Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘mensen’ Category

 

Kom, laat ik me eens buiten mijn bubble begeven en naar de Dam gaan voor een “vredesmanifestatie”. Een van onze rabbijnen had daartoe opgeroepen. Manifestatie bleek een groot woord voor die paar honderd mensen die uiting wilden geven aan gevoelens van solidariteit met de getroffenen van de terreurdaad in Christchurch, Nieuw-Zeeland. Solidariteit, het blijkt altijd weer een raar goedje te zijn. Op podium en plein hadden zich uiteraard vooral weldenkende mensen verzameld, die “elkaar vasthielden” tegenover de dreiging van “extreem rechts”. Maar daar tussenin stond een heel ander clubje mensen, die ook solidair waren, getuige de wapperende Palestijnse vlaggen.

Op het moment dat opperrabbijn Binyomin Jacobs het woord nam, draaide het groepje activisten hem demonstratief de rug toe en hielden sommigen van hen in het Arabisch gestelde plakkaten omhoog, die waarschijnlijk “kritiek op de staat Israël” behelsden. Hun actie had geen zichtbaar effect op de menigte en de woorden van de sprekers leken hen niet te raken. “Wij laten ons niet tegen elkaar uitspelen,” zei onze burgemeester, Femke Halsema. Mij raakte het wel, om zo’n duidelijke blijk van jodenhaat van zo dichtbij mee te maken.

Wat bezielt deze mensen? Zijn de Palestijnen hier werkelijk bij gebaat? Ik moest onwillekeurig denken aan iets wat een mede-redactielid ooit zei over radicale activisten: “Meestal gaat het vooral om pus. Etter van een of ander oud zeer, dat eruit moet.” Politiek als therapie. Hoe heilzaam is dat?

Wat klinken op zo’n moment de idealen van het Humanistisch Verbond, verwoord door Boris van der Ham, paradijselijk:

 

Vrede begint met het fundamenteel respecteren van de mens.

En niet ‘de mens’ als een soort abstracte soortnaam;

Niet de mens als onderdeel van een groep of stroming;

Nee, gewoon de ene mens, een voor een, iedereen afzonderlijk.

De mens die tegenover je staat. Naast je zit. Om de hoek bij je woont. In je eigen huis, je man, je vrouw, je dochter of zoon.

Vrede komt door ieder het recht toe te kennen als uniek te worden gezien.

Hier staan verschillende vertegenwoordigers van godsdienstige stromingen, en ik als vertegenwoordiger van een niet-godsdienstige levensbeschouwing, het humanisme.

Wij zijn al heel verschillend.

Maar binnen onze verschillende stromingen is het zo mogelijk nog diverser.

Ieder mens heeft een eigen mengelmoes aan kenmerken, ideeën, opvattingen.

Ieder mens heeft standpunten of gedragingen waarin we bewust of onbewust een ander pad kiezen dan onze omgeving, onze ouders, de samenleving, de stroming of de abstracte groep waar je ‘zogenaamd’ toe behoort.

Een mens is geen abstractie, maar is levend, verandert, breekt, bouwt, groeit, valt, is uniek.

Dat is vrijheid, dat is menselijk, dat is vrede.

De enige echte gelijkenis die wij als mensen hebben, is dat we allemaal, stuk voor stuk, ongelijk zijn.

Dat maakt ons mens.

Maar wat is de brug tussen dat ideaal en de werkelijkheid lang en wiebelig.

 

Advertenties

Read Full Post »

Gechipt

 

“Mogen we apart betalen?” vroegen we in koor aan het meisje met het pin-apparaat. Natuurlijk mocht dat. We hadden zelfs de vrijheid om zelf de verdeling te maken. “Nee, u moet uw pasje daar in steken,” zei het meisje, “Deze werkt niet contactloos.” De jongeman met wie ik net aan de koffie had gezeten, zuchtte. Het was even net alsof hij moest nadenken over de vraag welke hand hij moest gebruiken voor het intoetsen van zijn pincode en welke voor het afschermen van de begerige blikken van – ja, van wie eigenlijk? “Ach,” zei ik, “wat schattig dat ik nog een keer ouderwets mag pinnen! Over twintig jaar zijn we gechipt en dan betalen we automatisch op het moment dat we door het poortje lopen.” Het leven als rekeningrijden.

