Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juni, 2014

30062014

 

Het mag duidelijk zijn dat ik zo’n commotie op mijn werk als die rond de iPads niet echt prettig vind. Veel te spannend allemaal. Toch leer ik er ook weer van alles van. Zelfs op een filosofisch niveau brengt het me verder, dat wil zeggen, het roept nieuwe vragen op.

Eerst even dit: in mijn vorige bericht citeerde ik een blog waarin Arbo-deskundige Wim van Veelen van de FNV werd aangehaald. Laat ik het even herhalen:

„Voor je het weet zit je in een situatie waar werknemers gaan denken dat ’het er nu eenmaal bijhoort’. Maar de vraag moet ook gesteld worden of het er inderdaad allemaal bijhoort of het normaal is om buiten werktijd ook op piepjes en bliepjes te zitten wachten”, zegt Arbo-deskundige Wim van Veelen van de FNV. „Die discussie moet gevoerd worden.”

Het was eind 2012 toen dit werd geschreven, medio 2014 lijkt het al te laat om die discussie nog te voeren. Zowel vanuit het management als van de kant van de ondernemingsraad trof ik weinig begrip voor mijn wens werk en privé gescheiden te houden. Zeker drie keer heb ik de woorden “het is allang de trend etc.” gehoord. Ik kreeg het idee dat ik half slapend in de verkeerde trein was gestapt en nog niet recht door had dat die al reed, wat zeg ik, al drie stations aangedaan had.

Dat ik mijn manager wees op de zogenaamde zorgplicht van de werkgever in deze, was niet aan hem besteed. Het vinden van een goede manier om met de te verwachten technostress om te gaan was toch echt onze eigen verantwoordelijkheid. Hoezo zou de werkgever daar een rol in moeten spelen? Kortom: ik sta op het punt een achterhoedegevecht te beginnen en – kom op zeg! –  ain’t nobody got time for that.

Wat ik hier in ieder geval zie als ‘trend die allang gaande is‘, is dat je door te roepen dat iets ‘een logische ontwikkeling is‘, elke tegenstand bij voorbaat vruchteloos kunt laten lijken. Een voorbeeld: ministers Schippers noemt de stijging van het aantal mensen met een psychische aandoening op wie euthanasie wordt toegepast “een logische ontwikkeling”. Een soort omkering van de hellendvlak-redenering. Is dit een nieuwe drogreden of gewoon een beroep op moderniteit? En wat kun je ertegen uitrichten?

Read Full Post »

Piepjes en bliepjes

28062014

 

Het zoemt en het gonst op mijn werk, het ruist en het rommelt, af en toe knettert het en vliegen de vonken over. Overal waar twee of drie vergaderd zijn, gaat het over de iPad. Of liever: over die malle ‘voorwaarden ICT-verstrekking’. Wat een opwinding! Pas als we het weer over mevrouw G. hebben, die aanstalten maakt om te gaan hemelen, worden we weer rustig en blijken we nog te weten waar het ook alweer over gaat in het gewone leven. Moet zij wel meer morfine krijgen, of juist meer Haldol? En wanneer starten we met Dormicum? Heeft zij vandaag nog wat gedronken en kon zij nog draaien toen jij haar voor het laatst hebt verschoond?

Inmiddels is er zoveel verzet dat ik mij al niet meer kan voorstellen dat de organisatie er nog mee weg komt, met die bovenwettelijke aansprakelijkheidstelling. Ik denk al weer verder over het volgende knelpunt: hoe houd ik dat ding buiten mijn privé-omgeving? Een beetje achterdochtig was ik wel, toen ik in mijn vorige bericht suggereerde dat mijn werkgever stiekem hoopt dat wij in onze eigen tijd het werkgerelateerde mailverkeer blijven voeden en volgen. Geheel en al ongegrond is dat echter ook niet. Ons salaris heeft veel weg van een ouderwetse stukloon regeling: elk kwartier heeft een eigen productcode en behalve de zorghandelingen die werkelijk door de AWBZ vergoed worden, krijgen we alleen een kwartier om te fietsen en een kwartier voor overleg en overdracht uitbetaald. Als wij digitale post doornemen, doen we dat eigenlijk in onze eigen tijd.

