Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2014

29042014a

Hoewel je ze vaak in heel verschillende kampen tegen zult komen, zijn de technoprogressives en de animal rightists dikke familie van elkaar. Ook de voorvechters van dierenrechten zijn namelijk utilitariërs. Door de boekhouding van pijn en genot centraal te stellen valt elk logisch fundament voor een verschil in identiteit van mens en dier weg, want op dat punt is er inderdaad geen onderscheid. En aangezien na ettelijke generaties verstedelijking, waarbij zelfs het paard uit de menselijke leefwereld is verdwenen, het contact tussen mens en dier heeft plaats gemaakt voor een meer abstracte kijk op andere dieren dan kat, hond en kanarie, is er ook geen affectief houvast meer voor een moreel denken over dieren. Middels een nieuw begrip ‘personhood‘ zou alles wat intelligent en sensitief is vanzelfsprekend moeten delen in onze rechtsorde.

Onlangs las ik een artikel dat me erg behulpzaam was bij het inventariseren van alle argumenten voor en tegen dierenrechten en vegetarisme op morele (niet-culinaire) gronden. Journalist Michael Pollan geeft in zijn essay An Animal’s Place een boeiend verslag van de zoektocht die hij ondernam teneinde in het reine te komen met de ‘cognitieve dissonantie‘ die ontstond toe hij Animal Liberation van Peter Singer las met een biefstuk op zijn bord. Pollan lijkt aanvankelijk behoorlijk onder de indruk van de strakke redeneringen van Singer. Maar die blijken zowel de kracht als de zwakheid van het utilitaristische vertoog te zijn. Na een handenwringend gesteggel over de voorrang van een “normal ape” boven een “severely retarded orphan” bereikt ook Pollan de filosofische aporie. Die brengt hem echter niet in het nauw. Hij trekt daaruit een nogal gelaten conclusie: “We certainly won’t philosophize our way to an answer.”

Daaarmee is de weg vrij om zich te verstaan met meer praktische kanten van de morele dilemma’s. Wat betekent de vegetarische utopie voor de ecologische voetafdruk? (Daar kom ik graag nog eens op terug.) Hoe zit het met dieren die dieren eten? En is de mens in dat opzicht ook een dier? Als het natuurgebeuren geen acceptabele basis is voor de moraal, hoe zinvol is het dan om onze moraliteit aan de natuur op te leggen? Wat gaat er gebeuren met onze landbouwhuisdieren, zodra zij het recht op vrijheid krijgen? Hier komt Michael Pollan tot de verzuchting dat de dierenrechtenactivisten een “profound ignorance about the workings of nature” aan de dag leggen.

To think of domestication as a form of enslavement or even exploitation is to misconstrue the whole relationship, to project a human idea of power onto what is, in fact, an instance of mutualism between species. Domestication is an evolutionary, rather than a political, development. It is certainly not a regime humans imposed on animals some 10,000 years ago.

Toch blijkt onze auteur een stevig stuk gemeenschappelijke grond te hebben met de ‘animal rightists‘. En met hem de conservatieve christelijke auteur Matthew Scully, die het in zijn boek Dominion als volgt stelt: “We are called to treat them with kindness, not because they have rights or power or some claim to equality but . . . because they stand unequal and powerless before us.” En dan is eigenlijk iedereen het er wel over eens dat de dieren te lijden hebben onder onze heerschappij, niet zozeer vanwege pijn bij het slachten, maar omdat onze industriële manier van doen hen levenslang frustreert in het uitleven van hun instincten. Daarmee zijn het de bio-industrie en het ongebreidelde kapitalisme die alle politieke tegenwind verdienen die er maar te mobiliseren valt.

Michael Pollan’s hoop is daarbij gevestigd op het vechten voor ons recht te zien wat er gebeurt met de dieren die wij eten. Dat kan langs parlementaire weg, maar ook en vooral door onze ‘consumer power‘ in te zetten. Met de geestdrift en warmte van een verliefde beschrijft hij de bedrijfsvoering van Joel Salatin op zijn Polyface Farm in de staat Virginia. Daar leven kippen, konijnen, varkens, schapen en runderen samen in een kringloop die recht doet aan de ‘natuurlijke’ leefwijze van elke soort en aan het ecologisch evenwicht van de locatie. Al is de geldstroom waar ik persoonlijk het klepje van kan bedienen niet veel meer dan een lekkend kraantje, voor wat het waard is geef ik aan dergelijke initiatieven graag mijn consumentenzegen.

 

29042014b

Read Full Post »

26042014

 

Tot tien tellen was niet genoeg, maar een dag later begon ik wel een beetje van de schrik te bekomen. Zoals ik al zei: het zijn nette mensen. Bevlogen zijn ze ook: als in ‘verbeter de wereld, begin bij jezelf‘. Maar dan groots aangepakt: Humanity +. En aardig: wie niet wil, hoeft niet weg. Er komt in die betere wereld een hoekje apart voor ‘Humanish‘, zo genoemd naar analogie van de Amish in Amerika. Maar bovenal: zij kijken met een moraalfilosofische blik naar technologie. Zo zie je maar, als je even geduld hebt, blijk je toch meer met elkaar gemeen te hebben dan je dacht. Of ben ik nu weer te haastig in mijn toenadering?

