Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘mensen’ Category

Jerusalem


Het leek die dag wel een zomerse zondagmiddag  op de Veluwe, in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Een bijna autoloze zondag. Toch was het gewoon maandag, maar heel Israël vierde de achtste dag van Soekot (het Loofhuttenfeest). Bijna geen verkeer, nergens een winkel open en zelfs nauwelijks recreanten in het verwaarloosde herbebossingsgebied, waar we een voorverpakte sandwich, gekocht bij een tankstation, opaten. Zelfs de vogels en de slangen lieten zich niet zien, toen we een dorre heuvel beklommen, op zoek naar een uitzichtpunt. Vredig voelde het allemaal niet. De Gaza-strook lag op een kleine veertig kilometer westelijk van ons. Misschien zat iedereen wel in de schuilkelders.

Niettemin kwamen we veilig aan in de moshav Bar Giora (daarover in een volgend bericht), waar het touwtje voor ons uit de brievenbus hing. Wat een paradijsje! En zo vlak bij Jerusalem. Ach, Jerusalem! begrijp me niet verkeerd: ik hou van je, maar opeens werd ik bang. Natuurlijk, bang voor de verkeersdrukte van een wereldstad. Zouden we wel een parkeerplekje vinden? Wat wilden we, toch al een beetje overvol van indrukken, daar eigenlijk zien? Maar vooral: zouden mijn emoties wel aan de verwachtingen voldoen? Zouden mijn tranen wel willen stromen, als ik eenmaal voor de Kotel (vulgo: de Klaagmuur) zou staan? Zou ik mijn liefde wel voelen?

Jerusalem (1936)

Ich liebe Dich;
Liebe Dich ohne Grenzen.
Ich segne Dich;
Segne Dein Urgestein.
(. . .)

(. . .)
Deine Mauern, Zinnen und Tore, Deine Bogengassen.
Dein Gestein und Deine weite wilde Wüste Jehuda:
Odem Deiner Geschichte.
Deine Riesenquadern:
Dein Blut!
Du Allgewaltig-Allerheiligste.

Du, Du.
Nur Du,
Jeruschalajim,
Du Heilige, SEINE Heilige, Urheilige meines Volkes,
Ha-Kedoscha!
Blut meines Volkes Du,
Jeruschalajim, Jeruschalajim,
Mein Heiliges:
DU!

Reuben Hecht

Toen ik eenmaal aan het rijden was, viel de vrees al snel van me af. Het beven hield op en tegen de tijd dat we pakweg een kilometer van de Oude Stad verwijderd waren, werd ik zelfs iets te chutzpadik naar de zin van Max, die doorgaans een stuk hoffelijker is dan ik. Het blik bleef echter heel en geheel krasvrij bereikten we een sjieke parkeergarage, die me een gevoel van enorme luxe gaf. Door een soort PC Hooftstraat liepen we regelrecht naar de Jaffa-poort, waarna we ons in het gewoel van pelgrims en toeristen stortten.

Of werden we erin gezogen, rondgepompt als bloedlichaampjes door de aderen van een oude godheid, gemaakt van nog oudere stenen? “Too much God,” schamperde Yaniv, mijn leraar Hebreeuws, wanneer hij het over Jerusalem had. Eerst zag ik vooral multiculturele en multireligieuze commercie: kruisen, iconen, talliet en keffiyeh gebroederlijk naast elkaar. Bij de Western Wall kwam er een militair tintje bij. Veel groen op straat. Toen ik er eenmaal vlak voor stond, helemaal alleen in het vrouwengedeelte, was er vooral rust, en de hitte van de zon. Ik pakte een beduimeld gebedenboek, zocht de juiste plek op en zei mijn tefille (het hoofdgebed). En dat was het dan. Geen grote gevoelens, alleen eenvoudige plichtsvervulling.

