Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for mei, 2013

Bezoards

29052013

Eerst dacht ik dat het koeien waren, zoals ze daar lagen in het gras op de hoek van de Minervalaan en de Gerrit van der Veenstraat. Verstoken van vorm, weliswaar, maar afgaand op hun algehele houding ontegenzeggelijk koeien. Glazen koeien, dat weer wel, maar je hebt tenslotte ook glazen ogen. Vervolgens sloeg de twijfel toe en zag ik er, ondanks kleur en tekening, een soort peulen in, die me deden denken aan The Invasion of the Bodysnatchers. Terwijl deze en nog meer associaties heerlijk door elkaar begonnen te lopen, bleef ik even stilstaan bij een wel zeer verleidelijke duiding: dit waren reuzenkoevlinders in het stadium van verpopping. Wat een geluk dat ik hier dagelijks langs kom en dus een gerede kans maak getuige te zijn van het moment dat zij hun vleugels uit zullen slaan!

Toen kwam het bordje op het paaltje en werd ik naar de werkelijkheid teruggefloten. Niet onmiddellijk, want ik lijdt aan HOLG (hyper ongeduldig leesgedrag) en las als titel Transistoren. Ha! Met deze apparaten worden dus allerlei golven en trillingen uit het heelal verzameld en opgeslagen! Ik voel het al bijna aan de grond onder mijn voeten, maar verlang vooral in zo’n ding te kunnen kruipen en te ondergaan wat het heelal ons te zeggen heeft. Dat het raadselachtig zal zijn staat voor mij reeds vast en maakt het makkelijker verteerbaar. Ik klop op een van de voorwerpen, aai er eens over, vlei mij er tegenaan en leg mijn oor te luisteren tegen het gladde oppervlak. Niets.

Gelukkig stond de naam van de maker boven de titel, die overigens bij nader inzien (nader inzien, een belangrijke levensstrategie voor elke HOLG-patiënt) Trashstones 559 560 561 bleek te luiden: Wilhelm Mundt, geboren in 1959. Het internet bracht als altijd verheldering, gelukkig zonder al te ontnuchterend te zijn. Wat zou het een domper zijn geweest als het onverhoopt ‘conceptuele kunst’ zou blijken te zijn! Dan waren mijn verwachtingen pas echt ontregeld. Maar nee, hier geen idee, geen flauwekulverhaal. Slechts een impuls, een besluit en vervolgens volharding en toewijding. (Oh, schoonheid van de monomanie!)

In 1989 schijnt Mundt zijn eerste Trashstone te hebben gemaakt. Omdat er – godlof – geen ‘idee’ aan ten grondslag ligt, hooguit verveling, krijgt het procedé de volle aandacht. Je ziet het voor je: de kunstenaar raapt aan het einde van een noeste werkdag de rotzooi van de vloer van zijn atelier en loopt om geen enkele reden nu eens niet naar de vuilnisbak, maar legt de rommel op een tafel en wikkelt er glasvezelmatjes omheen. Het eten mag vanavond vergeefs op hem wachten, want hij moet beslist nog wat polyester met verharder mengen en de pakketjes daarmee insmeren. Terwijl hij een eenzaam glas wijn drinkt, kijkt hij naar de lelijke en vormeloze voorwerpen op de tafel en nog altijd zonder een idee te hebben van waar dit toe zal leiden stapelt hij de nog plakkerige gevallen aan elkaar en wikkelt er een nieuwe laag glasfiber omheen. Nou vooruit, nog even afsmeren en dan naar huis.

De volgende dag durft hij zijn atelier bijna niet te betreden, maar zijn plichtsgetrouwheid schiet hem te hulp. Op de tafel ligt iets dat op een overreden hond lijkt. Volkomen ongevaarlijk, of toch niet? Even komt de neiging in hem op om het ding alsnog in het vuilnisvat te proppen, maar een andere impuls is sterker. Na wat al te scherpe uitsteeksels te hebben weg geraspt legt de kunstenaar er nog eens een laag glasfiber omheen, nu bijna liefdevol. Terwijl hij de verharder door de epoxyhars roert overvalt hem een besef: ik moet 1000 van deze voorwerpen maken en zij zullen Trashstones heten. (Oh, schoonheid van de monomanie!)