Maar ach, het maakt niet eens zoveel uit of de baas wil dat wij vanuit huis de communicatie binnen het team aan de gang houden. Daar zorgt het apparaat zelf wel voor, zodra wij ermee instemmen het mee naar huis te nemen. De techniek is soms heel eigenmachtig en ik ken mijn eigen zwakheid. Op mijn vrije dag gaan mijn gedachten toch regelmatig naar deze of gene lijdende medemens, en als dat venstertje daar ligt, waardoor ik kan kijken wat mijn collega’s die dag over hem of haar rapporteren, dan schuif ik elk uur de gordijnen even opzij. Een van onze verpleegkundigen vertelde gisteren hoe het apparaat tijdens de maaltijd thuis plotsklaps gerucht maakte, en hoe zij onwillekeurig opstond en keek wat het haar wilde melden. “Hé, waar ben jij nou mee bezig?” zei haar man, gelukkig.

Een andere collega bekende dat zij haar werkmail de vorige avond meerdere malen per uur had gechecked. Weer een ander bleek ’s avonds om half negen nog een uitgebreide rapportage over mevrouw A. naar de team-box te hebben verzonden. Rond die tijd zat ik in de theaterzaal van het Geert Groote College, waar een klasgenoot van mijn dochter een twintig minuten durende presentatie hield over de smartphone-verslaving die hij bij zichzelf en zijn vrienden had waargenomen en onderzocht. De techniek staat voor niets en wij zijn blijkbaar overal en nergens. Er is al een neologisme in omloop om de snel om zich heen grijpende epidemie te benoemen: ‘technostress‘. De FNV deed er, samen met de UvA, onderzoek naar. Het rapport kun je hier downloaden.

Maar nadelen zijn er ook, zegt de FNV. Zo wordt de scheidslijn tussen werk en privé steeds vager. „Voor je het weet zit je in een situatie waar werknemers gaan denken dat ’het er nu eenmaal bijhoort’. Maar de vraag moet ook gesteld worden of het er inderdaad allemaal bijhoort of het normaal is om buiten werktijd ook op piepjes en bliepjes te zitten wachten”, zegt Arbo-deskundige Wim van Veelen van de FNV. „Die discussie moet gevoerd worden.”

Bron: De Digitale Media

 

Tijdens de training afgelopen week zei de ICT-er trots dat de ‘omgeving‘ waarbinnen onze rapportage zich af gaat spelen sprekend op WhatsApp gaat lijken. Ja ja, denk ik dan, ons team zal zich onstuitbaar in de richting van een soort facebook-gemeenschap ontwikkelen. Met de bijbehorende overload aan informatie. Ik hoor de ouderen al klagen over de al te nadrukkelijke aanwezigheid van de mobiele telefonie in hun bad- en slaapkamers. Maar kom, laat ik nu niet meteen weer een somber scenario oproepen. Voor hetzelfde geld ontstaat er een gezonde discussie over de zin en onzin van rapportage in de zorg. Misschien worden we genoodzaakt selectiever te worden in wat we menen te moeten delen met collega’s. Hopelijk gaan wij het onderscheid tussen ‘realtime media’ en ‘righttime media’ nog eens waarderen.

Read Full Post »

iRash

24062014

 

rash1, eruption of the skin in spots or patches.

rash2, hasty, impetuous, overbold, reckless, acting or done without due consideration.

The concise Oxford dictionary of current English

Gistermiddag had ik zomaar opeens een rare uitslag rond mijn beide polsen. Pukkelig, een acute irritatie. Gelukkig is er nu iRash, de nieuwe ‘app‘ die je op je ‘iPad’ kunt installeren en die op basis van een foto (iPhoto) razendsnel de meest voor de hand liggende diagnose stelt, zodat onmiddellijk actie kan worden ondernomen. Een enorme tijdsbesparing!

Even serieus, mijn huid is – op een enkel ouderdomsvlekje na – puntgaaf, maar geïrriteerd was ik gistermiddag wel en dat had te maken met de iPad. Onze werkgever in de thuiszorg moet in de nabije toekomst meer zorg gaan leveren voor minder geld, dus wordt nu inderhaast een grote partij iPads aangeschaft (of geleased?), zodat wij binnenkort met diverse speciaal voor de zorg ontwikkelde ‘apps‘ ons werk nog beter en vooral efficiënter kunnen doen. Gistermiddag werden die apparaten overhandigd en tekenden wij een bruikleencontract en ….. Ho wacht even, niet zo snel, eerst de kleine lettertjes eens lezen.