Daarna begaven we ons opnieuw in de drukte van de soeks en de steegjes. Over elkaar tuimelende indrukken, hitte, veel geluid en weinig ruimte, broeierigheid soms. Ik was blij dat Max al die tijd dicht in mijn buurt was. Zonder hem was ik innerlijk nog meer versnipperd geraakt dan ik al was. Behalve bloed leken er ook zenuwbanen door dat oude stadlichaam te lopen. Electrisch geladen voelde de lucht, vanwege de veelsoortige en tot hoogspanning opgezweepte religieuze energie van al die moslims, christenen, Joden. Op een pleintje voor de Heilige Graf-kerk, omstuwd door heel veel vrome vrouwen, stond ik even stil en keek omhoog naar de luidsprekers aan de minaret van de naburige Omar-moskee, vanwaar de muezzin opriep tot het middaggebed. Too much God, maar toch mooi dat het weer kan, sinds Israël het hier weer voor het zeggen heeft.

Middenin het joodse kwartier, aan de voet van de pas herbouwde Hurva-synagoge, vonden we een terrasje met heilig voedsel. Goed voedsel, en een jonge ober die “schoon van gedaante, en schoon van aangezicht” was, genoeg om een mens weer naar de aarde en het goede leven terug te voeren. Pas ’s avonds, terug in Bar Giora, kwam de grote ontroering, maar die was veel rijker geschakeerd dan men van een liefde voor Jerusalem zou mogen verwachten, meeromvattend ook. Jerusalem, 15 kilometer verderop in het donker, kreunend onder too much God, ik was en zal je niet vergeten. Maar het mooie van het Jodendom is voor mij tóch, dat het me alle gelegenheid biedt om dicht bij God te zijn, maar ook weer niet té dichtbij.

 

 

Advertenties

Read Full Post »

Gewoon Els

 

Vrienden kies je, familie niet. Maar hoe zit het met een vriendin, die je niet gekozen hebt, maar die jou koos? Gewoon zo. Zo van: “Wat wil je in je koffie?”, zonder eerst te vragen of je koffie wilt. Want natuurlijk wil je koffie. En natuurlijk wil je haar vriendinnetje zijn. Meestal schrik ik terug van zoveel overwicht, bang dat ik straks op de wip naar boven vlieg en niet meer op de grond kom. Maar ik had al “alleen melk” gezegd. Eigenlijk: “iem chalav, rak chalav“, want ze zou me helpen met mijn Ivriet.

Zo was onze vriendschap er gewoon, zonder te zijn ontstaan of zich te ontwikkelen. Ik bleef, altijd tot haar verbazing, tegenstribbelen tegen haar grenzeloze generositeit, terwijl ik mij warmde aan haar flamboyante persoonlijkheid. Ik genoot van haar aandoenlijke onbevangenheid, al was haar directheid soms wel ‘een uitdaging’ voor mijn tere ziel. Zij genoot er zichtbaar van om mij in haar jiddisjkat te laten delen, al hield ze tot het eind toe vol dat al mijn wensen mochten uitkomen, “alleen jij zelf niet, hoor!”

Zij was en bleef zo vanzelfsprekend zichzelf, dat ik mijn innerlijke aarzeling om me helemaal te geven als een tekortkoming van mijn kant ging zien. Dat bleek onterecht. Toen ik gisteren bij haar begrafenis de vele toespraken aanhoorde, kwam ik alle elementen van mijn ingewikkelde vriendschap met haar in die van de anderen tegen. Het viel me op dat er weinig of geen verschil was tussen de beleving van haar (door de oorlog weinig talrijke) familie en haar (zeer uitgebreide) vriendenschare, van wie velen haar al zestig jaar of langer kenden.

Het trof me dat meer dan één memoreerde dat Els graag kinderen gehad zou hebben en meteen herinnerde ik me de enige keer dat ik deze stoere, door niets en niemand te evenaren vrouw heb zien huilen: dat was toen ik het lied van Toeki Jossie voor haar zong. In stilte zong ik voor haar nog één keer over die arme papegaai, die kinderloos moest sterven. Had zij misschien haar vrienden tot familie gemaakt? Daar zat iets in, wat mij betreft, en misschien zag de verpleegkundige in het hospice, waar zij haar laatste twee weken doorbracht, dat ook wel, toen ze mij voor haar dochter hield.

