Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2016

Een doorloper

17032016

Het hoort bij mijn werk dat de mensen die ik help verzorgen op een zeker moment uit mijn leven verdwijnen, doordat ze doodgaan. Gemiddeld eens per maand, heb ik een keer uitgerekend. Vorige week waren het er twee op één dag: de man van een vorig blogbericht en meneer de Roos, zoals ik hem voor deze gelegenheid noem. Voor mijn eigen innerlijke opgeruimdheid en vanuit een behoefte om iemand ‘de laatste eer te bewijzen’, ga ik met sommige van mijn cliënten mee tot aan hun laatste rustplaats. Meneer de Roos kwam een dergelijk eerbetoon zeker toe. Vanaf het allereerste begin van mijn carrière in de zorg kwam ik bij hem over de vloer en, al was hij een niet erg toegankelijke man, ik was voor hem genegenheid gaan voelen.

Op de dag van zijn begrafenis belde ik nog even met de begraafplaats, om zeker te weten of het tijdstip, dat ik via-via had doorgekregen, wel klopte. Toen ik vroeg bij welk zaaltje ik mij moest vervoegen, kreeg ik het volgende te horen: “Het is een doorloper. Ze gaan direct vanaf de ingang door naar het graf. Als u gewoon bij het hek wacht, kunt u zo mee lopen.” Bij aankomst stonden zes jonge mannen keurig in de toegangspoort opgesteld en al gauw verzamelden zich achter hen een paar plukjes mensen. Precies op tijd reed een grijze lijkwagen zachtjes naar binnen, gevolgd door de broer van meneer de Roos met zijn gezin. Handen werden geschud, condoléances uitgesproken en de broer stelde ons terloops op de hoogte van het feit dat zijn echtgenote “aan het alzheimeren” was.

“Kom!” riep hij tegen haar en wij allen volgden hem, achter de lijkauto aan het kerkhof op. Ergens bij een bocht hield de stoet stil en werd de kist uit de laadruimte geschoven, 180 graden gedraaid en ‘feet forward‘ door de jonge mannen op hun schouders gehesen. Onwillekeurig moest ik denken aan de verhalen die de man daarboven mij had verteld over zijn eerste houten boot, die hij zelf gebouwd had, thuis in de huiskamer. Daar lag hij nu, zachtjes schommelend op schouders die golfden boven de stappen op het grind. Geen zeil, geen roer, geen anker, geen enkele kust in zicht.

Toch hielden wij op een gegeven moment stil en werd meneer de Roos in zijn kist op een paar staalkabeltjes boven het open graf gezet. Tijd voor wat laatste woorden. Een buurvrouw, die hem elke zaterdag de krant en een visje bracht, sprak met liefde over de “ouwe brombeer” die hij was geweest. Ik knikte: hij mopperde vaak, maar kankeren deed hij nooit. De broer keek nog één keer rond en toen hij zag dat niemand anders aanstalten maakte, gaf hij, met de rug naar het graf, een korte opsomming van alle boten die de overledene had gebouwd. Na nog een wat magere anekdote over een zeereis zonder een zuchtje wind en het bescheiden gelach dat daarbij hoorde, waren we toe aan het slot van de ceremonie. Daar daalde de kist, langzaam en definitief.

Toen hij op de bodem van de kuil was aangekomen, greep de broer zijn vrouw bij de arm en liet haar even in de diepte kijken. “Herken je het?” vroeg hij, in een poging haar een beetje bij de les te houden. “Daaronder ligt moeder, daar bovenop vader, en nou ligt hij er ook bij.” Een laatste groet en daar gingen wij weer, richting het “café”, waar nog gelegenheid zou zijn met elkaar herinneringen op te halen. “Zijn er nog thee- of koffieklanten?” riep de overgebleven meneer de Roos achteromkijkend. Langs het pad bloeiden de laatste sneeuwklokjes, de middelste krokussen en de eerste forsythia. Het lentelicht was zacht als dons van jonge eendjes – door de blauwe lucht roeide een reiger met korte rukjes oostwaarts.

Zoet is het licht,-
en goed is het voor de ogen
om de zon te zien.

Prediker 11:7 (vert. Naardense Bijbel)

Advertenties

Read Full Post »

Zondeval

14032016

Aan joods leven is veel leuks te beleven. Behalve kippensoep op vrijdag en het zingend zegenen van de dag nog voor je iets ontbeten hebt, is er het zogenaamde ‘lernen‘. Hm, het is goed dat er nog een paar woorden ‘Joodenduitsch‘ in leven worden gehouden, en wel hierom: door uit het Duits alleen het werkwoord ‘lernen‘ over te nemen en daarbij het werkwoord ‘lehren‘ overbodig te maken, houden we onszelf bij de les. Bij de studie van torah en talmud speelt de autoriteit van de leraar – als het goed is – geen enkele rol. Het is de gedeelde leergierigheid die ons rond de tafel bijeenbrengt.

