Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘mensen’ Category

 

Wat is het toch heilzaam om een vreemdeling in je huis te hebben! Ook als het geen berooide en getraumatiseerde vluchteling is. De mijne is een jonge Amerikaanse studente, die hier een programma in gender studies volgt. Tegelijkertijd wordt zij geacht een gedoseerde cultuurschok te ondergaan en daar zou ik een rol in moeten spelen. Hmm, dat valt niet mee: we lijken teveel op elkaar. Zij bewoont de academisch-feministische bubble, waar ik zo’n tien jaar geleden mijn thuis had, én we zijn allebei progressief joods met een soft spot voor de orthodoxie. Wat zij van mij kan leren, moet zij maar ergens vertellen; ik ga het nu hebben over iets wat ik van haar ga opsteken.

Gisteravond zaten we samen aan tafel en vroeg ze mij: “How was your day?” Ik moest even nadenken, want eigenlijk had ik alleen maar gewerkt en geslapen. Niets voor op mijn innerlijke Facebook tijdlijn. Met de nodige verontschuldigingen omkleed bekende ik, dat ik, thuisgekomen van een pittige ochtenddienst, even was gaan liggen en vervolgens m’n hele middag verslapen had. “Ah, I always love a good nap!” riep ze, en stopte een sappig brokje gegrilde zalm in haar mond. Ik zag mijn schuldgevoelens over verknoeide tijd lachend verdwijnen in een spiegel van genot. “Please say that again,” smeekte ik en legde haar uit dat ik zelf de neiging heb om mijn middagslaapjes te problematiseren.

“Mmm,” en daar ging weer een hapje zalm, “as a child I never napped. But when I went to high school, I became very good at napping.” Terwijl ik me verwonderde over haar gebruik van het werkwoord “to nap” als een echt werk-woord, voelde ik hoe een oud korstje calvinisme los gepulkt werd en zag ik het roze babyhuidje er al onder vandaan komen. Het zat niet alleen maar tegenover me, ik heb het ook in me!

Toen ik me later die avond ging verdiepen in een mogelijke verwantschap tussen ons ‘uiltje knappen‘ en haar ‘napping‘, kwam ik er achter dat ik niet alleen sta in mijn besmuikte houding tegenover het middagdutje:

Waar komt een uiltje knappen vandaan en wat betekent het?

Een uiltje knappen (vroeger ook: een uiltje vangen) betekent ‘even een (middag)dutje doen’.

De naslagwerken vermelden twee mogelijke herkomsten. Volgens de ene verklaring is met uiltje de vlindersoort uiltje bedoeld. Wie zegt even een uiltje te gaan knappen, beweert eigenlijk dat hij een vlindertje gaat vangen. De uitdrukking is een soort grappend eufemisme: iemand wil niet toegeven dat hij een dutje wil doen, maar doet net alsof hij even weggaat om een vlinder te vangen.

Volgens de tweede verklaring is met het uiltje in een uiltje knappen niet de vlinder, maar de vogel bedoeld. Uilen zijn nachtdieren en slapen dus overdag. Door de gedachte aan de overdag slapende uil kreeg uiltje de betekenis ‘dutje overdag’. Knappen betekent hier dan iets als ‘meepikken’. Dit knappen komt ook voor in de uitdrukkingen een misje knappen en een kerkje knappen. Wie dat doet, wandelt tijdens een kerkdienst de kerk in, luistert een tijdje met een half oor naar wat er gezegd wordt en voldoet zo aan de plicht van het kerkbezoek.

Er zijn nog meer schertsende uitdrukkingen die ‘een dutje doen’ betekenen: een Engelse brief schrijveneen Griekse brief schrijven en een brief aan de koning schrijven. Wie zo’n brief moet schrijven, moet daar echt even zijn aandacht bij houden. Het is dan niet vreemd dat hij zich even terugtrekt …

(van de website van het Genootschap Onze Taal)

Het zal onze volksaard wel zijn.

