Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2011

Gewaarschuwd

Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

Matth.6:34

Als een gewaarschuwd mens écht voor twee zou tellen, dan zou het werk dat ik nu doe onvermijdelijk tot het bestaan van twee Janieken leiden. Ik vraag mij dan meteen af in hoeverre die twee op elkaar zouden lijken. En zou het met de een beter aflopen dan met de ander? Zo ja, waarom dan wel? Wie van de twee is dan de oorspronkelijke gewaarschuwde? Is die daardoor wijzer dan haar dubbelganger, die door de waarschuwing tot leven is geroepen? Of juist minder wijs? En wat als ze de waarschuwing niet snappen, of gewoon in de wind slaan?

Oh ja, laat ik het eerst eens over de waarschuwing hebben. In mijn werk word ik dagelijks geconfronteerd met alle mogelijke gevolgen van het ouder worden. De meest voorkomende reactie van anderen als ik hen vertel wat ik dan tegenkom, is dat zij “zó niet oud willen worden”. En als ik kijk naar hoe mijn oudjes het  zelf beleven, is dat niet veel anders. “Als je in God gelooft, bid dan dat dit (je gezichtsvermogen verliezen) je niet overkomt.” “Mensen zouden niet zo oud moeten worden; maar ja, je hebt er niks over te zeggen.” “Als mensen zeggen dat ze graag oud willen worden, dan is dat omdat ze niet weten waar ze het over hebben.” “Soms word ik midden in de nacht wakker en dan denk ik: ‘Wat zou het zááálig zijn om nóóóit meer wakker te hoeven worden.’ “

Eén man van 88 vertelde mij, dat hij altijd had gedacht dat zijn oude dag een soort Zwitserleven zou worden. En daar zit hij nu: zijn vriend – die nota bene jonger was dan hijzelf – aan de dood verloren. Zijn gezichtsvermogen zo goed als kwijt, waardoor hij niet alleen afhankelijk is van anderen, maar ook zijn levenswerk (hij was fotograaf), waar hij zo graag nog aan had verder gebouwd, voor hem compleet ontoegankelijk is geworden. Toen hij mij dat allemaal vertelde, viel mij direct iets op aan die man, wat mij intrigeerde: hij was door alle verliezen niet verongelijkt of verbitterd geraakt. Alsof hij de haast kinderlijke onbevangenheid die hem in zo’n ouderdoms-idylle hadden doen geloven had weten te behouden en hij juist daardoor in staat bleek om het dierbare in allerlei andere, schijnbaar onbeduidende dingen te herkennen.

Maar wat moeten die twee Janieken (of zijn het er inmiddels twintig?) met al die waarschuwingen? Terwijl de ene Janiek het washandje hanteert en de andere met haar hart, oor en stem bij de mens tegenover haar is, kijkt een derde Janiek over hun schouders mee en denkt na. Zij blijft zich verbazen over de vaak wrede eenvoud van het ouder worden, maar nog veel meer over de enorme verschillen in hoe de mensen die zij ontmoet daarmee leven. Zij vraagt zich af wat hiervan te leren valt, natuurlijk in de hoop dat haar eigen oude dag – als die er komt! – dichter bij de idylle dan bij de nachtmerrie zal liggen. Hoeveel daarvan kun je in de hand houden?

Terwijl ik nog veel dieper en dieper zou willen vragen en graven, stuit mijn spade op iets hards. Rots, zo te voelen. Daar ketst ook de vraag “waar komt dát vandaan?” op af. Het ligt er gewoon. Ik hoef het niet eens verder bloot te krabben om te weten wat het is: het vertrouwen dat ik het op z’n janieks zal beleven. Als het komt.

We’ll cross that bridge when we come to it
If there’s a problem we’ll get over it
Let’s tell the truth and get it over with
I’m sure our love will see us through

The Ward Brothers

Read Full Post »

Regeltjes

Vandaag heb ik een testje voor jullie. Het stoplicht voor je staat op rood. Wat doe jij?

  1. Je rijdt gewoon door, handig laverend tussen het drukke verkeer dat van links en rechts aan komt rijden.
  2. Je stopt natuurlijk, en wacht netjes tot het licht voor jou op groen springt.
  3. Je kijkt naar links en rechts en als er geen verkeer aankomt, steek je rustig over, ook al blijft het stoplicht rood.

Heb je één geantwoord, dan ben je hoogstwaarschijnlijk Amsterdammer. Stemde je op twee, dan ben je principieel van aard. Koos je drie, dan ben je vooral pragmatisch ingesteld.