Het is verbazingwekkend hoe één zo’n gedachtensprongetje plots een vergezicht kan openen waar je duizelig van wordt. Wat een mogelijkheden hebben we de laatste decennia aangeboord! Ik zie onmiddellijk voor me hoe AI (= kunstmatige intelligentie) voor ons bijhoudt wat we verdiend hebben (onze citizen score), welk risico de appelpunt (met of zonder slagroom?) voor onze gezondheid betekent en hoe zwaar hij op ons budget voor deze maand weegt. Misschien krijgen we hem wel niet eens, laat staan dat we ons door een ander kunnen laten trakteren.

Geen dappere nieuwe wereld, maar een veilige en gezonde en rechtvaardige. Weg met de uitvreters, de potverteerders! De tragedy of the commons is voorgoed verleden tijd. Het gaat niet langer over de pakkans bij fraude. Niemand krijgt ooit nog de kans om iets te nemen wat haar of hem niet rechtens toekomt. De kunstmatige intelligentie die we in het leven hebben geroepen is moraalridder en Prinzipienreiter in één. Zonder dat-ie het zelf in de gaten heeft. En nee, ik ga nu even niet de pret bederven door een oude midrasj uit de muizenissen van de rabbijnen op te diepen, waarin wordt verteld dat God het allebei allang geprobeerd heeft: een wereld maken met alleen rechtvaardigheid of eentje met alleen barmhartigheid.

Wat ik me wel, met angst en beven, afvraag: waar eindigt het, als AI ons niet meer toestaat onze kwade wil te gebruiken, maar zelf in zijn jeugd nog wel de nare trekken van de mensheid heeft geïnternaliseerd? Antisemitisme, homofobie, vrouwenhaat. Op een dag zit ik met een beduimelde Penguin pocket aan een tafeltje in het restaurant van het Stedelijk Museum en click een appelpunt aan, niet eens met slagroom, maar ik krijg ‘m niet. En ik weet niet eens of het komt doordat ik vrouw ben of joods. “Ach, wat schattig dat ik nog een keer ouderwets mag pinnen,” hoor ik mezelf zeggen. De rest van het verhaal speelde zich af in een split second, op een ontstoken plekje in mijn benarde brein.

Read Full Post »

 

Een van de moeders met wie ik twee decennia geleden vaak een bankje deelde, terwijl we wachtten tot onze kinderen de school uit kwamen, was rechter. Toen ik haar eens vroeg wat haar boeide aan haar werk, zei ze: „Rechtspleging is heel erg een ‘talig’ iets. Daardoor zit  er speling tussen de formulering van een wet en de toepassing ervan. In die ruimte heb ik de gelegenheid om iets goeds te doen.”

[Ik spoel snel een heel eind verder terug.] Op de middelbare school hadden we een docent maatschappijleer, die ooit een theologiestudie was begonnen, maar die niet had afgemaakt. Toen ik hem vroeg naar zijn beweegredenen bij die keuze, zei hij: „Ik kwam er al snel achter dat je aan De Bijbel als morele code niet veel hebt. Het leek wel een stuk elastiek. Iedereen trok eraan, je kon het oneindig oprekken.” Hij was marxist geworden.

[Nu weer fast forward naar de Nashville-drukte van een paar weken geleden.] Daar gaat het immers ook om de interpretatie van een wet? De Wet van de Eeuwige nog wel. In het oververhitte begin lijkt het alleen maar te gaan over een ja of een nee tegen die wet. Fijn, dan hebben we twee kampen. Na een paar weken komt Ewoud Sanders met de hoopgevende constatering dat de Nederlandse ondertekenaars tenminste de moeite hebben genomen hun versie van de verklaring te staven met bijbelteksten. Hij laat meteen zien hoe de elasticiteit van de Wet in Nashville werkt: wees selectief.

Zelf laat hij God, met behulp van wat logica, incest via het scheppingsverhaal goedkeuren. Vond hij de dochters van Lot misschien te schunnig om erbij te halen? Hun verhaal wordt toch zonder enig oordeel verteld. Sterker: via Ruth, de Moabitische overgrootmoeder van Koning David, die zelf ook haar erotisch kapitaal wist in te zetten om de familie van haar schoonmoeder niet te laten uitsterven, komt uiteindelijk Jezus ter wereld. Verder laat hij overtuigend zien hoe “die 46 referenties, zeker als je ze in hun context leest, een ruw beeld geven van seks in bijbelse tijden.” Per saldo blijft er een handjevol “inconsistente bepalingen” over, die “geen waarachtig goddelijk fundament” onder regelgeving voor ons seksleven kunnen leggen.

