Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for september, 2011

Cor 1961 – 1985

*

 

Vandaag zou Cor 50 jaar zijn geworden.

Maar hij werd slechts drieëntwintig.

Gisteren zag ik iemand fietsen en dacht: “Hé, daar is Cor.”

Op zijn rouwkaart liet ik drukken:

“Wij hopen dat hij de verlossing heeft gevonden die hij zocht.”

Die hoop is veranderd in vertrouwen.

Rust zacht, lieve Cor.

Het beeldje hierboven is gemaakt door Misty Sooder, een hele goede vriendin van mij.

Advertenties

Read Full Post »

Dromer

*

Droomt aleer gij doende zijt en doende droomt dan nog.

vrij naar Guido Gezelle

Heeft u dat ook wel eens? Dat u van alles en nog wat denkt en er dan plotseling achter komt dat er vrijwel niets van klopt? Ik had het vanmiddag nog, toen ik weer in de schoolbanken zat om mij door middel van competentiegericht leren te bekwamen in het verzorgen van andere mensen. Eén van de opstapjes daarheen was en “leerstijlentest”. Nadat ik een tiental vragen netjes en naar waarheid had beantwoord en de punten zorgvuldig bij elkaar had opgeteld, moest ik de uitkomst uittekenen in een diagram (“schietschijf”) zoals hierboven staat afgebeeld. Let op: het plaatje geeft niet mijn score weer.

Terwijl ik de lijntjes trok beet ik op mijn onderlip. Wat zou ik zijn? Een doener, een dromer, een denker of een beslisser? Ik zie jullie al denken: “Ha, dat is makkelijk! Een denker natuurlijk.” En laat ik dat nu zelf ook altijd gedacht hebben. Ik denk immers zo verschrikkelijk veel en kom zo bedachtzaam over. Maar ik moet ons allemaal teleurstellen: op de as “abstracte begripsvorming” had ik zo weinig punten behaald, dat ik als het ware aan het middelpunt vastgeplakt bleef zitten. Van mijn figuur was met geen mogelijkheid een vierhoek te maken, ik moest het met een ietwat stompe, gelijkbenige driehoek doen. Ik bleek een doener en een dromer tegelijk.

Hoe lossen we dit op? Zeggen dat de vragen niet deugen? Mijn bloedsuikerspiegel van het moment de schuld geven? Spelen hormonen hier misschien een rol? Of het brein? Gelukkig kwam de begeleidende tekst bij de test me te hulp: alle uitkomsten zijn goed. Mij mankeert hoe dan ook niets. Die driehoek zegt iets over de manier waarop ik dingen leer en anders niet. En dan begin ik het langzaam te snappen, zie ik in dat het waarachtig nog klopt ook en raak ik meer en meer gerustgesteld, tot ik even tevreden op de punt van mijn pen knaag en mijn handen ontspannen op mijn grijze formica tafeltje laat rusten.

Zeg nou zelf: al die gedachten die ik hier denk zijn toch niets anders dan “overdenkende observaties” van mijn eigen “concrete ervaringen” en van wat ik verder zoal aanklungel (=”actief experimenteren”) in het leven? Het zijn zonder uitzondering gedachten achteraf, het liefst zonder conclusies. Beslissingen worden hier al helemaal niet genomen. En als ik dan toch per ongeluk een abstract begrip heb gevormd, dan frommel ik het gauw in elkaar als een mislukt gedicht, dat ik met een sierlijke boog tot vlak naast de prullenbak gooi. Waarschijnlijk heb ik nog nooit van mijn leven iets gedaan dat ik bedacht of zelfs maar van tevoren deugdelijk overdacht had. Mijn gedachten gebruik ik slechts om de brokken die ik maak tot min of meer kloppende verhalen in elkaar te lijmen.

Dat is me vandaag immers ook weer aardig gelukt?

Read Full Post »

Afwijkend gedrag

Als je naar het vakje “uurloon” op mijn salarisspecificatie kijkt, dan zou je het niet verwachten. Toch is het heus waar: wij (verzorgenden in de thuiszorg) doen aan “intervisie” en bespreken “casuïstiek”. Kom er maar even bij zitten. Alle namen zijn gefingeerd en elke herkenning berust op toeval. Of op iets wat je “het algemeen menselijke” zou kunnen noemen. Wat nu komt is waar gebeurd.

Peter leidt de bijeenkomst in en geeft het woord aan Fleur, want die heeft onlangs in haar praktijk als verzorgende iets meegemaakt wat je met een beetje goede wil een probleem zou kunnen noemen. “Ik kom al twee maanden elke week bij mevrouw Goetschalk om haar te helpen met douchen, maar zij wil geen schone pyjama aan.” Wij in de kring kijken enigszins bedenkelijk en proberen ons voor te stellen hoe het daar toegaat in huize Goetschalk. Peter neemt weer de leiding en stimuleert ons vragen te stellen aan Fleur, zodat we een zo helder mogelijk beeld krijgen van de situatie. Aan oplossingen mogen we nog niet denken, hoe moeilijk het ook is om dat te laten.