Waarom deze test? Wel, een van de dingen die mij de laatste tijd sterk bezighouden is het verschijnsel regelgeving. Dat komt vooral door mijn huidige plekje in het arbeidsproces. Als verzorgende sta ik stevig ingeklemd tussen rigide regels, mooie idealen en een weerbarstige werkelijkheid. Zo moet bij mij een zogenaamde beroepshouding ontstaan. Ik ben benieuwd. Wat ik er zelf vooral van hoop, is dat ik er soepeler van word.

Regeltjes, normen, keurslijven, hokjes: als je de mensen hoort, lijkt niemand ervan te houden. Eerlijk gezegd geloof ik daar niet zoveel van, daarvoor houden ze ons teveel bezig. We willen niet met en we kunnen niet zonder. Als Super Nanny lijken zij ons voor te houden: “Zolang jullie me niet wensen, maar wel nodig hebben, blijf ik. Wanneer jullie me wel willen, maar niet meer nodig hebben, vertrek ik.” Ik zie wel. Ondertussen blijf ik gefascineerd door al die verschillende manieren waarop mensen op regels en normen reageren.

Is een regel iets waar je je aan moet houden, op straffe van “afwijkend” te zijn? Of is een norm veeleer een regelmatigheid waartoe ieder zich op eigen wijze verhoudt? Jij mag het zeggen, want er is geen regel die je voorschrijft welk antwoord goed is. Daarbij komen meteen de verschillen tussen mensen aan het licht, ongeveer zoals bij de principiëlen en pragmatici uit het testje hierboven. Zijn mensen die zich vóór de regels uitspreken dan volgzaam? Neen, ik maak dagelijks het tegendeel mee: sommigen lopen er juist vooruit, als om ruim baan te maken, zodat hun regels – pardon, dé regels! – ingang zullen vinden bij de anderen. Zijn mensen die zeggen tegen al die regeltjes te zijn dan zelfstandig en vrij? Niet noodzakelijkerwijs: sommigen worden in al hun rebellie juist heel sterk door die normen bepaald. Hun wezen lijkt volledig op te gaan in de strijd tegen de regel. Je bent principieel of je bent het niet.

Pas op, ik ga hier een regel ontdekken. Het menselijk leven wordt niet zozeer bepaald door regels of de afwezigheid ervan, als wel door hoe wij met die regels omgaan. Pfff, dat is eruit! Maar hoe moet ik mij daar nu weer toe verhouden? Ook daar is weer geen regel voor, maar wel voel ik dat het dagelijks leven mij kneedt en masseert om dat toch maar liever met souplesse te doen. Het ene moment betekent dat zwemmen, het andere klamp ik mij toch graag even vast aan zo’n stuk drijfhout van een regeltje.

Ik spuug er namelijk niet zomaar op, op regeltjes en hokjes. Elk moment van de dag het wiel en het buskruit uitvinden is niks voor mij. Maar als ik een ogenblik de tijd kan nemen, zoals nu, dan denk ik graag telkens opnieuw weer na over het nut van regeltjes, en over hun beperkingen en mijn vrijheid. Ongeveer zoals wanneer het stoplicht op rood staat en er geen verkeer aankomt. Dan rijd ik namelijk gewoon door. Als er tenminste geen politie in de buurt is.

Read Full Post »

Een dag om

Voorzichtig treden mijn voeten de aarde,
Zij is een vraag aan mij gesteld,
Een donkergroene loper, van hier naar onbekend.
De weg die ik heb uitgelegd, ontdek ik met iedere stap.
Dit is een dag om weg te gaan, dit is een dag om weg te gaan.

De tuin van het jaar is dichtgegroeid,
Maar de zon brandt een gat in de heg.
Dit is een dag om weg te gaan, dit is een dag om weg te gaan,
Over ons hoofd een koppel ganzen, en mensen tot de horizon.
Dit is een dag om weg te gaan, dit is een dag om weg te gaan.

Uit: Over de stroom. Liedbundel voor kinderen van negen tot negentig jaar.

Dit zongen wij jaren lang ieder jaar wanneer wij op vakantie gingen. De kinderen hadden dan hun getuigschrift gehad, wij alle moeheid opgespaard, met daartussen toch nog een sprankje verlangen om door dat gat in de heg te kruipen en die donkergroene loper op te zoeken. Of gewoon om even een paar weken met ons vieren in vrijwillige ballingschap op een onbewoond eiland te leven. Tot aan de horizon geen mens te bekennen.