Afgelopen week kwam ik een aanstekelijke tekst tegen over hoe wij Joden de Wet interpreteren. Om te beginnen is het daarbij van belang te beseffen dat je de tekst van de Tora niet kunt gebruiken los van de ‘mondelinge Tora’, die vervat is in de tradities van het rabbijnse Jodendom, en die vandaag de dag voortleeft, overal waar Joden de Tora interpreteren. Langs die weg blijkt dat de doodstraf, die in de Tora herhaaldelijk door God wordt geëist, weliswaar nooit is afgeschaft, maar binnen het Jodendom ook nooit meer wordt uitgevoerd. Verder kun je de voorschriften (in het Hebreeuws halacha) nooit los zien van de verhalen (hagada en midrasj). Een voorbeeld: God geeft de Israëlieten op de berg Sinaï allerlei regels omtrent de slavernij. Houdt dat in dat God slavernij als instituut goedkeurt? Nee, want uit het verhaal waarin die wetgeving is ingebed, weten we dat God (uiteindelijk) onze vrijheid beoogt.

Een voorbeeld van hoe levend de oude verhalen uit de Tora kunnen zijn, hoorde ik in een korte preek, die een van onze leden onlangs gaf. Hij vertelde het verhaal van Jozef en de vrouw van Potifar na, met nadruk op de zinsnede: “Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?” Oppervlakkig gezien gaat dit natuurlijk om het verbod op overspel, of om loyaliteit jegens een goede werkgever. Maar voor wie weet dat Jozef in de episode van de “veelvervige rok” in het Hebreeuws een na’ara (=meisje) wordt genoemd, in plaats van een na’ar (=knaap), steekt hier iets heel anders achter. Jozef was homoseksueel, of wellicht transgender, in ieder geval queer genoeg om uit de toon te vallen onder zijn broers. Het siert de kopiïsten van de Tora, dat zij die ‘schrijffout’ 3000 jaar lang hebben gehandhaafd; ook de Masoreten plaatsen slechts een voetnoot: lees na’ar. Als Jozef dus zegt dat hij niet tegen God wil zondigen, dan is dat bijna synoniem aan “tegen zijn geaardheid”. Dat doe je hooguit vanwege het nageslacht, maar niet voor de lol, of iemand anders’ lol.

Ik vraag me af wat de mannenbroeders van zo’n interpretatie zouden vinden. Te elastiekerig? Ik ben bang van wel. De afstand is waarschijnlijk te groot. Maar misschien is er moed te putten uit de constatering van COC-voorzitter Astrid Oostenburg, ook in NRC, dat de relatie tussen kerken en COC door de commotie rond het Reformatorische pamflet is verbeterd. Er is nog veel goed te doen.

 

Read Full Post »

Worstelingen

 

“Daarom kan je je ook maar het best verre houden van die hele bliksemse boel,” zei de hoogleraar in ruste, terwijl hij opstond, nadat ik hem de ogen gedruppeld had. Heel even meende ik, dat ik een felle flits over zijn doorgaans zeer vriendelijke gelaat zag schieten. We hadden het over godsdienstigheid en atheïsme en over de onvrijheid die deze beiden vaak met zich mee brengen. In zijn achterhoofd speelde nog mee dat we ons gesprek waren begonnen bij de commotie, die de afgelopen week in de kolommen van alle kranten had gewoed, naar aanleiding van de ondertekening van de zogeheten Nasville-verklaring door een aantal Reformatorische predikanten en een enkele politicus. Met name onder de columnisten was er niemand die het er niet over had gehad.