Nu is het leuke van zo’n vreemdeling tegenover me aan tafel, dat ik zelf eigenlijk ook een reis maak, zolang ik met haar optrek. Een paar maanden lang verplaatsen we ons samen, elk over onze eigen innerlijke weg. Ik stel me voor dat we onze knapzakken voortdurend in- en uitpakken, waarbij alle rommel waaruit onze karakters bestaan telkens anders geordend wordt. Calvinisme onderin, genot bovenop, vandaag. Als ik mijn hand ophoud, valt de dag er zomaar zongerijpt in.

 

 

Advertenties

Read Full Post »

Erop of eronder

 

Misschien moet ik mijn ‘grapje’ in het vorige bericht toch maar even uitleggen. Dan kan ik meteen iedereen geruststellen door te zeggen dat ik natuurlijk ook wel weet dat het allemaal niet zo simpel is met die genialiteit van mij en mijn rabbijnen. De aarde is rond: so what? Het is nodig dat te weten en er rekening mee te houden als je een raket in een baan om de aarde wilt brengen, maar volstrekt irrelevant als je je op de fiets verplaatst van Geuzenveld naar de Molukkenstraat. En zo is het ook met die microscoop: die heb je niet nodig om het bloed uit dat vlees te zien sijpelen. Godsdienst is geen wetenschap, en zolang je ze uit elkaar houdt, bijten ze elkaar niet.

In mijn ogen is alles wat wetenschap en religie ons aanbieden eigenlijk niets anders dan een scherm tussen onszelf en de oneindig complexe werkelijkheid, om ons te beschermen tegen de duizelingwekkende onmetelijkheden van onze eigen onwetendheid. Om te kunnen leven moet onze verbijstering worden getemperd tot verwondering en nieuwsgierigheid. Meestal zit daar een zekere mate van vrijblijvendheid in: zolang wij elkaar min of meer begrijpen, zitten we goed. De soms felle strijd tussen aanhangers van de evolutietheorie en hen die aan het scheppingsverhaal een groter waarachtigheid toekennen, lijkt dan ook een beetje overdreven. God schiep de mens: so what?

Maar wat als de opvattingen die we aan onze ‘schermen’ ontlenen een rol gaan spelen in de discussie over wat er allemaal mag of moet in een samenleving? Dan is het opeens niet meer zo simpel. Laten we dicht bij huis blijven: een paar jaar geleden woedde er een heftig debat door de hele samenleving, tot de Eerste Kamer er een domper op zette, door het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren tot een verbod op ritueel slachten nietig te verklaren. Dat het hierbij niet ging om een uitnodiging tot een gesprek om te komen tot een consensus over onze omgang met het welzijn van de dieren in dit land, bleek al snel. Religieuze groeperingen, ook degenen die niet direct nadeel zouden ondervinden van het verbod, voelden zich aangevallen. Terecht, denk ik, want al gauw ging het bij de voorstanders van het verbod allang niet meer om de dieren, maar om de achterlijkheid van hen die de rituele slacht praktizeren.

“Jaarlijks worden in ons land miljoenen dieren op middeleeuwse wijze geslacht,” riep Marianne Thieme.

“In een moderne democratische samenleving horen hoe dan ook praktijken niet thuis die tegen de goede zeden indruisen, wreed zijn en de mens onteren,” meende theoloog en jurist Uwe Arnhold.

Die “praktijken” worden door Arnhold in één klap uitgebreid naar eerwraak en besnijdenis. Anderen nemen de executie door steniging maar meteen mee in de discussie:

“Tientallen seconden tot minuten lijden voor een beest is middeleeuws en totaal overbodig. (…) Joden stenigen overspeligen niet meer en moslims begraven homo’s ook niet meer levend. Toch moet dat van de Thora en Koran. Dus of we gaan weer lekker stenigen en slachten met z’n allen, of we kappen met alle middeleeuwse gebruiken uit gedateerde boeken!” aldus Jorg van de Mierde in het Brabants Dagblad van 14 april 2011.

Daarom hangen we tegenwoordig onze kippen heel beschaafd ondersteboven aan een lopende band en halen ze door een waterbad, dat we stevig onder stroom hebben gezet, zodat ze tenminste verdoofd zijn, als ze in een tempo van 100 per minuut machinaal onthoofd worden.