Alles viel op z’n plek, toen ik de laatste woorden uit de speech van haar nichtje over het zwarte doek op haar kist hoorde rollen: “Je was altijd: gewoon Els!” Dat waren mijn eigen laatste woorden, toen ik haar een week geleden voor het laatst zag. Ik herinner me niets van de inhoud van de vriendschappelijke por tussen de ribben, die Els me gaf, tijdens wat misschien wel haar allerlaatste stoere, overmoedige moment was. Wel dat een vrijwilliger, die ook aan tafel zat, me spontaan in bescherming nam met een: “Nou, nou!” Ik lachte en zei: “Ach, dat is gewoon Els!”

Moge haar ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven.

 

Read Full Post »

Wij zijn één

 

Het is bijna vanzelfsprekend en misschien zelf wetenschappelijk te verklaren: aan de kust is Israël seculier, maar hoe verder je landinwaarts reist, hoe godsdienstiger het wordt. In Tel Aviv doet men vol overtuiging alles wat God verboden heeft, in Haïfa en Akkko lijkt godsdienst – net als bij ons – vooral een privé-aangelegenheid en in Achzivland vindt men de Allerhoogste misschien per ongeluk, als de wiet zijn werk goed doet. Het binnenland van Israël is een andere wereld. Over Jerusalem later, nu eerst Tzfat.

Om daar te komen moeten we een eindje richting Akko rijden, om vervolgens door het heuvelland oostwaarts op te klimmen. Het landschap oogt dor, ondanks de herbebossingsprojecten. Leeg ook: als hier werk was, zou er veel plaats voor immigranten zijn. Maar behalve hitte, droogte en steile hellingen heeft de omgeving van Tzfat niet veel te bieden. Als onze huurauto zich eindelijk naar 900 meter boven de zeespiegel heeft geworsteld, zien we de eerste huizen van het stadje. Tevergeefs zoeken onze ogen naar een charme om voor te vallen.

De oude stad lokt nog als een belofte. Daar waren immers ooit de uit Spanje verdreven Sefardiem neergestreken om er de Kaballa tot bloei te brengen en de meest gezaghebbende samenvatting van de joodse wetten te schrijven. Een plek van dergelijk belang moet toch de moeite van het bezoeken waard zijn? Na veel geploeter door rommelige wijken met smalle straten bereiken we de oudste kern en kijken elkaar lichtelijk gedesillusioneerd aan. Een handjevol smoezelige straatjes, waar de historische bouwsels na een lange periode van verval zijn bedolven onder een dikke laag quasi-religieuze koopwaar. Hier en daar herinneren plaquettes aan de muren nog aan de onafhankelijkheidsstrijd van 1948. Met een ander monumentje, zelf alweer aan de verwaarlozing prijsgegeven, wordt de weldoener geëerd, die het verarmde Tzfat tot een toeristische attractie heeft gemaakt.

Op een straathoek kopen we een bekertje vers geperst granaatappelsap. “Dan vind je god [sic],” appte mijn jonge (en niet zo religieuze) vriend Daniël behulpzaam. Het is de derde dag van Soekot, maar de plastic loofhutten die de restaurants voor hun gasten op de stoepen hebben gezet, kunnen mij niet tot het nakomen van mijn religieuze verplichtingen verleiden. We kiezen voor een seculier ogend terras om te lunchen en naar voorbijgangers te kijken. Tijd voor bespiegeling.

Wat Israël voor Joden tot een ‘thuis’ maakt, is dat joods-zijn daar een soort ‘default setting’ is. Even geen minority stress meer. Maar zelfs een buitenstaander ziet dat onder Israëlische Joden een enorme diversiteit heerst. Denk om te beginnen niet dat je het altijd aan iemand kunt zien of zij/hij joods is. Het joodse spectrum loopt er van volledig seculier, via cultuur-joods en traditioneel, naar orthodox en ultra-orthodox. Als liberaal behoor ik daar tot een verwaarloosbare minderheid en word ik door velen niet eens als joods erkend. In Tzfat behoren de meeste inwoners tot het orthodoxe uiteinde van de regenboog en we hadden al gezien dat daar de pot met goud niet staat.

