Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2013

28032013

Of zou er bij GeneaNet werkelijk een verjaarskalender op het toilet hangen?

Ik denk (onder anderen) aan Descartes en probeer:

Cogitor, ergo sum. *

Daarmee is ook mijn ‘zijn‘ geautomatiseerd, tot voorbij de dood. Als ik me niet op tijd van dat account ontdoe, krijgt het GeneaNet team ook na mijn verscheiden nog jaarlijks een virtuele punt taart op 28 maart. Smullen maar!

* Vrij vertaald: Er wordt aan mij gedacht, dus ik ben.

Read Full Post »

27032013

Terwijl ik nog met mijn gedachten bij mijn nuchtere dorpsgenoten verwijlde, las ik een interview met Frans de Waal in Trouw. Ik lees dat soort dingen graag, niet omdat ze erg belangwekkend zijn, maar juist omdat ze mij helpen relativeren. Mijn oog viel op de volgende bewering:

Als de moraal zich vooral op de eigen groep richt, voorspelt dat niet veel goeds voor de ander, die van buiten de groep komt.
“Dat is altijd het grote probleem. Dingen die je binnen de groep niet hoort te doen, kunnen plotseling wel als het iemand van een andere groep betreft. Onze moraliteit is tot ontwikkeling gekomen voor de eigen groep, maar we zijn nu bezig om die te verbreden. Sinds de Geneefse Conventie hebben we het zelfs over de rechten van onze vijanden! Die uitbreiding is echter geen biologisch proces, maar een filosofisch en politiek proces.”

Tja, als de mensen God in het leven hebben geroepen om hun moraliteit die van het tribalisme te doen overstijgen, dan wordt het allemaal wel erg ingewikkeld. Nou ja, eigenlijk is het gewoon zo: we proberen dat en het wordt (of blijft) erg ingewikkeld. In de werkelijkheid blijft het hemd (vaak beschamend) nader dan de rok, daarvan hebben we ons nog niet laten verlossen. Door God niet, maar door de Verlichte Rede al evenmin. Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding. Mea culpa, anders kan ik niet zeggen, als de Waal mij zegt tot de apen te gaan om wijs te worden. Wiser and sadder.

Van zo’n dorp wordt men trouwens ook wijzer, met een mild-droeve ondertoon. Ik herinner me dat ik, amper twintig jaar oud, lid was van een leeskring van progressieve geloofsgenoten. Wij lazen Kuitert en Wiersinga. Als de gereformeerde kerk een index librorum prohibitorum had gehad, dan stonden die boeken er beslist op. Maar voor ons was het een verademing. En voor mij vooral leerzaam. Zo leerde ik dat de ruimdenkendheid van wie zichzelf als ruimdenkend benoemt, meestal beperkt blijft tot de richting waarin men zelf ruimte zoekt. Naar alle andere kanten blijft men gewoon een mens, met datzelfde eeuwige menselijk tekort.

De progressieve dominee (die het waagde te preken over het gedicht Graf te Blauwhuis van Gerard Reve) zag mijn ontmoediging en dacht dat die dezelfde was als de zijne. “Het is niet overal zoals hier,” zei hij, “In deze kerk telt vijfentwintig percent christendom en de rest is dorpisme.” Ongelijk kon ik hem niet geven, maar ik benijdde hem zijn bitterheid niet.

Global village. Think global, act locally. Op naar een post-modern, post-koloniaal kosmopolitisme. Aan de hand van God of de Verlichte Rede dan maar, want die ingebakken apenliefde zal ons er niet brengen. En dan nog blijft het ingewikkeld en moeizaam, maar wel de moeite waard.