Deze citaten heb ik geplukt uit een interessant artikel van historicus Bart Wallet, waarin hij enerzijds de invloed van ‘9/11’ en ‘de Fortuyn-revolte’ schetst, en anderzijds de rol van de wetenschap benoemt en ananlyseert. Laat ik hem wat uitgebreider citeren:

Het laatste, vierde argument – en niet het minste – vormde de wetenschap. Die vervulde in het debat een zelfstandige rol en werd door veel voor- en tegen- standers als een neutrale factor beschouwd (Gieskes 2011; Bouwmeester 2011; Goudsmit 2011). Zo werd uitgebreid gedebatteerd over hoe het lijden van dieren is te meten, hoeveel seconden of minuten eventueel lijden zou mogen duren en in hoeverre verdoofde slacht nu werkelijk beter was voor het dier dan onverdoofde slacht. De wetenschap kreeg steeds meer een beslissende rol toebedeeld, niet alleen omdat de Partij voor de Dieren in het wetsvoorstel uitgebreid naar evident geachte wetenschappelijke feiten wees, maar ook omdat de voorstanders van ritueel slachten met alternatieve wetenschappers kwamen en de resultaten van de PvdD probeerden te falsificeren [sic]. Thieme sprak over ‘harde bewijzen’ die de wetenschap leverde, terwijl de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdD, Karen Soeters, verwees naar ‘gezaghebbende wetenschappers’ (Soeters 2011a; Soeters 2011b). Een van die wetenschappers overigens, Jan A. Schulp, ergerde zich nogal aan het simplificerende gebruik dat er van de wetenschap werd gemaakt en concludeerde: ‘dat wetenschappelijke bewijsvoering niet eenvoudig is en zich niet gemakkelijk leent voor een in oneliners vervat beleid’ (Schulp 2011).

In dit debat was het net alsof de schermen voor onze ogen verkruimelden en we ons gingen gedragen als ruziënde kinderen, die in een huis zonder ouders zijn achtergelaten. We vochten, erop of eronder. Blijkbaar zijn we er nog niet aan toe om samen om de tafel te gaan zitten en het over dierenwelzijn te hebben. Als je het mij vraagt heeft de Eeuwige met zijn Tora ooit een heel bruikbare aanzet gegeven en zou het interessant zijn om eens met die bril naar het leven van onze plofkippen, kiloknallers en legbatterij hennen te kijken. Waar het erop aankomt wat wij ieder voor zich bereid zijn te betalen voor dierenwelzijn, staan we allemaal op de aarde en onder de zon, met een klont boter op ons hoofd.

 

Read Full Post »

 

In je eentje kun je geen Jood zijn, want met wie moet je het oneens zijn? Mij stelt dat niettemin voor een uitdaging: naast mijn op harmonie gerichte eerste natuur, moet ik een tweede natuur ontwikkelen, die lust beleeft aan pittige discussies. Nog niet zo lang geleden, tijdens een les over kasjroet (de joodse spijswetten), leek me dat aardig te lukken. Op een zeker moment raakten de gemoederen – het mijne incluis – zozeer verhit, dat ik de rabbijn bijna zag denken: “Mooi zo, ze worden al aardig joods!” Stemverheffing, ook in de lichaamstaal, en lekker door elkaar praten:  net als vroeger thuis bij ons aan tafel.

We keken gezamenlijk naar een aantal korte documentaires, met als titel De Koosjere Hamvraag,  die Jigal Krant een paar jaar geleden had gemaakt voor de Joodse Omroep. De grootste opwinding ontstond rond de kwestie van het zich “onthouden van bloed en het verstikte”. Over het wurgen of verdrinken van dieren hoefden we het niet te hebben, want dat doet tegenwoordig niemand meer. Het bloed, dáár ging het om. Over “de ziel van het vlees, die in het bloed is”, waren we het merkwaardig snel eens: dat paste in het wereldbeeld van onze voorouders en konden we veilig daar laten. Maar het bloed, dat in het (koosjere) vlees is, dát steeg ons naar het hoofd.