Terwijl wij stukjes heerlijk vers brood in onze hummus dopen, trekt een stoet kinderrijke, en onmiskenbaar joodse, gezinnen aan ons voorbij. De mannen herkenbaar aan hun tzitzit (kwastjes) en de vrouwen aan hun scheitl (pruik) en lange rokken. De kinderen zijn meestal vrij casual gekleed – Hema, geen Bijenkorf – en het merendeel van de jongens draagt pijes (lange haarlokken aan de slapen). Omdat we de tijd nemen voor onze lunch, beginnen ons de verschillen op te vallen: men is duidelijk niet erg consequent in het zich aanmeten van deze kenmerken. Hier voel ook ik me een buitenstaander, want ik weet niets over hoe deze Joden dergelijke onderlinge verschillen waarderen. Gemoedelijk, vermoed ik wel, als ik zie hoe divers men binnen een gezin of vriendengroepje kan zijn.

Dat het joodse volk, ondanks al die verschillen, toch een eenheid blijft, is volgens velen meer aan de buitenwereld te danken dan aan onszelf. Met welk een knarsetanden dat gepaard kan gaan, zag ik afgelopen weekend weer eens in een tweet van de volledig seculiere Netanyahu naar aanleiding van de terreurdaad in Pittsburgh:

 

 

 

Waarom gebruikt hij tot tweemaal toe het woord “synagogue”? Omdat de Israëlische opperrabbijn David Lau dat heel opvallend niet had gedaan: de Tree of Life Synagogue behoort tot de Conservative gemeenschap in Amerika, en die wordt door het Israëlische opperrabbinaat niet erkend. Zo doe je dat dus, één zijn.

Read Full Post »

Nog even leven

 

De eerste werkweek na mijn vakantie was “best pittig”: qua uren ging ik ruim over mijn gebruikelijke bovengrens heen, want de avonden waren lang. Daarbij moest ik mijn weg zien te vinden in een buurt die ik niet kende en uitvinden hoe de hazen liepen bij een dertigtal cliënten, die ik nog nooit gezien had. Zij mij ook niet, maar in de meeste gevallen was het ijs snel gebroken. Terwijl ik de noodzakelijke handelingen verrichtte, opende ik mij als een schaal waar alles in past. Van de weeromstuit ging bij de mensen tegenover mij het lid van de kan en stroomden hun levensverhalen schuimend in die schaal.

Wat een levens! Wat een verhalen!

“Hoe lang bent u al blind?” – “Vanaf mijn negentiende. Mijn man sloeg me een keer op mijn gezicht, terwijl ik een zonnebril op had.” Zijn straf kwam, jaren later, van de kant van een broer van zijn tweede vrouw, die hem aan een zwaard reeg, zodat hij voor de rest van zijn leven halfzijdig verlamd was.

“Een foutje van het AMC!” moppert een levendige oude dame “met rare hobbies”. “Ze hebben mijn schildklier weggehaald, maar daarbij een zenuw geraakt. Toen heb ik zes dagen in coma gelegen en daarna kon ik niet meer praten.” Dankzij een ingenieus systeem met canules, die zij behendig in een gaatje onder haar strottenhoofd schuift, kan zij nu weer praten. Maar als zij per ongeluk in slaap valt met de verkeerde canule erin, dan is ze binnen twee uur dood.

Een op het eerste gezicht heldere mevrouw van 93, die me de tweede avond op het hart drukt dat zij liever “veel ijs en weinig soep” wil, laat zich door mij voor de nacht opsluiten achter drie rollluiken en vier sloten op de voordeur. In de rapportage lees ik dat zij desondanks om 2:00 uur de politie heeft gebeld, omdat er volgens haar mensen door het huis scharrelden.

Ruwe bolster, blanke pit, of in iedere geval een hele stoere man met een klein hartje. Als bouwvakker heeft hij een val van een steiger overleefd, van zeven hoog. Later heeft hij zeven TIA’s meegemaakt. Hij verontschuldigt zich over het feit dat hij zo schreeuwt. “Mijn eigen zoon ook: ik ben een keer met een motorzaag op ‘m afgestapt. Nou gaat je kop eraf, zei ik, en ik trok ‘m aan. De motor liep, zo’n zware motor, en ik stapte op ‘m af. Een blad van een meter zat erop, zo eentje om funderingen te slopen. Ik zeg, je kop gaat eraf! Als je ’t verdomt om te werken, dan gaat je kop eraf!”