Nu is die tafel en de gemeenschap van andere leergierigen mij niet elke dag gegeven, maar ik heb ontdekt dat ik, zonder tot autodidactiek te vervallen, kan ‘lernen‘ wanneer ik maar wil. Het bureau hier voor mij wordt de ‘tisch‘ en – baruch hasjem voor YouTube! – tegenover mij nemen wijzen uit alle windstreken plaats. Ik geniet niet alleen van hun woorden, maar ook en misschien vooral van hun stembuiging en oogopslag. En niet te vergeten van alles wat er rond hun mondhoeken speelt. Ik geniet.

Onlangs genoot ik van Herman van Praag, de hoogleraar psychiatrie wiens religieuze belangstelling het academische niet schuwt, maar omvat en ruim overstijgt. Een interviewster daagde hem uit zijn favoriete bijbeltekst voor te lezen. Dat was deze [minuut 4:00 en volgende]:

1 Van alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ 2 ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten,’ antwoordde de vrouw, 3 ‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ 4 ‘Jullie zullen helemaal» niet sterven,’ zei de slang. 5 ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’ 6 De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk» uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan.

Genesis 3:1-6

En dan komt de uitleg, want daar gaat het tenslotte om bij het ‘lernen‘. Heel omzichtig (“het klinkt bijna blasfemisch, maar zo bedoel ik het niet” en “ik stel mij voor, met alle beperktheid die de mens in zich heeft, . . . . “), maar met iets onmiskenbaar triomfantelijks achter zijn wimpers, komt hij ermee voor de draad: de Eeuwige heeft bij zichzelf gedacht, dat Hij geen robots wilde scheppen. Daarom heeft God zijn eerste mensen op de proef gesteld en zij hebben niet gefaald, zoals mij altijd ‘gelehrt‘ is, integendeel, ze zijn geslaagd! Dus mochten ze de wijde wereld in, niet voor straf, maar met het vertrouwen van hun Ouder in de rug.

Op een heel andere manier heb ik genoten van Reb Zalman Schachter-Shalomi, de grondlegger van de Jewish Renewal beweging. Ook hij wordt uitgedaagd door een interviewer: “What is the Purpose of Life?” – “Ah, there are so many answers that can be given . . . .” [minuut 1:40 en volgende] Wie op zoek is naar De Waarheid, kan maar beter meteen doorlopen. Wie nieuwsgierig is naar de zin die hij te geven heeft, wordt beloond, met een inzicht, een uitdaging of een bemoediging. In dit geval was het voor mij een feestje van herkenning: mijn waardering van het leven is er om te uiten en aldus te ‘uploaden‘ naar de Eeuwige. ⌘ S!

Men zou kunnen denken, dat ik toch hoogleraren, rabbijnen of mannen nodig heb om mee te ‘lernen‘, maar dat is niet zo. Ver weg van mijn computerscherm neem ik zo nu en dan plaats aan een ‘tisch‘ vol ‘potluck‘ en geniet van wat er nog meer ter tafel komt. Zo heb ik het welbekende offer van Abraham eens van een heel andere kant leren zien. Het bleef een test, net als die boom van kennis, maar Abraham kwam er bij Shulamith iets minder goed van af dan in de kinderbijbel bij ons thuis. Hoe kan het dat de man die met de Eeuwige durft onderhandelen om Sodom en Gomorrah zich zo schaapachtig gedraagt, wanneer het om zijn eigen kind gaat? God grijpt niet graag in, maar nu moet er een engel aan te pas komen om te verhoeden dat Abraham straks met bloed aan zijn handen en een mond vol tanden bij Sarah in de tent terugkomt. Oei!

Een andere vrouw in wier gezelschap ik mij graag over torah of tehillim buig, bezigt op zo’n moment een uitroep, die klinkt als een ‘broche‘: “Dank je voor je torah!” O ja, denk ik dan: “Niet in de hemelen is het . . .

