Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘mensen’ Category

Nog even leven

 

De eerste werkweek na mijn vakantie was “best pittig”: qua uren ging ik ruim over mijn gebruikelijke bovengrens heen, want de avonden waren lang. Daarbij moest ik mijn weg zien te vinden in een buurt die ik niet kende en uitvinden hoe de hazen liepen bij een dertigtal cliënten, die ik nog nooit gezien had. Zij mij ook niet, maar in de meeste gevallen was het ijs snel gebroken. Terwijl ik de noodzakelijke handelingen verrichtte, opende ik mij als een schaal waar alles in past. Van de weeromstuit ging bij de mensen tegenover mij het lid van de kan en stroomden hun levensverhalen schuimend in die schaal.

Wat een levens! Wat een verhalen!

“Hoe lang bent u al blind?” – “Vanaf mijn negentiende. Mijn man sloeg me een keer op mijn gezicht, terwijl ik een zonnebril op had.” Zijn straf kwam, jaren later, van de kant van een broer van zijn tweede vrouw, die hem aan een zwaard reeg, zodat hij voor de rest van zijn leven halfzijdig verlamd was.

“Een foutje van het AMC!” moppert een levendige oude dame “met rare hobbies”. “Ze hebben mijn schildklier weggehaald, maar daarbij een zenuw geraakt. Toen heb ik zes dagen in coma gelegen en daarna kon ik niet meer praten.” Dankzij een ingenieus systeem met canules, die zij behendig in een gaatje onder haar strottenhoofd schuift, kan zij nu weer praten. Maar als zij per ongeluk in slaap valt met de verkeerde canule erin, dan is ze binnen twee uur dood.

Een op het eerste gezicht heldere mevrouw van 93, die me de tweede avond op het hart drukt dat zij liever “veel ijs en weinig soep” wil, laat zich door mij voor de nacht opsluiten achter drie rollluiken en vier sloten op de voordeur. In de rapportage lees ik dat zij desondanks om 2:00 uur de politie heeft gebeld, omdat er volgens haar mensen door het huis scharrelden.

Ruwe bolster, blanke pit, of in iedere geval een hele stoere man met een klein hartje. Als bouwvakker heeft hij een val van een steiger overleefd, van zeven hoog. Later heeft hij zeven TIA’s meegemaakt. Hij verontschuldigt zich over het feit dat hij zo schreeuwt. “Mijn eigen zoon ook: ik ben een keer met een motorzaag op ‘m afgestapt. Nou gaat je kop eraf, zei ik, en ik trok ‘m aan. De motor liep, zo’n zware motor, en ik stapte op ‘m af. Een blad van een meter zat erop, zo eentje om funderingen te slopen. Ik zeg, je kop gaat eraf! Als je ’t verdomt om te werken, dan gaat je kop eraf!”

Vanaf een laag bedje kijkt een lief gezicht met een wit ringbaardje, gedragen door scoliose schoudertjes, mij aan. Of ik beneden in de keuken de kippensoep, die zijn zoon heeft klaargezet, wil opwarmen. Ik dwaal per ongeluk door het huis, dat helemaal vol staat met klokken. Hoe was er plek voor een vrouw in het leven van deze verzamelaar?

Je zult maar 104 worden, doodmoe zijn en nog een goede eetlust hebben. Het motorische deel van je lijf doet bijna niets meer, maar je spijvertering en je bewustzijn gaan stug door. Dan moet je je met een tillift uit je stoel laten hijsen, door de lucht naar je bed zweven, daar neergelaten worden en al heen en weer rollend door twee vrolijk kwebbelende verzorgsters verschoond en omgekleed worden. Je hoort ze niet meer “welterusten, lieverd!” roepen, terwijl het licht uitgaat, want dan ben je al in slaap.

Of – en dat was voor mij persoonlijk schokkend – je bent pas 65 en je krijgt in juni van dit jaar te horen dat je kanker hebt. Op dinsdagavond lag hij me met wijdopen ogen aan te staren, terwijl ik hem op een nat washandje liet sabbelen. Niet meer in staat om zich te uiten. Ver weg. “Tot ziens,” zei ik beleefd, maar de volgende avond hoefde ik er niet meer naar toe. Hij was er al niet meer.