Waarom ik mij precies vandaag – op het randje van de winter en warm ingestopt onder heel veel werk – dit lied herinner, komt door een opmerkelijke echo in een ander lied. Eigenlijk gaat het alleen om de tweede regel, en om de tweede helft van de derde. Die hoorde ik terug in het volgende citaat, dat ik aantrof als motto in een net iets te pretentieuze bloemlezing van reisverhalen:

Che fece …. il gran rifiuto

Voor sommige mensen komt een dag waarop zij
het grote Ja of het grote Nee moeten zeggen.
Het blijkt meteen wie het Ja in zich gereed heeft,
en na het gezegd te hebben gaat hij

verder in eer en in vertrouwen op zichzelf.
Wie weigerde heeft geen berouw. Werd het hem weer gevraagd,
nogmaals zou hij nee zeggen. En toch richt dat nee

– het juiste – hem te gronde voor heel zijn leven.

C.P.Kavafis (vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf)

Ik heb altijd geweigerd te geloven dat het Leven zo onverbiddelijk zou zijn als dit gedicht lijkt te beweren. Of misschien toch niet: jarenlang ben ik doodsbang geweest dat het wél zo genadeloos was en dat  ik gedoemd was om ooit die gran rifiuto te begaan. Op elke dag volgde weer een dag waarop ik het antwoord op De Vraag schuldig bleef. En toch weet ik vandaag zo zeker als zeker maar zeker kan zijn, dat ik me bevind aan gene zijde van het grote Ja. Een plek waar het naar mijn bevinding goed toeven is. De dilemma’s zijn er nooit meer zo diabolisch. Tegenover de kleine ja-tjes staat niet enkel een nee, maar altijd weer andere mogelijkheden om ja te zeggen.

Hoe ik daar precies gekomen ben? En op welke dag? Hoe kan ik dat weten? En is het antwoord wel van belang? Niet als ik mij bedenk dat de hele geschiedenis me vandaag dit inzicht geeft: het leven is veel genadevoller en rijker aan herkansingen dan mijn angst mij al die tijd wilde doen geloven.

Read Full Post »

Moreel mengpaneel

Barmhartig zijn of niet barmhartig zijn, dat was de vraag in het vorige blog. Een nogal filosofische vraag, lijkt het, en niet zo’n moeilijke vraag, als je het mij vraagt. Nu heb ik makkelijk praten want ik geniet het bijzondere voorrecht om beroepshalve barmhartig te mogen zijn. Voorrecht? Als het bij mythische verhalen bleef misschien wel, maar elke dag wanneer ik mijn nobele taak op mij neem, begeef ik mij in een woud van morele dilemma’s. Of zie ik mij geplaatst achter een moreel mengpaneel, om eens een wat eigentijdser metafoor te proberen.

Het is natuurlijk alleszins prachtig om barmhartig te zijn, maar laten we vooral niet vergeten dat het op dit punt veel zaliger is om te geven dan om te ontvangen. Geen enkel mens geeft vrijwillig zijn autonomie prijs, zelfs niet een deel ervan. Zodra iemand’s intermenselijke betrekkingen gekleurd worden door afhankelijkheid, raakt het zelf in een benarde positie. En elke zorgrelatie bevindt zich onvermijdelijk in het spanningsveld van macht en afhankelijkheid. Vanuit die basis moeten wij samen zien te werken om verder leven mogelijk te maken.

Als verzorgende in de thuiszorg wordt ik daarbij gesteund en ingeperkt door een indrukwekkend web van regels, normen en (gelukkig!) waarden. In een eerder blog kwam al de Nationale Beroepscode voor Verpleegkundigen en Verzorgenden ter sprake. Daarnaast is er een Werkdocument Belevingsgerichte Zorg. En mijn dagelijkse praktijk wordt streng gereguleerd door protocollen voor bijna elke handeling die ik ten behoeve van mijn cliënten verricht. O ja, en vergeet de Arbo-regels niet! Het is beslist niet de bedoeling dat ik mijn diepgevoelde menselijke impuls tot barmhartigheid uitleef ten koste van mijn eigen gezondheid.

Al die regels, helpen die nou echt? Of creëren ze slechts nieuwe problemen en dilemma’s? Ik weet het niet. Laat ik zeggen dat ik bezig ben dat te ontdekken. Het is al meer dan eens voorgekomen dat ik die regels onhandig vind, soms zelfs onmenselijk. Tegelijkertijd heb ik ook al ondervonden dat “gevoel” en “intuïtie” in mijn werk toch echt niet zonder methodische zorgvuldigheid kunnen. Ik vind het extreem moeilijk als ik een 99-jarige dame die vergaat van de pijn niet eens even een paar paracetamolletjes uit haar eigen keukenkastje mag geven, omdat er geen door de wijkverpleging gecontroleerde medibox aanwezig is. Maar op mijn eigen nogal impulsieve kompas varen en daardoor een terminale tachtiger een gevaarlijke dubbele dosis toedienen, waarbij wij rakelings langs de schadelijke gevolgen daarvan zeilden, is ook niet niks. En wat doe je iemand aan door haar huis, dat eens zo sfeervol en eigen was te meubileren met een hoog/laag-bed, een krukje en een po-stoel? Of jezelf als je dat niet doet, zodat je haar in voor jou onmogelijke houdingen moet wassen en aankleden?