Kwispelend als een jonge hond sprong Jigal rond op de rijk gedekte tafel van het orthodoxe kasjroet, vertederend genoeg om een potje te kunnen breken. We zagen de praktijk van het poorsjen, weken en zouten van vlees bij slagerij Marcus en volgden Jigal naar het veterinair instituut van de Universiteit van Utrecht, waar een paar stukjes vlees op de proef gesteld zouden worden: was het bloed er écht uit? De microscoop kwam eraan te pas en een witgejaste deskundige wees ons netjes de rode bloedlichaampjes aan, die waren achtergebleven tussen de dwarsgestreepte spiercellen. Er was bovendien geen verschil te zien tussen koosjere en niet-koosjere plakjes vlees. Vervolgens kreeg de zwartgejaste Rabbijn Evers (ja, de zoon van Bloeme Evers uit het eervorige bericht) de glanzend afgedrukte foto’s van dit beeld voorgelegd. Wat nu?

Heel even zag ik de cognitieve dissonantie als de schaduw van een wolk over het beminnelijke gezicht van de rabbijn trekken. Hij mompelde zelfs iets over dat dit voor hem “moeilijk te accepteren” was en hij meende nog dat men het bloed (waar is de ziel?) er toch echt uit ziet sijpelen bij het zouten, maar alles wees erop dat hij zou moeten toegeven dat die jongeman hem te slim af was geweest. Maar wacht! Toen herpakte hij zich en zei, doelend op het volgens de rite behandelde vlees: “Maar volgens onze joodse traditie is het zo koosjer.” Wie heeft er gelijk?

Toen begon het te rommelen in onze gelederen. “Merkwaardig toch,” meende iemand ver weg rechts van mij, “dat die rabbijn zo’n nietszeggend en ontwijkend antwoord moet geven.” “Ik vond het juist een geniaal antwoord,” riposteerde ik. “Nou ja, hoezo?!” kaatste het van de andere kant, op verontwaardigde toon. “Hij praat als iemand die niet eens wil accepteren dat de aarde rond is.” Aah, een Galileï-Godwin! “Goed dat je die vergelijking maakt,” vond ik, en inmiddels had ik de smaak te pakken. “Tuurlijk is de aarde rond, maar dat betekent nog niet dat ze aan de andere kant van de wereld op hun kop staan.” (Waarom moet ik het er altijd bij zeggen, wanneer ik probeer een grapje te maken?)

Je kunt als mens uit één stuk heel goed in meerdere parallelle universa tegelijk leven en vanmorgen kwam ik er toevallig achter dat je niet eens een orthodoxe rabbijn hoeft te zijn om je van die doodsimpele genialiteit te bedienen. In een filmpje van het Levisson Instituut hoorde ik (de liberale) Rabbijn David Lilienthal de vraag of de Tora ons door God op de Sinaï is gegeven als volgt beantwoorden: “Het speelt zich af op verschillende niveau’s: als het een academische vraag is, kan je die vraag bevestigen noch ontkennen, maar als we tijdens Sjavoeot in sjoel staan, dan is het wél ons Verhaal.” Kortom: kijk even welke jas je aanhebt en zet een bijpassende bril op.

 

Read Full Post »

 

Terwijl premier Mark Rutte gisteren bij het Auschwitz-monument plechtig speechte over “het Grote Kwaad en de kleine goedheid“, was ik heel ergens anders, proberend een kleine goedheid te doen. God zegene ook die greep. Ondertussen vroeg ik me af wat precies de goede bedoelingen zijn van historicus Keith Lowe, die een boek van 560 bladzijden heeft geschreven over de psychologische en filosofische erfenis van de Tweede Wereldoorlog. In een interview in NRC waarschuwt hij ons voor wat volgens hem het Grote Gevaar is: de mythe van het slachtoffer. Hoe nieuw is dat?

Ik herinner me dat ik in 1985 als figurant – in een dubieuze rol! – mee speelde in de film In de Schaduw van de Overwinning. Vanaf die tijd ontstond de mode om goed en kwaad als onontwarbaar met elkaar verstrengeld te zien. Weg helden, weg monsters en weg slachtoffers. Ergens was ook ik een beetje opgelucht, want ik had me altijd wat ogenmakkelijk gevoeld bij het aanhoren van die jongensboekverhalen over het Nederlandse verzet in de jaren ’40-’45, zoals die op het calvinistische dorpje waar ik opgroeide rond 5 mei werden gedebiteerd.