Vanaf een laag bedje kijkt een lief gezicht met een wit ringbaardje, gedragen door scoliose schoudertjes, mij aan. Of ik beneden in de keuken de kippensoep, die zijn zoon heeft klaargezet, wil opwarmen. Ik dwaal per ongeluk door het huis, dat helemaal vol staat met klokken. Hoe was er plek voor een vrouw in het leven van deze verzamelaar?

Je zult maar 104 worden, doodmoe zijn en nog een goede eetlust hebben. Het motorische deel van je lijf doet bijna niets meer, maar je spijvertering en je bewustzijn gaan stug door. Dan moet je je met een tillift uit je stoel laten hijsen, door de lucht naar je bed zweven, daar neergelaten worden en al heen en weer rollend door twee vrolijk kwebbelende verzorgsters verschoond en omgekleed worden. Je hoort ze niet meer “welterusten, lieverd!” roepen, terwijl het licht uitgaat, want dan ben je al in slaap.

Of – en dat was voor mij persoonlijk schokkend – je bent pas 65 en je krijgt in juni van dit jaar te horen dat je kanker hebt. Op dinsdagavond lag hij me met wijdopen ogen aan te staren, terwijl ik hem op een nat washandje liet sabbelen. Niet meer in staat om zich te uiten. Ver weg. “Tot ziens,” zei ik beleefd, maar de volgende avond hoefde ik er niet meer naar toe. Hij was er al niet meer.

Ergens middenin een heel beschouwelijk gesprek met een mevrouw die ik nog vanuit een andere wijk kende, begin ik Let it be van de Beatles te zingen. “Mother Mary, weet je wie dat is?” vraagt ze en haalt een doosje met daarop een afbeelding van de Heilige Maagd tevoorschijn. Daarin bevindt zich een rozenkrans. “Die bid ik elke avond helemaal. Dat heb ik aan God beloofd, toen mijn dochter vermist was. Vier jaar lang is ze weg geweest, maar toen kwam ze terug. Mijn gebed was verhoord.” Die avond zal ze haar rozenkrans voor mij bidden, zegt ze bij het afscheid.

In dezelfde aanleunflat woont nog zo’n vrome katholieke vrouw, met net zo’n Brabants accent. Zij was 23 en moeder van drie dochters, toen ze in coma raakte en een bijna-dood ervaring had. “Ik was in een tunnel en alles was wit, heel erg wit. Maar ik kon nog niet gaan, want ik wilde mijn oudste dochter niet alleen laten. Dat was een zenuwenkind en de anderen waren niet lief voor haar.” Nu is haar dochter 71 en woont in Spanje, zelf ook weduwe. Ze bellen elkaar elke dag.

Hij is klein, veel kleiner dan ik – een Indonesische man. Voor hem hoeft het allemaal niet meer: 93 jaar is hij en vanwege een herseninfarct kan hij moeilijk lopen en vaak moeilijk op de juiste woorden komen. Zijn vrouw is schizofreen en sinds kort gedwongen opgenomen. Vanaf de computer zingt Roberta Flack: “. . . telling my whole life with his words . . .” Waar ging zijn leven over? Ik vraag het maar rechtuit, want ik ben nieuwsgierig en merk aan hem dat hij graag wil praten. “Mijn leven is mislukt,” begint hij en ik spartel al in zijn net. “U lacht erbij,” zeg ik, en zie hoe mijn eigen glimlach tegen de zijne in glanst. Onmiddellijk weet ik, dat ik niet gauw genoeg zal krijgen van die Democritus-lach van hem. Wijs? Sluw? Cynisch? Er op uit om te verleiden? Als het halve uur om is, weet ik meer van hem dan hij van mij, maar prijst hij mijn schoonheid én mijn intellect.
Zo wil hij nog wel even . . . .

Ziezo, de schaal was erg vol, de rest ging over de rand. Nu is hij weer leeg.