Voorzover ik het zo in de gauwigheid kan overzien, staan zij in een eerbiedwaardige filosofische traditie. Zij beschouwen “aspects of the human condition, such as disability, suffering, disease, aging, and involuntary death as unnecessary and undesirable.” Daarmee bekennen zij zich tot het utilitarisme, dat zelf weer gebaseerd is op het hedonisme: het goede leven bestaat in het grootst mogelijk geluk voor zo veel mogelijk mensen. Maar wat is dan geluk? Hier komt de rekenkunde van pas: geluk = genot minus pijn. Daar kan men nog twee kanten mee uit. Laat ons streven het genot te maximaliseren, dan houden we de pijn er wel onder. Maar dat was zelfs Epicurus te min.

Hier verraadt zich een puriteinse inslag (op het vertederende af herkenbaar!): wij willen niet genotzuchtig zijn, laten we daarom het lijden verminderen. U las het hierboven al in het citaatje, dat ik plukte uit een lemma over ‘transhumanisme‘ uit de ‘wiki‘ van het Institute for Ethics and Emerging Technologies. Wat komt me dit opeens bekend voor! Het lijkt de Nederlandse overheid wel! Van de wieg tot het graf worden wij behoed voor alles wat erg is. Rubber tegels op de speelplaatsjes. Pedofielen met een enkelband. Gestaag uitdijende preventieve gezondheidszorg. Alle potkachels weg. En aan het uiteinde euthanasie.

Zelf denk ik dat een kind kan weten dat dit niet deugt, maar ik ben bang dat hier mijn wereldvreemdheid me parten speelt. Help me, mensen: praat ik wartaal als ik zeg dat pijn bij het leven hoort? Klets ik als een kip zonder kop, als ik zeg dat je wereld alsmaar kleiner wordt, wanneer het vermijden van pijn je leidraad is? Waar maak ik een denkfout, als ik beweer dat het vermogen te lijden onlosmakelijk verbonden is met het vermogen te genieten: haal het een weg en je verliest meteen het ander? Zal het geluk dat deze boven zichzelf uitstijgende mensen ons te bieden hebben nog naar iets anders smaken dan naar papier en inkt?

Gisteren meende ik mijn oude professor Cornelis Verhoeven tegen te komen, in het decor van de roman Blindgangers van Joke Hermsen. Hij heette daar Voorhoeven, maar ik zag hem meteen weer voor me: “altijd keurig in driedelig grijs pak gestoken“, een “beminnelijke oude man, die behoedzaam en bedachtzaam zijn zinnen formuleerde“. Dankzij hem weet ik dat filosoferen heel goed mogelijk is zonder een logica te volgen die zich moeiteloos los zingt van het leven.

Leven is uiteindelijk zwichten, en allang voordat het zwicht voor ouderdom en dood, verliest het zijn nuchterheid in de ontmoeting met wat ik bij gebrek aan een beter woord als de lyrische meerwaarde van het bestaan zou willen aanduiden. Die is niet het effect van een uitzonderlijke creativiteit en heeft niets te maken met een opgewonden idealisme of een heroïsche emancipatie uit de sleur van het alledaagse, maar zij is een gegeven dat zich in de lauwe soberheid van een gewoon en ten dode opgeschreven bestaan met onweerstaanbare kracht aandient.

Uit: Cornelis Verhoeven, De resten van het vaderschap, 1975.

 

Read Full Post »

24042014

*

Homo sum, nil humanum mihi alienum puto.

Publius Terentius Afer, Heauton Timoroumenos

*

Mocht ik in mijn eerdere stukjes over de Uncanny Valley de indruk hebben gewekt dat ik nergens meer van sta te kijken, dan moet ik u nu toch teleurstellen. Er zijn wel degelijk dingen, en vooral mensen, die ik eng vind. Niet eens zo lang geleden kwam ik er een paar tegen. Op het internet, natuurlijk.

De eerste was een vrouw, die ik opeens als een spookrijder op me af zag komen, koplampen vol aan. Maar die leken niet te dienen om te zien wie of wat zij voor zich had, maar om ruim baan te maken. Ik voelde me een konijn, maar wist nog net op tijd in de berm te springen. Oef!

…vrede op aarde is uiteraard en helaas een illusie….maar een zekere ontwikkeling in bewustzijn in de loop van de geschiedenis der mensheid valt gelukkig wel te constateren. Ik hoop op een democratisch tot stand gekomen wettelijk verbod op het eten van dierenlijken binnen 50 jaar.

Behalve dat wilde zij Facebook, Twitter, God en mannen ook maar liefst de wereld uit hebben. In al haar schelheid raasde zij gelukkig snel voorbij.

