Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for februari, 2012

Laput kinkie *

*

voor Laura

Als ik wandel door mijn herinneringen aan jouw kinderjaren, zoals je door een tuin wandelt, ga ik dikwijls zitten op de onderste trede van een trapje dat zich daar bevindt. Net zo’n onderste trede als die in ons trappenhuis: koud, want van steen. Daar ging je liggen, keer op keer, als ik je van school had opgehaald en we onderweg de boodschappen voor het avondeten hadden ingekocht. De eerste keer was het omdat je werkelijk té moe was en niet anders kon dan de drie trappen op gedragen worden. Later werd het een zich eindeloos herhalend verhaal, waarin we samen “laput kinkie” speelden. Dat ging altijd zo:

– “Hé,  wat ligt daar nou op de trap van mijn huis? Dat lijkt waarachtig wel een slapend kindje! Wat moet ik daar nou mee? Kindje, kindje! Word eens wakker!”

Maar jij hield je zorgvuldig slapend, zo dat het bijna echt leek. Ook als ik je op mijn linker arm tilde – de rechter was voor de boodschappentas – bleef je slap als sliep je. Je hoofdje tuimelde zwaar op mijn schouder terwijl ik de trappen begon te bestijgen, heel langzaam. Bovenaan liet ik je voorzichtig neer op de onderste trede van de trap naar zolder. Met een prachtige slaapdronken waas over je gezichtje opende jij je ogen en keek me aan.

– “Zeg kindje, waar kom jij vandaan en hoe ben je hier terecht gekomen?”

– “Itte kom héjemah uit Engejand. Mij waduh en mij moeduh jijn dood en mij huit jit in hondut tukke!”

– “Maar kindje toch! Wat moet er nu met jou gebeuren?”

Dan haalde je je schouders op, liet je hoofd een tikje hangen en keek intens droevig naar de grond achter mijn rechterbeen, maar natuurlijk lag ook daar de redding niet.

– “Zou je misschien bij ons willen komen wonen?” vroeg ik dan en opnieuw trok je je schouders op, als was je verdriet nog te groot om je op wat voor toekomst dan ook te kunnen richten.

– “Nou, kom dan maar,” concludeerde ik niettemin en tilde je weer op. “Ik zal je het kamertje laten zien dat wij hier hebben voor slapende kindjes zoals jij.” Maar nog voor we de drempel van jouw eigen kamer hadden bereikt, wurmde je jezelf van mijn arm en sprong op de grond. Dan rende je de keuken in en riep met een stralend gezicht: “Judduh we pejuh dat itte Mattina wat, die bij Oma koekjut jing bakkuh?”

Gelukkig moest ik eerst de boodschappentas uitladen, want mijn eigen geest had net iets meer tijd nodig dan de jouwe om van een droevig verhaal in een echte keukenidylle te stappen.

* Deze woorden – en ook andere die de lezer waarschijnlijk niet onmiddellijk kan thuisbrengen – behoren niet tot het gewone koeterwaals, maar vormen een ideolekt, dat hier ten huize bekend is als de “titta-taal”. Het bestaat nog slechts in de herinnering, want van de ene dag op de andere werd het niet meer gesproken. Soms is het voldoende om een logopediste slechts één keer “taurèdoon hypoblepsas” te bekijken en daaruit je eigen conclusies te trekken.

Advertenties

Read Full Post »

Tuinieren

‘Moderniteit is onlosmakelijk verbonden met uitsluiting. Voor de moderne mens is de wereld een tuin. Wat doen mensen in een tuin? Wat ze niet hebben gezaaid, noemen ze onkruid, en dat willen ze weg hebben. Dat streven naar perfectie en orde, dat is de definitie van modernisering.’