Hoewel ik als godsdienstige lhbt-er langs twee kanten belanghebbende ben in deze kwestie, heb ik liever gewacht tot de storm wat ging liggen, voordat ik hier op mijn bescheiden plekje een bescheiden duit in het zakje ga doen. Wat niet betekent dat ik niet met wijdopen ogen heb gevolgd wat er allemaal geschreven werd. Daarbij viel me op dat de mensen die niet godsdienstig en niet seksueel anders geaard waren vaak juist het hoogste woord hadden. Youp, de man die ooit probeerde het woord “reetridder” salonfähig te maken, liet luide winden als “middeleeuwse Van der Staaijtjes” en “plukje fossielen” en “haatbaardjurken”, en dacht dat hij amicaal kon doen door met termen als “vette pot” en “tochtige vriendinnen” te smijten. Student Tristan Ober verlegde het probleem naar de stilte die op dit belangrijke moment in het anti-islam kamp leek te heersen. De anonieme commentator van NRC kopte: “Gereformeerden passen [sic] terughoudendheid en respect voor lhbtiq+”.

Net als bij de discussie over het verbieden van de rituele slacht, waar het al gauw niet meer om de dieren ging, ging dit gekrakeel grotendeels over de hoofden van de lhbt-ers heen. De Verlichting heeft geen eind aan de godsdiensttwisten gemaakt, maar is zelf een godsdienst geworden. Waar moet een mens naartoe, als hij zich verre wil  houden van “die hele bliksemse boel”? Gelukkig kwam ik één iemand tegen onder de columnisten, die door een samengaan van betrokkenheid en de juiste mate van distantie tot wijze, of in ieder geval voor mij troostrijke woorden kwam:

Hoe je het ook wendt  of keert: seks is een moeilijk onderwerp. Sekse is dat ook. Dat zal wel altijd zo blijven, en gelukkig maar. Alleen is rondom deze twee thema’s tegenwoordig zoveel in beweging dat open gesprek erover geen kwaad kan. Het zou mooi zijn als de verschillende partijen zich daarbij zouden uitspreken over hun eigen worstelingen en ongemak. En laten ze ophouden lhbti-mensen als speelbal te gebruiken om hun eigen morele superioriteit te bewijzen.

Maxim Februari in NRC, 8 januari 2019

Worstelingen kwam ik weliswaar ook tegen in mijn krant, maar helaas alleen die van een reformatorische homo-man en van enkele gereformeerden die wat genuanceerder dachten dan de ondertekenaars van de Nasville-verklaring en hun secularistische evenbeelden. Vooruit, laat ik eens wat over mijn eigen worstelingen vertellen.

In het dorp waar ik ben opgegroeid en dat onder Synodaal Gereformeerden gekscherend “Urk II” werd genoemd, woonden twee homo’s en dat waren twee van mijn broers. Ach, misschien was die morsige oude man, bij wie de keuken vol hing met centerfolds van jonge popmusici het ook wel, maar wist ik veel? Ik had een vaag gevoel dat er ook bij mij iets niet klopte, maar had niet het idee dat “open gesprek erover” mij wat dat betreft verder zou brengen. Toen ik na een half leven van verknochtheid en aanpassing aan een ideaalbeeld van mezelf en hoe ik me het leven voorstelde, het roer eindelijk omgooide, waren mijn twee broers al lang dood. Het dorp was ver weg, maar een zorgvuldig gekoesterde wrok jegens de christelijke theologie waarin ik was gedrenkt, droeg ik nog als een steen op mijn hart. Ook de herinnering aan de pijnlijke ongemakkelijkheid en het gebrek aan “open gesprek” bleef.

Ik vond een herberg in wat de lhbt-gemeenschap wordt genoemd, maar ik moet u bekennen dat ik me ook daar wel eens onbegrepen heb gevoeld: godsdienstigheid en “worstelingen” zijn niet echt bon ton binnen een emancipatiebeweging. Soms zelfs onveilig: de sfeer waarin langs academische weg een lans werd gebroken voor het verlenen van “sexual citizenship” voor pedofielen riep bij mij te pijnlijke herinneringen wakker. Daarom: het onderwerp zal wel moeilijk blijven en dat “open gesprek” ook. Zeker niet alleen binnen orthodox-religieuze bolwerken. Het ergste is altijd en overal de peer pressure onder jongeren, die zich geen raad weten met wat natuur en hormonen voor hen in petto blijken te hebben. Die zijn niet geholpen met stoere theologie, maar ook niet met een al te triomfantelijk libertinisme. Wel met verhalen over “eigen worstelingen”. It gets better, zeggen ze in Amerika, en ze delen verhalen met elkaar.