Vandaag wandelde ik in mijn eentje vrij dicht langs een borrelend (mineraalwater) en babbelend gezelschap. Ik voel me dan altijd een beetje bekeken, – ook dat vind ik eng – maar ze leken me niet op te merken. Nieuwsgierig als ik ben vertraagde ik dus mijn pas, zodat ik kon horen waarover zij spraken. Tot mijn verbazing hadden ze het over mij! Weliswaar in termen die ik nog niet kende, maar desondanks kwam ik heel wat over mezelf te weten. Zo voelde ik me alsnog bekeken: doordat ik mijzelf door hun ogen kon zien.

Ik bleek een ‘human-racist‘ te zijn. Een ‘bioconservative‘ bovendien en misschien zelfs wel een ‘BioLuddite‘. De mensen bij wie ik over de tong ging noemden zichzelf ‘technoprogressives‘. En zo stond ik plotseling aan één kant van een kloof. Nu ben ik daar meestal niet zo bang voor, maar in dit geval is mijn vertrouwen in de mogelijkheid die kloof te overbruggen akelig klein. Ik voel iets rommelen, net onder mijn middenrif. O ja, ook daar hoorde ik hen over praten: ze noemden het de ‘yuck factor‘. Volgens hen zouden mensen als ik het zelf liever ‘wisdom of repugnance‘ noemen, maar daarin kom ik ze niet tegemoet. Voor ik het weet wordt mij in de schoenen geschoven dat ik er een ‘disgust-based morality‘ op na houd.

Ach, het leken me heel nette mensen. Heel redelijk vooral – als dat tenminste de juiste vertaling is van ‘rationalist‘:

Responding to the polarization of the debate between technophobes and anti-regulatory technophiles, an emerging global network of technoprogressive thinkers are defending people’s rights to use human enhancement technologies, while taking seriously the need to regulate their safety and social consequences. Technoprogressives address questions such as the right to use””and not use””cognitive enhancement technologies in an increasingly competitive society.

En toch vind ik deze mensen zeer ‘uncanny‘. Het voelt alsof de Invasion of the Body Snatchers nu toch echt heeft plaatsgevonden. Hun juiste midden ligt een heel eind bij het mijne vandaan. Zij staan een wereld voor waarin ik geen plaats zie om mijzelf te verwerkelijken. Zij pretenderen geduld te hebben met mensen als ik, maar ik voel aan mijn water dat het op ‘love it or leave it‘ aan zal komen, mochten zij de macht krijgen. Of zal ik in een reservaat belanden met andere ‘Humanish‘?

Read Full Post »

Kippenoogst

22042014

 

Een poos lang liep ik te denken aan de troost die uitgaat van ‘creatieve destructie‘. Ik dacht aan al die nooit afgemaakte spoorlijnen in Frankrijk, waarvan tunnels en brugpijlers vredig in een bosrijk landschap rusten. De auto kwam, zag en overwon en een hele generatie liet als een spelende kleuter zijn halve spoorbaan in de steek voor iets wat nog spannender was. Het is een melancholieke, bitterzoete troost, met een spoortje hoop in de afdronk: het kan verkeren, misschien speelt de mensheid over dertig jaar met andere speeltjes en hoef ik niet aan de zorgrobot. Misschien word ik een exportartikel naar een lagelonenland met een prettig klimaat. De ontvangst zal warm zijn: elke volle luier helpt hun betalingsbalans de hoogte in.

Totdat ik in een column van Margriet Oostveen in NRC Handelsblad las dat managers en directies het begrip tegenwoordig niet slechts op techniek van toepassing achten, maar ook op hun werknemers. Op de ‘human resource‘, de mens als grondstof in een productieproces. Het werd me koud om het hart. Ondertussen was ik al op zoek gegaan naar een geschikt plaatje voor het blogbericht in wording en zo stuitte ik op een hele serie fascinerende diavoorstellingen op YouTube over de meest tot de verbeelding sprekende ‘abandoned places‘. Allemaal even ‘scary‘, ‘creepy‘, ‘bone chillling‘.

Toevallig zag ik dezer dagen ook nog de film Samsara van Ron Fricke, waarin een goede handvol van de verlaten menselijke bouwsels die ik al kende van YouTube terugkwam. Het boek Prediker zonder woorden. Alles is ijdelheid en het valt niet mee wijsheid te ontdekken in wat er geschiedt onder de zon. Net Koyaanisqatsi, dacht ik ook nog, en zo kwam er al een beetje afstand tussen mijzelf en de unheimliche beeldenreeks. Tot ik werd opgeschrikt door een beeld dat me nog dagenlang is bijgebleven.

Nu eet ik zelf toch al uitsluitend scharrelkip, maar toen ik dit zag begon ik me af te vragen hoe snel het uit zou zijn met een dergelijke ‘voedselproductie’ wanneer zo’n filmfragmentje als een etiket (de techniek staat immers voor niets) op elk pak kippenvlees uit de bio-industrie geplakt zou worden. Ik ben sceptisch, want bij tabak helpen de leuzen met een rouwrandje ook niet afschrikwekkend. Toch gaat mijn hart open bij een tekst als An Animal’s Place van Michael Pollan. Een appetizer:

Salatin’s open-air abattoir is a morally powerful idea. Someone slaughtering a chicken in a place where he can be watched is apt to do it scrupulously, with consideration for the animal as well as for the eater. This is going to sound quixotic, but maybe all we need to do to redeem industrial animal agriculture in this country is to pass a law requiring that the steel and concrete walls of the CAFO’s and slaughterhouses be replaced with . . . glass. If there’s any new “right” we need to establish, maybe it’s this one: the right to look.

