Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for februari, 2014

Schnauzer

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Geen boeiender discussie dan die over de mens en de dieren. Meestal lijk ik daarin veel strenger dan ik in wezen ben. Ik stel een heel duidelijke grens, dat is waar, maar geen grens zonder grensverkeer. Daarover nu eens een verhaal, een waar gebeurd verhaal.

Het was in de late herfst van 1989 en wij kampeerden in een hoekje van de ‘prima curva‘ van het Ligurische dorpje Arnasco. Daar woonde onze ‘Oma‘, een excentrieke oude dame, streng vegetariër, behalve wanneer zij een tosti bestelde, want dan achtte zij de ham onmisbaar. En voor gasten braadde zij altijd een kip. Voor haar huis stonden wij dus. Op een avond hadden we geen zin om af te wassen, dus zette ik de vuile vaat onder de dorpel van onze kampeerauto. Komt morgen wel. Het eerste wat ik de volgende ochtend zag, was dat onze koekenpan verdwenen was. Wie steelt nu zo’n ding, dacht ik nog, maar toen zag ik hem al liggen, drie meter verderop in een bosschage. Toen ik hem oppakte bleek hij brandschoon, maar er zaten twee merkwaardige afdrukken in de rand, ongeveer een decimeter van elkaar. Een mysterie.

Een paar dagen later kwam evenwel de opheldering: we hadden weer iets buiten de deur gezet en op een gegeven ogenblik hoorden we gedoe onder de auto. Ik keek naar buiten en zag nog net een zwarte hond wegrennen met een bek vol kippenbotten. Ha, dat waren dus zijn hoektanden, in de rand van onze koekenpan! Een hond die steelt lijdt armoe, dachten wij, dus we begonnen etensresten buiten te zetten in het deksel van oma’s vuilnisemmer. Iedere ochtend was die schoon leeg en na een dag of wat begon de hond structuur in onze vrijgevigheid te ontdekken. Na een week liet hij zich aanhalen.

Voor we het wisten voelden we verantwoordelijkheid voor het dier en toen de tijd kwam dat wij weer terug naar huis wilden reizen, konden we het al niet meer over ons hart krijgen hem zomaar weer aan zijn lot over te laten. Zelfs niet toen we ontdekten dat wij niet de enigen waren die zich over hem ontfermden: met enige regelmaat kwam er een oude heer langs, in zijn auto op weg naar beneden, die dan een of andere kliek deponeerde in een ovenschaal die tussen een paar bezemstruiken aan de overkant van de weg stond. In overleg met deze heer besloten wij de hond – die we wijselijk nog geen naam hadden gegeven – op marktdag mee naar Albenga te nemen, in de hoop dat we daar zijn baasje (of een nieuwe) zouden vinden.

Met de hond aan een touw en een geschreven bord voor onze voeten stonden wij een ochtend lang op de hoek van de markt. Wat een bekijks! Wat een vertedering! Wij die nog niet eerder een hond of een baby hadden gehad waren dat niet gewend. Zo leerden wij onze medemensen ook eens van een andere kant kennen. Uiteindelijk kwamen wij hierdoor op een plek terecht die ik nooit zal vergeten, hoezeer de herinnering na 25 jaar ook vervaagt.

Toen bij het scheiden van de markt nog altijd niemand zich had gemeld om onze zorg voor de hond van onze schouders te nemen, kwam er een vrouw op ons af die zei: “Weet je wat jullie moeten doen: loop daarginds aan het eind van de stad de rivierbedding in. Na een kilometer of twee, drie zul je een vrouw vinden die veel honden heeft. Iedereen kent haar. Zij haalt eten op bij alle bakkers en restaurants om haar honden te voeren. Zij zal zeker voor jullie hond zorgen.”

Terwijl heel Albenga zich aan de ‘pranzo‘ zette, liepen wij gedrieën door de droge rivierbedding, knabbelend van een droge ciabatta, die we netjes deelden met onze nietsvermoedende metgezel. Toen we het al bijna hadden opgegeven, zagen we in de verte iets dat leek op een oase of een bedoeïenentent opdoemen in de dorre woestenij. Van verre klonk reeds een veelstemmig geblaf en de hond deed pogingen ons weer op onze schreden te doen terugkeren. Dichterbij gekomen bleek het een hut van afvalhout en plastic, beschut door een omheining van dorre takken, waarbinnen zich ook nog een handvol kippen, ganzen en een broodmagere koe bevonden. Het geblaf was nu ronduit hels, en het duurde een hele poos eer iemand reageerde op ons ‘buon giorno‘.