 

 

 

Read Full Post »

Jerusalem


Het leek die dag wel een zomerse zondagmiddag  op de Veluwe, in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Een bijna autoloze zondag. Toch was het gewoon maandag, maar heel Israël vierde de achtste dag van Soekot (het Loofhuttenfeest). Bijna geen verkeer, nergens een winkel open en zelfs nauwelijks recreanten in het verwaarloosde herbebossingsgebied, waar we een voorverpakte sandwich, gekocht bij een tankstation, opaten. Zelfs de vogels en de slangen lieten zich niet zien, toen we een dorre heuvel beklommen, op zoek naar een uitzichtpunt. Vredig voelde het allemaal niet. De Gaza-strook lag op een kleine veertig kilometer westelijk van ons. Misschien zat iedereen wel in de schuilkelders.

Niettemin kwamen we veilig aan in de moshav Bar Giora (daarover in een volgend bericht), waar het touwtje voor ons uit de brievenbus hing. Wat een paradijsje! En zo vlak bij Jerusalem. Ach, Jerusalem! begrijp me niet verkeerd: ik hou van je, maar opeens werd ik bang. Natuurlijk, bang voor de verkeersdrukte van een wereldstad. Zouden we wel een parkeerplekje vinden? Wat wilden we, toch al een beetje overvol van indrukken, daar eigenlijk zien? Maar vooral: zouden mijn emoties wel aan de verwachtingen voldoen? Zouden mijn tranen wel willen stromen, als ik eenmaal voor de Kotel (vulgo: de Klaagmuur) zou staan? Zou ik mijn liefde wel voelen?

Jerusalem (1936)

Ich liebe Dich;
Liebe Dich ohne Grenzen.
Ich segne Dich;
Segne Dein Urgestein.
(. . .)

(. . .)
Deine Mauern, Zinnen und Tore, Deine Bogengassen.
Dein Gestein und Deine weite wilde Wüste Jehuda:
Odem Deiner Geschichte.
Deine Riesenquadern:
Dein Blut!
Du Allgewaltig-Allerheiligste.

Du, Du.
Nur Du,
Jeruschalajim,
Du Heilige, SEINE Heilige, Urheilige meines Volkes,
Ha-Kedoscha!
Blut meines Volkes Du,
Jeruschalajim, Jeruschalajim,
Mein Heiliges:
DU!

Reuben Hecht

Toen ik eenmaal aan het rijden was, viel de vrees al snel van me af. Het beven hield op en tegen de tijd dat we pakweg een kilometer van de Oude Stad verwijderd waren, werd ik zelfs iets te chutzpadik naar de zin van Max, die doorgaans een stuk hoffelijker is dan ik. Het blik bleef echter heel en geheel krasvrij bereikten we een sjieke parkeergarage, die me een gevoel van enorme luxe gaf. Door een soort PC Hooftstraat liepen we regelrecht naar de Jaffa-poort, waarna we ons in het gewoel van pelgrims en toeristen stortten.

Of werden we erin gezogen, rondgepompt als bloedlichaampjes door de aderen van een oude godheid, gemaakt van nog oudere stenen? “Too much God,” schamperde Yaniv, mijn leraar Hebreeuws, wanneer hij het over Jerusalem had. Eerst zag ik vooral multiculturele en multireligieuze commercie: kruisen, iconen, talliet en keffiyeh gebroederlijk naast elkaar. Bij de Western Wall kwam er een militair tintje bij. Veel groen op straat. Toen ik er eenmaal vlak voor stond, helemaal alleen in het vrouwengedeelte, was er vooral rust, en de hitte van de zon. Ik pakte een beduimeld gebedenboek, zocht de juiste plek op en zei mijn tefille (het hoofdgebed). En dat was het dan. Geen grote gevoelens, alleen eenvoudige plichtsvervulling.