Read Full Post »

21042014

 

In mijn vorige mijmering over het Dal van Oneigenheid stond ik stil bij hoe het leven mij op een paar punten door een diepte had gevoerd, waardoor ik niet langer ‘uncanny‘ vind wat ik blijkens het grafiekje bij uitstek als zodanig zou moeten ervaren. Of dat goed is, dat weet ik niet, daarvoor heb ik er te weinig met anderen over gesproken. Toch heb ik de neiging het als een verworvenheid te ervaren. Alsof ik ergens de weg weet, waar ik anders liever niet zou komen. Denkend aan andere manieren waarop wij gewoonlijk met ‘uncanniness‘ omgaan, vraag ik me soms af of je in dergelijke ervaringen ook een actieve rol kunt spelen. Kan je ze opzoeken en met goed gevolg doorlopen, zonder dat het leven zelf je bij de hand heeft genomen?

Maar nu even over wat je nog meer met die Unheimliche Vallei kunt doen. Er bij uit de buurt blijven door je alleen daar op te houden waar je je veilig voelt, bijvoorbeeld. Of een positie hoog boven dat dieptepunt kiezen, vanwaaruit je sterk relativerend kunt spreken over het verschijnsel. Je kunt er ook met een grote sprong overheen springen. Dan bevind je je aan de overkant, die meteen als ‘het goede kamp‘ voelt. Van daaruit ziet het terugdeinzen van anderen eruit als al die dingen waar we met gemak ‘-fobie‘ achter plakken en een onwenselijk ‘-isme‘ bij zoeken: homofobie, xenofobie, racisme, seksisme,….. Ze komen me alle drie even vertrouwd voor als die doortocht van mijn eerdere bericht. Been there, done that.

Academisch geschoold als ik ben heb ik beslist weet van de aantrekkelijkheid van de middelste optie. Die afstand en dat relativeren werken geruststellend. Precies wat ik verlang wanneer ik geconfronteerd wordt met verontrustende grenservaringen. Maar inmiddels heb ik ook daarvan de grenzen vaak genoeg ervaren. Vroeg of laat komt het moment dat ik me weer aan tafel bij mijn Oma zie zitten en haar hoor zeggen: “Want eigenlijk bestaat de tijd niet. Dat vind jij toch ook, hé?” Breng daar maar eens iets tegenin. Wanneer ik mij voorstel hoe ik eenmaal achter die spiegel en die raadselen uit de Bijbel terechtkom, dan geef ik haar grif gelijk. En met haar al die anderen, die elke grens op aarde ‘kunstmatig‘ noemen. Maar hier en nu kan ik er niet zo veel mee, dus daal ik liever af naar wat dichter bij de dagelijkse ervaring ligt.

Over de eerste mogelijkheid heb ik het op dit blog ook al vaker gehad en ik hoop er binnenkort nog eens op terug te komen. Dan gaat het waarschijnlijk nog maar eens over de schaamte die angst in onze cultuur aankleeft, maar die lang niet altijd tot het ontwikkelen van moed leidt. Daarin hangt de eerste weg met de derde samen: wie met een ferme sprong, vaak geholpen door de redeneringen van de tweede weg, de Griezelvallei achter zich laat, heeft naar mijn idee toch iets waardevols gemist. Dat iets kan misschien als ‘groeien‘ worden omschreven. En de waarde daarvan als voeling houden met je eigen wortels en de grond die je gemeen hebt met alle mensen.

Al met al vind ik het steeds moeilijker om iets menselijks naar de andere kant van een kloof te verplaatsen. Er is mij veel aan gelegen om mij sociaal wenselijk te gedragen, of aan het streven een goed mens te zijn, dus ik snap die sprong. Anderzijds ben ik mij gaandeweg meer bewust geworden van de taaiheid van de vooroordelen waarin mijn bestaan geworteld is, dus dat terugdeinzen is mij ook niet vreemd. Met de spanning tussen die twee moet ik het zien te redden. De oude Grieken spraken daarover in termen van lichamelijkheid: midden tussen je denkende hoofd en je voelende buik bevindt zich het middenrif, de ‘frèn‘. Daar, waar gedachten en gevoelens elkaar ontmoeten, kan wijsheid ontstaan. Ik geloof graag dat die mogelijkheid nog steeds bestaat.

Read Full Post »

Té wijs

14042014

 

Een dag of wat geleden werd tijdens het ochtendoverleg een bericht uit het overdrachtboek voorgelezen. Het was de vorige avond geschreven door een jonge collega, die pas bij ons team was komen werken. “Ik heb mevrouw D. op haar gedrag aangesproken,” schreef zij, “waarop zij heel boos werd en zei dat ik nooit meer hoefde te komen.” Er volgden nog twee berichten van ongeveer dezelfde strekking, over twee andere cliënten die zich grof, claimend of non-coöperatief hadden gedragen en die niet vatbaar bleken voor corrigerende dynamiek. We keken elkaar aan en lachten – met een wonderlijk mengsel van vertedering en leedvermaak – om onze jonge collega, die nog niet wist ‘how to choose her battles‘.