Dat zijn er nogal wat, maar een paar springen er onmiddellijk uit. Bijvoorbeeld dat wij de werkgever machtigen tot een bedrag van € 650 op ons netto loon in mindering te brengen bij schade, vermissing of diefstal van het apparaat. Natuurlijk is dat slechts een stok achter de deur, omdat mensen anders – zo is immers gebleken – te onvoorzichtig omspringen met de spullen van de werkgever. Onkosten worden uiteraard alleen in rekening gebracht als er sprake is van opzet of nalatigheid, zulks ter beoordeling van: ja, de werkgever. Kom, het zal allemaal wel los lopen, wordt ons op het hart gedrukt.

Amme hoela: dan was zo’n contract met al die kleine lettertjes toch niet nodig? Wat ik mis in al die artikelen is hoe onze rechtsbijstand geregeld is als er geschillen ontstaan over die aansprakelijkheid. Dat het “in goed overleg” zal gebeuren biedt geen enkele garantie, terwijl van ons wel wordt verwacht dat wij voor € 650 garant staan.

Wat mij en enkele andere collega’s nog het meeste steekt, is de vanzelfsprekendheid waarmee men ervan uitgaat dat wij de tablet ook in onze eigen tijd en onze eigen woonomgeving onder onze hoede zullen houden. Daarmee legt de werkgever beslag op onze privé tijd en ruimte, zonder dat daar ook maar iets tegenover staat. Of denkt men dat de iPad ons werk zoveel “makkelijker en leuker” zal maken dat we in onze eigen tijd graag doorgaan met communiceren over cliënten en roosters en vakantiedagen en vervanging van zieke collega’s? Weet u wat ik denk: dat men hoopt dat dat zal gebeuren. Dan gaat namelijk alles veel vlotter en het bespaart tijd. Tijd waarvoor wij anders betaald zouden moeten krijgen.

Slechts één collega en ikzelf durfden het aan om het ondertekenen van de overeenkomst te weigeren tot er een beter contract zou zijn geregeld. Dat leverde ons in eerste instantie niet veel meer dan insinuaties (“sentimenten”) en intimiderende opmerkingen (“dan kan het zijn dat je ongeschikt wordt bevonden voor het uitvoeren van je functie”) op. Maar wij hebben een brief aan onze teammanager (“op afstand”) geschreven, waaronder toch ook de handtekeningen van de andere teamleden staan. Daarin verlangen wij een verlaging van de borgsom, een opbergsysteem voor de iPads op de werkplek en een transparante regeling voor geschillen rond schadeclaims.

Die teerling is in ieder geval geworpen. Inderhaast, maar hopelijk nog op tijd.

Read Full Post »

Namasté

21062014

 

Niet zo lang geleden had mijn dochter op school een ‘periode‘ psychologie. De docent kende ik van ouderavonden: een charismatische spreker, met een mooi evenwicht aan bevlogenheid en bezadigde senioriteit. Iemand die de ‘ik-ontmoeting‘ niet uit de weg gaat wanneer dat gepast is. Belezen was hij ook, want ik kreeg tijdens de avondmaaltijd van alles te horen over Carry van Bruggen. Mooi zo, dacht ik, dat is waardevolle bagage op je reis door de adolescentie! Vooruit, meteen maar voor een heel mensenleven.

Wie weet eigenlijk nog dat Carry van Bruggen niet alleen romans schreef, maar ook filosofische werken op haar naam heeft? Gelukkig heeft zij een plaats gekregen in Vrouwelijke filosofen van Carolien Ceton (red.). Vandaar weet ik dat het Leitmotiv in haar denken de onophefbare strijd tussen eenheidsverlangen en distinctiedrift is, waarin zij ten diepste onze levensdrift en ons verlangen naar de dood herkent. (Pas op voor de kruisstelling in deze zin!) Pas überhaupt maar op als je denkt dat je nu de werkelijkheid in één klap overzichtelijk kunt krijgen, want niet zelden maakt het een groot verschil van welke kant je ernaar kijkt.

Als ik dat niet al kende uit de kerkgeschiedenis van het dorp waar ik ben opgegroeid, dan had ik het wel geleerd in de jaren dat ik heb mee bewogen met verschillende emancipatiebewegingen. Je hebt het namelijk niet altijd voor het zeggen als het om distinctie gaat. Je kunt homoseksueel zijn, maar ook nog eens vrouw, of joods, of moslim, of refo. Of drie van die vijf. Dat wordt jongleren om je tegenstrijdige verlangens in de lucht te houden. Alsof het niet al moeilijk genoeg was te moeten kiezen tussen jezelf zijn en ergens bij horen, moet je ook nog uitmaken welk zelf waar bij hoort en oppassen dat je staart er niet afgeknepen wordt, zodra ergens de deur achter je dicht gaat.