Een vrouw kwam tevoorschijn, in haveloosheid wedijverend met  haar onderkomen, en nam ons argwanend op. Nu ben ik niet gauw verlegen, maar voelde mij door haar blik toch wel even geïntimideerd. Ik slikte en begon in mijn beste Italiaans uit te leggen hoe wij aan deze prachtige hond kwamen en dat wij een goed adres voor hem zochten, omdat wij terug naar huis moesten. Dat laatste moest ik nog een keer uitleggen, maar toen snapte zij dat wij geen mensen waren die ons zomaar van een huisdier wilden ontdoen. Dat was al gebeurd.

Toen volgde een tirade waarvan ik u de details zal besparen, maar die mij nog regelmatig te binnen schiet, wanneer een mens het opneemt voor de dieren en daarbij in de meest zwarte termen over zijn of haar medemensen spreekt. Terwijl wij dat allemaal geduldig over ons heen lieten komen, veranderde het eilandje daar vlak voor ons in de dorre bedding van de Arroscia in een schip. Vanuit de Alpen ginds aan de horizon kon elk moment een muur van water komen aanrollen, die ons zou verzwelgen, maar deze ark van Noach zou optillen en bewaren voor verder onheil tot er een duif met een olijftakje in haar snavel zou komen aanvliegen. Plotseling was de vrouw uitgeraasd. Zij pakte mijn lief het touw uit de handen en maakte een internationaal gebaar: opkrassen jullie! We keken maar niet om.

Read Full Post »

Eros

26022014

Wat waren we bevoorrecht! Dankzij de aardgasbaten, de mechanisatie in de landbouw en de komst van de gastarbeiders konden wij gaan studeren. Bijna onbeperkt: er waren er onder ons die er meer dan elf jaar over hebben gedaan. Ik voelde mij extra gezegend, omdat ik tot de laatste jaargang behoorde die de hele Odyssee in het Grieks mocht lezen. En Plato’s Symposium, niet te vergeten. Zo verheven, en tegelijk zo nabij. Bedwelmend in zijn schoonheid, zonder zijn aardsheid te verliezen.

In de weken dat ik daarover gebogen zat, las ik bij toeval in Folia Civitatis, ons universiteitsblad, een column van een meisje dat zich niet zo liet meeslepen als ik. Zij waagde het Plato op één lijn te stellen met een verliefde jongen. Heel leuk en aardig allemaal, dat idealiseren, maar wat koop je ervoor als je samen de werkelijkheid van alledag aan moet gaan? Ze leek Plato op dat punt niet helemaal te vertrouwen. Misschien is mijn kijk op de man wel sterker gekleurd door die toevallige column, dan door dat hele prachtige Symposium.

In de afgelopen weken las ik een boek, bij het vuilnis gevonden, dat mij deed beseffen hoezeer het de moeite waard zou zijn geweest het iets langer bij Plato uit te houden. Dat boek ging over een rijtje intellectuelen uit de vorige eeuw, wier idealisme hen ertoe bracht te sympathiseren met totalitaire regimes. De schrijver, Mark Lilla, probeert hen te begrijpen door hen tegen het licht van Plato’s Symposium en diens eigen uitstapje in de richting van de praktische politiek te houden.

Erotic attachment, the life of the mind, the world of politics – for us these are wholly distinct realms operating independently of one another and governed by different laws.

Plato zag dat heel anders:

The philosopher and the tyrant, the highest and lowest of human types, are linked through some perverse trick of nature by the power of love.

Hierna volgt een buitengewoon boeiende reis door de intellectuele en politieke geschiedenis van de  twintigste eeuw, aan de hand van de biografieën van Martin Heidegger, Carl Schmitt, Walter Benjamin, Alexandre Kojève, Michel Foucault en Jacques Derrida. Voor al deze filosofen geldt dat zij geen genoegen namen met het doordenken en radicaliseren van hun gedachten over de wereld. Op een zeker moment zochten zij een verbinding met de werkelijkheid, precies waar ook Plato die gezocht heeft: in het domein van politiek en wetgeving.