Read Full Post »

23032013

Een jaar of elf zal ik zijn geweest, toen mijn historische belangstelling voor het eerst in alle hevigheid opvlamde. Ik weet nog goed hoe ik uit de mond van mijn moeder talloze verhalen uit haar jeugd optekende in een oude agenda. Aan mijn vader ontfutselde ik de herinneringen die hij nog koesterde aan de tijd dat hij postduiven hield en samen met zijn zus de vereniging “Woordkunst” oprichtte. Van mijn opoe kreeg ik een oud beursje met een knip, rijk versierd met witte en lichtblauwe kraaltjes. Daarbij voegde ik een paar potscherven (Delfts Blauw, minstens 100 jaar oud!), een stuk of wat kiezen gevonden in een massagraf van koeien die rond 1715 aan de veepest waren bezweken en ziedaar mijn eerste museum.

Maar het mooiste was een heus geschiedenisboek, dat ik had gekregen van de conciërge van een school in Alkmaar, waarheen ik een tijd lang iedere vrijdagavond mijn moeder begeleidde, die daar een kookcursus voor blinden volgde. Met dat boek in een hoekje had je aan mij geen kind, ware het niet dat hier een gevaar op de loer lag.

En wat boven deze is, mijn zoon! wees gewaarschuwd; van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezens is vermoeiing des vleesches.

Prediker 12:12

Hoezeer beschouwelijkheid en studie in het tuindersdorp waar ik opgroeide ook gewaardeerd werd, men vond al gauw dat iemand die dreigde zich aan bovenmatige geestelijke inspanning over te geven “wat vaker zuid-op moest gaan.” Daar lagen de akkers, altijd bereid om je terug te voeren naar een aardser bestaan. Midden in deze denktrant stond een heus schrikbeeld opgericht. De broer van een buurman had zich, een jongen nog, “over de kop geleerd” en dat was nooit meer goed gekomen. Hij sleet de rest van zijn dagen in een inrichting ergens achter de duinen.

Dat het beducht zijn voor de kwalijke kanten van een intellectuele levensstijl veel ouder is en niet beperkt blijft tot het gezonde boerenverstand van mijn dorpsgenoten blijkt reeds uit het bijbelvers hierboven. Afgelopen week kwam ik het nog ergens anders tegen, alleen dan uitgebreid met allerlei veronderstellingen over de taakverdeling tussen vrouwen en mannen in deze.

Het Provinciaal Utrechts Genootschap (PUG) toonde zich minder enthousiast over vrouwelijke inmenging. In 1870 hield Nicolaas Beets voor de algemene vergadering zijn openingsrede, Opmerkingen naar aanleiding van de denkbeelden van den dag in verband met de Emancipatie van Vrouwen, waarin hij op termijn pleitte voor toelating van dames. Beets verdedigde de mening dat de vrouwelijke geest in het bezit is ‘van alle die vatbaarheden en organen, die, op mannelijke wijze gevoed, geoefend en gekweekt, het vrouwelijk geslacht tot de hoogste ontwikkeling in wetenschap en kunst zouden in staat stellen’. De grote verdienste van vrouwen bleef echter volgens hem
‘dat zij, aan de zijde van een geleerde mannenwereld, aan de volheid des levens ontrukt, tot eenzijdige onderzoekingen afgezonderd, in bedwelmenden afgetrokkenheden verdiept, en in het zoeken der waarheid van alle kanten door drogredenen belaagd, steeds de verkwikkende, opwekkende, ontnuchterende en bezadigende wederhelft, het onmisbaar tegenwicht, en de vertegenwoordigsters van het gezond verstand geweest en gebleven zijn, en tegenover de boeken en hun stof altijd weder den mensch en het leven vertoond en gehandhaafd hebben.’

Hoe bepalend en hoe onomkeerbaar dit soort denkbeelden zijn geweest viel me op bij het bladeren in 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Toen ik het maar eens ging turven, bleek dat 61 van de laatste 200 vrouwen in dat boek ongehuwd zijn gebleven. Was het voor die vrouwen dan niet gevaarlijk om zich eenzijdig intellectueel te ontwikkelen? Hadden die niet juist een man (of een andere vrouw) naast zich nodig om hen op aarde te houden?