“For she says the Americans are the most conforming people on earth, and even when they rebel they do it in droves, and always wear the same as the other non-conformers,” verzucht een personage in Doris Lessing’s roman The Diary of a Good Neighbour. Ik denk dat het fenomeen veel universeler is: hoe vaak grijpen wij niet de eenheid aan om onze onderscheidenheid te kunnen dragen? Zelf heb ik ook menigmaal het gezelschap van gelijkgezinden of zelfs ‘lotgenoten‘ opgezocht teneinde steun te vinden voor datgene waarin ik mij zo ‘anders‘ voelde dan alle andere mensen. We leven in ‘bubbles‘ heet dat tegenwoordig. Bevredigend was dat voor mij uiteindelijk niet, maar gelukkig loste het zichzelf op.

Op een gegeven moment deed het er zomaar niet meer zo toe of ik mijzelf in anderen kon herkennen. Het leek bijna alsof ik aan de andere kant van een spiegel terecht gekomen was en dat een raadsel zichzelf oploste, doordat ik de anderen in mijzelf begon te herkennen. Zonder mijzelf te verliezen, raakte ik mijn gevoel ‘anders‘ te zijn en daarmee mijn teveel aan eenzaamheid kwijt. De plek in mijzelf waar ik bewondering kan voelen, maar ook irritatie, aantrekkingskracht, maar ook afschuw, blijkt ruim genoeg om een heel universum aan menselijks en al te menselijks te bevatten. Als in ‘homo sum, nil humanum mihi alienum puto‘ of als in ‘I honor the place in you where the entire universe dwells‘.

Read Full Post »

10062014

 

Afgelopen zaterdag begaf ik mij op de Noordermarkt alhier onder de nieuwe voedselelite. Jaren was ik daar niet meer geweest. Tjonge, wat zag het er allemaal verkoopkrachtig uit! Om een wormstekig appeltje hoef je er niet meer te komen en wat betreft de reform-produkten (weet iemand nog wat dat ook alweer was?) zijn ze allang bij versie 3.0. Pollen en koninginnegelei zijn uit, goji-bessen en quinoa zijn in, ’t is maar dat je het weet. Opeens voelde ik me oud, te oud voor al die onzin.

Ik drentelde nog wat verder, kocht een bosje zomerbieten, zag iemand van vroeger achter een kraam (gelukkig, zij heeft meer rimpels dan ik) en hervond mij al mijmerend over vergankelijkheid voor een tafel vol oesters en partjes citroen. Uit alle kuststreken van Europa waren ze aangesleept en erachter stond een zeer zwarte man met blinkend witte tanden en een flitsend mes, waarmee hij uiterst handig de ongenaakbaar ogende schelpen kraakte. Links van mij zag ik twee jonge meiden staan (wat zijn ze toch lang tegenwoordig!), die achteloos doorkletsend zo’n schelp van hem aanpakten, er wat citroensap over sprenkelden en de inhoud achterover sloegen, zoals twee ballen bij Hoppe hun borrel.

Mijn filosofische lectuur van een maand geleden kwam mij onmiddellijk te stade: ik zag Kairos en greep hem bij zijn haarlok. “Welke hadden jullie daar?” waagde ik zo nonchalant als ik maar kon. “De Bretanse. Lakker, haar!” klonk het, alsof ze niet een oester, maar een hete aardappel hadden ingeslikt. De dames veegden hun handen, likten zich nog even de lippen en kuierden rustig verder. Die hadden het vaker gedaan, dat was duidelijk. Ik niet, al ben ik op een leeftijd waarop het niemand meer interesseert hoe oud je bent. Nog nooit, beken ik schaamtevol. “Doet u mij ook maar zo’n Bretonse,” vroeg ik de man met het mes en verder deed ik gewoon de gebaren van de jonge meiden na.

En, hoe was het?

Precies zoals de eerste keer seks hoort te zijn: op het griezelige af spannend. Wel lekker. En ‘grossly overrated‘.