Ergens middenin een heel beschouwelijk gesprek met een mevrouw die ik nog vanuit een andere wijk kende, begin ik Let it be van de Beatles te zingen. “Mother Mary, weet je wie dat is?” vraagt ze en haalt een doosje met daarop een afbeelding van de Heilige Maagd tevoorschijn. Daarin bevindt zich een rozenkrans. “Die bid ik elke avond helemaal. Dat heb ik aan God beloofd, toen mijn dochter vermist was. Vier jaar lang is ze weg geweest, maar toen kwam ze terug. Mijn gebed was verhoord.” Die avond zal ze haar rozenkrans voor mij bidden, zegt ze bij het afscheid.

In dezelfde aanleunflat woont nog zo’n vrome katholieke vrouw, met net zo’n Brabants accent. Zij was 23 en moeder van drie dochters, toen ze in coma raakte en een bijna-dood ervaring had. “Ik was in een tunnel en alles was wit, heel erg wit. Maar ik kon nog niet gaan, want ik wilde mijn oudste dochter niet alleen laten. Dat was een zenuwenkind en de anderen waren niet lief voor haar.” Nu is haar dochter 71 en woont in Spanje, zelf ook weduwe. Ze bellen elkaar elke dag.

Hij is klein, veel kleiner dan ik – een Indonesische man. Voor hem hoeft het allemaal niet meer: 93 jaar is hij en vanwege een herseninfarct kan hij moeilijk lopen en vaak moeilijk op de juiste woorden komen. Zijn vrouw is schizofreen en sinds kort gedwongen opgenomen. Vanaf de computer zingt Roberta Flack: “. . . telling my whole life with his words . . .” Waar ging zijn leven over? Ik vraag het maar rechtuit, want ik ben nieuwsgierig en merk aan hem dat hij graag wil praten. “Mijn leven is mislukt,” begint hij en ik spartel al in zijn net. “U lacht erbij,” zeg ik, en zie hoe mijn eigen glimlach tegen de zijne in glanst. Onmiddellijk weet ik, dat ik niet gauw genoeg zal krijgen van die Democritus-lach van hem. Wijs? Sluw? Cynisch? Er op uit om te verleiden? Als het halve uur om is, weet ik meer van hem dan hij van mij, maar prijst hij mijn schoonheid én mijn intellect.
Zo wil hij nog wel even . . . .

Ziezo, de schaal was erg vol, de rest ging over de rand. Nu is hij weer leeg.

 

Advertenties

Read Full Post »

Vrijgevigheid

 

In de tijd dat in Amsterdam de diamantslijperijen op volle toeren draaiden en een groot deel van haar joodse bevolking van een goed inkomen voorzagen, was er een sjnorrer (= bedelaar, parasiet), die op vaste tijden de lange tafels af ging om de giften op te halen, waaruit zijn inkomen bestond. Iedereen wist het en legde voor die tijd een stuiver links van zijn schuurschijf, zodat de bedelaar er minder werk aan had en zij zelf niet van hun werk zouden worden gehouden. Op zekere dag had iemand in plaats van een stuiver een twee-en-een-halve centstuk neergelegd. Toen de goede man dat zag, tikte hij de gever op de schouder en zei: “Het kost vijf cent, hoor.”

Dit verhaal wordt nog wel eens aangehaald om aan te tonen hoe de joodse versie van liefdadigheid, die tsedaka (= gerechtigheid) genoemd wordt, het gevoel van eigenwaarde van de behoeftige intact laat. Misschien zou het ook een aanmoediging kunnen zijn voor het aanwenden van enige chotspe (= brutaliteit) bij het binnenhalen van geld ten behoeve van de gemeenschap. God zorgt goed voor ons, maar heeft daar wel uw bankrekening bij nodig.

In de aanloop naar de Hoge Feestdagen raakte ik langzaam maar zeker gepreöccupeerd door gedachten rond dit thema. Dat kwam natuurlijk vooral door een discussie over de juiste aanpak in de fondsenwerving, maar zeker ook doordat ik administratief betrokken was bij de inschrijvingen en betalingen voor deelname aan de diensten tijdens deze dagen. Alles was helder, maar toch waren er telkens vragen over geld. Controle was globaal gezien misschien overbodig, maar niettemin vielen er zo nu en dan discrepanties op tussen deelname en betaling. Zo was de afgelopen weken zomaar opeens het woord krenterig terug van weggeweest.