 

Read Full Post »

Vrijgevigheid

 

In de tijd dat in Amsterdam de diamantslijperijen op volle toeren draaiden en een groot deel van haar joodse bevolking van een goed inkomen voorzagen, was er een sjnorrer (= bedelaar, parasiet), die op vaste tijden de lange tafels af ging om de giften op te halen, waaruit zijn inkomen bestond. Iedereen wist het en legde voor die tijd een stuiver links van zijn schuurschijf, zodat de bedelaar er minder werk aan had en zij zelf niet van hun werk zouden worden gehouden. Op zekere dag had iemand in plaats van een stuiver een twee-en-een-halve centstuk neergelegd. Toen de goede man dat zag, tikte hij de gever op de schouder en zei: “Het kost vijf cent, hoor.”

Dit verhaal wordt nog wel eens aangehaald om aan te tonen hoe de joodse versie van liefdadigheid, die tsedaka (= gerechtigheid) genoemd wordt, het gevoel van eigenwaarde van de behoeftige intact laat. Misschien zou het ook een aanmoediging kunnen zijn voor het aanwenden van enige chotspe (= brutaliteit) bij het binnenhalen van geld ten behoeve van de gemeenschap. God zorgt goed voor ons, maar heeft daar wel uw bankrekening bij nodig.

In de aanloop naar de Hoge Feestdagen raakte ik langzaam maar zeker gepreöccupeerd door gedachten rond dit thema. Dat kwam natuurlijk vooral door een discussie over de juiste aanpak in de fondsenwerving, maar zeker ook doordat ik administratief betrokken was bij de inschrijvingen en betalingen voor deelname aan de diensten tijdens deze dagen. Alles was helder, maar toch waren er telkens vragen over geld. Controle was globaal gezien misschien overbodig, maar niettemin vielen er zo nu en dan discrepanties op tussen deelname en betaling. Zo was de afgelopen weken zomaar opeens het woord krenterig terug van weggeweest.

Het hield me bezig, dus ik sprak er met verschillende mensen in mijn omgeving over. Dat was verhelderend, want al snel bleek dat mensen het probleem – als dat er al was – heel verschillend benaderden, afhankelijk van de gevoelens waardoor men zich liet leiden. Zo ontdekte ik, dat bij mij het rechtvaardigheidsgevoel de overhand had. Haast ongemerkt was bij mij de ergernis erin geslopen over, ja, laat ik het toch maar de krenterigheid noemen, die sommige mensen aan de dag legden. Strikt genomen ging het hooguit om een procent of drie van de deelnemers, maar in mijn gemoed namen die uiteindelijk zevenennegentig procent van de ruimte in.

Pas op de Grote Verzoendag zelf viel er bij mij een kwartje: ik was als het ware een spiegelbeeld geworden van die wanbetalers. Mijn ergernis vulde hun terughoudendheid in het geven in alle gulheid aan. Maar hoe vrijgevig was ik zelf eigenlijk, als het voor mij blijkbaar geen optie was om niet of minder te geven? Gelukkig is Jom Kipoer een dag bij uitstek om je bekommernis op de Eeuwige te werpen (Psalm 55:23) en het klopt: Hij zal voor je zorgen. Mijn gevoel voor proportie is weer hersteld. Moge het in ieder geval tot de volgende Jom Kipoer mee gaan.

Read Full Post »

 

Een kennis van me, ondertussen dik in de negentig, die Kamp Vught, Auschwitz en Ravensbrück heeft overleefd, noemt zichzelf “een seizoenarbeider”. “Van januari to mei heb ik het er razend druk mee, daarna helemaal niet meer.” Als een van de weinigen die het nog na kunnen vertellen zet zij zich in om de geschiedenis van de Joden tijdens het Nazi-regime onder de aandacht te houden. Zittend in een rolstoel op de eerste rij, kransen leggend, maar vooral vertellend aan de schoolklassen die rond deze tijd van het jaar de kampen bezoeken.

Het is me opgevallen dat er dit jaar veel seizoenarbeiders bij zijn gekomen. Dan heb ik het vooral over de opleving van de aandacht voor het toenemend antisemitisme. Na de Je suis Mireille-hype in Frankrijk struikelde ik in mijn krant in haast elke column over het woord. En iedereen was er natuurlijk falikant tegen. In het begin werd ik er zowaar een beetje warm van: er bleken opeens overal bondgenoten aan mijn kant te staan. Na een poosje begon ik echter schaduwzijden te zien.