Ik lachte van harte mee, blakend van zelfvertrouwen. Ik laat me niet ringeloren door notoir lastige cliënten, sterker, ik kan ze om mijn vinger winden als het moet. Ik sta bekend om mijn vriendelijkheid en mijn engelengeduld. Ik neem de mensen liever zoals ze zijn, enzovoort. Maar hoogmoed komt voor de val, heb ik vroeger geleerd, en dat gebeurde nog diezelfde dag.

Eigenlijk weet ik het wel van mijzelf, maar toch trapte ik er zomaar weer in. Verongelijkte mensen, die onophoudelijk afgeven op alles en iedereen, halen het slechtste in mij boven. Om hunnentwil zou ik een heilige willen zijn. “Overwin het kwade door het goede,” citeer ik in stilte de Bijbel en vervolgens Rilke:

Vielleicht sind alle Drachen unseres Lebens Prinzessinnen, die nur darauf warten uns einmal schön und mutig zu sehen. Vielleicht ist alles Schreckliche im Grunde das Hilflose, das von uns Hilfe will.

Het is me weliswaar nog nooit gelukt om zo’n draak zelfs maar in een kikker te veranderen, maar ik blijf het proberen. Zo ook die dag. Met inzet van alle vriendelijkheid en al het geduld dat ik kon mobiliseren, luisterde ik een half uur lang naar alles wat er niet goed was in het leven van meneer B.. Ondertussen zorgde ik ervoor dat hij koffie kreeg en iets te eten, dat hij zijn pillen innam en ruimde ik de vuiligheid op die zich altijd in zijn draaicirkel bevindt. Tot ik door een collega werd gebeld op mijn mobiel met het verzoek of ik haar met spoed kon komen bijstaan bij een calamiteit. Terwijl ik mijn vertrek aankondigde en mijn jas pakte, ontplofte mijn cliënt, vlak voor mijn gezicht: “JIJ GAAT HELEMAAL NIET WEG!!! Je bent hier pas vijf minuten! Jullie zijn allemaal hetzelfde! Jullie zetten alleen je handtekening en klaar! Ga maar gauw, je vriend staat zeker buiten te wachten!”

Ik schrok en was meteen de macht over het stuur kwijt: ik ging erop in en probeerde hem ervan te overtuigen dat ik me er echt niet met een jantje-van-leiden had afgemaakt. Nu had meneer de regie en kon ik mij alleen nog maar vergeefs verdedigen. Mijn veelgeprezen geduld was onderhand op en aan het eind van het liedje kreeg meneer een vileine opmerking toegediend waar hij de rest van de middag mee toe kon. Nadat ik de deur net iets te hard achter me dicht had getrokken, sloeg ik mijzelf maar eens stevig met een bijbeltekst om de oren:

Wees dan niet al te rechtvaardig
en niet overdreven wijs:
waarom zou je jezelf vernielen?

Prediker 7:16 (vert. Pieter Oussoren)

Read Full Post »

13042014

Twee weken na mijn feest en nog ben ik er niet over uitgedacht. Misschien wel het wonderlijkste: daags erna begon ik op deze plek over een verlangen naar kluizenarij. Een vriendin, die er ook was, mailde mij de volgende dag over existentiële eenzaamheid. En ik herinner mij dat een vriend op een wat rustiger moment in de keuken – in de huiskamer knetterden de uitgesproken gedachten nog over en weer als elektrische ontladingen in een onweerswolk – sprak over het boek Torenhoog en mijlenbreed van Tonke Dragt, waarin iemand zich op Venus bevindt, waar men elkaars gedachten gewoon kan lezen. Ik huiverde even, want al ben ik volgens anderen behoorlijk uitgesproken en zelfs transparant (soms voel ik me een wandelende volière vol gedachten), als het er op aankomt ben ik heel blij met dat beetje omhulling dat mij nog rest.

Dubbelheid der dubbelheden, alles is dubbelheid. – “Die te Amsterdam vaak zei: ‘Jeruzalem’ En naar Jeruzalem gedreven kwam, Hij zegt met een mijmrende stem: ‘Amsterdam.” – Ik ben dezer dagen uithuiziger dan ooit. De vriendin treedt met verve buiten zichzelf en van de vriend kan ik gelukkig de gedachten lezen, voor zover hij ze kwijt wil. We zijn met ons allen op reis van verlangen naar verlangen en weer terug. Wat wil je nog meer?