Het hield me bezig, dus ik sprak er met verschillende mensen in mijn omgeving over. Dat was verhelderend, want al snel bleek dat mensen het probleem – als dat er al was – heel verschillend benaderden, afhankelijk van de gevoelens waardoor men zich liet leiden. Zo ontdekte ik, dat bij mij het rechtvaardigheidsgevoel de overhand had. Haast ongemerkt was bij mij de ergernis erin geslopen over, ja, laat ik het toch maar de krenterigheid noemen, die sommige mensen aan de dag legden. Strikt genomen ging het hooguit om een procent of drie van de deelnemers, maar in mijn gemoed namen die uiteindelijk zevenennegentig procent van de ruimte in.

Pas op de Grote Verzoendag zelf viel er bij mij een kwartje: ik was als het ware een spiegelbeeld geworden van die wanbetalers. Mijn ergernis vulde hun terughoudendheid in het geven in alle gulheid aan. Maar hoe vrijgevig was ik zelf eigenlijk, als het voor mij blijkbaar geen optie was om niet of minder te geven? Gelukkig is Jom Kipoer een dag bij uitstek om je bekommernis op de Eeuwige te werpen (Psalm 55:23) en het klopt: Hij zal voor je zorgen. Mijn gevoel voor proportie is weer hersteld. Moge het in ieder geval tot de volgende Jom Kipoer mee gaan.

Read Full Post »

 

Een kennis van me, ondertussen dik in de negentig, die Kamp Vught, Auschwitz en Ravensbrück heeft overleefd, noemt zichzelf “een seizoenarbeider”. “Van januari to mei heb ik het er razend druk mee, daarna helemaal niet meer.” Als een van de weinigen die het nog na kunnen vertellen zet zij zich in om de geschiedenis van de Joden tijdens het Nazi-regime onder de aandacht te houden. Zittend in een rolstoel op de eerste rij, kransen leggend, maar vooral vertellend aan de schoolklassen die rond deze tijd van het jaar de kampen bezoeken.

Het is me opgevallen dat er dit jaar veel seizoenarbeiders bij zijn gekomen. Dan heb ik het vooral over de opleving van de aandacht voor het toenemend antisemitisme. Na de Je suis Mireille-hype in Frankrijk struikelde ik in mijn krant in haast elke column over het woord. En iedereen was er natuurlijk falikant tegen. In het begin werd ik er zowaar een beetje warm van: er bleken opeens overal bondgenoten aan mijn kant te staan. Na een poosje begon ik echter schaduwzijden te zien.

Als ik goed keek leken mijn bondgenoten niet zozeer gekant tegen het antisemitisme, maar tegen de mensen aan de kant waar het antisemitisme vandaan kwam. Ze hadden het steevast over het bestrijden van antisemitisme, maar vonden het uiten van afkeer en het wijzen met de vinger meestal voldoende. Anti-antisemitisme. Ook in onze eigen gelederen, zoals in de kolommen van het Nieuw Israelietisch Weekblad tiert het welig. Misschien heeft Rabbijn Lody van de Kamp wel een punt, als hij zegt dat sommigen van ons er een hobby van maken.

Een tijd lang heb ook ik gedacht dat het is zoals je het ziet en door mijn ogen viel het allemaal nogal mee, in ieder geval in mijn omgeving. De oude Marokkaanse meneer, die jaren geleden al (politiek gecorrigeerd) figureerde in een ander blogbericht, blijft lachen en ik zie hem peilen of hij mij niet kwetst, wanneer hij oppert dat ik mijn (door hem gefantaseerde) huis in Israël maar gauw terug moet geven aan de Palestijnen. Maar bij dat rare liedje in die show van Sanne Wallis de Vries trok het bloed toch wel onder mijn huid weg, vooral toen niemand onder de niet-Joden leek te zien wat hier aan de weldenkende oppervlakte kwam. Dit gebeurde niet in de achterbuurten van het internet, maar op een nette tevee-zender. Brrr!!

Het was een anti-anticlimax, want daarna bleek het seizoen al snel echt voorbij. Dit blogbericht is een nabrander. Meningen vormen zich bij mij te traag voor een Twitter-account en soms zelfs te traag voor een zo persoonlijk reflectief weblog als dit. Bovendien, sinds kort heb ik mijn handen meer dan vol aan het op een behoorlijk praktisch niveau draaiend houden van de gemeenschap waartoe ik mij beken. Een arbeid, waarvan ik hoop dat zij mij zal adelen. Vanaf die werkplek zie ik gelukkig andere arbeiders en die stemmen me hoopvol. Ik ga er een paar noemen.