Het laatste, meest meeslepende hoofdstuk draagt als titel The Lure of Syracuse. Ik zie al een filmaffiche voor me. Daarin weegt Lilla Verlichting en Religie tegen elkaar af: zijn de totalitaire regimes van de twintigste eeuw een uiting van doorgeschoten rationalisme of juist van blinde messiaanse verwachtingen? Beide zienswijzen leveren een even overtuigend verhaal op. Hij laat nog een paar andere benaderingswijzen door zijn vingers gaan, om tenslotte een soort Socratische ‘aporie‘ te bereiken:

At this point our historian, if he is stil with us, may begin to despair. Perhaps he will begin to wonder if the answer to his historical question is to be found in history or must be sought elsewhere. That would be a productive wonder, for it might encourage him to re-examine the old story of Plato, Dion, and Dionysius from another angle, looking for clues about the deeper forces that draw the mind to tyranny.

En zo komen we terug bij Plato’s Symposium. De filosoof en de tiran hebben iets gemeen: het is de kracht van Eros die hen beiden drijft. En dan komt Socrates, en door hem zijn leermeesteres Diotima, aan het woord:

Love wants the good but it can also unwittingly serve the bad, Socrates explains. That is because love induces madness, a blissful kind of madness we find hard to control, whether we are in love with another human being or with an idea.

Zo komt Mark Lilla tot zijn conclusie:

(….) we need to get beyond our inner revulsion and confront the deeper internal forces at work in the philotyrannical mind – and, potentially, in our own.

Tja, dat eerste vind ik nog wel te doen: ik zag de liefde wel aan het werk toen een wet die ritueel slachten moest verbieden er bijna kwam. Destijds zag ik tegelijk het gevaar dat schuilt in het gebruik van democratische middelen om het leven van hele bevolkingsgroepen aan banden te leggen. Maar mijn eigen valkuilen zien voordat ik erin trap, dat is een ander verhaal. De liefde is overal werkzaam en soms is het heerlijk om te verleiden of verleid te worden. Daar kauw ik nog even op.

Read Full Post »

Pandora

24022014

 

Bij oude mensen en oude vriendschappen horen oud vertrouwde rituelen. Vanmorgen ging ik langs bij een vriendin, die gisteren negentig was geworden. Zij herkende mij nog, maar was haar eigen verjaardag vergeten, alle kaarten en bloemen op haar tafel ten spijt. De gebruikelijke aanknopingspunten om het gesprek een beetje gaande te houden werkten vandaag ook al niet. Na een poosje viel zij in slaap. Toen ik haar wakker maakte, omdat ik verder wilde met mijn eigen dingen, verontschuldigde zij zich en zei dat ze het gezellig had gevonden dat ik gekomen was. Het afscheid verliep hetzelfde als altijd, op één opmerkelijk detail na.

“Tot een volgende keer!”

“Graag! Doe voorzichtig….”

Dan kijk ik haar verwachtingsvol aan, er volgt een twinkeling in haar ogen (oh ja!):

“…. en ga niet met vreemde mannen mee.”

“Ach,” lach ik  dan, “die vinden mij toch te oud!”

Daarop klinkt gewoonlijk nog één keer haar lach en weg ben ik. Vandaag was het anders: terwijl ik de deurklink in mijn hand had, hoorde ik haar inademen om nog iets te zeggen. Ik draaide mij om en zij keek mij zonder merkbare ironie aan:

“Dat weet je maar nooit.”

En buiten was het voorjaar begonnen.

Read Full Post »

Toekomstgedachten

22022014

*

Gisteren trof mij, in een discussie ergens op het internet, de volgende optimistische toekomstverwachting:

….maar een zekere ontwikkeling in bewustzijn in de loop van de geschiedenis der mensheid valt gelukkig wel te constateren. Ik hoop op een democratisch tot standgekomen wettelijk verbod op het eten van dierenlijken binnen 50 jaar.

Iets langer geleden viel mijn oog op een pessimistische blik vooruit:

It is a pretty safe bet that, twenty years from now, all the world’s over-populated and underdeveloped countries will be under some form of totalitarian rule — probably by the Communist party.