Dit las ik onlangs in een interview met de socioloog Zygmunt Baumann, die in januari in Nederland was om te betogen dat de holocaust beslist niet iets barbaars of monsterachtigs was, maar heel aardig in lijn ligt met onze moderne manier van denken. Dat mocht wel eens gezegd worden. Waarden doen hun werk het best als ze niet vanzelfsprekend worden. En dat wij er in deze tijd nogal overspannen verwachtingen omtrent de maakbaarheid van ons leven en samenleven op na houden, ook daarin val ik hem graag bij.

Maar ondertussen vraag ik mij wel af of deze man zelf wel een tuin had. Ik denk van niet. Waarom niet? Nou kijk, tuinieren is voor hem een metafoor, en een behoorlijk magere metafoor bovendien. Niet eens een allegorie, zoals het hoofken waarin zuster Bertken ooit om cruyt ging.

Ik moest meteen denken aan die aansporing van Voltaire, voor velerlei uitleg vatbaar, aan het eind van zijn Candide, nadat alle utopieën en ideologieën zijn afgewezen: “Cela est bien dit, répondit Candide, mais il faut cultiver notre jardin.” Of de wat directere vermaning die dominee Okke Jager in de zeventiger jaren meegaf aan de jongeren van die tijd: wie al te wilde ideeën had over het verbeteren van de wereld, moest eerst maar eens een volkstuin nemen. (Als ik aan de rokerige vergaderzaaltjes en de verhitte debatten denk, waarin men destijds op de revolutie anticipeerde, kan ik de humor hievan nog altijd appreciëren.)  Hier raken het figuurlijke en het letterlijke elkaar, en dat biedt kans op kruisbestuiving, om de mataforiek nog even vol te houden.

Zelf heb ik jarenlang een volkstuin gehad. Niet zo’n plek met een huisje erop en wat heesters en hortensia’s rondom een grasveldje, maar een ouderwetse moestuin, biologisch-dynamisch bovendien. Hoewel ik het niet op advies van bovengenoemden deed, maar simpelweg omdat het me aantrok, kan ik me zeker iets voorstellen bij de heilzame werking van tuinieren voor ideologen.

Tuinieren begon ook voor mij met plannen en verwachtingen, vooral over groei en oogst. Maar het contact met de werkelijkheid was heel direct: zware zeeklei, weerbarstige woekeraars als kweek en zevenblad, aardvlooien, bladrandkevers en slakken, eenden, houtduiven en hazen, die de oogst graag met mij wilden delen. Al snel kwam ik mijn eigen beperkingen tegen: fysiek, in de tijd die ik ervoor vrij kon maken, in alles wat ik niet had kunnen voorzien, alleen al door gebrek aan inzicht in de complexe dynamiek van alles wat leeft in die tuin. Gaandeweg zag ik wel de betrekkelijkheid van blauwdrukken in.

Wie dan niet teleurgesteld afhaakt, krijgt de kans nog meer te leren. Hoe je soms doortastend moet zijn, maar diezelfde doortastendheid ook moet kunnen temperen. Hoe je jezelf kunt leren kennen als iemand die een plek in de voedselketen inneemt. Je leert de waarde van wachten inzien en moet de deugd van de eerbied oefenen:

Gij moet het eenzaam laten 
het zaad dat ligt te slapen
en dat al kiem gaat maken.

Dit eerstelingsbewegen
van leven  binnen leven
 
vermijd het te genaken.
 

Laat het stil zijn in zijn waarde,
zaad in de donkere aarde;
 
zaad in de donkere aarde.
En het zal groen ontwaken.

Ida Gerhardt (1905-1997) 

Al met al (ik zou er uren over kunnen doorgaan) kom je op hetzelfde uit als Zygmunt Baumann: de noties over maakbaarheid van het menselijk leven en samenleven, zoals onze tijdgeest die dicteert, kunnen wel wat tegenwicht gebruiken. Tuinieren – en dan niet opgevat als symbool, metafoor of allegorie, – biedt de gelegenheid om vaardigheden of in ieder geval een grondhouding te ontwikkelen, die dat tegenwicht in de schaal kan leggen.