Maar als ik nu deze Keith Lowe over de mythe van het slachtoffer hoor, bekruipt me een veel griezeliger gevoel van Unheimlichkeit. Misschien moet ik maar hopen dat hij het niet zo bedoelt. Misschien ligt het aan de interviewer. Of aan het ontbreken van het grote verband. Hoe kunnen anders dit soort insinuerende zinnen ontstaan?

Ze [de Holocaust-overlevenden] waren niet voor zichzelf opgekomen, iets dat de Joodse helden wél hadden gedaan door de Palestijnen te verjagen. (. . .) Toen Israël in 1982 Libanon binnenviel en falangisten in Palestijnse kampen in Beiroet aan het moorden sloegen, rechtvaardigde premier Menachem Begin  dit met een verwijzing naar het Duitse vernietigingskamp Treblinka. We zijn slachtoffers, en we zullen altijd slachtoffers blijven, tenzij we zelf het heft in handen nemen, zo redeneerde Begin. Om niet weer slachtoffer te worden, hebben we het recht om grof en bloedig geweld te gebruiken.”

Lowe lijkt bovendien te denken dat de Holocaust als genocide een uitvinding van de staat israël is:

De Holocaust was voortaan [na het Eichmann-proces] niet iets dat alleen de nieuwkomers was overkomen, maar alle Joden, de hele Israëlische natie.

En dat alle slachtoffers, “misschien met uitzondering van het kind dat naar Auschwitz werd afgevoerd, hoe weinig ook, zelf ook verantwoordelijkheid” dragen.

Vanmorgen zat ik tegenover zo’n slachtoffer. Voordat ik hem onder de douche hielp, vertelde hij me het verhaal van zijn wonderbaarlijke ontsnapping uit de “crêche” aan de Plantage Middenlaan, hij was toen een jaar of dertien. “Een dociel zootje waren we, destijds. Er werd gezegd dat ik me moest melden, anders zouden ze mijn zuster weghalen. Dus meldde ik me. En wat zo gek was: ik mocht daar gewoon in en uit lopen. Misschien was dat vanwege mijn vriendje, die zijn zus het met een Duitse officier had aangelegd. Op een dag was ik weggegaan naar de Hofmeijerstraat en ergens in de middag zou ik terug gaan, maar toen kwam ik iemand tegen, die me zei dat ik dat niet moest doen, omdat net de hele boel werd weggehaald. Dus ik ging naar mijn zus, die ons daarna hielp onderduiken. Zij in Limburg, ik in Overijssel. Ik stapte in de tram en legde 11 cent op het bord bij de conducteur. Die keek me strak aan en fluisterde: ‘Het kost tegenwoordig 14 cent.’ Hij had wel een idee, waarom ik dat niet wist. Die vrouw in Overijssel was een heel naar mens, maar ze heeft wel mijn leven gered.”

Dan gaat hij verder over zijn eigen verbijstering achteraf. “Er was vooral een grote onverschilligheid, maar er waren ook goeie mensen. En die hoorden daar niet bij!” In die laatste woorden ligt de grote emotie: hoe krijg je zo’n barst in je wereldbeeld weer heel? “Nooit,” is zijn antwoord, “dat kan je nooit verwerken.” Die onverschilligheid, die mis ik in de mythologie van Keith Lowe, en in de heldenverhalen van mijn dorp. De omkering ervan hoor ik in de ferme taal van Mark Rutte: “Anti-semitisme is iets dat niet alleen van de wet niet mag, maar ook van ons niet; wij met ons zeventien miljoen.” Als het ooit weer nodig is, laten er dan veel nare mensen zijn, met allemaal een beetje van die “kleine goedheid”.

Read Full Post »

Zitten als een kat

Met enige on-regelmaat kom ik bij hem over de vloer, om voor hem te zorgen. Alleen: hij laat niet graag voor zich zorgen. Onder de douche krijg ik hem niet, want hij is bang voor water. Soms mag ik zijn (droge) ogen druppelen, maar meestal niet: hij is bang om zijn ogen te openen. Hij is ook bang dat hij ze op een dag niet meer zal kunnen openen en dus de facto blind zal worden.  Doodstil zit hij op de rand van zijn bank, als een ei op een lepel in de hand van een kind: bang om te vallen. Maar hij is ook bang dat hij straks niet meer van die bank op zal kunnen staan. “Channa,” zegt hij, “ik ben zo bang.”