In het Nieuw Israelietisch Weekblad lees ik over een conferentie over antisemitisme, waarin de obligate afkeuring wordt overgeslagen. Dat scheelt, want dan is de kans groter dat je in de buurt van een remedie komt. Natuurlijk liet men ook daar de spierballen rollen, maar ik richt me liever op de lichtpunten:

  • Geef meer positieve informatie, zoals over de bijdrage die Joden hebben geleverd aan de westerse samenleving.
  • Blijf een-op-een de dialoog aangaan en betrek daar ook bijvoorbeeld ouders en andere leiders van de gemeenschap bij.

Heel dicht bij zie ik een hardwerkende moeder van twee jonge kinderen aan de weg timmeren met zelf ontwikkelde manieren om dialoog te bevroderen:

Chantal Suissa is programmaleider bij Nieuw Wij, een online platform dat culturen, religies, levensbeschouwingen en individuele burgers met elkaar verbindt. Ze gaf cursussen op scholen, bij maatschappelijke instellingen en buurthuizen, maar ook aan geestelijk leiders als imams en rabbijnen. De methode ‘Effectief Nuanceren’ ontwikkelde ze in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken om docenten te helpen bij het voeren van moeilijke gesprekken. Eerder voerde ze het bekroonde project ‘Leer je buren kennen’ uit. Daarin bezochten honderden Amsterdamse scholieren de Liberaal Joodse Gemeente. Chantal is ook initiatiefnemer van Mo en Moos, een ontmoetingsproject tussen Joden en Moslims in Amsterdam. 

Google eens naar haar, of lees tenminste dit interview. Het seizoen is voorbij, maar het werk niet

 

Read Full Post »

 

Wat is het toch heilzaam om een vreemdeling in je huis te hebben! Ook als het geen berooide en getraumatiseerde vluchteling is. De mijne is een jonge Amerikaanse studente, die hier een programma in gender studies volgt. Tegelijkertijd wordt zij geacht een gedoseerde cultuurschok te ondergaan en daar zou ik een rol in moeten spelen. Hmm, dat valt niet mee: we lijken teveel op elkaar. Zij bewoont de academisch-feministische bubble, waar ik zo’n tien jaar geleden mijn thuis had, én we zijn allebei progressief joods met een soft spot voor de orthodoxie. Wat zij van mij kan leren, moet zij maar ergens vertellen; ik ga het nu hebben over iets wat ik van haar ga opsteken.

Gisteravond zaten we samen aan tafel en vroeg ze mij: “How was your day?” Ik moest even nadenken, want eigenlijk had ik alleen maar gewerkt en geslapen. Niets voor op mijn innerlijke Facebook tijdlijn. Met de nodige verontschuldigingen omkleed bekende ik, dat ik, thuisgekomen van een pittige ochtenddienst, even was gaan liggen en vervolgens m’n hele middag verslapen had. “Ah, I always love a good nap!” riep ze, en stopte een sappig brokje gegrilde zalm in haar mond. Ik zag mijn schuldgevoelens over verknoeide tijd lachend verdwijnen in een spiegel van genot. “Please say that again,” smeekte ik en legde haar uit dat ik zelf de neiging heb om mijn middagslaapjes te problematiseren.

“Mmm,” en daar ging weer een hapje zalm, “as a child I never napped. But when I went to high school, I became very good at napping.” Terwijl ik me verwonderde over haar gebruik van het werkwoord “to nap” als een echt werk-woord, voelde ik hoe een oud korstje calvinisme los gepulkt werd en zag ik het roze babyhuidje er al onder vandaan komen. Het zat niet alleen maar tegenover me, ik heb het ook in me!

Toen ik me later die avond ging verdiepen in een mogelijke verwantschap tussen ons ‘uiltje knappen‘ en haar ‘napping‘, kwam ik er achter dat ik niet alleen sta in mijn besmuikte houding tegenover het middagdutje:

Waar komt een uiltje knappen vandaan en wat betekent het?

Een uiltje knappen (vroeger ook: een uiltje vangen) betekent ‘even een (middag)dutje doen’.

De naslagwerken vermelden twee mogelijke herkomsten. Volgens de ene verklaring is met uiltje de vlindersoort uiltje bedoeld. Wie zegt even een uiltje te gaan knappen, beweert eigenlijk dat hij een vlindertje gaat vangen. De uitdrukking is een soort grappend eufemisme: iemand wil niet toegeven dat hij een dutje wil doen, maar doet net alsof hij even weggaat om een vlinder te vangen.