Voor zover ik weet heeft hij dat doel 24 jaar later nog lang niet gehaald, maar ik hoop wel dat hij doorzet. Ik word namelijk nog gelukkiger dan ik al was door te mogen weten dat de wereld ooit door 1000 Trashstones bevolkt zal zijn. God zal die wereld alleen al daarom sparen. En terwijl Mundt en ik – generatiegenoten – allang dood zijn, liggen daar die koeien, pompoenen, peulen, edelstenen, zwanger van geheimen en vergankelijkheid. Onze achterkleinkinderen zullen ze aaien, want zij zullen tot in lengte van dagen de magische kracht van ‘bezoards’ belichamen.

Advertenties

Read Full Post »

Humbug

23052013

Natuurlijk zijn niet alle werken die ArtZuid 2013 tentoonstelt evenzeer in staat mij in vervoering te brengen. Dat zou overigens ondraaglijk zijn. Nee, er is genoeg waar ik schouderophalend aan voorbij kan gaan. Dan is er zomaar een  beeld dat mij vertedert en weer een ander kriebelt me, zoals een geestige opmerking van iemand die ik toch al leuk vond. Soms wordt mijn nieuwsgierigheid geprikkeld en draai ik het ding in gedachten eindeloos om, totdat ik het terugzet zonder het te kunnen plaatsen, blij met mijn eigen onvermogen. Maar er zijn ook objecten die bedoeld lijken om mij de dampen aan te doen, en die vallen zonder uitzondering onder de noemer ‘conceptuele kunst’.

Conceptuele kunst (conceptual art) is een kunstvorm waarbij het idee ofwel het concept belangrijker is dan esthetische of materiaal-technische afwegingen.

Wikipedia

Meestal komt het hierop neer: je haalt een voorwerp uit zijn gebruikelijke omgeving en plaatst het in een context die het tot ‘kunst’ maakt. Vervolgens hang je er een kulverhaal naast en klaar is Kees. Sinds Marcel Duchamp in 1917 een urinoir als kunstwerk inzond voor een expositie zijn we doodgegooid met dit soort deprimerende overbodigheid. Aangezien dat voorwerp ‘in 2004 door een panel van 500 kunstkenners verkozen is tot invloedrijkste kunstwerk van de 20e eeuw’ zal het einde hiervan nog wel niet in zicht zijn.

Ook ArtZuid 2013 ontkomt er niet aan. Ergens langs de stoeprand van de Apollolaan staat een manshoge afgedankte buitenband van een of ander grondverzetvoertuig (geen tractor, als je het mij vraagt) met een paar staalkabels aan een ingegraven blok beton vastgemaakt. Om ruzie te voorkomen ga ik geen plaatje pikken, ik verklap slechts dat je het zeker vindt wanneer je googlet op titel en auteur. Hier is de begeleidende tekst:

Als beeldhouwer heeft Michel François zich de opdracht gegeven om vaststaande verwachtingen te ontregelen. Groot en klein, mooi en lelijk zijn tegenstellingen die op zich niets betekenen. Dat blijkt bijvoorbeeld bij de reusachtige tractorband die alle voorstellingen logenstraft die je in je hoofd hebt over zo’n band en die François ironisch heeft voorzien van de titel Pièce à Conviction (Bewijsstuk).

Dat er iets van deze strekking bij zou komen te staan wist ik al voordat het paaltje met plaquette er voor was geplaatst. Dit is namelijk geen kunst, maar een kunstje, veel te vaak vertoond bovendien. Een totaal versleten cliché, dat desondanks telkens weer voor herhaling vatbaar lijkt. Er wordt naar mijn idee geen enkele verwachting ontregeld, integendeel, en het enige bewijs dat Michel François levert is dat hij zelf geen betekenis weet te geven én geen bestaande betekenissen weet te ontkrachten. Dit gaat helemaal nergens over. Waarom trekt de kunstwereld hem dan de nieuwe kleren van de keizer aan?

Ik erger me nog het meest aan de geperverteerde elitevorming waar dit alles op lijkt te drijven. Daarom stap ik graag even uit de menigte en haal een herinnering op aan mijn Oom Wim, een eenvoudige arbeider, van wie een paar nogal cynische bon-mots in de orale familietraditie bewaard zijn gebleven. Ik citeer:

Kunst

Wat is ‘kunst’? Niks is kunst!