Daarna begaven we ons opnieuw in de drukte van de soeks en de steegjes. Over elkaar tuimelende indrukken, hitte, veel geluid en weinig ruimte, broeierigheid soms. Ik was blij dat Max al die tijd dicht in mijn buurt was. Zonder hem was ik innerlijk nog meer versnipperd geraakt dan ik al was. Behalve bloed leken er ook zenuwbanen door dat oude stadlichaam te lopen. Electrisch geladen voelde de lucht, vanwege de veelsoortige en tot hoogspanning opgezweepte religieuze energie van al die moslims, christenen, Joden. Op een pleintje voor de Heilige Graf-kerk, omstuwd door heel veel vrome vrouwen, stond ik even stil en keek omhoog naar de luidsprekers aan de minaret van de naburige Omar-moskee, vanwaar de muezzin opriep tot het middaggebed. Too much God, maar toch mooi dat het weer kan, sinds Israël het hier weer voor het zeggen heeft.

Middenin het joodse kwartier, aan de voet van de pas herbouwde Hurva-synagoge, vonden we een terrasje met heilig voedsel. Goed voedsel, en een jonge ober die “schoon van gedaante, en schoon van aangezicht” was, genoeg om een mens weer naar de aarde en het goede leven terug te voeren. Pas ’s avonds, terug in Bar Giora, kwam de grote ontroering, maar die was veel rijker geschakeerd dan men van een liefde voor Jerusalem zou mogen verwachten, meeromvattend ook. Jerusalem, 15 kilometer verderop in het donker, kreunend onder too much God, ik was en zal je niet vergeten. Maar het mooie van het Jodendom is voor mij tóch, dat het me alle gelegenheid biedt om dicht bij God te zijn, maar ook weer niet té dichtbij.

 

 

Read Full Post »

Gewoon Els

 

Vrienden kies je, familie niet. Maar hoe zit het met een vriendin, die je niet gekozen hebt, maar die jou koos? Gewoon zo. Zo van: “Wat wil je in je koffie?”, zonder eerst te vragen of je koffie wilt. Want natuurlijk wil je koffie. En natuurlijk wil je haar vriendinnetje zijn. Meestal schrik ik terug van zoveel overwicht, bang dat ik straks op de wip naar boven vlieg en niet meer op de grond kom. Maar ik had al “alleen melk” gezegd. Eigenlijk: “iem chalav, rak chalav“, want ze zou me helpen met mijn Ivriet.

Zo was onze vriendschap er gewoon, zonder te zijn ontstaan of zich te ontwikkelen. Ik bleef, altijd tot haar verbazing, tegenstribbelen tegen haar grenzeloze generositeit, terwijl ik mij warmde aan haar flamboyante persoonlijkheid. Ik genoot van haar aandoenlijke onbevangenheid, al was haar directheid soms wel ‘een uitdaging’ voor mijn tere ziel. Zij genoot er zichtbaar van om mij in haar jiddisjkat te laten delen, al hield ze tot het eind toe vol dat al mijn wensen mochten uitkomen, “alleen jij zelf niet, hoor!”

Zij was en bleef zo vanzelfsprekend zichzelf, dat ik mijn innerlijke aarzeling om me helemaal te geven als een tekortkoming van mijn kant ging zien. Dat bleek onterecht. Toen ik gisteren bij haar begrafenis de vele toespraken aanhoorde, kwam ik alle elementen van mijn ingewikkelde vriendschap met haar in die van de anderen tegen. Het viel me op dat er weinig of geen verschil was tussen de beleving van haar (door de oorlog weinig talrijke) familie en haar (zeer uitgebreide) vriendenschare, van wie velen haar al zestig jaar of langer kenden.

Het trof me dat meer dan één memoreerde dat Els graag kinderen gehad zou hebben en meteen herinnerde ik me de enige keer dat ik deze stoere, door niets en niemand te evenaren vrouw heb zien huilen: dat was toen ik het lied van Toeki Jossie voor haar zong. In stilte zong ik voor haar nog één keer over die arme papegaai, die kinderloos moest sterven. Had zij misschien haar vrienden tot familie gemaakt? Daar zat iets in, wat mij betreft, en misschien zag de verpleegkundige in het hospice, waar zij haar laatste twee weken doorbracht, dat ook wel, toen ze mij voor haar dochter hield.