Volgens de tweede verklaring is met het uiltje in een uiltje knappen niet de vlinder, maar de vogel bedoeld. Uilen zijn nachtdieren en slapen dus overdag. Door de gedachte aan de overdag slapende uil kreeg uiltje de betekenis ‘dutje overdag’. Knappen betekent hier dan iets als ‘meepikken’. Dit knappen komt ook voor in de uitdrukkingen een misje knappen en een kerkje knappen. Wie dat doet, wandelt tijdens een kerkdienst de kerk in, luistert een tijdje met een half oor naar wat er gezegd wordt en voldoet zo aan de plicht van het kerkbezoek.

Er zijn nog meer schertsende uitdrukkingen die ‘een dutje doen’ betekenen: een Engelse brief schrijveneen Griekse brief schrijven en een brief aan de koning schrijven. Wie zo’n brief moet schrijven, moet daar echt even zijn aandacht bij houden. Het is dan niet vreemd dat hij zich even terugtrekt …

(van de website van het Genootschap Onze Taal)

Het zal onze volksaard wel zijn.

Nu is het leuke van zo’n vreemdeling tegenover me aan tafel, dat ik zelf eigenlijk ook een reis maak, zolang ik met haar optrek. Een paar maanden lang verplaatsen we ons samen, elk over onze eigen innerlijke weg. Ik stel me voor dat we onze knapzakken voortdurend in- en uitpakken, waarbij alle rommel waaruit onze karakters bestaan telkens anders geordend wordt. Calvinisme onderin, genot bovenop, vandaag. Als ik mijn hand ophoud, valt de dag er zomaar zongerijpt in.

 

 

Read Full Post »

Erop of eronder

 

Misschien moet ik mijn ‘grapje’ in het vorige bericht toch maar even uitleggen. Dan kan ik meteen iedereen geruststellen door te zeggen dat ik natuurlijk ook wel weet dat het allemaal niet zo simpel is met die genialiteit van mij en mijn rabbijnen. De aarde is rond: so what? Het is nodig dat te weten en er rekening mee te houden als je een raket in een baan om de aarde wilt brengen, maar volstrekt irrelevant als je je op de fiets verplaatst van Geuzenveld naar de Molukkenstraat. En zo is het ook met die microscoop: die heb je niet nodig om het bloed uit dat vlees te zien sijpelen. Godsdienst is geen wetenschap, en zolang je ze uit elkaar houdt, bijten ze elkaar niet.

In mijn ogen is alles wat wetenschap en religie ons aanbieden eigenlijk niets anders dan een scherm tussen onszelf en de oneindig complexe werkelijkheid, om ons te beschermen tegen de duizelingwekkende onmetelijkheden van onze eigen onwetendheid. Om te kunnen leven moet onze verbijstering worden getemperd tot verwondering en nieuwsgierigheid. Meestal zit daar een zekere mate van vrijblijvendheid in: zolang wij elkaar min of meer begrijpen, zitten we goed. De soms felle strijd tussen aanhangers van de evolutietheorie en hen die aan het scheppingsverhaal een groter waarachtigheid toekennen, lijkt dan ook een beetje overdreven. God schiep de mens: so what?

Maar wat als de opvattingen die we aan onze ‘schermen’ ontlenen een rol gaan spelen in de discussie over wat er allemaal mag of moet in een samenleving? Dan is het opeens niet meer zo simpel. Laten we dicht bij huis blijven: een paar jaar geleden woedde er een heftig debat door de hele samenleving, tot de Eerste Kamer er een domper op zette, door het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren tot een verbod op ritueel slachten nietig te verklaren. Dat het hierbij niet ging om een uitnodiging tot een gesprek om te komen tot een consensus over onze omgang met het welzijn van de dieren in dit land, bleek al snel. Religieuze groeperingen, ook degenen die niet direct nadeel zouden ondervinden van het verbod, voelden zich aangevallen. Terecht, denk ik, want al gauw ging het bij de voorstanders van het verbod allang niet meer om de dieren, maar om de achterlijkheid van hen die de rituele slacht praktizeren.

“Jaarlijks worden in ons land miljoenen dieren op middeleeuwse wijze geslacht,” riep Marianne Thieme.