U hoort het goed: ik voel me nu wel een ingewijde. Met een zelfvoldaanheid die ik eerlijk gezegd ook ‘wel lekker’ vond slenterde ik naar de hoek waar men antiek en curiosa verkocht. Daar wachtte mij een nieuwe verrassing. Voor een prijs waar ik zelfs met mijn charme nooit een oester voor zal kunnen kopen kocht ik een Lonely Planet-gidsje voor de culinaire wereldreiziger. Extreme Cuisine, heette het. Ushuaïa voor de lekkerbek. Food porn, maar buitengewoon kinky food porn. Een beetje jammer van mijn gevoel arrivée te zijn, maar er ligt nu wel weer een wereld van ongekende sensaties aan mijn voeten.

Why, then the world ’s mine oyster,
Which I with sword will open.

Shakespeare

 

Read Full Post »

Steentje

09062014

 

Als mijn blog een column in NRC zou zijn geweest, dan was gisteren mijn laatste kans om het over de affaire-van Woerkom te hebben. Volgende week zijn er vast weer nieuwe bonus-aanbiedingen. De krant stond er vol mee, de hele week al en zaterdag kwam de climax: Bas, Tom-Jan, Youp, Siegfried, Hafid, Marc en Sjoerd, allemaal hadden ze het erover. Al lijkt het erop dat je hiervoor een man zou moeten zijn, ik zou niet durven achterblijven en in arren moede diep in mijn intellectuele rugzak gaan graven om een steen te zoeken die ik op dit morele kruispunt neer zou kunnen leggen. En dan de vraag: waar precies, want een keurig hoopje was het niet geworden. Het zag er meer uit alsof er iemand gestenigd was of dat er een straatgevecht had plaatsgevonden. Een ‘drôle de guerre‘, schreef er een, en gelijk had-ie.

Eén steen heb ik gemist – of over het hoofd gezien – anders zou ik die netjes bovenop gelegd hebben: het zou geen fuck uit moeten maken wat een dienaar van het recht over Marokkaanse taxi-chauffeurs denkt. Net zoals het geen fuck uit zou moeten maken wat een gemeente-ambtenaar over homoseksualiteit en het huwelijk denkt. Bij het uitoefenen van een ambt doe je een (meestal denkbeeldige) toga aan, of je er nou een kruisje onder draagt of een hoofddoek boven: het zou allemaal geen fuck uit moeten maken. Daar hebben we een rechtsstaat voor. En beroepscodes, zelfs in de thuiszorg. Laat ik eens vertellen hoe blij ik daar soms van word.

Volgens die beroepscode mogen wij niet discrimineren:

“Als verpleegkundige/verzorgende heb ik als uitgangspunt dat iedere zorgvrager recht heeft op zorg.

Dat betekent met name

• dat etnische afkomst, nationaliteit, cultuur, leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid, ras, geloof, levensbeschouwing, politieke overtuiging, sociaaleconomische status, lichamelijke of verstandelijke beperking, aard van de gezondheidsproblemen, levensstijl niet van belang zijn voor de vraag of iemand zorg krijgt

• dat ik iedere zorgvrager en zijn naasten met hetzelfde respect tegemoet treed.”

Dientengevolge was ik in voorkomende gevallen vanzelfsprekend ook ‘weigerambtenarenbillen‘. Of ik dat van harte doe, maakt geen fuck uit, als ik mijn werk maar goed doe en zonder aanzien des persoons. De tolerantie die een dergelijke beroepshouding vergt zou wellicht genoemd kunnen worden onder de inconveniënties in mijn functieprofiel, want het valt niet altijd mee een persoontje te zijn dat er even niet toe doet. Soms is het op die weg een heel druk eenrichtingsverkeer.

Er is een man die zich niet door een man wil laten wassen: “Ik ben per slot van rekening geen pot (sic)!” Ik vind dat zeer discriminerend tegenover mijn mannelijke collega’s en misschien nog wel het ergst voor de homoseksuelen onder hen, hoewel die er het hardst om moesten lachen tijdens het bewuste ochtendoverleg, en daarna. Er is ook een man die er bezwaar tegen maakt, dat zijn vrouw door een man onder de douche wordt geholpen. Dat is niet alleen discriminerend tegenover de mannelijke verzorgenden, maar bovendien vrouwonvriendelijk (net als die quote van Van Woerkom – met dank aan Nelleke de Jong uit Schiedam, ook al in NRC van zaterdag). En wat te denken van die bejaarde lesbische dame, die speciaal om een huishoudelijk medewerkster met een hoofddoekje vroeg? Niet omdat zij smetvrees had, maar om het zaad van het feminisme en de holebi-emancipatie op een plek te kunnen strooien waar het anders niet zo gauw terecht zou komen. Natuurlijk doet de culturele achtergrond van deze mensen er niet toe, dat kan elk onderzoek onmiddellijk uitwijzen, maar kijk er niet van op als men zich er vanuit tegenovergestelde richting juist wel op beroept. Ingewikkeld, dat is het.