Een zeer lezenswaardige tekst over de tuin als metafoor is de Huizinga-lezing van 1990 door Gerrit Komrij, met de titel Over de noodzaak van tuinieren.

Read Full Post »

Freudiaans

Lang voordat ik begreep dat Freud inmiddels “achterhaald” mag heten, had ik zijn gedachtengoed al op mijn innerlijke zolder geplaatst bij al die andere voorwerpen waar ik voorlopig geen bestemming voor had, maar die nog te eerbiedwaardig leken om zomaar weg te gooien. Een klein stukje ervan heb ik echter altijd binnen handbereik gehouden, omdat het me ooit gevoelig heeft gemaakt voor iets dat mijn Alltagsleben sindsdien regelmatig heeft opgevrolijkt: de Freudiaanse vergissing.

Ik ga er twee vertellen, de eerste waarin ik het verschijnsel als zodanig herkende en de mooiste ooit, dierbaar als een ingelijst haarlokje van een voorbije liefde.

Het was 1971 en we zaten braaf in onze schoolbankjes tijdens een Duitse les, de laatste twee uur op vrijdag, als ik me niet vergis. Wat onze leraar ons probeerde uit te leggen ben ik kwijt, maar ik herinner me nog levendig hoe hij op een gegeven moment naar het plafond achter in de klas staarde, op zoek naar een geschikte voorbeeldzin. Daar moest hij niet al te lang over doen, dan zou hij onze aandacht verliezen. Dus greep hij het eerste het beste zinnetje dat in hem opkwam. “Ik ben vanmiddag naar de stad gegaan om voor mijn vrouw een condootje te kopen. Eh, ik bedoel natuurlijk een kadootje,” zei hij en liep al een beetje rood aan. De klas begon rommelig te grinniken, want pubergedachten worden graag en gemakkelijk geleid naar alles wat met seks te maken heeft. In zijn poging om zich deze slip of the tongue niet nog eens te laten ontvallen verkrampte de leraar en twee minuten later gebeurde het natuurlijk toch.

In 1988 waren wij druivenplukkers, Alex en ik. Dat wij gedeeltelijk werden uitbetaald in natura, i.e. in liters lokale tafelwijn, ervoeren wij als een geweldige rijkdom. Onze dagelijkse inname was al snel op hetzelfde peil als dat van de wijnboeren voor wie wij werkten. Op een zondagmiddag – vast geen toeval – kregen wij voor het eerst een zondig gevoel bij al dat drinken. We besloten het “netjes” bij een halve liter te houden. Ik weet het nog, ik had vlees gebraden, er was natuurlijk stokbrood bij en aubergines, gesmoord met tomaten en zwarte olijven of zoiets. Toen dat allemaal op was en ons gebruikelijke moment van natafelen met “nog één glaasje” was aangebroken, hadden we de fles al buiten handbereik geschoven. Nagetafeld werd er toch en op een gegeven moment ging het over hoe ik had geleerd vlees te braden.

“Mijn moeder braadde op zaterdag altijd sukadelappen voor de zondag en als die dan urenlang zachtjes op een klein pitje stonden te sudderen, sloop ik af en toe de keuken in om een paar draadjes van dat vlees af te snoepen. Zo heb ik het hele proces van malswording in al z’n stadia leren kennen.” Ik wijdde nog wat uit over finesses die ik uiteindelijk toch vergeten ben en ondertussen zag ik Alex’ aandacht telkens in een bepaalde richting afdwalen, naar het uiteinde van de tafel waar we de wijnfles naartoe verbannen hadden. Toen ik plotseling ophield met vertellen, zuchtte zij diep en sprak: “En moeder Kistemaker maar denken: waar blijft die wijn!?”