“In een moderne democratische samenleving horen hoe dan ook praktijken niet thuis die tegen de goede zeden indruisen, wreed zijn en de mens onteren,” meende theoloog en jurist Uwe Arnhold.

Die “praktijken” worden door Arnhold in één klap uitgebreid naar eerwraak en besnijdenis. Anderen nemen de executie door steniging maar meteen mee in de discussie:

“Tientallen seconden tot minuten lijden voor een beest is middeleeuws en totaal overbodig. (…) Joden stenigen overspeligen niet meer en moslims begraven homo’s ook niet meer levend. Toch moet dat van de Thora en Koran. Dus of we gaan weer lekker stenigen en slachten met z’n allen, of we kappen met alle middeleeuwse gebruiken uit gedateerde boeken!” aldus Jorg van de Mierde in het Brabants Dagblad van 14 april 2011.

Daarom hangen we tegenwoordig onze kippen heel beschaafd ondersteboven aan een lopende band en halen ze door een waterbad, dat we stevig onder stroom hebben gezet, zodat ze tenminste verdoofd zijn, als ze in een tempo van 100 per minuut machinaal onthoofd worden.

Deze citaten heb ik geplukt uit een interessant artikel van historicus Bart Wallet, waarin hij enerzijds de invloed van ‘9/11’ en ‘de Fortuyn-revolte’ schetst, en anderzijds de rol van de wetenschap benoemt en ananlyseert. Laat ik hem wat uitgebreider citeren:

Het laatste, vierde argument – en niet het minste – vormde de wetenschap. Die vervulde in het debat een zelfstandige rol en werd door veel voor- en tegen- standers als een neutrale factor beschouwd (Gieskes 2011; Bouwmeester 2011; Goudsmit 2011). Zo werd uitgebreid gedebatteerd over hoe het lijden van dieren is te meten, hoeveel seconden of minuten eventueel lijden zou mogen duren en in hoeverre verdoofde slacht nu werkelijk beter was voor het dier dan onverdoofde slacht. De wetenschap kreeg steeds meer een beslissende rol toebedeeld, niet alleen omdat de Partij voor de Dieren in het wetsvoorstel uitgebreid naar evident geachte wetenschappelijke feiten wees, maar ook omdat de voorstanders van ritueel slachten met alternatieve wetenschappers kwamen en de resultaten van de PvdD probeerden te falsificeren [sic]. Thieme sprak over ‘harde bewijzen’ die de wetenschap leverde, terwijl de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdD, Karen Soeters, verwees naar ‘gezaghebbende wetenschappers’ (Soeters 2011a; Soeters 2011b). Een van die wetenschappers overigens, Jan A. Schulp, ergerde zich nogal aan het simplificerende gebruik dat er van de wetenschap werd gemaakt en concludeerde: ‘dat wetenschappelijke bewijsvoering niet eenvoudig is en zich niet gemakkelijk leent voor een in oneliners vervat beleid’ (Schulp 2011).

In dit debat was het net alsof de schermen voor onze ogen verkruimelden en we ons gingen gedragen als ruziënde kinderen, die in een huis zonder ouders zijn achtergelaten. We vochten, erop of eronder. Blijkbaar zijn we er nog niet aan toe om samen om de tafel te gaan zitten en het over dierenwelzijn te hebben. Als je het mij vraagt heeft de Eeuwige met zijn Tora ooit een heel bruikbare aanzet gegeven en zou het interessant zijn om eens met die bril naar het leven van onze plofkippen, kiloknallers en legbatterij hennen te kijken. Waar het erop aankomt wat wij ieder voor zich bereid zijn te betalen voor dierenwelzijn, staan we allemaal op de aarde en onder de zon, met een klont boter op ons hoofd.

 

Read Full Post »

 

In je eentje kun je geen Jood zijn, want met wie moet je het oneens zijn? Mij stelt dat niettemin voor een uitdaging: naast mijn op harmonie gerichte eerste natuur, moet ik een tweede natuur ontwikkelen, die lust beleeft aan pittige discussies. Nog niet zo lang geleden, tijdens een les over kasjroet (de joodse spijswetten), leek me dat aardig te lukken. Op een zeker moment raakten de gemoederen – het mijne incluis – zozeer verhit, dat ik de rabbijn bijna zag denken: “Mooi zo, ze worden al aardig joods!” Stemverheffing, ook in de lichaamstaal, en lekker door elkaar praten:  net als vroeger thuis bij ons aan tafel.