Aldous Huxley, Brave New World Revisited

Op het moment dat Huxley deze boude uitspraak (in de Nederlandse vertaling gewaagder én voorzichtiger: “Men kan er veilig zijn hoofd onder verwedden, dat over een jaar of twintig….) deed, had hij nog maar vijf jaar te leven. Wist hij dat misschien en voelde hij zich daarom zo veilig in zijn aannames? Hij heeft geen gelijk gekregen. De wereld is telkens weer anders, zozeer dat het moeilijk is te bepalen of zij er beter dan wel slechter op wordt. Dat had ik hem wel kunnen vertellen, als ik toen zo oud was geweest als nu, maar ik was pas twee jaar oud.

Binnenkort hoop ik 58 te worden. Ik zal de 108 moeten halen om de utopie van die mij onbekende internetgebruikster binnen te treden. Dat gaat vast niet lukken, daar durf ik mijn hoofd met een gerust hart onder te verwedden. Gelukkig maar, want ik zou een dissident zijn en in stilte een ongelukkig leven lijden of naar de een of andere Goelag verbannen worden. Ik houd teveel van God en van vlees en van mannen om het in haar wereld lang uit te houden.

Vandaag sprak ik met één van mijn cliënten over de toekomst. “Als ik zo oud ben als u zal ik nog aan u denken,” waagde ik. “Dan ben ik er niet meer,” sprak zij, met iets hoopvols in haar stem. Zij heeft het zeer moeilijk en zou onder onze moderne maatstaven zonder meer voor euthanasie in aanmerking komen (de huisarts was er al over begonnen, vertelde zij met onverholen afschuw), maar daar is zij veel te gelovig voor. “Nee, maar dan kan ik nog wel aan u denken en mij door u gesteund voelen. Dan wil ik denken aan de moed waarmee u nu ondergaat wat u toegeschoven wordt.” Zorgen is een buitengewoon wederkerige aangelegenheid.

In een ander huis hielp ik een deftige, maar ernstig dementerende dame uit de poep en in de kleren. “Als u de meisjes erin doet, maak ik ‘m wel even vast,” zei ik, toen we bij de bh aangekomen waren. Ze schoot in de lach en ik vertelde haar (anoniem, dat mag) over die waardige oude heer (al twee jaar dood), die ik regelmatig hielp met douchen. “De kroonjuwelen doe ik zelf wel even,” zei hij iedere keer. Weer moest zij onbedaarlijk lachen. Na tien minuten is zij alles weer compleet vergeten. Maar God, dacht ik, hoe moet dat nou met die kroonjuwelen? Wie zal het daar nog over hebben als ik eenmaal hemelen ben? Goed, ik strooi ze rond. Mijn kinderen zullen het aan hun kinderen vertellen. Over enkele minuten staan ze in Google en binnenkort zijn ze in de Way Back Machine opgeslagen. Wat een beklemmende geruststelling!

Dan liever de woorden van de mummie Toet in dat prachtige gedicht van F.L.Bastet:

En wat ik heb aanschouwd
in heel mijn heerlijk leven
staat in mijn hart van goud
voor eeuwig opgeschreven.

Maar ik laat me niet mummificeren. Dat geeft weer teveel houvast. En bovendien is dat zielig voor de wurmen en maden.

Update:

22022013b

Read Full Post »

Mijn broeders hoeder

12022014

Laatst was het mijn taak om met een cliënt te gaan wandelen. Toen we de straat uit kwamen, zei ik dat ik nog even niet over wilde steken. Ik wilde voorkomen dat een groepje alcoholisten dat daar op een bankje zat een beroep op mijn aandacht zou doen. Zij nam mij dat kwalijk: “Kom, het zijn toch ook mensen!” Meende zij dat deze mannen op grond daarvan zonder meer aanspraak konden maken op een welwillend oor van mijn kant? “Niemand hoeft te dolen,” had een psychiater een keer tegen haar gezegd. Maar mijn barmhartigheid is beperkt. Als het aan mij ligt moeten opdringerige drinkebroers nog maar even dolen en goddank zijn er meer en vooral ook andere mensen dan ik op de wereld.

Dankzij de poëtische kracht van het woordje ‘dolen’ bleef dat zinnetje van haar psychiater rondjes vliegen in mijn gedachten. Dagen later vroeg ik Google om raad en vond ik het volgende gedicht, dat ik graag integraal citeer:

Het sein

Niemand hoeft meer in ’t donker gaan,
Wijl overal Uw lampen staan.