Een skeet op een plankie spoikere,
dát is een kunst.

Men neme een plankje, slaat er een (roestige/kromme) spijker in en hangt het (een ietsje scheef, maar wel op ooghoogte) aan de muur, met bovenstaand gedichtje ernaast, liefst rechtsonder (zodat je een beetje moet bukken om het te lezen). Voeg eventueel de ironische titel Humming Bug toe. Ziedaar een heus ‘concept’, door iedereen thuis tot ‘conceptuele kunst’ te maken. Eindeloos herhaalbaar.

Het is gratis, maar zet er wel even bij dat het van mijn Oom Wim komt.

Read Full Post »

22052013

Terwijl ik al probeer om drie ballen tegelijk (“Crisis, gelijkheid en broederschap”) in de lucht te houden, rukt de verleiding om nog een serie blogberichten op touw te zetten aan mijn rechter mouw. Hoe houd ik die verleiding koest? Ik denk dat ik eerstdaags een extra blokje favorieten aan de rechterkant van het scherm ga plaatsen om mooie initiatieven in de wachtrij van mijn aandacht te zetten. Maar voor eentje laat ik prompt alle drie mijn kaatsenballen op de grond vallen.

Vandaag is de opening van ArtZuid, beslist een van meest indrukwekkende initiatieven binnen mijn blikveld. Zonder dat ik het aan zag komen schoten de afgelopen weken een voor een de beeldhouwwerken uit de grond langs de weg die ik dagelijks fiets van huis naar werk en weer terug. Ik heb al eens eerder geschreven over de optillende kracht die uitgaat van sommige kunstwerken als zij zomaar in je leefomgeving binnendringen. Zo ook nu weer: toen ik het Beeld in tien delen van Leo de Vries voor het eerst zag staan in de schaduw van de lindebomen langs de Apollolaan, wilde mijn hele lichaam zingen en springen. Uiteindelijk was een gefluisterd “Ooh, wat mooi!” het enige wat ik wist uit te brengen.

Het was niets minder dan een religieuze ervaring en die bleek zich moeiteloos te kunnen herhalen, telkens als ik er weer langs fietste. Er zit een beweeglijkheid in die massa steen die ik nog geen minuut op mijn netvlies gevangen kan houden, dus kijk ik geen tweede keer naar hetzelfde beeld. Vooral toen ik voor het eerst de regen langs de ruggen van de figuren zag lopen, waardoor ze gedeeltelijk van kleur veranderden, was dat een openbaring die de eerste ontmoeting evenaarde. Ruggen, zeg ik dat? Maar wat zijn het of wat is het eigenlijk, dat Beeld in tien delen? Gelukkig bleef dat in het begin geheel open (er stond nog geen bordje met uitleg naast), zodat ik er afwisselend mensen, goden, muziek en versteende vocalen in kon zien. Alsof ik weer kind was en naar de wolken keek.

Ik zal in de nabije toekomst zeker nog terugkomen bij ArtZuid, want er zijn meer kunstwerken die woorden in mij op woelen. Nu laat ik het hierbij en stap op mijn fiets, want vandaag heb ik avonddienst. Maar eerst laad ik mij op aan de beeldentuin onderweg. Het thema is dit jaar ‘engagement’, precies wat ik nodig heb om mij te helpen mij te verbinden met het lot van de mensen die vanavond mijn zorg behoeven.

Read Full Post »

18052013

Ruim vijftien jaar geleden woonde ik aan het Waterlooplein te Amsterdam. Tot de vaste punten in mijn dagbesteding hoorde een dagelijks half uurtje scharrelen of struinen. Tussen het moment dat de aardappels geschild en de groenten gewassen waren en het moment dat ik ze op het vuur zette, liep ik een ritueel rondje over de verlaten markt om te zien of er nog iets van mijn gading was bij wat de marktkooplui hadden achtergelaten.