We keken gezamenlijk naar een aantal korte documentaires, met als titel De Koosjere Hamvraag,  die Jigal Krant een paar jaar geleden had gemaakt voor de Joodse Omroep. De grootste opwinding ontstond rond de kwestie van het zich “onthouden van bloed en het verstikte”. Over het wurgen of verdrinken van dieren hoefden we het niet te hebben, want dat doet tegenwoordig niemand meer. Het bloed, dáár ging het om. Over “de ziel van het vlees, die in het bloed is”, waren we het merkwaardig snel eens: dat paste in het wereldbeeld van onze voorouders en konden we veilig daar laten. Maar het bloed, dat in het (koosjere) vlees is, dát steeg ons naar het hoofd.

Kwispelend als een jonge hond sprong Jigal rond op de rijk gedekte tafel van het orthodoxe kasjroet, vertederend genoeg om een potje te kunnen breken. We zagen de praktijk van het poorsjen, weken en zouten van vlees bij slagerij Marcus en volgden Jigal naar het veterinair instituut van de Universiteit van Utrecht, waar een paar stukjes vlees op de proef gesteld zouden worden: was het bloed er écht uit? De microscoop kwam eraan te pas en een witgejaste deskundige wees ons netjes de rode bloedlichaampjes aan, die waren achtergebleven tussen de dwarsgestreepte spiercellen. Er was bovendien geen verschil te zien tussen koosjere en niet-koosjere plakjes vlees. Vervolgens kreeg de zwartgejaste Rabbijn Evers (ja, de zoon van Bloeme Evers uit het eervorige bericht) de glanzend afgedrukte foto’s van dit beeld voorgelegd. Wat nu?

Heel even zag ik de cognitieve dissonantie als de schaduw van een wolk over het beminnelijke gezicht van de rabbijn trekken. Hij mompelde zelfs iets over dat dit voor hem “moeilijk te accepteren” was en hij meende nog dat men het bloed (waar is de ziel?) er toch echt uit ziet sijpelen bij het zouten, maar alles wees erop dat hij zou moeten toegeven dat die jongeman hem te slim af was geweest. Maar wacht! Toen herpakte hij zich en zei, doelend op het volgens de rite behandelde vlees: “Maar volgens onze joodse traditie is het zo koosjer.” Wie heeft er gelijk?

Toen begon het te rommelen in onze gelederen. “Merkwaardig toch,” meende iemand ver weg rechts van mij, “dat die rabbijn zo’n nietszeggend en ontwijkend antwoord moet geven.” “Ik vond het juist een geniaal antwoord,” riposteerde ik. “Nou ja, hoezo?!” kaatste het van de andere kant, op verontwaardigde toon. “Hij praat als iemand die niet eens wil accepteren dat de aarde rond is.” Aah, een Galileï-Godwin! “Goed dat je die vergelijking maakt,” vond ik, en inmiddels had ik de smaak te pakken. “Tuurlijk is de aarde rond, maar dat betekent nog niet dat ze aan de andere kant van de wereld op hun kop staan.” (Waarom moet ik het er altijd bij zeggen, wanneer ik probeer een grapje te maken?)

Je kunt als mens uit één stuk heel goed in meerdere parallelle universa tegelijk leven en vanmorgen kwam ik er toevallig achter dat je niet eens een orthodoxe rabbijn hoeft te zijn om je van die doodsimpele genialiteit te bedienen. In een filmpje van het Levisson Instituut hoorde ik (de liberale) Rabbijn David Lilienthal de vraag of de Tora ons door God op de Sinaï is gegeven als volgt beantwoorden: “Het speelt zich af op verschillende niveau’s: als het een academische vraag is, kan je die vraag bevestigen noch ontkennen, maar als we tijdens Sjavoeot in sjoel staan, dan is het wél ons Verhaal.” Kortom: kijk even welke jas je aanhebt en zet een bijpassende bril op.

 

Read Full Post »

 

Terwijl premier Mark Rutte gisteren bij het Auschwitz-monument plechtig speechte over “het Grote Kwaad en de kleine goedheid“, was ik heel ergens anders, proberend een kleine goedheid te doen. God zegene ook die greep. Ondertussen vroeg ik me af wat precies de goede bedoelingen zijn van historicus Keith Lowe, die een boek van 560 bladzijden heeft geschreven over de psychologische en filosofische erfenis van de Tweede Wereldoorlog. In een interview in NRC waarschuwt hij ons voor wat volgens hem het Grote Gevaar is: de mythe van het slachtoffer. Hoe nieuw is dat?