Een hart, door U ontstoken, zal
Naar Uw bevel zeer helder vlammen,
In stegen, aan het eind van dammen,
En voor paleizen in verval.
Wanneer de schaduwen de banken
Verhullen en wat sluipt en slaapt;
Als dood zich uit het vooze en kranke
Leven zijn buit tezamen raapt;
In bars en kerken en op feesten
Rampzaalgen en beschaafde beesten
Als helper en als gast belaagt;
Dan vlamt het ronde sein: onveilig!
Ook voor wie zorgeloos en ijlig
En lachend ten verderve jaagt.
Niemand hoeft meer in ’t donker dolen,

Als wij maar zeker en gerust
Doen wat de Heer ons heeft bevolen.

Maar vele lampen zijn gebluscht.

Willem de Mérode

Dat pessimistische slotakkoord bracht mij onmiddellijk twee nieuwsitems van de afgelopen maanden in herinnering. Weet u het nog: die oude vrouw die 10 jaar dood in haar huisje lag zonder dat iemand haar had gemist? En onlangs die man van 65 jaar, die euthanasie had gekregen op grond van zijn ‘pensioenangst’? Geschokte reacties alom.  Bij mij bleven er twee hangen, aan elk nieuwsfeit één.

Hoe kan het gebeuren dat zij zelfs bij leven niemand was voor anderen: geen buurvrouw, geen klant, geen vriendin, alleen maar een rekening waarvan automatisch geld wordt afgeschreven. Dat klinkt wel heel kil. Zo kan het leven kennelijk gaan, en wie ben je dan eigenlijk nog? Heeft je bestaan zin gehad als niemand je zag of kende?
Wat we hier missen is niet zozeer een alerte omgeving als wel een verticale dimensie, het geloof dat van iedereen nog één lijntje naar boven loopt – ook als hij niet meer deel uitmaakt van de horizontale verbindingen die de meesten van ons voortdurend aanknopen om bevestigd te worden in ons bestaan.

Leonie Breebaert in Trouw, 7 december 2013

Ik weet nog steeds niet wat mij aan dit verhaal het meest verbijsterde. Is het zijn doodswens? Of is het de gedachte dat we kennelijk niet in staat zijn om met z’n allen rondom die man te gaan staan en hem een zinvol leven te geven? Ik vond zijn verzoek om euthanasie ene aanklacht tegen mezelf. Daar begint het: we hadden er alles aan moeten doen om dit te voorkomen. Ik geloof niet dat in dit soort gevallen de dood een oplossing is voor een levensprobleem. Ik geloof dat het leven heilig is, door God gegeven. Dus nee: als ik arts was geweest zou ik aan het verzoek geen gehoor hebben kunnen geven.

Carola Schouten in Trouw, 1 februari 2014

In deze laatste zie ik het christelijk verantwoordelijkheidsgevoel van Willem de Mérode duidelijk terug, maar ook mijn eigen beperkte barmhartigheid. Ik vermoed overigens dat dit een vrij basale menselijke reactie is op de confrontatie met het losraken van een medemens uit het bezielde verband waarin wij ons veilig voelen, of wanen. De andere is intrigerender: zonder ons te ontslaan van onze plicht tot naastenliefde biedt juist God ons de ruimte om van die deugd geen nood te maken.

Natuurlijk is het toeval, maar dezer dagen is het ook nog eens 29 jaar geleden dat we mijn broer Cor hebben begraven. Toen hij 23 jaar oud was, maakte hij een einde aan zijn eigen leven. Op het laatst was ik een van de weinigen die nog ‘om hem heen stonden’. Door dat te doen had ik zijn dood willen voorkomen. Hoe kon het dat alle andere lampen geblust waren? Daar heb ik wel een antwoord op: dat had hij zelf, met grote zorgvuldigheid, gedaan. Voorzover hij het contact niet al lang had verbroken, had hij zich netjes van ons afgeschermd, met afspraken (om een spontaan bezoek op het beslissende moment onwaarschijnlijk te maken) en uitspraken (om onze bezorgdheid tot bedaren te brengen). Dit antwoord heeft de onafwendbaarheid van zijn volstrekt eenzame einde als een muur naast mijn leven gezet. Ik denk niet dat ik daar ooit vrede mee zal hebben, hooguit heeft het mij iets nederiger gemaakt.

