Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for december, 2017

Wonderen

 

Waarom zetten we de chanoekia bij voorkeur (maar: safety first!) in de vensterbank? Omdat de wereld mag weten dat “daar een groot wonder is geschied”, zoals de vier Hebreeuwse letters op de dreidl verkondigen. Voor wie het nog niet weet: in het jaar 164 v.C. hadden de Maccabeeën de Tempel in Jerusalem heroverd op de Seleucidische Grieken. Die hadden het heiligdom ontwijd door een varken op het altaar te offeren en daarna de boel kort en klein te slaan. De zevenarmige kandelaar lag op de grond en tussen het puin werd slechts één kruikje kosjere olie gevonden. Desondanks zette men de menora rechtop en stak haar aan. Ze bleef branden tot er weer nieuwe olie geperst was, acht dagen lang.

Zo ver weg in tijd en ruimte, en toch wist de warmte van dit wonder me feilloos te bereiken! Dat is op zich al een wonder. Van dichter bij kwam een ander Chanoeka- verhaal op mij af. Rabbijn Hugo Gryn herinnert zich Chanoeka 1944 in een “miserable little concentration camp in German Silesia”:

My father took me and some friends to a corner in the barracks. He announced that it was the eve of Hanukkah and produced a small clay bowl. Then he began to light a wick immersed in his precious but now melted margarine ration. Before he could recite the blessing, I protested at this waste of food. He looked at me, then at the lamp, and finally said, “You and I have seen that it is possible to live up to three weeks without food. We once lived almost three days without water. But you cannot live properly for three minutes without hope!

Ook dit is een wonder. Er is een bijzonder verband tussen wonderen en hoop. Ik kom daarop terug.

Mijn eigen rabbijn had dit jaar een heel andere benadering van het wonder: als je goed kijkt is alles een wonder. Zij heeft haar keuze gemaakt uit het dilemma van Albert Einstein:

There are only two ways to live your life. One is as though nothing is a miracle. The other is as though everything is a miracle.

Dat zal ook wel de bedoeling zijn geweest, en anders wel die van Abraham Joshua Heschel:

Our goal should be to live life in radical amazement. ….get up in the morning and look at the world in a way that takes nothing for granted. Everything is phenomenal; everything is incredible; never treat life casually. To be spiritual is to be amazed.

Het is goed met de existentialistische heren: ik houd de snaren van mijn ziel liever wat minder strak gespannen, dan gaan ze wat langer mee. Ik heb er – in ieder geval statistisch gezien – goede hoop op dat ik daar dan ook nog lang van mag genieten. In verwondering schuilt genot, maar soms draagt juist statistiek de hoop aan, bijna alsof het zekerheid is.

Is het misschien daarom dat wij gewoon zijn in alles om ons heen eerder de vaste patronen te herkennen dan het eenmalige? Zouden we het aan kunnen als we écht konden zien hoe God de wereld even vaak opnieuw schept – en vernietigt – als uw computerscherm zich ververst? Waar ligt de gulden middenweg tussen voorspelbaarheid en verrassing? Vermoedelijk voor ieder van ons op een andere, steeds verschuivende lijn. Na een jaar waarin dit voor mij persoonlijk een van de belangrijkste thema’s is geweest, vrees ik dat wij als mensheid nogal van het padje beginnen te raken. Dronken door het succes van de voorspellende kracht van de kunstmatige intelligentie die wij in het leven hebben geroepen, laten we onszelf net iets te graag opsluiten in een droom van voorspelbaarheid. Tijd voor weer wat wonderen. Daar heb ik overigens goede hoop op.

Advertenties

Read Full Post »

 

Wat is vluchtiger: een woord of een gedachte?

Misschien is mijn antwoord strikt aan mijn persoon gebonden, misschien ook herkent een van mijn lezers het wel. Mijn woorden verwaaien veel sneller dan mijn gedachten – tot mijn verdriet. Nee, ik zou niet willen dat mijn woorden bestendiger waren, maar juist dat het gesprek met mijzelf, waaruit mijn gedachtenwereld bestaat, de helft minder stroperig was. Mijn stream of consciousness is als een brede rivier, die traag stroomt – als je er een strootje in gooit, of een dorre twijg, dan zie je hoe door obstakels en wervelingen alles wat het leven van anderen aan het mijne toevoegt heel lang zichtbaar blijft, voordat het naar de diepte zakt of in de zee der vergetelheid verdwijnt.