Ik herinner me dat ik in 1985 als figurant – in een dubieuze rol! – mee speelde in de film In de Schaduw van de Overwinning. Vanaf die tijd ontstond de mode om goed en kwaad als onontwarbaar met elkaar verstrengeld te zien. Weg helden, weg monsters en weg slachtoffers. Ergens was ook ik een beetje opgelucht, want ik had me altijd wat ogenmakkelijk gevoeld bij het aanhoren van die jongensboekverhalen over het Nederlandse verzet in de jaren ’40-’45, zoals die op het calvinistische dorpje waar ik opgroeide rond 5 mei werden gedebiteerd.

Maar als ik nu deze Keith Lowe over de mythe van het slachtoffer hoor, bekruipt me een veel griezeliger gevoel van Unheimlichkeit. Misschien moet ik maar hopen dat hij het niet zo bedoelt. Misschien ligt het aan de interviewer. Of aan het ontbreken van het grote verband. Hoe kunnen anders dit soort insinuerende zinnen ontstaan?

Ze [de Holocaust-overlevenden] waren niet voor zichzelf opgekomen, iets dat de Joodse helden wél hadden gedaan door de Palestijnen te verjagen. (. . .) Toen Israël in 1982 Libanon binnenviel en falangisten in Palestijnse kampen in Beiroet aan het moorden sloegen, rechtvaardigde premier Menachem Begin  dit met een verwijzing naar het Duitse vernietigingskamp Treblinka. We zijn slachtoffers, en we zullen altijd slachtoffers blijven, tenzij we zelf het heft in handen nemen, zo redeneerde Begin. Om niet weer slachtoffer te worden, hebben we het recht om grof en bloedig geweld te gebruiken.”

Lowe lijkt bovendien te denken dat de Holocaust als genocide een uitvinding van de staat israël is:

De Holocaust was voortaan [na het Eichmann-proces] niet iets dat alleen de nieuwkomers was overkomen, maar alle Joden, de hele Israëlische natie.

En dat alle slachtoffers, “misschien met uitzondering van het kind dat naar Auschwitz werd afgevoerd, hoe weinig ook, zelf ook verantwoordelijkheid” dragen.

Vanmorgen zat ik tegenover zo’n slachtoffer. Voordat ik hem onder de douche hielp, vertelde hij me het verhaal van zijn wonderbaarlijke ontsnapping uit de “crêche” aan de Plantage Middenlaan, hij was toen een jaar of dertien. “Een dociel zootje waren we, destijds. Er werd gezegd dat ik me moest melden, anders zouden ze mijn zuster weghalen. Dus meldde ik me. En wat zo gek was: ik mocht daar gewoon in en uit lopen. Misschien was dat vanwege mijn vriendje, die zijn zus het met een Duitse officier had aangelegd. Op een dag was ik weggegaan naar de Hofmeijerstraat en ergens in de middag zou ik terug gaan, maar toen kwam ik iemand tegen, die me zei dat ik dat niet moest doen, omdat net de hele boel werd weggehaald. Dus ik ging naar mijn zus, die ons daarna hielp onderduiken. Zij in Limburg, ik in Overijssel. Ik stapte in de tram en legde 11 cent op het bord bij de conducteur. Die keek me strak aan en fluisterde: ‘Het kost tegenwoordig 14 cent.’ Hij had wel een idee, waarom ik dat niet wist. Die vrouw in Overijssel was een heel naar mens, maar ze heeft wel mijn leven gered.”

Dan gaat hij verder over zijn eigen verbijstering achteraf. “Er was vooral een grote onverschilligheid, maar er waren ook goeie mensen. En die hoorden daar niet bij!” In die laatste woorden ligt de grote emotie: hoe krijg je zo’n barst in je wereldbeeld weer heel? “Nooit,” is zijn antwoord, “dat kan je nooit verwerken.” Die onverschilligheid, die mis ik in de mythologie van Keith Lowe, en in de heldenverhalen van mijn dorp. De omkering ervan hoor ik in de ferme taal van Mark Rutte: “Anti-semitisme is iets dat niet alleen van de wet niet mag, maar ook van ons niet; wij met ons zeventien miljoen.” Als het ooit weer nodig is, laten er dan veel nare mensen zijn, met allemaal een beetje van die “kleine goedheid”.

Read Full Post »

Older Posts »