Ooit las ik een geschiedenis van de filosofie, nog voor Hans Joachim Störig, Bertrand Russell of Jostein Gaarder. Het was een nogal baldadig boek. De schrijver stond niet op de schouders van reuzen, maar maakte die reuzen zo klein dat hij er met gemak overheen kon kijken. Zo leek hij zelf wel een filosoof. Hij leek ook een geboren levensgenieter, maar doordat hij daar een filosofie bij nodig had – de filosofie van het Belcampisme – plaatste hij daar eigenlijk alweer vraagtekens bij. De schrijver, Belcampo, was in het dagelijks leven huisarts, dus het is begrijpelijk dat hij belang stelde in de biografie en de persoonlijkheid van de filosofen waar hij zich toe wilde verhouden. Soms ging hij daarin zo ver dat hij tot heuse diagnoses kwam (Sartre, zo meen ik mij te herinneren, gaf blijk aan een ‘gebrekkig affectief rapport‘ te lijden) en ik kreeg de indruk dat hij het existentialisme in zijn geheel als een soort aandoening zag.

In dat verband kwam hij tot een gedachte die me altijd is bijgebleven. Daarin sta ik misschien wel alleen, zoals het plaatje boven dit bericht suggereert, maar dat is binnenkort verleden tijd: ik ga die gedachte met u delen. Belcampo onderscheidde drie vormen van eenzaamheid: de maximale, de minimale en de optimale. De existentialisten beleefden overduidelijk de maximale variant en leken die zelfs te cultiveren. Mensen die zichzelf te roekeloos aan de anderen uitleverden, liepen het gevaar op te houden een persoon te zijn. Tussen die beide extremen bevond zich de optimale eenzaamheid, waar hij als arts gezondheidswaarde aan toekende.

Sindsdien denk ik aan Belcampo, telkens wanneer ik ervaar dat ik overspoeld dreig te raken door de overvloed aan ideeën die het menselijk verkeer over mij uitstort. Of wanneer ik te lang de afzondering heb gekoesterd. Ik weet dat ik soms op moet passen dat ik niet te dicht bij andere mensen probeer te komen, zodat ik hun persoonlijke optimum verstoor. Aan de andere kant zou het niet goed zijn als ik daardoor te voorzichtig werd. Hier bevinden we ons op het terrein van de levenskunst, en die lijkt misschien nog het meest op fietsen. Kijk maar uit als je mij tegenkomt: ik slinger nog een beetje.

 

13042014b

Zoals u ziet is de verleden tijd waar ik hierboven over sprak al na 3 minuten en 0,14 seconden ingegaan. Kon Vestdijk nog sneller schrijven dan God kon lezen, over een poosje kan Google sneller lezen dan God kan denken.

Read Full Post »

09042014

 

Op het spoor gezet van de robotica kwam ik terecht op een plek waar ik nog nooit van gehoord had, maar die mij meteen heel bekend voorkwam: Uncanny Valley. Ik voelde mij daardoor ook een tikje ‘unheimlich‘, want het leek erop dat ik de manier waarop men daarover schreef wel begreep, maar dat ik een en ander zelf anders voelde. Niet dat ik dat vervelend vond, integendeel bijna: er kwamen allerlei vragen in mij op en dat vind ik prettig, tot op zekere hoogte. Verwondering is heilzaam, verwarring op zijn tijd ook nog wel, zolang het niet ongemerkt in verbijstering overgaat.

Zo verwonderde het mij dat er op de bodem van het dal in het grafiekje hierboven een lijk lag, en nog twee spaden dieper een ‘zombie‘. En hoe zit het precies met die ‘positieve emotionele respons’? Is positief hetzelfde als gewenst en ervaren wij allen dezelfde gevoelens als positief of ben ik daarin misschien een beetje raar? Kun je gewoon en raar naar believen met elkander ruilen, als in: nu ben jij even raar, afgesproken? Is het zinvol of wenselijk om deze kloof te overbruggen of te dempen? Word je een lijk of een zombie als je probeert eroverheen te springen en de overkant net niet haalt?

Ruim een jaar geleden bevond ik mij in de snijzaal van de medische faculteit waar mijn oudste dochter studeert. Het klinkt misschien paradoxaal, maar het verbaasde mij dat ik me daar volkomen op mijn gemak voelde, want ik meende te weten dat dat eigenlijk niet hoorde. Aan de andere kant: wat de andere ouders voelden, weet ik niet. Mensen zijn niet altijd even doorzichtig. Onder de levenden bevonden zich twee doden, een man en een vrouw, die aanvankelijk afgedekt met een zeiltje op twee tafels lagen. In de loop van de les werden zij onthuld en tot in het diepste van hun lichaam voor ons opengelegd. Wij mochten alles aanraken, optillen, vasthouden. Al die tijd was hun gelaat onbedekt. Mijn dochter vertelde dat men daarmee probeerde te voorkomen dat je zou gaan denken dat daar een ding lag in plaats van een mens.

Ik was getroffen door de sfeer van eerbied (een positieve emotionele respons, als je het mij vraagt) die de ruimte vulde. Later heb ik geprobeerd te begrijpen waarom alles wat ik daar zag en voelde mij zo vertrouwd leek. Of dat gelukt is weet ik niet zeker, maar ik kwam uit bij de constatering dat ik mij zo dikwijls had opgehouden in het grensgebied tussen leven en dood, dat ik mij daar geen kloof meer voorstel maar een woud waar men kan wandelen. Het was alsof ik daar eerder was geweest, toen ik dieren slachtte en bereidde en ook nu, wanneer ik mensen die dicht bij de dood zijn help bij de verzorging van hun lichaam. Misschien ben ik wel raar en zou ik daarin meer afstand moeten nemen, maar ergens ben ik wel gesteld op de intimiteit die daarin mogelijk lijkt: het zou niet eens erg zijn als je van rol kon wisselen.