Op een dag stond ik samen met een wat oudere dame te rommelen in een doos met serviesgoed. De overvloed was van zo’n aard dat rivaliteit niet aan de orde was en er veeleer een prettig gevoel van medeplichtigheid ontstond. Want voor iedereen die zich aan het straatjutten overgeeft is het toch een soort van guitly pleasure. “Weet je,” zei de vrouw naast mij, “Ik heb altijd drie keer plezier van wat ik hier vind. Als ik het vind, als ik het oppoets en in de kast zet, maar vooral als ik het weer weggooi.” “Dat heeft u daar eventjes raak geformuleerd,” antwoordde ik met een glimlach van herkenning. Je hebt sterke benen nodig om de weelde die schuilt in ‘wat de mensen zoal weg doen’ te kunnen dragen.

Met vallen en opstaan zijn de mijne sterk genoeg geworden om een verstokte scharrelmens door het leven te helpen. Ik neem niet langer elk naaikistje van elke overleden oma mee naar huis en als op een dag de verleiding toch te groot lijkt, ligt op de volgende straathoek gelukkig alweer een hoop huisvuil klaar om het netjes terug te leggen. Daar wacht het dan op mijn zwakkere broeders of zusters, en dat zijn er nogal wat. Morgensterren kun je ze niet meer noemen, want ze zijn al op de vooravond van de ophaaldag actief, vanaf een uur of half acht. Morsige mannetjes met fietstassen vol koper en lood, en vrouwen die me doen afvragen of ik niet mijn best moet doen om er iets slonziger uit te zien. Maar vooral Bulgaren in busjes.

Mijn kinderen zijn met die hebbelijkheid van mij opgegroeid en hebben er vaak van mee genoten: ik ga voorbij aan de uiterst behendige en zelfstandige locomotief Toenka en noem slechts Patou, de meer dan levensgrote knuffelhond, die na een jaar reeds zijn vulling begon te verliezen en daarom weer de straat op moest, al had hij volgens Roos “nog nooit iemand kwaad gedaan”. Ach, hoe leer je je kinderen dan nog dat niet alles geschikt is om mee naar huis te slepen? Ik probeerde dat zoals ik het andere ouders zag doen: zodra zij iets oprapen noem je het ‘bah!’ en neemt het ze uit handen. Maar vervolgens begint het steggelen, want argumenteren is net zoiets als poepen en plassen: dat doen kinderen geheel uit zichzelf, je hoeft ze alleen maar te leren het netjes te doen.

Zo liep ik op een ochtend met mijn jongste terug naar huis, nadat we haar zus naar school hadden gebracht. Het was woensdagochtend, ophaaldag in onze buurt. Terwijl ik in gedachten bezig was structuur aan te brengen in de rest van de dag, rukte Laura haar handje los uit de mijne en rende naar een vuilnishoop, waar onder een paar grauwe zakken een alleraardigst poppenbedje-zonder-bodem lag. “Bah nee, mee jau!” zei ze en zeulde het ding al achter zich aan. Daar had ik niet van terug. Samen hebben we er een nieuwe bodem in getimmerd – van wijnkistjeshout, ook op straat gevonden – en ik kan er veilig van uit gaan dat mijn kleinkinderen hun poppen met veel liefde in dat bedje te slapen zullen leggen.

Read Full Post »

16052013

*

Alle Menschen werden Brüder.

Friedrich von Schiller

*

Allemans vriend is niemands vriend.

Nederlands gezegde

*

Ik merkte het pas dagen later, dat ik zomaar – zonder het te willen – mijn eerste blogbericht over het thema ‘broederschap’ had geschreven. En als ik wat verder achterom kijk, blijkt dat ik er al veel vaker mee doende ben geweest. Hier bijvoorbeeld, en hier, hier, hier, hier, en vooral hier. Al snel wordt duidelijk waarom ik het er liever niet over heb en het vervolgens toch doe: ik heb met het thema altijd moeite gehad.

Eerst even over het woord zelf. Natuurlijk is het zo dat vrouwen als vanzelfsprekend inbegrepen zijn, zodra we het over broederschap hebben. Maar als je je probeert voor te stellen dat wij met ons allen besluiten om de komende twee, drie eeuwen uitsluitend van zusterschap te spreken, omdat de mannen daar als vanzelfsprekend bij horen, dan voel je meteen dat er iets niet klopt. Met ‘broederschap’ klopt er dus ook iets niet.