Read Full Post »

Kathedralenbouwers

In de tijd dat ik nog in de huishouding werkte is het mij regelmatig overkomen dat een cliënt, dat wil zeggen een dame van dik in de tachtig, na vijf minuten stofzuigen tegen me zei: “Ha fijn, jij bent een echte huisvrouw van de oude stempel!” Ik: “Goh, waarom denkt u dat?” Zij: “Dat zie ik gewoon. Aan de bewegingen.”
Tja, dacht ik dan, hoe kom ik toch aan zo’n superieure slag van stofzuigen? Eerlijk gezegd denk ik dat het meer met mijn aangeboren calvinisme van doen heeft dan met een geworteld zijn in het ouderwetse huisvrouwenbestaan. Hoewel….

Minstens even vaak bleken die oudere dames verheugd dat ik überhaupt een vrouw was. “Ja, ze sturen ook wel eens een man. Nou doen die natuurlijk wel hun best, maar het is toch niet hetzelfde. Mannen zien het werk niet.” Schijnbaar argeloos haalde ik dan even mijn stofdoek over de bovendorpel van de deur die zich toevallig in haar blikveld bevond, om het vooroordeel er nog even in te wrijven. Want vooroordelen kunnen van zichzelf nog zo hardnekkig zijn, ze zijn altijd blij met een beetje bevestiging. Je ziet ze glimmen.

Mijn eigen levenservaringen laten mij niet veel ruimte om me in de warmte van dit soort aannames te koesteren. Meestal vind ik dat wel prima, maar heel soms ben ik stiekem een beetje jaloers op de vrouwen die dat wel kunnen. En dan moet ik uitkijken dat ik de pret voor een ander niet ga bederven. Een enkele keer kan ik het echt niet laten. Bijvoorbeeld als wordt beweerd dat mannen niet kunnen communiceren.

Dan ligt het op ’t puntje van mijn tong om te zeggen: “Heb je die documentaire over de bouw van het Viaduc de Millau wel eens gezien?” Ik verwacht namelijk oprecht dat men evenzeer onder de indruk zal zijn als ik van wat mannen door samen te werken voor elkaar weten te krijgen. In eerste instantie was ik wat kregelig toen ik die docu zag, want onder al die plastic bouwhelmen liepen alleen maar mannen rond. Stom! Na een poosje maakte mijn wrevel echter plaats voor een aangenamer gevoel: dat van diepe bewondering voor de mannen die zo’n wereldwonder van bouwkunst van de grond kregen. Het zijn – die hele zogenaamde individualisering van de moderne mens ten spijt – nog steeds kathedralenbouwers!

Duizelde het me al toen ik de enorme hoogten zag waarop men aan het werk was, ik raakte pas echt licht in mijn hoofd toen ik probeerde te bedenken wat er allemaal vooraf gaat aan het tot stand komen van een dergelijk project. Eeuwen van bouwkundige traditie, van technologische ontwikkeling. Dat veronderstelt een complex en fijnmazig systeem van kennisoverdracht, dat tijd en ruimte weet te overbruggen. Organiseer dat maar eens! En dan het concipiëren van het idee, het uitwerken ervan tot leesbare bouwtekeningen, het aansturen van logistieke processen en tot op het meest basale niveau instrueren van de mensen die het uitvoeren. Ook dat vraagt weer overbrugging: een ingenieur heeft nu eenmaal een ander “werk- en denkniveau” dan een betonvlechter.

Wat ik tenslotte het meest poëtische moment van dit hele proces vond, was het samenkomen van de twee delen van het viaduct, dat vanuit twee tegenovergestelde richtingen begonnen was. Met een hoogteverschil van slechts twee centimeter raakten de beide helften elkaar en zelfs daarin was voorzien: even afstellen en klaar. Het zou een monument van gemeenschapszin kunnen zijn, als wij het zintuig daarvoor niet zo ver hadden weggestopt.

Blijft de vraag: hoe kan het dan toch dat wij het gevoel blijven houden dat mannen niet kunnen communiceren, zo erg dat we van twee verschillende planeten lijken te komen? En dat zelfs een gemeenschappelijk verblijf van duizenden jaren op de aarde de kloof tussen ons niet heeft kunnen overbruggen? Dat is een vraag waar ik liever nog een poosje op blijf kauwen voordat ik met een antwoord kom. Misschien slik ik hem uiteindelijk toch maar in. Of voel ik daar een pitje? Als dat zo is, dan heeft het vast iets te maken met mijn bewegingen bij het stofzuigen of met het gebaar waarmee ik mijn stofdoek over de bovendorpel van de huiskamerdeur haal.