Read Full Post »

De mens, een dier

03022014

Het zal een jaar of twaalf geleden zijn. De zon scheen helder en ik stond voorover gebogen tussen wat heesters om daar distels en doornen te wieden. Drie verdiepingen boven mij op een gaanderij liep een jongeman van onbestemde leeftijd heen en weer. Zijn armen hield hij tegen zich aan gevouwen zoals een kip haar vleugels en zo nu en dan fladderde hij met zijn handen, alsof hij ooit zou leren daarmee te vliegen. Daarbij maakte hij bovendien geluiden die je met goed fatsoen eerder dierlijk dan menselijk zou noemen. Heel af en toe onderbrak hij zijn monotonie (en daarbij de mijne) door luid “Poepertje, poepertje!” te roepen.

Als ik dan opkeek, boog hij zich over de balustrade en vroeg: “Heeft u kinderen?” “Ja,” zij ik dan. De vraag die daar meestal achteraan komt, of het jongens of meisjes zijn, bleef echter uit. De jongen hernam zijn routine en ik boog me weer voorover. Tien minuten later herhaalde zich dezelfde scène en tien minuten later weer, tot ik om de hoek van het hoofdgebouw van De Kleine Johannes verdween, op zoek naar nog meer onkruid.

Wat ik voor hem betekende weet ik niet. Ik durf dit vluchtige contact nauwelijks een ontmoeting te noemen. Toch blijft dat halfuur van mijn leven mij blijkbaar bij, want ik kom het van tijd tot tijd tegen, wanneer een ander gesprek het te voorschijn roept. Telkens wanneer dat gebeurt raak ik iets dichter bij de kern van mijn leven, bij wat het betekent om een mens te zijn. Bij die vraag, bedoel ik, heel misschien ook bij het antwoord daarop.

In de tijd dat ik tuinen hielp onderhouden piekerde ik veel. Van de wereld begreep ik niets en van mijn plek daarin nog minder. Ik voelde mij alsof ik opgesloten was in een kamer die zich langzaam maar zeker met water vulde. De nood werd hoog en mijn denken over mijzelf en de wereld leek op het gespartel van het hagedisje, dat ik als kind in een weckpot met water had gedaan, omdat ik dacht dat het een salamander was. (Nog zo’n herinnering die telkens weer opduikt uit de vergetelheid.)

Het was toen dat ik mijn vertrouwen in redeneren als weg tot het oplossen van de raadsels van het bestaan begon te verliezen. Existentiële problemen los je niet al denkend op, die vragen om en stap, of stappen. Die gaan doorgaans gepaard met angst, maar betekenen uiteindelijk een bevrijding.

Eenmaal buiten mijn getob verbaas ik mij er nog wel eens over hoe ik houvast zocht bij de filosofen en hun pogingen ‘De Mens’ te definiëren. Hun antwoorden, in de trant van ‘zooion politikon’ en ‘animal rationale’, liggen als een stilleven van lege slakkenhuizen op een richeltje voor mijn denkraam. Vragen als die naar de grens tussen mensen en dieren zijn nog altijd een boeiend spel voor de geest. Ontdaan van de vrijheid die daar bij hoort zijn ze niet ongevaarlijk. De vraag waar het mij om te doen was is dat overigens ook niet, een beetje hulp is nooit weg. Naast de lessen die het daadwerkelijk samen leven en werken met anderen leert,  ben ik blij met de City of Invention en zijn Houses of Imagination (Fay Weldon, Letters to Alice on First Reading Jane Austen).

Daar vond ik een antwoord op mijn vraag dat in ieder geval enige leeftocht bood, in de dialoog die Jezus’ parabel van de barmhartige Samaritaan omsluit:

Maar hij wil zich rechtvaardigen
en zegt tot Jezus:
ja maar, wie ís mijn naaste?

Lucas 10:29

en:

Wie van deze drie is, denk je,
de naaste geworden van hem
die in de handen van de rovers viel?

Lucas 10:36

Helderheid is niet te vinden in een definitie van wie mijn naaste is. Wel heb ik de mogelijkheid om een naaste te zijn en daardoor te laten zien wie ik ben en waar ik thuishoor. De wereld begrijpen is een mooi verlangen, maar niet langer een noodzakelijke voorwaarde om er een plek in te hebben. Eens kijken hoever ik daarmee kom.

Read Full Post »