Nee, ik ben blij dat ik die beroepscode heb, anders zou ik soms niet weten wat ik ermee aan moest en zou ik alle columnisten van NRC een hele week aan het werk kunnen houden. Bijvoorbeeld door mij in een onbewaakt ogenblik te laten ontvallen dat ik, als het aan mij lag en niet aan mijn professionaliteit, die irritante meneer B. allang een keer zijn nek omgedraaid zou hebben. Dat ik het niet doe, maar gewoon zijn shit voor hem opruim, ervaar ik als een teken van geestelijke hygiëne mijnerzijds en daarbij word ik geholpen door de beroepsethiek. Waar mijn barmhartigheid eindigt, neemt de rechtvaardigheid het over. Andersom kan ook, maar dat is een ander verhaal.

Ziezo, dat was mijn steentje. Ik wandel maar weer verder. Welke kant op, weet ik niet precies, want van dat kruispunt waar ik het over had word ik niet wijzer. Rechtdoor dan maar.

Read Full Post »

Privé

08062014

 

Afgelopen week werd er op mijn werk weer eens gemopperd over het gebrek aan discretie van sommige collega’s. “Jezus zeg, wat ik allemaal niet hoor over andere collega’s!” Daar kon ik over meepraten: ik weet van alles over het liefdesleven van deze en gene, zonder dat het ooit in de kantine ter sprake is geweest. Geldproblemen zijn ook populair en ongenoegens over (alweer) collega’s. Stiekem werd ik een beetje nieuwsgierig naar wat er over mij de ronde deed. Want ik ben natuurlijk een stuk voorzichtiger dan die andere vrouwen, maar ondertussen.

Ook ik vertel wel eens iets over mijn privéleven aan een zorgvrager. Ik ‘lek functioneel‘, zoals onze docent omgangskunde dat noemde. Het prijsgeven van iets dat vertrouwelijk klinkt kan helpen om bij de cliënt een vertrouwen te wekken dat bevorderlijk is voor het achterhalen van de zorgvraag. Hulpbehoevenden moeten zich noodgedwongen blootgeven aan ons verzorgenden. Dat schept een ongelijkheid die velen proberen recht te trekken door zich meester te maken van een stukje ‘intiem kapitaal‘. Of men kan de deur niet meer uit en is daardoor eenzaam geworden. Meeleven met onze – veel spannender – levens kan de boel ontzettend opfleuren. En voor sommigen geldt gewoon: als de Story, Weekend en Privé uit zijn, zijn wij aan de beurt.

Of laat ik het even op een wat hoger cultureel niveau brengen. In zijn laatste roman Lady Chatterley’s Lover geeft D.H.Lawrence een interessante beschouwing ten beste over de overeenkomsten tussen dorpsroddel en de roman:

Connie heard long conversations going on between the two. Or rather, it was mostly Mrs Bolton talking. She had unloosed to him the stream of gossip about Tevershall village. It was more than gossip. It was Mrs Gaskell and George Eliot and Miss Mitford all rolled in one, with a great deal more, that these women left out. Once started, Mrs Bolton was better than any book, about the lives of the people. She knew them all so intimately, and had such a peculiar, flamey zest in all their affairs, it was wonderful, if just a trifle humiliating to listen to her. At first she had not ventured to ‘talk Tevershall’, as she called it, to Clifford. But once started, it went on. Clifford was listening for ‘material’, and he found it in plenty. Connie realized that his so-called genius was just this: a perspicuous talent for personal gossip, clever and apparently detached. Mrs Bolton, of course, was very warm when she ‘talked Tevershall’. Carried away, in fact. And it was marvellous, the things that happened and that she knew about. She would have run to dozens of volumes.
Connie was fascinated, listening to her. But afterwards always a little ashamed. She ought not to listen with this queer rabid curiosity. After all, one may hear the most private affairs of other people, but only in a spirit of respect for the struggling, battered thing which any human soul is, and in a spirit of fine, discriminative sympathy. For even satire is a form of sympathy. It is the way our sympathy flows and recoils that really determines our lives. And here lies the vast importance of the novel, properly handled. It can inform and lead into new places the flow of our sympathetic consciousness, and it can lead our sympathy away in recoil from things gone dead. Therefore, the novel, properly handled, can reveal the most secret places of life: for it is in the passional secret places of life, above all, that the tide of sensitive awareness needs to ebb and flow, cleansing and freshening.