Read Full Post »

Buitenbeentjes

Het groot brengen van kinderen kent tal van prettige bijkomstigheden. Die waarvan ik altijd het meest heb genoten is het voorlezen van prentenboeken. Uitgespeeld of troostbehoeftig kropen de kinderen dan tegen mij aan op de bank en lazen wij samen voor de zoveelste keer hoe Alfie zijn steentje verloor en weer terug vond. Of hoe Opa Pettson aan zijn sprekende kat Findus was geraakt. Onder mijn armen door gluurden zij naar de plaatjes, die vaak zo “echt” waren dat je er met gemak in kon stappen. Vanzelfsprekend stapte ik met hen mee, die werelden binnen die zo anders waren dan de onze en toch zo vertrouwd.

Wat mij destijds – mijn kinderen zijn nu groot – in positieve zin opviel, was het grote aantal buitenbeentjes en de buitenissige relaties die de wereld van hun prentenboeken bleek te  bevatten. Ik herinner mij vooral de vrijgezelle mannen: Opa Pettson, een wat eenzelvige ouwe rommelkont met een eeuwige stoppelbaard, die zijn vermogen tot vertedering ontdekte toen zijn buurvrouw hem een jonge kat bezorgde. Een kat die zomaar leerde spreken en vervolgens zijn mond niet meer kon houden.

Een van mijn lievelingen was de stille meneer Peter, die aan de rand van het dorp woonde en waar de kinderen graag kwamen, omdat hij altijd tijd en aandacht voor hen had. Trouwens, niet alleen de kinderen wisten hem te vinden wanneer zij hem nodig hadden, ook de volwassen dorpelingen profiteerden schijnbaar schaamteloos van zijn gratis hand en span diensten. Meneer Peter was van vele markten thuis en bovendien gezegend met en paar gouden handjes. Zichzelf, of in ieder geval zijn huisje, verwaarloosde hij nogal. Zo kwam het dat op een dag de veldwachter voor de deur stond om hem de wacht aan te zeggen: als zijn huis er over een maand nog zo verveloos bij stond, dan moest het tegen de vlakte. Nooit gewoon om voor zichzelf op te komen, kon meneer Peter niet veel anders dan met de handen in het haar zitten.

Maar dan komen de kinderen in actie. Zonder dralen schakelen zij hun ouders in, die stevig in de reguliere economie geworteld zijn, en na een dag eendrachtig werken staat het huisje van meneer Peter te schitteren in de zon. Van een afstandje kijkt de veldwachter beteuterd toe, terwijl het hele dorp feest viert op het pas gemaaide grasveld.

Ik denk dat kinderen én volwassenen zeer gebaat zijn bij dit soort verhalen. Zij voeden het vertrouwen dat er buiten de oedipale of heteronormatieve patronen van “het gezin” een levendige dynamiek aan menselijke relaties bestaat, die het leven warm kunnen houden. Solidariteit die niet op identiteit gestoeld is, zoals tussen de zeevarende muis Amos en Boris de walvis. Zorgzaamheid en huiselijke intimiteit, zoals bij Brammert en Tissie. Wat die van elkaar zijn heeft geen naam, maar dat staat hen niet in de weg er voor elkaar te zijn. En wat te denken van Astrid Lindgren’s Karlsson van het dak, even onuitstaanbaar als onbestaanbaar, maar voor Erik het noodzakelijke tegenwicht tegen de slaperig makende burgerlijkheid van het gezin waarin hij opgroeit.