Voordat ik voor de verleiding val om nog dieper in de antithesen te duiken, maak ik liever een sprongetje zijwaarts in de historie. Op een andere plank in mijn boekenkast (ik weet het: er is geen einde….) staat een lijvig werk, de Vasalis-biografie van Maaike Meijer. Die kan ik iedere jonge vrouw aanraden, ook al heeft ze er eigenlijk geen tijd voor. Het combineren van moederschap, een baan, een partner, een sociaal leven, is dat niet allemaal veel zwaarder dan de eenzame arbeid van een historica? Wie zal het zeggen? In ieder geval is het mooi dat iemand de moeite heeft genomen om al het gemopper en het idealiseren waarmee Vasalis precies zo’n druk bestaan verbaal heeft begeleid op te tekenen. Dan weet je weer dat je het zo gek niet doet.

De foto bij dit blogbericht toont Elisabeth Carolina van Dorp (1872-1945), de eerste vrouw in de Tweede Kamer met een ‘eenmansfractie’.
Het uitgebreide citaat is afkomstig uit: Strijd tegen de stilte: Johanna Naber (1859-1941) en de vrouwenstem in de geschiedenis door Maria Grever.

Read Full Post »

22032013

Op een avond, niet zo lang geleden, kreeg ik een fragment te zien uit de documentaire I am a woman now van Michiel van Erp. Nu moet ik met een fragment natuurlijk een beetje oppassen, want het mist zijn context en dat kan nogal een verschil maken. Misschien moet ik ook wat twijfel aan mijn eigen oordeelsvermogen toevoegen, omdat het gaat over iets wat erg dichtbij komt en bovendien blijkt dat anderen er heel anders over oordelen. Na deze caveats te hebben uitgesproken wil ik toch iets algemeens over dat fragment te berde brengen. Iets dwarsigs, omdat het me anders dwars blijft zitten.

Mensen die de gerieflijke omhulling van al onze beleefdheden, etiquette en taboes ten volle mogen genieten, lijken dat (merkwaardig of juist begrijpelijk?) vaak als een “keurslijf” te ervaren. Ik vermoed dat hierin de oorsprong ligt van de huidige fascinatie met mensen die “iets hebben” of “niet in een hokje passen”. Dat vogelvrij zijn niet hetzelfde is als “zo vrij als een vogel in de lucht” is daarbij een storende gedachte. Teneinde een toneel te creëren waarop we een beeld kunnen projecteren dat ons toestaat om – zonder zelf risico te lopen – iets mee te beleven van een begeerlijke “echtheid”, stellen de Sonderexsistenzen zich beschikbaar om te worden bezien en mag men hen alles vragen.  Vroeger hadden we daarvoor het theater en de roman, nu de reality-tv en je buren of collega’s.

Wat documentaires en aanverwanten betreft zijn we wel wat gewend. Na Spoorloos, Uit de kast en Je zult het maar hebben kijken we niet zo gauw meer ergens van op. Aan een spastische jongeman mag je gewoon ten overstaan van een paar miljoen Nederlandse huiskamers vragen hoe hij aan z’n gerief komt. Toch? De worsteling van een homoseksuele refo-jongen voor zijn coming-out tegenover zijn ouders volgen we op de voet en als de camera uiteindelijk niet mee naar binnen mag, dan toch wel een microfoontje. De camera wordt vanaf het trottoir op de gesloten gordijnen gericht en we zitten alsnog met onze neus op de intieme confrontatie. Jammer van de tranen die we missen.

Zou het komen doordat ik zo weinig tevee kijk, dat ik meteen met mijn tenen krom zat toen het fragment uit de docu van Van Erp begon? Of kwam het door de informatie waarmee het ingeleid werd? De bejaarde dame die we gingen zien was het “gelukt” om zo overtuigend als vrouw over te komen, dat eigenlijk alleen een paar familieleden van haar verleden wisten. Zelfs haar beste vriendin, die zij al dertig jaar kende, was niet op de hoogte. Toen zij al een poosje meewerkte aan de docu, zo vertelde Van Erp, realiseerde zij zich op een gegeven moment (Waarom is dat niet vóór het in zee gaan doorgesproken?) dat die vriendin straks van jan en alleman te weten zou kunnen komen dat zij transseksueel was. Dat leidde tot de ‘keuze’ om het dan toch maar te vertellen voordat het zover zou komen. En wat is er vanzelfsprekender dan dat meteen maar voor de camera te doen?