Als alternatief ligt ‘verbondenheid’ mij nog het meest na aan het hart. Solidariteit klinkt wat te politiek en ‘eendracht’, daar komt a priori weinig van terecht. Maar hoezeer ik er ook naar kan verlangen, naar die verbondenheid, ik hoor daarbij altijd adders schuifelen onder het gras. Ongeveer zoals Maxim Februari in een al wat oudere column mijmert, terwijl hij aan de rand van een “transcendente verjaardagspartij” gezeten gadeslaat hoe alle anderen zich verliezen in het zoeken naar verbinding.

En het gevaar is niet denkbeeldig dat een praktijk die begint met de verbinding van mensen, eindigt met de uitsluiting van mensen.

Ik zou het wel sterker willen stellen: volgens mij is het een natuurwet, dat solidariteit niet kan bestaan zonder uitsluiting. (Zie het gezegde hierboven.) Daar zullen we het mee moeten doen, tot alle mensen broeders zijn. Gelukkig leert men al doende. Gedurende de jaren dat ik mij ophield binnen emancipatiebewegingen heb ik eerst geleerd dat uitsluiting zo ongeveer de wortel van alle kwaad was. Dat vond ik zelf eigenlijk ook al. Later heb ik ondervonden dat de hypercorrecte inclusiviteit die daaruit voortvloeide zeker zo hinderlijk kon zijn. Ik ging me daarvan claustrofobisch en buitengesloten tegelijk voelen, in mijn eigen begrenzingen aangetast bovendien.

Ondertussen is mijn jongste dochter met haar schoolklas op zeilkamp. Daar zal zij ongetwijfeld leren hoe je moet ‘laveren’ om op koers te blijven. Met het metaforische gebruik van die term heeft zij al meer ervaring. Niet in de laatste plaats toen bekend werd dat de schoolleiding had besloten één van haar klasgenoten, een jongen met vrij ernstige gedragsproblemen, niet te laten deelnemen aan de werkweek. Terwijl onder de ouders een rel leek te ontstaan, waarbij de woorden solidariteit en uitsluiting niet van de lucht waren, bleek de klas in staat om deze beslissing niet noodzakelijkerwijs te zien als een conflict dat dwingt partij te kiezen. Wel hebben zij hun klasgenoot heel duidelijk laten weten dat zijn (nood)gedwongen afwezigheid bij dit gemeenschappelijke gebeuren niet wegneemt dat hij er gewoon bij hoort.

Van onze kinderen valt veel te leren.

Read Full Post »

09052013

Toen ik de beroemde pesto alla Genovese leerde kennen was het nog een deftig goedje. Het zat in piepkleine, prijzige potjes, vol peperdure ingrediënten: olijfolie (duur!), pijnboompitten (duur duur!), parmesaanse kaas (duur, duur, duur!) en vooral basilicum, het kruid dat over zichzelf zegt dat het aan koningen en koninginnen voorbehouden is. En ik vond het eerlijk gezegd niet eens zo lekker…..

Later – en nu nog – stond het gewoon in de schappen van AH en nog later – nu – is het crisis en zetten wij ons elitair-culinair geneuzel in een hoekje op de vliering. Droog bewaren, weggooien kan altijd nog. Bovendien, als ik nog even echt pedant mag doen: pesto is eigenlijk boerenkost. In wezen is het niets anders dan het ‘moretum’ van de Romeinen. Die aten het natuurlijk niet zelf, maar schreven er gedichten over en namen het op in hun landbouwencyclopedieën. Ik heb daar elders over geschreven.

Recent – vorige week nog – maak ik zelf weer pesto, of moet ik het moretum noemen? De basis is van een schitterende eenvoud: fijngestampte kruiden, olie, azijn, zout en kaas en/of noten. Als olie kies ik de olijfolie van Euroshopper, even maagdelijk als boers. Ik heb altijd wel een restje amandelen of walnoten (alles mag, behalve pinda’s) in huis en van de kaas bewaar ik het stukje dat tegen de korst aan zit voor dit soort gelegenheden. Parmesan en Grano Padano laat ik met liefde voor de laatste rijken liggen.

