Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for februari, 2011

Ruimte

Voor Etta

Het gesprek ging over het leven, en over wijsheid. Over levenswijsheid ook. Het was een rijk gesprek, als een rivier in regentijd, te breed voor haar eigen bedding. En toen was daar opeens een zinnetje, heel theoretisch, heel hypothetisch:

– Stel je eens voor dat Roos morgen thuiskomt en zegt: “Ach, dat GroenLinks vind ik eigenlijk maar een veel te softe club. Ik word lid van de PVV.”

Ik staarde naar de lelijke lamp in het café waar we zaten, die spiegelde in de ruit waarachter het net donker begon te worden.

– Hm, begon ik vol zelfvertrouwen, want ik wist dat ik al wijs bevonden was. Hm, ik denk dat ik daar toch wel heel ruim in ben. Ik zou denken “Zo, dus daar moet jij iets mee. Experimenteer maar raak, ik ben benieuwd waar het je brengt.”

– Ongeveer zoals mijn vader, toen ik hem vertelde dat ik lesbisch was. Zo van: ga gerust je gang, na een poosje kom je er wel op terug. Dat houdt toch een diskwalificatie in.

Even was ik stil vanwege de confrontatie met mijzelf. Zij zag het en begon zich bijna te verontschuldigen voor het volstrekt hypothetische karakter van de stelling.

Wat ook weer niet nodig was, want een spiegel hoeft niet altijd vleiend te zijn. Zeker niet als degene die je hem voorhoudt weet hoe zij dat moet doen. Dan kan een spiegel wonderen verrichten: hij verdubbelt niet slechts de ruimte waarin je je bevindt, maar opent een heel nieuwe ruimte. Waar de wijsheid voor het grijpen ligt.

Een eerste gedachte: speelruimte geven aan je kind is niet hetzelfde als ruimte geven. Pas als het geen spel meer is, maar voor ’t echie, pas dan wordt er een beroep gedaan op de ruimte die je beschikbaar wilt stellen voor wat niet toch al in je eigen straatje te pas komt. Vervolgens de gedachte dat die ervaring werkelijkheid zou kunnen worden, zomaar. Wat is er dan opeens veel te leren! Veel meer dan waarvan mijn wijsheid tot nog toe droomde.

Op elk moment in je leven is er altijd nog minstens twee keer zoveel levensruimte.

Read Full Post »

Tranendal

*

Steen

Verdriet kit al mijn krachten samen,
zodat ik roerloos word als steen.
Mijn hele wezen wordt materie,
een ondoordringbaar star mysterie,
o sla de rots, opdat ik ween.

M.Vasalis

*

Een edelsteen, dit gedicht.

In alle eenvoud ligt hier het ongrijpbare van elke depressie voor het grijpen. Als een zwerfkei in het woestijnzand, wachtend op het wonder. Hoeveel keer heb ook ik deze verstening meegemaakt? Vele malen, en dat is genoeg. Genoeg om te weten dat niet het verdriet de oorzaak ervan is, maar juist het verzet daartegen. Een verzet dat zelf weer voortkomt uit vrees, de vrees dat het verdriet zo groot zal zijn dat de hele aarde weer woest en ledig zal worden.  Want zal er dan een God zijn die opnieuw een scheiding maakt tussen water en land?

Wanneer ik op dit moment mijn neergeslagen blik omhoog richt en probeer voorbij mijn eigen schaduw te kijken, dan zie ik daar meteen de discussie over depressie als maatschappelijke epidemie. De druk van de kosten van anti-depressiva op het budget van de zorgverzekeringen. De geluiden uit de anti-psychiatrie of de academische wereld die hier een sociaal in plaats van een persoonlijk probleem zien. Wat moet ik ervan zeggen? Hoe zou ik dat kunnen overzien?

Toch maar weer wat dichter bij huis, die blik. Goed, dan durf ik toch wel te zeggen dat het niet echt helpt, dat maakbaarheidsvertoog. Iedereen de auteur van zijn eigen geluk. Wee de ‘losers’! Ammehoela: verliezers zijn we allemaal, op z’n tijd. Alleen: wat is er gebeurd met de kunst van het verliezen? Waar kun je die meest elementaire levenskunst nog leren in een wereld die alleen het succes lijkt te eerbiedigen? Wat is dit voor een woestenij van obligate blijheid, die me doet verlangen naar een fris groen tranendal?

Of in ieder geval naar dat wonder van het water uit de rots.

Read Full Post »

Onder de hemel

Een tijd om stenen weg te werpen,
en een tijd om stenen bijeen te zamelen.

Prediker 3:5

Al heel vroeg in mijn leven was Prediker mijn favoriete bijbelboek. Een beetje vreemd wellicht, want het wordt algemeen beschouwd als het gemopper van iemand die door het leven langzaam van al zijn illusies beroofd is geraakt. Maar ik snapte het allemaal wel, meende ik. Was ik niet zelf enerzijds gezegend door het leven, omdat ik het al heel jong zonder de meest basale vanzelfsprekendheden moest stellen? En anderzijds belast met een onstilbare honger daarnaar, een nostalgie naar wat ik nooit heb gekend? Prediker bood daarin troost en uitzicht, want het ziet nog brood in een bestaan zonder illusies of idealen. Want cynisch is het allerminst. Integendeel: het laat zich lezen als een loflied op de menselijke ontoereikendheid.