Als ik vraag waar hij nú bang voor is, is het De Dood. In de stilte die valt begint in mijn hoofd Jim Croce te zingen: “. . . ‘cause I’m tired of living, but I’m scared of dying . . .” Ik heb niet nog een vraag voor hem. Ik zit heel stil in mijn stoel, schuin tegenover hem en kijk naar hem. Hij niet naar mij. Na een poosje zegt hij: “Channa, ik ben blij dat u er bent. Ik word rustig als u er bent. Maar straks gaat u weg, en dan ben ik weer alleen.” Op dat moment begint een van ons een liedje te zingen en de ander zingt mee. Of, als hij hoofdpijn heeft, leg ik mijn hand op zijn hoofd en zwijg, totdat hij zegt: “Dank u wel, Channa.”

Wanneer ik ga krijg ik een handkus en toon ik mij vereerd. In al zijn ingehouden radeloosheid neemt hij de moeite om niet alleen maar op zichzelf en zijn eigen lijden betrokken te zijn. Zo is hij heel soms, heel even een charmeur: “U heeft de schoonheid van een kat.” Ik ga, en neem iets van hem mee, al weet ik niet of hij daardoor lichter is geworden, wat ik graag zou willen.

In de loop van de week krijg ik bezoek van mijn op één na jongste broer en heb ik met hem een bijzonder gesprek over de broer die tussen ons in stond, over wie ik het vaker heb gehad in mijn blogberichten. “Je kunt iemand die niet wil leven de wil om te leven niet geven,” zegt hij op zeker moment. In mijn gedachten zit ik, vijfendertig jaar geleden, op de vaste dinsdagavonden stil tegenover die andere broer, die daar zit, als een handgranaat in de hand van een kind: verlangend om te exploderen. Ik zit stil als een kat en kan niets doen, hoe graag ik het ook zou willen.

Op vrijdag, tijdens het lernen in sjoel,  stap ik in een ander verhaal. Mozes hoedt de kudde van zijn schoonvader achterin de woestijn en ziet opeens het brandende braambos. Zijn nieuwsgierigheid dwingt hem om dichterbij te komen, maar op zeker moment doet de Eeuwige hem in zijn schreden stilstaan: té dichtbij is niet wijs. Ik leer uit de midrasj dat het beeld van de brandende struik iets zegt over Gods aanwezigheid in het lijden van Zijn volk: het lijden verdwijnt niet, maar Hij is er wel. “Gaat dat ook op voor het lijden van mijn broer en van meneer M.?” vraag ik Hem in stilte.

Als dat zo is, dan is het ook goed dat ik daar zat – en zit – als een kat. Mijn oplossingsgerichtheid zit als een vlo op het puntje van mijn linkeroor: klaar om te kriebelen. Maar ik zit stil, zo mooi als ik kan.

Read Full Post »

#hetoo

 

*

Er zijn van die zinsneden die je maar één keer hoeft te horen en ze blijven je een leven lang bij. Deze komt van een therapeute, die ik een tijdlang heb bezocht, jaren geleden inmiddels: “. . . het mijnenveld van de volwassen seksualitieit . . .”. Vanwege de contekst kwamen deze woorden de laatste tijd weer bovendrijven, opgeroepen door de hype rondom #metoo. Een mijnenveld onder dichte mist. Overal knallen en veel verliezers. Misschien moest het zo gebeuren, maar ik zie de winst nog niet.

Natuurlijk voel ik het eerst en het meest mee met degenen die de moed hebben gehad om de openbaarheid te zoeken. Iedereen had ze kunnen vertellen dat niemand daar zonder kleerscheuren mee weg komt. De angst is verdwenen, maar de schaamte blijft, #metoo. Daarna komt, als altijd, de verwarring, breed gedeeld: #metoo? En dan de inflatie van het woord verkrachten: iedereen een beetje #metoo. Daarover zei Renate Rubinstein ooit: “Fysiek is iets anders, dat is overmacht, dat kan iedereen overkomen, net als vermoord of bestolen worden, maar ‘psychisch, sociaal en verbaal’ je laten verkrachten, daar moet je wel een ongewoon miserabel wezen voor zijn, en een vrouw hoef je er niet voor te zijn.”