Maar dan iets dieper, waar de ‘zombie‘ zich beweegt, wordt het daar ‘uncanny‘? Ik heb nog nooit een zombie ontmoet, dus moet mij behelpen met het aan elkaar knopen van eindjes ervaring, waarvan ik mij voorstel dat die er bij in de buurt komen. Het woord zombie hoorde ik voor het eerst uit de mond van mijn broertje, in de tijd dat hij zich tussen zelfmoordpoging en zelfmoord bevond. Hij gebruikte het om aan mij uit te leggen hoe hij zich voelde, voor zover je een woord als ‘voelen‘ kunt gebruiken om juist het ontbreken ervan te beschrijven. Ik vond dat een zeer beangstigende geestestoestand, maar ik bleef pogingen doen tot compassie – in mijn ogen een positieve emotionele respons. Later heb ik zelf steeds vaker perioden van vervreemding, depersonalisatie en dissociatie ervaren, zodat zelfs daarmee een soort vertrouwde omgang ontstond.

Zo lijkt elke kuil een bodem te hebben, waar je rustig kunt liggen of vanwaar je de weg omhoog naar de rand kunt zoeken. Misschien een rare, maar voor mij geruststellende gedachte.

Read Full Post »

Goede bedoelingen

07042013

 

Natuurlijk was het goed bedoeld, daar twijfel ik niet graag aan. Net zoals de zoon het goed bedoelde, toen hij op zoek ging naar een “barmhartige arts die euthanasie wil verlenen” aan zijn moeder die dat zelf niet nodig vond, maar die wel ooit had verklaard dat het leven dat zij nu leidt haar niet leefbaar leek. Maar in de meeste gevallen is het hebben van goede bedoelingen niet genoeg, eigenlijk begint het dan pas. In het geval van onze goede bedoelingen met de goede dood geldt dat misschien nog wel sterker dan in het leven dat zich op grotere afstand van het graf afspeelt. Bij de dood is het erop of eronder.

Ik kom hierop doordat ik het laatst met een van mijn ‘zorgvragers’ over euthanasie had. Zij begon daarover tegen mij, omdat haar huisarts er tegen haar over begonnen was. Nog maar net was zij uit het ziekenhuis naar huis gestuurd met een akelige diagnose, waar geen behandelcombinatie meer aan vast zat. Nu denk ik: dan begint dus de zorg, want palliatieve zorg is – al klinkt het een beetje raar – mijn lust en mijn leven. Haar huisarts begon echter meteen over euthanasie. Misschien wist zij niet dat haar patiënte een vroom katholieke gelovige was, voor wie de dood Gods werk is, probeer ik nog vergoelijkend te denken. Maar vervolgens begin ik me af te vragen hoe het zit met haar kennis van verwerkingsprocessen: mensen in de situatie van mijn mevrouw hebben doorgaans de behoefte om eerst een hele poos over de klap te praten, dan pas komt het ‘hoe nu verder’ aan bod. En dan begint, dat zei ik al, wat mij betreft de zorg.

Wat me aan deze situatie nog het meeste trof, is dat ze niet op zichzelf staat. In de afgelopen twee jaar heb ik precies dezelfde scène nog een paar keer meegemaakt, waardoor ik het moeilijker vind om zoiets als een incident te zien. Ik zou het ook nog geen trend willen noemen, maar begin er liever over te praten voordat het zover is. Ondertussen denk ik er bijna dagelijks over na en dan probeer ik voor al om mij te verplaatsen in de huisartsen die met deze op het eerste oog onbesuisde benadering komen. Waaruit is die ontstaan, behalve uit goede bedoelingen?

In de discussies over de toenemende vraag naar euthanasie komt herhaaldelijk naar voren dat het menselijkerwijs gesproken erg moeilijk is om het aanbod daarmee in evenwicht te brengen. Hoezeer wij het er met ons allen ook over eens zijn dat een mens moet mogen sterven als hij of zij dat wil, de menselijke psyche is niet zonder meer toegerust om daar een actieve rol in te spelen. Gevoelsmatig vergt het nogal wat om iemand dat spuitje te geven. Ondertussen loopt de maatschappelijke druk op artsen langzaam maar zeker op. Ik kan mij voorstellen dat onder die druk sommige artsen (misschien juist de gevoeligste) hun gevoelens hypercorrigeren in de richting van wat sociaal wenselijk lijkt.

Vervolgens probeert mijn voorstellingsvermogen in de huid van die mevrouw daar op dat bed te kruipen. Als ik haar was zou ik op mijn beurt ook een druk ervaren, de druk om die goed bedoelende arts ter wille te zijn en liefst zo gauw mogelijk met een kloek besluit te komen. En met al die geluiden over voltooide levens in de media kan dat maar één besluit zijn. Of heb ik nog een goede reden om ‘erop’ te kiezen in plaats van ‘eronder’? Dat kan niet de bedoeling zijn van al die goede bedoelingen, denk ik dan.