Als ik goed keek leken mijn bondgenoten niet zozeer gekant tegen het antisemitisme, maar tegen de mensen aan de kant waar het antisemitisme vandaan kwam. Ze hadden het steevast over het bestrijden van antisemitisme, maar vonden het uiten van afkeer en het wijzen met de vinger meestal voldoende. Anti-antisemitisme. Ook in onze eigen gelederen, zoals in de kolommen van het Nieuw Israelietisch Weekblad tiert het welig. Misschien heeft Rabbijn Lody van de Kamp wel een punt, als hij zegt dat sommigen van ons er een hobby van maken.

Een tijd lang heb ook ik gedacht dat het is zoals je het ziet en door mijn ogen viel het allemaal nogal mee, in ieder geval in mijn omgeving. De oude Marokkaanse meneer, die jaren geleden al (politiek gecorrigeerd) figureerde in een ander blogbericht, blijft lachen en ik zie hem peilen of hij mij niet kwetst, wanneer hij oppert dat ik mijn (door hem gefantaseerde) huis in Israël maar gauw terug moet geven aan de Palestijnen. Maar bij dat rare liedje in die show van Sanne Wallis de Vries trok het bloed toch wel onder mijn huid weg, vooral toen niemand onder de niet-Joden leek te zien wat hier aan de weldenkende oppervlakte kwam. Dit gebeurde niet in de achterbuurten van het internet, maar op een nette tevee-zender. Brrr!!

Het was een anti-anticlimax, want daarna bleek het seizoen al snel echt voorbij. Dit blogbericht is een nabrander. Meningen vormen zich bij mij te traag voor een Twitter-account en soms zelfs te traag voor een zo persoonlijk reflectief weblog als dit. Bovendien, sinds kort heb ik mijn handen meer dan vol aan het op een behoorlijk praktisch niveau draaiend houden van de gemeenschap waartoe ik mij beken. Een arbeid, waarvan ik hoop dat zij mij zal adelen. Vanaf die werkplek zie ik gelukkig andere arbeiders en die stemmen me hoopvol. Ik ga er een paar noemen.

In het Nieuw Israelietisch Weekblad lees ik over een conferentie over antisemitisme, waarin de obligate afkeuring wordt overgeslagen. Dat scheelt, want dan is de kans groter dat je in de buurt van een remedie komt. Natuurlijk liet men ook daar de spierballen rollen, maar ik richt me liever op de lichtpunten:

  • Geef meer positieve informatie, zoals over de bijdrage die Joden hebben geleverd aan de westerse samenleving.
  • Blijf een-op-een de dialoog aangaan en betrek daar ook bijvoorbeeld ouders en andere leiders van de gemeenschap bij.

Heel dicht bij zie ik een hardwerkende moeder van twee jonge kinderen aan de weg timmeren met zelf ontwikkelde manieren om dialoog te bevroderen:

Chantal Suissa is programmaleider bij Nieuw Wij, een online platform dat culturen, religies, levensbeschouwingen en individuele burgers met elkaar verbindt. Ze gaf cursussen op scholen, bij maatschappelijke instellingen en buurthuizen, maar ook aan geestelijk leiders als imams en rabbijnen. De methode ‘Effectief Nuanceren’ ontwikkelde ze in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken om docenten te helpen bij het voeren van moeilijke gesprekken. Eerder voerde ze het bekroonde project ‘Leer je buren kennen’ uit. Daarin bezochten honderden Amsterdamse scholieren de Liberaal Joodse Gemeente. Chantal is ook initiatiefnemer van Mo en Moos, een ontmoetingsproject tussen Joden en Moslims in Amsterdam. 

Google eens naar haar, of lees tenminste dit interview. Het seizoen is voorbij, maar het werk niet

 

Read Full Post »

 

Wat is het toch heilzaam om een vreemdeling in je huis te hebben! Ook als het geen berooide en getraumatiseerde vluchteling is. De mijne is een jonge Amerikaanse studente, die hier een programma in gender studies volgt. Tegelijkertijd wordt zij geacht een gedoseerde cultuurschok te ondergaan en daar zou ik een rol in moeten spelen. Hmm, dat valt niet mee: we lijken teveel op elkaar. Zij bewoont de academisch-feministische bubble, waar ik zo’n tien jaar geleden mijn thuis had, én we zijn allebei progressief joods met een soft spot voor de orthodoxie. Wat zij van mij kan leren, moet zij maar ergens vertellen; ik ga het nu hebben over iets wat ik van haar ga opsteken.