Ik hoef niet te beschrijven hoe ongemakkelijk dat moment was en hoe dankbaar de documentairemaker daar gebruik van maakte. Lege theekopjes op het tafeltje tussen hen in, gestamel over “geen geheimen voor elkaar” en “n’n detail”. En dan zoomt de camera in op de hand van de vriendin, die zich vastgrijpt aan het tafeltje. Zou ik de enige zijn die dit zowel kitscherig als schaamteloos indringend vind? Wel ging er een zucht door de zaal toen het fragment was afgelopen. Tjonge, het is ook allemaal heel moeilijk! “Ja, mensen kunnen zich dan opeens verraden voelen,” meende de presentatrice van de avond. En Van Erp: “Het viel me ook op dat geen van de vier vrouwen die ik heb gefilmd erin is geslaagd een echte relatie aan te gaan.” Toe maar!

Tuurlijk, het is ook lastig allemaal. Wat voor de een “n’n detail” is, kan voor de ander “verraad” betekenen. Juist daarom is het belangrijk om onze verwachtingen omtrent het recht op intimiteiten te herzien. Wat iemand heeft meegemaakt maar voor zichzelf houdt teneinde “in waarheid te kunnen leven” is geen snoepgoed voor anderen. Ook binnen een “echte relatie” behouden mensen het recht om niet alles met de ander te delen, zonder dat er van verraad gesproken hoeft te worden. Maar wij hebben met ons allen een cultuur geschapen waarin alleen “echt” is wat wordt blootgelegd. Daarom was ik heel blij dat de hoofdpersoon van die avond zich sterk maakte voor het principe dat transseksuelen dezelfde rechten op intimiteit hebben als ieder ander. Zoals hij het op zeker moment schertsend zei: “Als u uw geslachtsdeel op tafel legt, dan wil ik die van mij er wel bij leggen.”

Read Full Post »

Innovatie

14032013a

*

No ris wat oars, sei Sybren en hy makke it tsjoar fan de bolle los.

Afgelopen week las ik een boeiend artikel over het natuurbeheer in de Oostvaardersplassen. Het stond in de New Yorker en het ging vooral over de controversiële kanten van ‘rewilding’. (Hoe heet dat eigenlijk in het Nederlands?) De auteur was op stap geweest met de initiator van het project, Frans Vera. Ik werd getroffen door de volgende uitspraak die zij uit zijn mond optekende:

“Mostly there’s no trouble as long as you are within the borders of an accepted paradigm. But be aware when you start tot discuss the paradigm. Then it starts to be only twenty-five per cent discussion of facts and seventy-five per cent psychology.”

Ondertussen had ik ook nog een boek ter hand genomen, The Diaries of Jane Sommers van Doris Lessing. Daarin bleef ik onwillekeurig stilstaan bij een passage waarin de hoofdpersoon beschrijft hoe haar collega-redacteur bij een magazine voor vrouwen reageert wanneer zij met ‘iets nieuws’ komt aanzetten.

Something interesting has just occurred to me.
Joyce is the innovator, the iconoclast, the one who will throw an issue we’ve just got set up into the wastepaper basket, and start again, working all night, tot get it down just so; Joyce presents herself – she is – this impulsive, dashing, daring soul, nothing sacred.
I, Janna, am classical and cautious, conservative and careful – this is my appearance, and how I think of myself.
Yet there are so often these moments between us, there always have been. Joyce says, “We can’t do that, our readers won’t like it.”
Me, I have always believed our readers – and everybody else’s readers for that matter – would take much more than they are offered.
I say, “Joyce, can we try it?”
But more often than not, whatever it is lands in the file I have labelled Too Difficult and which I leave out on my desk so that Joyce will see it and – so I hope, but most often in vain – beprompted to have another think.