Het citaat dat bovenaan dit blog prijkt, heeft voor mijn aan logica gehechte geest altijd als een krijtje op een schoolbord geklonken. Staat het niet op z’n kop? Of achterstevoren? Je moet toch eerst stenen hébben om ze te kunnen weggooien? Misschien is het gewoon een gegeven uit de landbouw: eerst werp je de stenen die je  het werk op de akker bemoeilijken weg en naderhand ontdek je pas dat je ze ook kunt gebruiken om een huis te bouwen. Of een banale levenservaring: op een bepaalde leeftijd verwerp je wat je aan wijsheden hebt meegekregen, om er in latere jaren weer naar terug te grijpen.

Hoe het ook zij, ik keer het gewoon om, teneinde mijn eigen doel te dienen. En dat is het beschrijven van de schoonheid die schuilt in het moment van leven dat mij nu omgeeft. Ik sta namelijk op het punt om scheep te gaan en thuis te komen in de toekomst. Elke reis, al is het een thuisreis, legt de reiziger beperkingen op. “Ik ga op reis en ik neem mee: …..” De grenzen van geheugen en valies komen in zicht. Het moment spreekt het vermogen om achter te laten aan. Er is nood aan de deugd van onthechting.

Voor iemand met mijn natuur niet makkelijk. Gelukkig hoeft een mens nooit alles ineens te doen of te kunnen. Het afstand doen van de meest wonderlijke verzamelingen en relikwieën was ooit een nuttige leerschool. En als in ieder mensenleven zijn er al vaker momenten geweest waarop de noodzaak zichzelf geestelijk lichter te maken zich aandiende.  Een van die momenten staat mij vandaag helder voor de geest:

We zaten in een kring en ik daagde degene die naast mij zat uit om eens wat te vertellen over hoe dat nou zat met zijn verhouding tot het christelijk geloof. Ik werd gedreven door een wonderlijk mengsel van oprechte belangstelling en een prangende behoefte om af te rekenen met mijn eigen pijnlijke geschiedenis op dat punt. Die behoefte bleek even overheersend als onrijp: ik werd overspoeld door alle tegenstrijdige emoties die mijn eigen wederwaardigheden ooit in mij gewekt hadden. Op een zeker moment hielden twee groepsgenoten mij een spiegel voor, waarin ik mijzelf duidelijk zag, staande in een wankel bootje met een enorme zwerfkei tegen mijn borst geklemd, als was het een schat die men mij zou willen ontstelen. “Laat toch gáán, die wrok,” was de boodschap. “Ik kan het niet!” mijn antwoord. Nee werkelijk, ik was bang dat de plons van die steen in het water groot genoeg zou zijn om de zondvloed opnieuw over de aarde te brengen.

Inmiddels is die steen verdwenen, opgelost in het niets, en met hem gaandeweg nog wel een paar. Gekoesterde wrok is een verzameling stenen, die je beter kwijt dan rijk bent. Achteraf bezien. En zo is er nog wel het een en ander. Wat te denken van alles wat je meent te weten?  “Ik weet dat ik niets weet,” geldt als de hoogste wijsheid. Maar wat weet die wijsheid van ’s mensen behoefte aan geestelijk houvast? Gelukkig is er de tijd. En zoals er een tijd was om kennis en wetenschap op te doen, zo komt er ook een tijd waarop al die overtuigingen een belemmering vormen, ballast. Een tijd om stenen weg te werpen. Wat is er verder nog? Wat kan je nog verliezen? Illusies en idealen. Goed, weg ermee! Maar dan? Wat staat er dan nog tussen jouzelf en de wanhoop, de verongelijktheid, de verbittering en vertwijfeling?

“IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid,” zegt de Prediker, maar zonder een spoor van bitterheid. In wat misschien wel de hoogst bereikbare aanvaarding van het menselijk tekort is, komt hij tot uitspraken als deze, leeftocht voor reizigers die scheep gaan met achterlating van alles wat te zwaar zou kunnen zijn:

Werp uw brood uit op het water,
want gij zult het vinden na vele dagen.

Prediker 11:1

Read Full Post »

Onbekommerd

*

Vanuit mijn raam zag ik een jongetje

onbekommerd spelen.

Voor het eerst in mijn leven dacht ik het, echt: “Ik wou dat ik een jongetje was.”

Heel even was ik hoogst verbaasd, tot ik besefte wat ik eigenlijk wilde:

onbekommerd zijn.

Read Full Post »

Ergens in de 80-er jaren, toen ik Latijn studeerde, stond er een enthousiaste docent voor de collegezaal, die – met een brede glimlach op z’n gezicht en de handen ineengeslagen voor zijn borst – sprak: “Als je aan deze faculteit Latijn studeert en niet van rhetorica houdt, dan kun je je net zo goed meteen gaan opknopen.” Waardeloze retoriek, maar dat ter zijde.

Vandaag moet ik aan hem denken omdat ik me, zowat 30 jaar na dato, realiseer dat ik nog steeds een gruwelijke hekel heb aan retoriek. Of die nu van rechts komt of van links, van populisten of van activisten, een goed doel dient of een kwaad doel: ik heb er een hekel aan. Nee, een gruwelijke hekel.

Maar ik denk er niet over om mij te gaan opknopen. Daar ben ik veel te genuanceerd voor. En ergens koester ik natuurlijk een diepe liefde voor retoriek.

Read Full Post »