“Is mevrouw dementerend?” – “Nou, nee, alleen maar wat vergeetachtig.” – “Is zij over de hele linie zorgafhoudend?” – “Nee, verder vindt ze het wel goed dat ik haar help.” Langzaam wordt het duidelijk: zodra we de achtergrond van deze onbegrijpelijke weigering kennen, komen we wellicht ook dichter bij de mogelijkheid om haar alsnog te overreden zich naar de professionele verzorgingsstandaard (= minstens eens per week een schone pyjama) te plooien. Of komt er zicht op een alternatief dat voor deze cliënte wél acceptabel is. Voorlopig zitten wij nog een beetje met de handen in het haar.

Als via een rollenspel is vastgesteld dat Fleur beslist correct, vriendelijk etc. gehandeld heeft, oppert Berthilde, een oude rot in het vak, peinzend: “Tja, het gaat hier natuurlijk om afwijkend gedrag, en dat heeft meestal een oorzaak.” Ploenk! De term “afwijkend gedrag” raakt bij mij een snaartje, dus snij ik haar even de pas af en probeer: “In hoeverre is het eigenlijk een probleem, dat deze mevrouw drie weken in dezelfde pyjama wil rondlopen?” – “Goeie vraag,” vindt de ouwe rot, maar toch niet echt, want ze laat hem onmiddellijk onder tafel rollen, zodat niemand er verder op in gaat. Ik houd me stil, want ik kom tenslotte pas kijken.

Wie mij een beetje kent, weet nu al wat er tijdens de tweede, de derde, of misschien pas de vierde intervisie bijeenkomst gaat gebeuren. De vraag naar de zin van het stellen van een norm tegenover een persoonlijke voorkeur zal zich vast en zeker opnieuw aandienen. En mijn neiging het op te nemen voor “afwijkend gedrag” zal ik nooit succesvol kunnen onderdrukken. Als ik dat al zou willen. Bovendien, de ouderdom kent al zoveel ongemakken, dat ik het verliezen van een stringent normbesef eerder als een winstpuntje zou verwelkomen. Tenslotte, en dat moeten jullie niet verder vertellen: ik koester een zeer onprofessioneel zwak voor eigenzinnige oude dames.

 

Read Full Post »

Wederkerig

=

genieten en genoten worden

Read Full Post »

Ik was indertijd beslist onder de indruk van de documentaire Beperkt Houdbaar, die Sunny Bergman in 2006 maakte en waarin zij ook zichzelf niet spaarde. Haar eigen vagina onderwierp zij aan de keurende blik van zo’n vleesbeeldhouwer en zij barstte in huilen uit toen hij zijn oordeel uitsprak. Alle andere verhalen waren evenzeer vervuld van de wanhoop die veel vrouwen koesteren over de afstand tussen hun lichaamsbeleving en de ideaalbeelden uit de media.

Het leek wel alsof die media in dit hele gebeuren de rol speelden van een soort metafysische ideeënwereld, waar wij allemaal met een hoogst individueel lijntje op aangesloten waren. Niet hoe wij onszelf en elkaar zagen en beleefden was belangrijk, slechts het beeld dat ieder van ons zag in een spiegel uit een of ander naargeestig sprookje deed ertoe. Toch schemerde ergens tussen de regels door een uitweg uit al die angst en verongelijktheid. Een jonge vrouw van Marokkaanse komaf vertelde over haar jeugd tussen de verschillende generaties vrouwen die met elkaar de hamam deelden. Zeker, ook zij waren met schoonheid en aantrekkelijk zijn bezig, maar toch anders. Door elkaar bij het cultiveren daarvan te helpen, raakten zij vertrouwd met alle vormen die een gewoon vrouwenlijf door de jaren heen kan aannemen.

Sinds kort is mij een zelfde soort uitweg uit de misère van het schoonheidsideaal in de schoot geworpen: het is mijn voornaamste taak op deze aarde om oude mensen te helpen met het wassen van hun lichaam. Niets van wat kleding gewoonlijk verhult blijft voor mij verborgen, en de afstand tussen hen en mij is niet groter dan het washandje dik is. Daarmee gaat voor mij een wereld van schoonheid open. Het is niet nodig te weerspreken dat het menselijk lichaam een beperkte houdbaarheid heeft, want als drager van schoonheid kent het geen enkele beperking. Ook uit het meest gerimpelde ouwevrouwengezicht stralen pretoogjes mij ondeugend toe. En in het pijnlijk gebogen en haast verdroogde lijf van een negentigjarige man staat een mens fier overeind om het leven – en heel binnenkort de dood – recht in de ogen te kijken.