Gisteravond zaten we samen aan tafel en vroeg ze mij: “How was your day?” Ik moest even nadenken, want eigenlijk had ik alleen maar gewerkt en geslapen. Niets voor op mijn innerlijke Facebook tijdlijn. Met de nodige verontschuldigingen omkleed bekende ik, dat ik, thuisgekomen van een pittige ochtenddienst, even was gaan liggen en vervolgens m’n hele middag verslapen had. “Ah, I always love a good nap!” riep ze, en stopte een sappig brokje gegrilde zalm in haar mond. Ik zag mijn schuldgevoelens over verknoeide tijd lachend verdwijnen in een spiegel van genot. “Please say that again,” smeekte ik en legde haar uit dat ik zelf de neiging heb om mijn middagslaapjes te problematiseren.

“Mmm,” en daar ging weer een hapje zalm, “as a child I never napped. But when I went to high school, I became very good at napping.” Terwijl ik me verwonderde over haar gebruik van het werkwoord “to nap” als een echt werk-woord, voelde ik hoe een oud korstje calvinisme los gepulkt werd en zag ik het roze babyhuidje er al onder vandaan komen. Het zat niet alleen maar tegenover me, ik heb het ook in me!

Toen ik me later die avond ging verdiepen in een mogelijke verwantschap tussen ons ‘uiltje knappen‘ en haar ‘napping‘, kwam ik er achter dat ik niet alleen sta in mijn besmuikte houding tegenover het middagdutje:

Waar komt een uiltje knappen vandaan en wat betekent het?

Een uiltje knappen (vroeger ook: een uiltje vangen) betekent ‘even een (middag)dutje doen’.

De naslagwerken vermelden twee mogelijke herkomsten. Volgens de ene verklaring is met uiltje de vlindersoort uiltje bedoeld. Wie zegt even een uiltje te gaan knappen, beweert eigenlijk dat hij een vlindertje gaat vangen. De uitdrukking is een soort grappend eufemisme: iemand wil niet toegeven dat hij een dutje wil doen, maar doet net alsof hij even weggaat om een vlinder te vangen.

Volgens de tweede verklaring is met het uiltje in een uiltje knappen niet de vlinder, maar de vogel bedoeld. Uilen zijn nachtdieren en slapen dus overdag. Door de gedachte aan de overdag slapende uil kreeg uiltje de betekenis ‘dutje overdag’. Knappen betekent hier dan iets als ‘meepikken’. Dit knappen komt ook voor in de uitdrukkingen een misje knappen en een kerkje knappen. Wie dat doet, wandelt tijdens een kerkdienst de kerk in, luistert een tijdje met een half oor naar wat er gezegd wordt en voldoet zo aan de plicht van het kerkbezoek.

Er zijn nog meer schertsende uitdrukkingen die ‘een dutje doen’ betekenen: een Engelse brief schrijveneen Griekse brief schrijven en een brief aan de koning schrijven. Wie zo’n brief moet schrijven, moet daar echt even zijn aandacht bij houden. Het is dan niet vreemd dat hij zich even terugtrekt …

(van de website van het Genootschap Onze Taal)

Het zal onze volksaard wel zijn.

Nu is het leuke van zo’n vreemdeling tegenover me aan tafel, dat ik zelf eigenlijk ook een reis maak, zolang ik met haar optrek. Een paar maanden lang verplaatsen we ons samen, elk over onze eigen innerlijke weg. Ik stel me voor dat we onze knapzakken voortdurend in- en uitpakken, waarbij alle rommel waaruit onze karakters bestaan telkens anders geordend wordt. Calvinisme onderin, genot bovenop, vandaag. Als ik mijn hand ophoud, valt de dag er zomaar zongerijpt in.

 

 

Read Full Post »

Older Posts »