En dan, als je al die regels weet toe te passen en de zorgvisie kunt vertalen naar de dagelijkse praktijk, dan sta je opeens middenin die ingewikkelde dynamiek tussen de menselijke karakters. Want die kun jij niet thuislaten, maar de zorgbehoeftigen evenmin. Een kreng van een wijf blijft een kreng van een wijf, ook als zij haar eigen voeten niet meer kan wassen. Met een beetje pech wordt die krengigheid zelfs uitvergroot. En een hoekige hoofdzuster wordt niet zomaar de vriendelijkheid zelve aan het bed van een kwetsbaar oud mens. Wat ik tot nog toe het mooiste vind, is dat we het geen van allen opgeven, al is het vaak echt moeizaam en ingewikkeld. Ik zie mijzelf en mijn collega’s iedere dag met passie de wijk in gaan en, of we nu dankbaarheid troffen dan wel verwensingen, met heuse arbeidsvoldoening weer terug naar kantoor komen.

Read Full Post »

Wereldschokkend werd de gebeurtenis genoemd. Nu schrikt de wereld niet zo snel – en vooral niet zo lang -, dus ik ben bang dat ik alweer een ouwe koe bij de horens vat. In China is een peuter overreden. Tot tweemaal toe. De bestuurders zijn gewoon doorgereden, uit onoplettendheid of in koelen bloede.

Uit de beelden blijkt dat hoe eerst een vrachtwagen over het kind reed, en even later een andere truck hetzelfde deed. Achttien passanten hebben de peuter zien liggen. Sommigen bleven  kijken, anderen liepen of fietsten langs, niemand schoot te hulp. Pas toen het meisje er al levenloos bij lag, kwam er een straatveegster, die haar van de weg haalde.

Tja, dan ben ik toch wel geschokt. En heel China met mij. Het schijnt dat er een discussie op gang is gekomen over hoe het zover heeft kunnen komen met de samenleving. Er wordt gesproken van een roep om wettelijke maatregelen die zoiets in de toekomst kunnen helpen voorkomen. Maar na het bericht dat de peuter aan haar verwondingen is overleden is het hele voorval uit het nieuws verdwenen.

Hoe nieuw was het eigenlijk überhaupt? Vergelijk het maar eens met het volgende berichtje, 2000 jaar oud:

Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. De volgende morgen gaf hij twee denariën aan de eigenaar en zei: “Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.”

Lucas 10:30-35 in de Nieuwe Bijbelvertaling

Met andere woorden: er is helemaal geen sprake van iets dat ‘zover heeft kunnen komen’, het is gewoon altijd zo geweest. Mededogen is niet zo vanzelfsprekend als de verontwaardiging om de afwezigheid ervan.  En het zoeken naar houvast in regels is ook al tamelijk algemeen: het eerste bericht eindigt ermee, het tweede komt voort uit die behoefte. Maar er is nog iets dat beide verhalen met elkaar lijkt te willen verbinden. In beide situaties komt er – niet onbelangrijk – een barmhartige opdagen. Tenslotte is er de werking van het verhaal op zich, ook in beide gevallen.

Jezus geeft de mensen die er om vragen geen regels, maar een verhaal. En ik denk dat de mensen in China het uiteindelijk ook vooral met het verhaal van hun peuter zullen moeten stellen. Is dat erg of niet? Dat staat of valt – naar mijn idee – met hoezeer je bereid of in staat bent te geloven in de kracht van verhalen. En dan wil ik daar meteen een lans voor breken. Niet voor niets staat tussen de links hiernaast de site van de Culturele Apotheek genoemd. Heilzaam is een mooi adjectief voor boeken en verhalen. Dus: als je aan de verhalen hierboven nog niet genoeg hebt om mee te kunnen resoneren met de barmhartigheid van straatveegsters of Samaritanen, lees dan Vissoep aan de Boganida van Viktor Astafjev. Het gaat over een barmhartige visser/jager in Siberië, meer verklap ik niet.

Viktor Astafjev, De keizervis – Een vertelling in verhalen, Meulenhoff Amsterdam 1990. ISBN 90 290 2637 5/CIP

Read Full Post »