Waarom juist deze brokstukken in de gestaag aanrollende branding van informatie mijn aandacht weten te trekken? Ik denk dat het komt doordat ik de laatste tijd vaker dan anders over het woord ‘innovatie’ struikel. Innovatie moet ons uit de huidige economische crisis helpen. Het zal mij benieuwen waar het volgende stukje grazige weide ligt en wie ons daar naartoe zal brengen. Niet de eerste de beste belhamel, zeggen de citaten hierboven.

Innovatie, iets nieuws, iets anders. Maar ook weer niet té nieuw of té anders. Ga er maar aan staan! Het is de boeiende en altijd weer onvoorspelbare dynamiek van de vaart der volkeren die uitmaakt welke kant het op gaat. Als eenvoudige amateur-intellectueel zou ik natuurlijk graag zien dat de wereld om briljante ideeën of goed doordachte argumenten draaide. In werkelijkheid ligt haar lot eerder in handen van de juiste persoon die – met een glas sherry in de hand – op het juiste moment de juiste woorden tegen de juiste mensen weet te zeggen. (Een uitspraak van Piet Vroon over het geheim van academisch succes, als ik het me goed herinner.)

Eerder genoemde Frans Vera zegt over de lange weg die hij gegaan is om de Oostvaardersplassen tot een wildreservaat te maken: “The thing most often heard was, ‘Who do you think you are?’”

Zo, dat was weer een aardig bespiegelend praatje, nietwaar? Al schrijvend bedenk ik me echter dat er een andere, veel persoonlijker onderstroom in doorklinkt. Door de associatief ingegeven keuze van het motto komt de herinnering boven aan hoe ik als drie-jarig handenbindertje door mijn moeder op het bleekveld met een touw aan een pen in de grond werd vastgebonden. Precies zo als de geit van de buren. Maar doe ik dat in de loop van mijn leven niet zelf ook telkens weer, mij vastpinnen aan de leefpatronen waarbij ik mij het meest op mijn gemak voel? Alleen, soms is het gras binnen de cirkel die het touw toelaat wel zo ongeveer op. Wie haalt dan de pin uit de grond, of zal ik het zelf maar doen?

14032013b

Read Full Post »

10032013

Of het scheikundig gezien waar is, kan ik niet beoordelen. Logisch bekeken klopt het, geloof ik, niet. Maar op een filosofisch niveau geeft het in ieder geval stof tot nadenken. (Kijk: ook in die uitdrukking vervaagt de grens tussen geest en materie!)

Ik vind het vooral een prachtige gedachtensprong, van een kamerplant naar Keats. Niets is tenslotte te wonderlijk voor de magie in alchemie. Alles is één, dus van stro goud maken is slechts een kwestie van hoe, niet van of het kan. “En met dat levenselixer komt het ook nog wel eens goed,” sprak de rozemarijn op mijn balkon vanmorgen, bibberend van de kou. “Zullen wij dat nog beleven?” vroeg ik nog, maar daarop bleef zij het antwoord schuldig. Toen heb ik haar maar gauw in het trappenhuis gezet, en de oleander ook.

Read Full Post »

08032013

L’important n’est pas ce qu’on fait de nous, mais ce que nous faisons nous-mêmes de ce qu’on a fait de nous.

Jean-Paul Sartre

Daarop kwam Petrus bij hem staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?” Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.’

Mattheus 18:21-22

Gek, om deze twee citaten hier zo broederlijk naast elkaar te zien staan. Toch gaan ze naar mijn idee wel degelijk over hetzelfde. Al moet ik zeggen, Sartre laat veel meer mogelijkheden open om te reageren op wat anderen je aandoen. Je kunt ook vergeten in plaats van vergeven, maar daar heeft Freud ons al tegen gewaarschuwd. En je kunt wraak nemen, ook die vrijheid heb je. Of jezelf gevoelens van superioriteit aanmeten, waardoor een krenking vanzelf een bagatel wordt. Maar ontstaat daardoor vrijheid? Of heb je dan je vrijheid verzilverd en zit je alsnog vastgeketend aan de gevolgen van het voorval?