Read Full Post »

03042014

*

 

voor Irene

*

Net toen ik mijn grote broer Google voor de zoveelste maal tevergeefs met hetzelfde verzoek had benaderd en ik vreesde dat een van ons beiden de deur met een klap in ’s anders gezicht dicht zou gooien, zag ik het juweel schitteren tussen de rotzooi in zijn kolenschoppen van handen. Al zeker drie jaar was ik telkens weer op zoek gegaan naar een verhaal uit mijn kleuterjaren, dat weliswaar grote indruk op mij had gemaakt, maar waarvan ik mij geen woord meer herinnerde. Vage beelden die mijn geestesoog destijds had gevormd spookten nog wel door mijn hoofd, maar Google is geen ‘beelddenker‘, dus daar schoten we niets mee op.

Vandaag heb ik de titel gevonden, en een paraphrase van de inhoud én een fragment. Het boekje dat mij rond mijn vierde levensjaar werd voorgelezen is ongetwijfeld Het Druivejurkje van Pauline Jacoba Cohen-de Vries geweest. Heel kort: het gaat over een verwend prinsesje, dat haar moeder ten einde raad brengt door te blijven zeuren om een jurkje van druivenschilletjes. Uiteindelijk komt er een aardmannetje aan te pas, dezelfde die de kinderwens van de koningin in vervulling had doen gaan:

Langzaam kwam de kabouter op haar toe. Toen stak hij beide handen in z’n zakken, trok de dikke wenkbrauwen samen en zei, een beetje spottend:
“Zoo, zoo! Hier hebben we dus de jonge dame, die zoo hard schreeuwen en gillen kan, dat wij ’t hier hooren kunnen.”
Hij stond haar maar op z’n dooie gemak te bekijken. En voor ’t eerst van haar leven schaamde Machteld zich en begreep zij, hoe leelijk en dom het was, zoo’n keel op te zetten.
“En wat was er gisteren weer aan de hand?” vervolgde de kabouter. “Waar heb je zoo om gedwongen, dat je moeder er geen raad meer mee wist?”
“Ik wou zoo graag een druivejurkje hebben,” zei het meisje zachtjes.
“Een wàt?” De dikke wenkbrauwen werden hoog opgetrokken.
“Een jurkje, van hetzelfde goed, waar de druiveschilletjes van gemaakt zijn. ’t Zou zoo beeldig zijn. Maar je kunt het niet bij een koopman krijgen. ’t Moet getooverd worden.”
En opeens keek ze hem vriendelijk aan en vleide: “Kan jij tooveren? Toe zeg, geef me dan zoo’n jurkje. Ik zou er zóó blij mee zijn.”
De kabouter stond naar den grond te kijken, en streek over zijn lange grijze baard. Hij scheen diep na te denken. Maar opeens hief hij ’t hoofd weer op en zei: “Goed, je kunt zoo’n jurkje van mij krijgen. Maar je moet het eerst verdienen.”

Hoewel ik allesbehalve een prinsesje was (wij waren met velen en hadden weinig geld – druiven zag ik eens per jaar in de fruitmand, die mijn moeder van de diaconie kreeg als zij weer bevallen was), wist ik meteen dat dit verhaal over mij ging. Heel jong al was ik rijk aan onmogelijke verlangens. Soms joeg ik ze na, maar vaker nog ging ik ervoor op de vlucht. Bovendien kwam me in het leven zoveel simpelweg aanwaaien, dat ik bij uitstek een kabouter nodig had om van mij een heel mens te maken. Tenslotte is tenminste één van mijn onmogelijke verlangens werkelijkheid geworden. “Ben je nu gelukkig?” vraagt men zo nu en dan.

Jawel, zeg ik dan in alle eerlijkheid, maar als het erop aankomt valt dat geluk niet eenvoudig samen met de vervulling van mijn verlangen. Liever zou ik het een ‘bijwerking’ willen noemen. Terugkijkend ben ik vooral gelukkig met alles wat ik op de weg naar hier heb mogen doen, met wat ik meemaakte en hoe dat alles mij gevormd heeft. Vooruitkijken leek een tijd lang moeilijker, omdat ik een groot deel van mijn vroegere rijkdom kwijt was. Maar de laatste weken gebeuren er opeens allemaal dingen die me op pad sturen. Eén ervan wil ik hier noemen, omdat het me weer aan mijn druivejurkje deed denken. Ter gelegenheid van het feest dat ik onlangs vierde, kreeg ik van de vriendin aan wie ik dit berichtje opdraag een gedicht in het Hebreeuws. Ik kan het niet lezen, maar zij verzekerde mij dat het pure schoonheid is en zij kan het weten. Zij weet ook hoe onvertaalbaar het is. En ik zie hier een vingerwijzing van mijn aardkabouter in: ga je de moeite getroosten om er zo dicht bij te komen als je kan.

Read Full Post »

Older Posts »