Als ik het zo neerschrijf, kan ik me er ook gelukkig om prijzen, vanwege de rijkdom die het mijn innerlijk leven geeft. Maar vandaag denk ik daar anders over. Al wekenlang denk ik dagelijks over mijn op handen zijnde afscheid van mijn huidige werkkring en van mijn cliënten. Met nogal gemengde gevoelens constateerde ik dat de zelfgekozen overgang naar een andere omgeving met andere zorgbehoeftigen me tamelijk onverschillig liet. Liet, want afgelopen week had ik een vriend te eten, aan wie ik probeerde uit te leggen dat ik me steeds minder hecht aan de cliënten met wie ik bijna dagelijks verkeer. Al vertellend zocht ik naar een verklaring: ik heb geen vaste roosters, ze gaan de een achter de ander dood, door hun pijn en beperkingen zijn ze vaak zo sterk op zichzelf betrokken, dat er weinig wederkerigheid in de belangstelling voor elkaar optreedt.

Gek genoeg kan ik me de reactie van mijn vriend niet eens precies herinneren, maar door mijn rondcirkelende gedachten werkelijk woorden te laten worden, schoot er iets los in die rare rivier van binnen. Alsof hij ongemerkt een zwerfkei had verplaatst, een paar centimeter maar. Opeens bleken mijn gedachten niet meer te kloppen. Ze waren niet langer dezelfde, als toen ik ze wilde verwoorden. Zit er morgen een andere vriend tegenover mij aan tafel, dan krijgt hij een ander verhaal te horen. Niet omdat hij een ander is, maar omdat ik niet langer dezelfde ben. Ik kom niet meer weg met de gedachten die ik had, maar zal het moeten doen met de gevoelens die mij nu doorstromen. Veel minder onthecht dan ik dacht.

Een heel ander verhaal. Enige tijd geleden schreef Bart Schut in het Nieuw Israelietisch Weekblad een column, waarin hij triomfantelijk de Koran citeerde en vervolgens van de Arabieren verwachtte dat zij zouden beamen, dat hun profeet het land Israël als onvervreemdbaar bezit van de Joden had bestempeld. Hoeveel speelsheid en ironie zat er in zijn bewering? Ik kon het moeilijk meten. De week erop las ik ergens een reactie op het stuk, waarin een lezer hem erop wees dat het weinig zinvol is om een heilig geschrift als bewijsstuk op te voeren, zonder zich rekenschap te geven van de manier waarop die woorden leven onder het volk van dat boek.

Raakt dit aan een wezenlijk verschil tussen calvinisme en Jodendom? Hoe leeft een tekst, die men als heilig in het midden legt? Opeens herinner ik mij een docent maatschappijleer op de middelbare school. Een bevlogen man, of liever, bevlogen geweest, want toen al trof mij in hem de melancholie van gekwetst idealisme. Hij had theologie gestudeerd, maar was er halverwege mee gestopt. Toen ik hem vroeg naar het waarom, legde hij mij uit dat hij teleurgesteld was geraakt in de Bijbel als morele code. “Ik kwam erachter dat het een stuk elastiek is: iedereen trekt eraan en gaat zijn eigen kant uit.”

Het heeft heel lang geduurd eer ik erachter kwam dat het weinig zin heeft om de woorden van God als een morele code te zien. Yehuda Amichai heeft gelijk als hij zegt:

We begged you, Lord, to divide right from wrong
and instead you divided the waters above the firmament
from those beneath it. We begged
for the knowledge of good and evil, and you gave us
all kinds of rules and regulations
like the rules of soccer
(…)

Toch, waar die woorden ter harte worden genomen, telkens wanneer erover gediscussieerd wordt, wanneer ze uitgesproken worden, thuis en onderweg, bij het opstaan en bij het slapen gaan, brengen ze – net als een vriend aan tafel – leven in de stroom van gedachten.

Read Full Post »