Dan de kruiden: ik neem een flinke handvol zevenblad en een bosje daslook. Wacht even! Die is toch officieel beschermd? Die mag je helemaal niet plukken. Stel je voor dat iedereen dat doet! (Hier raak ik aan mijn andere thema, gelijkheid, en roep ik bij deze graag op tot vertrouwen in de mensheid: wees niet bang dat iedereen dat doet. De meeste mensen zijn niet ‘zo’ en degenen die hun groente uit beemd en berm halen weten doorgaans heel goed hoe je moet oogsten zonder de plant uit te putten.) Daslook en zevenblad dus, zolang het nog jong en sappig is.

Tenslotte het onvergelijkelijke genoegen van het fijnstampen der benodigdheden. Geloof mij, een mens kan niet zonder vijzel. Een vijzel is een bezit voor het leven, sterker, ze zal je moeiteloos overleven. Een vijzel haalt de haast uit je bestaan en brengt liefde in je pesto. Dat zul je proeven, jij en je disgenoten, wanneer jullie een royale kwak door de dampende pasta op je bord roert. Of op een snee brood, feestelijk besmeerd: het is maar één keer crisis.

Read Full Post »

08052012

Even dacht ik dat hele gelijkheidsverlangen bij de moraalfilosofen, idealisten en utopisten in de schoot te kunnen schuiven. Maar afgezien van hoe het in mijzelf op kan spelen, zie ik het op zijn tijd in alle hoeken en gaten van onze westerse cultuur terug. In de mode die op straat voorbij loopt, op de akkers buiten de stad, bij de komkommers die in de supermarkt te koop liggen, in de protocollenzucht op mijn werk. Overal sijpelt het streven naar eenvormigheid  door. Niet alleen ten aanzien van onszelf: alles wat wij aanraken lijkt als vanzelf te vereenvormigen.

Even tussendoor: soms vraag ik mij af hoe het op dit punt in het pre-industriële tijdperk zat? Of in ander culturen zit? Wat was er eerder: al die verschillende kippen of al die volmaakt identieke eieren? Achter deze vragen heeft zich een zekere zorgelijkheid in mijn gemoed genesteld.

Daarom was ik zeer verheugd weer eens een tegengeluid te horen in Trouw van zaterdag 9 maart j.l., daarin stond een essay van Frits de Lange, hoogleraar ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit te Groningen. De Lange plaatst kanttekeningen bij de boodschap van managementgoeroe Stephen R. Covey, vooral vanwege het uitwaaieren van zijn visie naar andere levensterreinen. “Maar Covey wilde meer dan leidinggevenden in organisaties coachen. Hij wilde van elk mens een mini-manager maken, de leider van zijn eigen leven,” schrijft De Lange.

Zonder af te doen aan de sterke kanten van Covey’s streven, wijst de ethicus – met veel verwijzingen naar wijsgerige en christelijke ethische tradities – op de fundamentele onmogelijkheid de samenleving naar deze visie in te richten. “Als iedereen een leider is, wie is er dan nog volger?” merkt hij terecht op. Il faut de tout pour faire un monde. Verder wijst hij op het belang van aanpassen, zich voegen in het leven en op de noodzaak tegenslag en verlies een plaats in je leven te gunnen. Eenvormigheid of eenzijdigheid is ook binnen een en dezelfde persoon niet echt leefbaar. Tenslotte trekt De Lange een nog verstrekkender conclusie: “Moet niet elk pedagogisch ideaal dat op wil voeden tot een bepaald mensentype met argusogen worden bekeken?”

Natuurlijk is het een heel genoeglijke bezigheid om de mensen om je heen onder te verdelen in een beperkt aantal mensentypen. Twee: introverten en extraverten. Vier: sanguinici, melancholici, flegmatici en cholerici. Twaalf: daar helpt de dierenriem een handje. Zo wordt ieders decor een beetje stiller en dat geeft rust. Maar dan komt de neiging om het ene mensentype boven het andere te stellen of één boven alle andere. En vervolgens de wens om zelf tot het meest ideale type te behoren of zelfs om deze best of all possible worlds nog wat idealer te maken. Gelukkig zijn er mensen met argusogen.

Read Full Post »

Older Posts »