Dank zij al die kinderboeken kan ik ze nu gelukkig ook in mijn eigen dagelijks leven herkennen, die onmisbare buitenbeentjes. Neem mevrouw H., die haar laatste jaren slijt op een soort ark van Noach. Helemaal alleen met haar beestenboel, een gezin heeft zij nooit gehad. (“Niet dat ik op vrouwen viel, hoor, maar ik wou mijn zelfstandigheid niet opgeven voor een of andere man.”) Een buurjongen van vroeger – zij noemt hem haar zoon – houdt een oogje in het zeil en sleept het voer voor haar menage aan. Dat haar geheugen geen bodem meer heeft mag de pret niet drukken. De dieren blaffen, krijsen of miauwen wel als ze honger hebben en haar eigen maag laat zich ook tijdig genoeg horen. Veel eisen stelt zij niet aan het leven. Haar kleding gaat heel lang mee en zo nodig rekt zij op dat punt de sociale conventies een beetje op. Gezelschap en hartelijkheid staan hoger op haar prioriteitenlijstje. Ik kom daar graag om haar in bad te helpen en stilletjes hoop ik dat mijn oude dag een beetje op de hare zal lijken.

Read Full Post »

De laatste tijd vallen de woorden “menselijke waardigheid” regelmatig in de krant die ik elke zaterdag lees. En dat is bijna zonder uitzondering in bespiegelingen over het zelfgekozen levenseinde ofwel vrijwillige euthanasie. Het wegvallen van de mogelijkheid om een “menswaardig bestaan” te leiden opent dan de deur naar het daadwerkelijk beëindigen van een mensenleven. Eigenlijk is hier niets nieuws onder de zon: voor het teniet doen van je eigen of eens anders leven is altijd al een of andere vorm van “ontmenselijking” nodig geweest.

Ook de rationaliteit en het ontbreken van kwaadwilligheid in deze zijn niet slechts van deze tijd. Onder de filosofen van de Stoa stond de totale zelfbeschikking al in hoog aanzien.  Van Zeno van Citium, de legendarische grondlegger van die stroming, wordt verteld dat hij onmiddellijk na het breken van een teen zijn leven beëindigde. Door te stoppen met ademen, wonder boven wonder.

Al lezend door al die redenerend en argumenterende artikelen, waarin gezocht wordt (of juist geweigerd wordt te zoeken) naar heldere definities van wat de menselijke waardigheid dan in moet houden om die absolute zelfbeschikking toch een anker te verschaffen, komt het me voor dat er geen sleutel gevonden gaat worden die op alle sloten past. Ieder verhaal is het eerste en het laatste.

Met afstandelijke verbazing staar ik naar de anekdote van die wonderbaarlijke filosoof. Veel dichterbij staat de ervaring die ik vanmiddag tijdens mijn werk als verzorgende in de thuiszorg had. Een klein uur lang was ik doende om – samen met haar dochter – een bijna geheel verlamde oude vrouw te wassen en te verschonen. Op een enkel verkrampt gebaar van afweer of grijpen na kon zij zich niet bewegen. Praten was er niet meer bij. Haar blik was voor mij niet te peilen. Zag ik woede? Verbijstering? Bevroren machteloosheid? Ik weet het echt niet.

In een ontspannen sfeer deden wij ons werk van barmhartigheid. Of was het juist onbarmhartig om dit mensenleven op deze manier te laten voortduren? Gelukkig hoefde ik daarover geen oordeel te vellen. Toen ik – mijn jas al aan – nog even naar haar bed terugging om mevrouw gedag te zeggen, had ik juist de tijd om haar nog één keer aan te kijken. Met moeite, zo leek het, maar onmiskenbaar, vormde zich een glimlach op haar gezicht.

Update: een paar maanden later is mevrouw aan een longontsteking overleden.

Read Full Post »


Telkens wanneer ik één van mijn seksegenoten in willekeurig wat voor vorm van nood zie, manifesteert zich in mij een reflex. Ik schiet te hulp, soms nog voordat ik mij daarvan bewust ben. Bij oudere dames is die impuls extra sterk, wat zeg ik: nauwelijks te beheersen. Ooit sprak iemand lachend de woorden die hier thuis inmiddels gevleugeld zijn: “Dat is een mooie eigenschap, waar je voorzichtig mee om moet gaan.”