De eb en vloed van onze sympathie bepaalt ons leven. In het mee resoneren met de levens van anderen houden onze zorgvragers de spieren van hun ziel soepel. Daar heb ik wel wat voor over, dus heb ik altijd wel een mooi verhaal bij de hand over waarheen mijn kinderen nu weer op reis zijn, of hoe lekker een vriendin gisteravond voor mij gekookt heeft en wat ik een andere vriendin morgen ga voorzetten. Problemen heb ik nooit. Liegen over mijn leven doe ik evenmin, want het volhouden van een verhaal dat je verzint kost veel te veel energie. Kortom, ik versta de kunst van het weglaten en meestal kom ik daar aardig mee weg. Behalve die ene keer.

Het begon met de meest gestelde vraag: “Heb je kinderen?” “Ja, ik heb twee dochters,” zeg ik dan, want daar maak ik geen geheim van. Hun leeftijden doe ik er ook nog wel bij, als daar tenminste belangstelling voor is. En dan komt de tweede meest gestelde vraag: “Wat doet je man?” Tja, die heb ik niet. “Ik ben altijd met een andere vrouw samen geweest,” zeg ik dan naar waarheid. Zo doe ik ook nog iets voor de holebi-acceptatie, al zal ik nooit zeggen dat ik lesbisch ben, want dat weet ik niet zo zeker van mezelf. “O, dat ken ook, as je maar van mekaar houw,” klonk het in onvervalst Jordanees. “Nou ja, we zijn inmiddels niet meer bij elkaar,” sprak ik op mijn meest neutrale toon. Normaliter volgt dan een gemeenplaats als “Tja, kind, je hebt het allemaal niet in de hand in het leven” of “Ach, als het niet meer gaat, dan kun je elkaar maar het beste de vrijheid teruggeven.”

Precies op dat punt ging het mis, deze keer. Helemaal mis. “Maar jij houw nog van die vrouw!” riep de kleine gestalte in het crapaudje tegenover mij. “Dat sien ik gelijk an je.” Hoe ik ook probeerde er niet verder op in te gaan, het hielp allemaal niets meer. Mijn leven was op slag even interessant als dat van Willeke Alberti en dat liet zij zich niet ontnemen. Ik moest naar mijn ex toe om haar te vertellen dat ik spijt had. “Jij moet de eerste sijn,” besliste zij voor mij. Dat mijn verloren geliefde daarop zat te wachten, maar zelf de stap niet durfde wagen, stond voor haar als een paal boven water. Bij het volgende bezoek werd ik streng overhoord, mijn ontwijkende antwoorden ontketenden slechts nieuwe preken. Waarom het op een gegeven moment zomaar wegebde, blijft een raadsel. Ach ja, zij raakte in het ziekenhuis en daarna nog een paar maanden in een revalidatiecentrum.

Een maand geleden was ze plotseling weer thuis en ‘in zorg‘. Mijn naam bleek ze vergeten en – naar ik hoopte – de soap die zij van mijn leven gemaakt had ook. “Hoe heet jij ook alweer?” vroeg ze over een kop koffie. “Janiek,” zei ik. “Janiek,” herhaalde mevrouw, “ken jij effe me bloknootjes pakke? Se legge op ’t nachkassie.” Daar lagen inderdaad drie kleine opschrijfblokken, stijf volgeschreven en beduimeld van het vele lezen. Toen ik ze haar gaf, bladerde zij ze een poosje in stilte door en likte daarbij af en toe aan haar vingers. “Ah, hier heb ik ‘t!” en zij veerde op. “Janiek: sonder liefde ken je niet leve.” Daar zeg je wat, dacht ik, ik weet eerlijk gezegd ook niet hoe ik het doe. Gelukkig zei ik dat niet hardop.

Read Full Post »

Older Posts »