Wat nieuw voor mij was – wat zijn de tijden veranderd! – waren de slachtoffers aan de andere kant. Zonder enige vorm van proces verloren mannen hun baan en de schade die is aangericht door eventuele losse flodders is in de dagen van het internet blijvender dan ooit. Verder zal het zo’n vaart niet lopen. Advocaten meldden dat strafzaken die zouden worden aangespannen weinig kans zouden maken. Een commentator in NRC verzuchtte dat ons rechtssysteem hier geen uitkomst brengt en even leek het alsof daarmee het #volksgericht gerechtvaardigd was.

En net terwijl ik denk dat hier misschien de kunst soelaas zou kunnen bieden, ontstaat er een nieuwe rel: de verkrachting van de zus van Anne Frank in het toneelstuk Achter het Huis van Ilja Leonhard Pfeiffer. Rel? Hoezo rel? Niks rel! Ik kan mij nog goed herinneren dat Frans Kellendonk heel weldenkend Nederland over zich heen kreeg, toen hij in Mystiek lichaam een onsympatieke Jood opvoerde. Geheel en al fictie, maar toch. Nu zet deze Pfeiffer een goed gedocumenteerd (vermoord in Neuengamme, 20 december 1944) slachtoffer van de sjoa, volstrekt ongemotiveerd door feiten, als verkrachter neer en . . . er kraait geen haan naar! Het Anne Frank Fonds in Basel heeft nog even een kort geding overwogen, maar ook zij kwamen al snel tot de conclusie dat ons rechtssysteem etc. usw..

Binnen de joodse gemeenschap is de verontwaardiging er wel, en terecht. Dit soort onbeschoftheden praat je niet goed uit naam van de Vrijheid van de Kunst. Ik ben dan ook onaangenaam verbaasd door de recensenten in Trouw (“De bewerking van Ilja Pfeiffer haalt het heilige van Anne Frank wat weg.”) en NRC (“Er zou zomaar een alledaags vuilbekkend pubermeisje kunnen schuilen achter de gepolijste stijl van haar dagboek.”). Achter de mist van dit soort vervagende taal zie ik een nieuw mijnenveld opdoemen. Wat zijn de tijden veranderd!

En dan de makers zelf: “Deze fictieve voorstelling zoekt de ambiguïteit en de ongemakkelijkheid van de onderlinge relaties van de slachtoffers, die in hun verhouding tot elkaar in een extreme situatie ook op een bepaalde manier daders kunnen worden.” Er is niet veel achterdocht voor nodig om te vermoeden dat Pfeiffer, de man die het woord ‘holocaustheuger’ heeft bedacht, een eigen agenda heeft, die gediend is bij het zaaien van dit soort verwarring en het devalueren van de termen die ertoe doen. We zijn aangekomen in een tijd, waarin men openlijk durft te zeggen dat het maar eens over moet zijn met dat slachtofferschap van de Joden. Maar zodra wij blijken “in extreme situaties” ook “daders te kunnen worden”, zijn er die het bestaan om te roepen dat we blijkbaar niets van de sjoa hebben geleerd. #Midden-Oosten #mijnenveld

Dat doet me denken aan één van mijn cliënten (92), die altijd zegt: “Mijn vader zei altijd, wees altijd eerlijk en denk erom dat je je goed gedraagt, want wij hebben het toch altijd gedaan.” Het heeft hem niet geholpen, dat goeie gedrag. #Auschwitz #hetoo

*

haters gonna hate

 

Read Full Post »

Ommekeer

 

Wat kan ik erover vertellen? Daar lag ik opeens, met koorts in bed en staarde op doktersbevel naar het plafond en dronk oneindig veel thee met gember en honing. “Het gaat wel weer over voordat je een jongetje wordt,” zouden de oude dames die ik normaal gesproken help met hun verzorging zeggen. Wat kon ik doen? Me realiseren dat machteloosheid niet mijn favoriete pose is? Mijn zonden overdenken?