Waar huist die Schoonheid dan? Uiteindelijk toch in het oog van de beschouwer? Goed mogelijk, want het was mij al nooit gelukt schoonheid te ontwaren in de glossy plaatjes waarin anderen haar menen te vinden. In de mensen die zich aan mijn zorg toevertrouwen zie ik haar onmiddellijk. En het gaat beslist niet om een mooi karakter dat een lelijk lijf compenseert, nee, het is een innerlijke schoonheid die elk lijf dat zich laat ontmoeten en aanraken mooi maakt.

Verdampend

 Nou dat ek brosser beginne word,
 weet ek nie meer so mooi
 hoe ek dit het en waar ek hoort.
 Die son die brand mij skouerknoppe
 bruin soos beskuit se ronde korsies.
 Ek was zo’n sappige kind!
 ’n Hele tagtig persent water
 gerangskik om ‘n skelet
 noagal met skarniere toegerus
 sodat ek die aarde kan bewandel,
 vol verwondering kan raak aan
 ander saamgestel soos ek: water
 water water water water en.

Wilma Stockenström


Read Full Post »

Schildpadruiter

Elke dag, wanneer ik langs de Apollolaan naar mijn werk fiets of weer terug naar huis, houd ik even mijn adem in. Zal hij er nog staan? Of is hij terug naar Nieuwpoort? Een voor een heb ik alle kunstwerken behalve Tinguely’s Heureka en mijn schildpadruiter weer zien vertrekken. Stilletjes hoop ik dat ze allebei blijven.

Ik herinner me nog goed die middag dat ik hem plotseling ontwaarde terwijl ik de Beethovenstraat overstak. Een kolossaal gevoel van verwondering vervulde mij. Al snel kon ik het niet meer bevatten en voelde ik me als het ware heel klein worden. Toen leek het alsof een heel groot en lief iemand mij optilde en op zijn arm zette om beter te kunnen kijken. In werkelijkheid stapte ik van mijn fiets, die ik gedachtenloos tegen een gevel zette. Om nog beter te kunnen kijken. Minutenlang staarde ik naar het wonderlijke gevaarte, met alleen maar dat alles overheersende besef iets buitengewoons mee te maken. Mijn anders zo verbale stream of consciousness murmelde ongetwijfeld voort, maar ik was er niet meer om het te horen.

Wat was dit mooi! Imposant en aandoenlijk tegelijk. Een reuzegrote gouden schildpad, met daarop een mannetje. Objectief gezien levensgroot, maar door het uitvergroten van het dier leek hij klein als een kleuter. Trots en vastberaden zat hij daar, als een jarige jongen, die op zijn nieuwe skelter de straat op en neer kart. En zo levensecht allemaal! Alsof koning Midas hier net langs was geweest om die twee met een tikje van zijn wijsvinger in goud te veranderen. Maar als ik goed naar dat jongetje keek, was het toch echt een man. Een man wiens blik zo doelbewust op iets in de verte was gericht, dat ik wel nieuwsgierig moest worden naar de plek waarnaar hij op weg was.

Toch ben ik hem eerst tientallen keren eerbiedig voorbij gefietst, tot ik op een regenachtige zondagmiddag in zeer goed gezelschap de kunstwandeling maakte en het bijschrift las:

Inspiratie voor Searching for Utopia uit 2003 vond Jan Fabre in het boek ‘Utopia’  van Thomas More, waarin een imaginair eiland met een ideale politieke wetgeving wordt geschetst. In de sculptuur beeldt Fabre zichzelf af, zittend op een reusachtige schildpad. Zijn keus voor een schildpad als rijdier duidt erop dat het verlangde doel niet snel maar juist heel langzaam bereikt dient te worden.

Ik mocht mij opnieuw verwonderen: wat klonk dit allemaal serieus! Meende hij dat echt? Bestond een dergelijk positivisme dan nog en was ik blijkbaar ongemerkt zo’n  postmodern mensenkind geworden dat ik dat niet kon geloven? Zeker, het beeld straalde een onmiskenbaar vooruitgangsgeloof uit en nu ik de bestemming van de ruiter kende, verbaasde mij dat niet. Maar ik had er al die tijd toch vooral een zekere ironie in gezien, een glimlach naar die man die zichzelf zo serieus leek te nemen en niet leek te merken hoe zijn gedrevenheid iets bijna potsierlijks kreeg door de lome traagheid van de schildpad.

Wat overblijft is een diepe verknochtheid aan dit beeld. Want telkens als ik het zie, brengt het mij terug bij die bijna mystieke ervaring van onze eerste ontmoeting en vervolgens bij de warme gevoelens van vriendschap, die een verregende zondag in juli zo onvergetelijk maakten. Van mij mag hij blijven, mijn schildpadruiter.

Read Full Post »

Drop-out

*

Wie zoveel keer buiten de boot is gevallen, kan vast en zeker heel goed zwemmen.

En zoals je ziet: ze komt toch nog goed terecht.

You go, old lady!

Read Full Post »

Older Posts »