luid gelach te laten verdampen, dat is toch net iets teveel van het goeie. Zat er niet toch ergens een inzicht verscholen? Nou vooruit, daar gaat-ie dan.

Daags na dat heerlijk-futiele gebeuren kwam er een citaat boven drijven:

Wie slechts geloof heeft, loopt gevaar een kwezel te worden. Wie slechts humor heeft, dreigt cynisch te worden. Wie geloof en humor heeft, vindt het evenwicht waarmee hij in het leven rechtop kan blijven.

Martin Buber

Meestal schiet dat citaat me te binnen als ik een bewust ongelovige medemens cynisch zie worden. (“Zie je wel.”) Soms ook als ik over mezelf denk: “Oei, nou even oppassen! Straks ben je een kwezel.” (Alle kwezel citaten, wijsheden, quotes en uitspraken vindt u altijd en alleen op citaten.net: 3 gevonden.)

Maar waarom in hemelsnaam associeerde ik deze wijsheid met De Drie Musketiers van De Warme Winkel? Waarschijnlijk juist omdat ze hier niet van toepassing was. Er was geen sprake van een geloof, er was veel om je vrolijk over te maken, maar van cynisme geen spoor. Rara, hoe kan dat? Kunnen we ons dan toch aan ongeloof en humor te buiten gaan, zonder om te vallen? Of bestaat er humor die Buber over het hoofd heeft gezien? Of?

Wat is eigenlijk het verschil tussen geloof en humor, waardoor iemand als Buber op het idee is gekomen om ze als tegenpolen neer te zetten? Ooit heb ik me laten vertellen dat humor een middel is om een zekere afstand te scheppen ten aanzien van een situatie of een ander, misschien zelfs tot het leven an sich. Dan zouden we met geloof proberen een soort hechting teweeg te brengen. Dat klinkt aannemelijk. De volgende stap ligt voor de hand: van alles wat en alles op z’n tijd. Schrijf het op een tegeltje en hang het in de gang.

Natuurlijk zijn er meer manieren om je tot het leven, tot je medemensen en tot de dieren te verhouden. Wreed, gulzig, slordig, krampachtig, onderdanig, trouw, vol mededogen, hartstochtelijk, intellectualiserend en nog veel meer. Mild en teder, zou ook nog kunnen. Met overgave. Zodra de opsomming begint is het einde ervan uit zicht. Ik denk dat er heel veel van die mogelijkheden werden aangeboord in het spel van De Warme Winkel. En bij dat al werd er naar hartenlust gelachen, zonder cynisch te worden. Integendeel, ik heb dat lachen als buitengewoon lebensbejahend ervaren.

Opnieuw een schijnbaar willekeurige associatie. Het wordt herfst hier en ik kijk uit naar het Loofhuttenfeest. Dan wordt bij ons het boek Prediker gelezen, waarin alle zekerheden een voor een vervluchtigen. “Lucht en leegte, zegt Kohelet, lucht en leegte, alles is leegte.” Toch vervalt hij niet in een “nihilistische problematiek”. Hij blijft zijn tanden poetsen en zijn “bibben wassen”, bijna zoals meneer Dil, de waard van het lege hotel in De Tuinen van Dorr van Paul Biegel. Godsdienst hoort bij hem in hetzelfde rijtje thuis: het is niet een kwestie van geloof of van het weg lachen, maar gewoon iets wat je doet. Net als al het andere wat je hand vindt om te doen. Naar theater gaan, bijvoorbeeld.

Read Full Post »

Dodemanslippen

 

Dodemanslippen

Dodemanslippen spraken fluisterzacht
diep in de aarde, argeloos gepraat,
de bandeloze bomen gingen zich al woest
te buiten in hun bloesempracht.

De windselen worden losgerukt
de aarde wil geen zorg, wil pijn.
En lente wil geen rust, geen vrede,
voorjaar is vijandelijk terrein.

Met de verliefde stelletjes zijn we op pad
naar waar de regenboog de aarde raakt,
om te zien of wij daar kunnen landen.

We wisten al: de doden zijn terug;
we wisten al: de storm steekt ook weer op,
vandaag, uit open meisjeshanden.

Yehudah Amichai (vertaling: Channa Kistemaker)

Read Full Post »