Vooruit, dat dan maar. Daar was ik in mijn vakantie toch al aan begonnen. De onvrede over mijn werk was eindelijk zo groot geworden, dat ik er verandering in moest gaan brengen. Gelukkig waren de eerste stappen al gezet, dus ik lag daar niet geheel zonder richtinggevoel. Bovendien leefden we in de “ontzagwekkende dagen”, waarin het onze plicht is ons leven eens goed tegen het licht van Het Goede Leven te houden. Ik had al besloten dat ik me dit jaar niet nog eens extra zou bestraffen met schuldbewuste zieleroerselen, maar me op dat licht en de belofte van een goed leven zou richten.

De avonddienst van Rosj HaSjana (het joodse Nieuwjaar) had ik nog meegemaakt en daaruit had ik een welkome waarschuwing van onze rabbijn meegenomen. Zij was zich bewust van het averechtse effect dat al die teksten over “zonde” en “ommekeer” konden hebben op mensen die toevallig vanuit hun jeugd een negatief zelfbeeld met zich mee droegen. “Hen is het idee ingeprent dat ze ‘schuldig’ zijn aan van alles en nog wat, al was het maar omdat ze verantwoordelijk werden gemaakt voor van alles en nog wat en in die verantwoordelijkheid tekort schoten. Hoe kon het ook anders, als kind.” Tat tvam asi.

Een poos lang hield ik een boek omhoog, tussen mijzelf en het plafond. Daarin las ik het levensverhaal van Rabbi Israel Salanter, de grondlegger van de Mussar Beweging, een negentiende-eeuws joods ethisch réveil. Oog in oog met ’s mans eigenzinnige heiligheid en strenge discipline, maar vooral met zijn nadruk op zelfkritiek en het tenietdoen van eigenliefde, voelde ik weer even precies wat mijn rabbijn bedoelde met dat averechtse, verlammende effect. Zou het ook mogelijk zijn om de lat gewoon minder hoog te leggen? Of beter nog, me 180° om te draaien en ‘m heel ergens anders te hangen?

Zat van boek en plafond en van mijn eigen gedachtencirkels, besloot ik het beetje energie dat ik had eens te spenderen aan een kleine zoektocht naar muziek in mijn leven. Er was me namelijk, tijdens diezelfde avonddienst, iets intrigerends opgevallen. Terwijl onze chazzanit het Oenetanè Tokef  (Laat ons spreken over het Ontzagwekkende) voorzong, hoorde ik opeens Leonard Cohen meezingen.

 

 

 

Ja, wie roept hier eigenlijk? Overbekend, en toch altijd weer ontzagwekkend: dat besef van je eigen eindigheid. Door water? Door vuur? Door het zwaard? Door je eigen hand? Wat heb ik weer lopen dromen, lopen dwalen, het afgelopen jaar! Dat moet toch anders kunnen, en – zelfs al weet ik nog niet precies hoe – die gedachte montert me enorm op. Putte mijn rabbijn moed voor het nieuwe jaar uit het engelengeduld van glaskunstenaars Leopold en Rudolph Blaschka, ik haal de benodigde levenslust uit het overal opduiken van het woord “licht” in mijn innerlijk leven.

Zelfs in het negatief doet het zijn werk. YouTube schuift me vakkundig een volgend lied van Leonard Cohen toe: You want it darker. Vlak voor zijn dood uitgekomen, lijkt het haast alsof hijzelf het mij van gene zijde aanreikt.

 

 

Wat is dit eigenlijk? “You want it darker, we kill the flame.” Binnenste buiten gekeerd mystiek verlangen? Zelfhaat? Rebellie? Overgave? Uitdaging? Als een dobbelsteen laat ik alle mogelijkheden voor me uit rollen. Dan weet ik het: ik laat dat licht, dat overal opduikt, door dit negatief schijnen op een blanco jaar. Er verschijnt een soort vrijkaartje voor een goed leven, waarop staat dat ik mij het komende jaar maar eens moet gaan oefenen in gezonde eigenliefde. Leve het vlammetje.

*

 

Kumi ori! – Sta op en schitter!

Hineni! – Tot Uw dienst!

 

Read Full Post »

Older Posts »