Nog altijd gemakkelijker gezegd dan gedaan. In mijn werk loop ik daar op gezette tijden tegenaan. Hier een stukje zogenaamde casuïstiek. Het begin is al gebeurd, het vervolg is iets waarop ik enigszins angstig anticipeer.

Afgelopen vrijdag was ik bij mevrouw Jansen om haar te helpen bij de ADL (= algemene dagelijkse levensverrichtingen), toen ik constateerde dat de linker rem van haar rollator niet goed functioneerde. Terwijl ik met één oog mijn pen volgde, die in het logboek noteerde dat dit een aandachtspunt vormde voor de volgende verzorgende, viel mijn andere oog op het stelmechanisme, waarmee de remkabel afgesteld kan worden. Mijn rechterhand liet de pen los en bewoog zich richting voornoemd mechanisme en stelde de rem een tikje strakker af, zodat mevrouw Jansen weer veilig gebruik kon maken van haar rollator. Voldaan rondde ik mijn notitie in het logboek af met de woorden: “Nu is ie weer oké.”

Maar ik had die woorden nog niet geschreven of ik realiseerde mij dat ik weer eens niet bij mijn leest was gebleven. En ik wist meteen wie ik eerstdaags tegenover mij zou vinden om mij daarop aan te spreken. Het nu volgende is wat ik verwacht dat zal gebeuren.

– “Zeg Janiek, klopt het dat jij aan de remmen van mevrouw Jansens rollator hebt zitten klungelen?” vraagt Peter, u reeds bekend van een ander blog.

– “Oh, je bedoelt dat ik vrijdag de linker rem van haar rollator heb afgesteld, zodat die weer veilig was.”

– “Weet jij eigenlijk wel dat jij dat helemaal niet mag doen?”

– “??”

– “Stel je eens voor dat zij daarna een ongeval met die rollator had gekregen. Dan was onze organisatie daarvoor verantwoordelijk geweest!”

– “Maar het was juist mijn bedoeling om te voorkomen dat zij door die rollator zou komen te vallen.”

– “ Ja, dat kan wel zo wezen, maar jij mag dat als verzorgende helemaal niet doen.”

– “Ah, ik kan me daar vanuit een principieel standpunt wel wat bij voorstellen, maar dit leek mij praktisch gezien de beste oplossing.”

– “Ja, maar het is niet jouw taak en jij mag daar geen verantwoordelijkheid voor nemen.”

– “Hoe zou jij dat dan opgelost hebben?”

– “Je moet in zo’n geval de rollator weg zetten en de mantelzorgers bellen en het probleem bij hen neerleggen. Het is namelijk niet jouw taak.”

– “Dus mevrouw Jansen moet de hele tijd in haar stoel blijven zitten, de mantelzorgers moeten een monteur bellen en voorrijkosten betalen om iets te laten doen dat even eenvoudig is als de dop van een melkpak losdraaien?”

– “Punt is dat jij het niet mag doen. Gewoon: niet doen!”

– “Tja, dan weet ik wel hoe ik het de volgende keer aan zal pakken. Ik loop even de kamer uit, trek mijn jas binnenstebuiten aan, stap weer naar binnen en zeg: ‘Hallo, ik ben buurvrouw Mantel-Zorg en ik dacht laat ik eens naar de rollator van buurvrouw Jansen kijken. Staat u mij toe?’ En dan schuif ik mijzelf even opzij om te doen wat ik helemaal niet mag doen, maar wat mij wel het beste lijkt.

Tevreden noteer ik dan in het logboek dat er geheel toevallig een zekere buurvrouw Mantel-Zorg aanwezig was om precies op het juiste moment de rollator van mevrouw Jansen weer in het gerede te brengen.

Read Full Post »

Older Posts »