  • Joodenduitsch = jiddisch
    lernen = samen studeren op torah en talmud
    talmud = de orale traditie van het jodendom
    tisch = de maaltijd op vrijdagavond in het huis van een rabbijn
    baruch hasjem = de Eeuwige zij gezegend
    potluck = maaltijd waarbij alle genodigden iets te eten meebrengen
    broche = zegenspreuk die men zegt om dankbaarheid of verwondering te uiten
    torah = de vijf boeken van Mozes
    tehillim = de vijf boeken der Psalmen

Read Full Post »

02032016

Het wordt tijd om eens uit te leggen waarom het de laatste tijd wat stiller is op deze schrijfplek. Mensen zouden eens kunnen gaan denken dat het niet goed met mij gaat. Welnu, dat is niet het geval, het gaat mij – mutatis mutandis – volgens de Wet van Carmiggelt, ooit in een gedicht vastgelegd door “kunstbroeder” van Gerard Reve:

Het lijkt waarachtig wel of hij gelukkig is.
Wat fijn, wat heerlijk voor die jongen,
maar wat rampzalig voor de literatuur.

Wie nu meteen denkt dat ik me ergens “vrolijk op straat (. . .) vlak bij een cinema” bevind, heeft de boel iets te letterlijk opgevat. Ik zit gewoon op allerlei stoelen, hier tegenover mijn beeldscherm en elders tegenover oude mensen, die mij hun verhalen toevertrouwen, stukje bij beetje. Dat schijnt mijn roeping te zijn.

In de tijd dat mijn kinderen naar de Vrije School gingen, kreeg ik een keer te horen dat een kind rond het negende levensjaar zijn of haar roeping vindt. Waar was jij toen je negen was? Waar was ik? Wat zag ik destijds als mijn levenspad? Gek genoeg herinner ik mij daar niets van, mijn goede geheugen ten spijt. Pas toen ik twaalf was, ontdekte ik een baan die mij aantrekkelijk leek: ik zag mij wel elke dag langs de boerderijen trekken om pasgeboren kalveren in het stamboek in te schrijven en gewapend met een kistje vol rammelende flesjes en een unster te registreren hoeveel melk elke koe in de polder gaf. Werk dat nu door een melkrobot wordt gedaan. Weg romantiek.

Maar waar was ik toen ik negen was? Opeens weet ik het weer: in de keuken bij mijn moeder. Niet om haar te helpen en zo het fundament voor een culinaire carrière te leggen, maar om naar haar verhalen te luisteren. In een notitieboekje, dat mijn vader me had gegeven en waarin nog een tiental lege blaadjes waren achtergebleven, schreef ik ze op. Verhalen over “ouwe Loel”, de schaapherder en over een knecht genaamd Jan van Holland, die van zijn vrouw niet op de verharde weg mocht lopen, omdat dan zijn klompen te snel zouden slijten. Over Rut, die “zijn land nut” was, maar wel zo arm dat hij achter een kruiwagen vol konijnenmest over de akker liep en riep: “Land ruuk! Land ruuk!” Dat werden dertig jaar later de “verhalen van Oma Hemel” waarmee ik mijn eigen kinderen zoet hield.

Afgelopen week zat ik op een stoel tegenover een vrouw die mijn moeder had kunnen zijn en die in de oorlog Vught, Auschwitz en Ravensbrück heeft overleefd. Een verhaal dat zij ieder jaar vaker vertelt, bij een hele serie activiteiten in het kader van Shoah-herdenking. “Het begint in januari en gaat door tot ergens in mei.” Zij is niettemin blij met mijn kleine beetje persoonlijke aandacht en helpt mij om me in te leven in het leven van haar familie in het vooroorlogse Amsterdam. Zoals ik in mijn vorige blogbericht al vertelde, probeer ik een verhaal te maken over het leven van het jonge joodse gezin, dat in mijn huis woonde, tot 23 juli 1943 – 2 uur ’s nachts. Via haar kom ik in contact met een voormalig leraar geschiedenis, die sinds enige jaren zijn bestemming gevonden heeft als “verhalenverzamelaar” voor Het Geheugen van Oost. Ergens op het internet volgt op zijn naam een prachtige beroepsnaam: chroniqueur.

Hé, wacht eens even: dit is wat ik wilde worden toen ik negen was! Een chroniqu . . . , tja, nu wordt het lastig. Als litt. class. dra. hecht ik erg aan het juiste gebruik van naamval en geslacht, maar hier te lande gaan die dingen steeds verder teloor. Zelfs mijn beste vrienden noemen mij tegenwoordig een “classicus”. Net wanneer ik begin te vermoeden dat ik een ‘hapax legomenon‘ zal moeten scheppen, blijkt het mooie woord dat ik zocht toch te bestaan. Goed, in het Franse taalgebied zal men denken dat ik een nieuwslezeres ben, maar dat is niet zo: ik ben een chroniqueuse, een heuse.

Read Full Post »