Tegenover vergeving staat schuld en daar zit ‘m volgens mij de crux. Daarom schuif ik Sartre en Jezus toch maar wat verder uit elkaar. Of misschien ligt Jezus in mijn zoektocht naar vrijheid wel echt een stap dichter bij het doel dan Sartre. Tegelijk heb ik het idee dat ik – als het ware – ook nog een stap voorbij Jezus zou moeten gaan om de vrijheid die in vergeving schuilt beter te begrijpen. En daardoor wellicht bereikbaarder te laten zijn.

Wat ik mis in de dialoog tussen Jezus en Petrus is het element van wederkerigheid. Tegenover vergeving staat schuld, herhaal ik maar. Ik bedoel: je kunt je nog zo oprecht voorhouden dat vergeven goed is, maar wat als degene die je wilt vergeven niet bereid is vergeving te ontvangen? Wanneer iemand door een ander pijn is gedaan, – bedoeld of onbedoeld, dat doet er niet toe – kan het zijn dat die ander zich liever rechtvaardigt of verontschuldigt dan de hand op te houden voor het geschenk van de vergeving. Daar sta je dan, met je handen vol …., ja, vol met wat eigenlijk?

Mensen hebben er zo’n mooi ritueel voor, voor vergeving. “Sorry.” – “Geeft niet.” (Of: “Is alweer goed.”) De volgorde is het belangrijkst: vergeving veronderstelt erkenning. Was die voor Jezus en zijn vraagstellers dan vanzelfsprekend? Of kun je ook zeggen dat vrijheid zou moeten beginnen bij het erkennen van schuld? (Opeens schijnt er een ander licht op dat vaste onderdeel van de gereformeerde liturgie.) Misschien schuilt daarin een veel rijkere mogelijkheid om aan vrijheid toe te komen. In ieder geval hebben we daar als individu meer zeggenschap over.

Hoewel, wacht even. Wat is het een zegen om onder een dak te hebben gewoond met kinderen! Mijn twee dochters kunnen heel erg goed met elkaar opschieten. Dat is, behalve een talent, ook een verworvenheid van die twee. Nu kunnen zij doorgaans heel goed tot elkaar doordringen zonder elkaar daarbij pijn te doen. (Als er gevochten moet worden, dan met woorden, en ze weten meestal “how to choose their battles”.) Maar dat is niet altijd zo geweest. Ze hebben het elkaar geleerd, met een duwtje hier en daar van hun ouders. Dan kom ik bij de tekening hierboven.

Op een dag, – ik stond aan het fornuis, dus hoe het zich had opgebouwd was me ontgaan – klonk er uit een van de kinderkamers opeens een ijselijk geschreeuw. Twee seconden later sloeg er een deur en was het even plotseling doodstil. Toen ik poolshoogte ging nemen zat de jongste met een gezicht als een donderwolk (“taurèdoon hupoblépsaas” heette dat toen bij ons) in een hoek van haar kamer. Ze wilde niet vertellen wat er was voorgevallen. De oudste had zich in haar eigen kamer teruggetrokken en was zo aangeslagen dat ik niet uit haar kon krijgen wat er aan scheelde. Haar zusje had haar gebeten, weet ik nu, hard gebeten.

“Ik weet niet wat er precies gebeurd is, maar ik denk wel dat jij Roos even sorry moet gaan zeggen,” vermaande ik het boosdoenertje. “Nee!” en dat klonk als “Over mijn lijk!” Het avondeten vroeg mijn aandacht, dus ik liet het even voor wat het was. Maar goed ook, denk ik achteraf, want vergeving vragen moet wel een vrije daad blijven. Na een poosje hoorde ik wat gerommel in het kamertje naast de keuken en even later het gedribbel van blote voetjes door de huiskamer naar de kamer van Roos en weer terug.

Die tekening hierboven had Laura stilletjes bij haar zus onder de deur door geschoven.

Read Full Post »

Older Posts »