Alles viel op z’n plek, toen ik de laatste woorden uit de speech van haar nichtje over het zwarte doek op haar kist hoorde rollen: “Je was altijd: gewoon Els!” Dat waren mijn eigen laatste woorden, toen ik haar een week geleden voor het laatst zag. Ik herinner me niets van de inhoud van de vriendschappelijke por tussen de ribben, die Els me gaf, tijdens wat misschien wel haar allerlaatste stoere, overmoedige moment was. Wel dat een vrijwilliger, die ook aan tafel zat, me spontaan in bescherming nam met een: “Nou, nou!” Ik lachte en zei: “Ach, dat is gewoon Els!”

Moge haar ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven.

 

Read Full Post »

Wij zijn één

 

Het is bijna vanzelfsprekend en misschien zelf wetenschappelijk te verklaren: aan de kust is Israël seculier, maar hoe verder je landinwaarts reist, hoe godsdienstiger het wordt. In Tel Aviv doet men vol overtuiging alles wat God verboden heeft, in Haïfa en Akkko lijkt godsdienst – net als bij ons – vooral een privé-aangelegenheid en in Achzivland vindt men de Allerhoogste misschien per ongeluk, als de wiet zijn werk goed doet. Het binnenland van Israël is een andere wereld. Over Jerusalem later, nu eerst Tzfat.

Om daar te komen moeten we een eindje richting Akko rijden, om vervolgens door het heuvelland oostwaarts op te klimmen. Het landschap oogt dor, ondanks de herbebossingsprojecten. Leeg ook: als hier werk was, zou er veel plaats voor immigranten zijn. Maar behalve hitte, droogte en steile hellingen heeft de omgeving van Tzfat niet veel te bieden. Als onze huurauto zich eindelijk naar 900 meter boven de zeespiegel heeft geworsteld, zien we de eerste huizen van het stadje. Tevergeefs zoeken onze ogen naar een charme om voor te vallen.

De oude stad lokt nog als een belofte. Daar waren immers ooit de uit Spanje verdreven Sefardiem neergestreken om er de Kaballa tot bloei te brengen en de meest gezaghebbende samenvatting van de joodse wetten te schrijven. Een plek van dergelijk belang moet toch de moeite van het bezoeken waard zijn? Na veel geploeter door rommelige wijken met smalle straten bereiken we de oudste kern en kijken elkaar lichtelijk gedesillusioneerd aan. Een handjevol smoezelige straatjes, waar de historische bouwsels na een lange periode van verval zijn bedolven onder een dikke laag quasi-religieuze koopwaar. Hier en daar herinneren plaquettes aan de muren nog aan de onafhankelijkheidsstrijd van 1948. Met een ander monumentje, zelf alweer aan de verwaarlozing prijsgegeven, wordt de weldoener geëerd, die het verarmde Tzfat tot een toeristische attractie heeft gemaakt.

Op een straathoek kopen we een bekertje vers geperst granaatappelsap. “Dan vind je god [sic],” appte mijn jonge (en niet zo religieuze) vriend Daniël behulpzaam. Het is de derde dag van Soekot, maar de plastic loofhutten die de restaurants voor hun gasten op de stoepen hebben gezet, kunnen mij niet tot het nakomen van mijn religieuze verplichtingen verleiden. We kiezen voor een seculier ogend terras om te lunchen en naar voorbijgangers te kijken. Tijd voor bespiegeling.

Wat Israël voor Joden tot een ‘thuis’ maakt, is dat joods-zijn daar een soort ‘default setting’ is. Even geen minority stress meer. Maar zelfs een buitenstaander ziet dat onder Israëlische Joden een enorme diversiteit heerst. Denk om te beginnen niet dat je het altijd aan iemand kunt zien of zij/hij joods is. Het joodse spectrum loopt er van volledig seculier, via cultuur-joods en traditioneel, naar orthodox en ultra-orthodox. Als liberaal behoor ik daar tot een verwaarloosbare minderheid en word ik door velen niet eens als joods erkend. In Tzfat behoren de meeste inwoners tot het orthodoxe uiteinde van de regenboog en we hadden al gezien dat daar de pot met goud niet staat.

Terwijl wij stukjes heerlijk vers brood in onze hummus dopen, trekt een stoet kinderrijke, en onmiskenbaar joodse, gezinnen aan ons voorbij. De mannen herkenbaar aan hun tzitzit (kwastjes) en de vrouwen aan hun scheitl (pruik) en lange rokken. De kinderen zijn meestal vrij casual gekleed – Hema, geen Bijenkorf – en het merendeel van de jongens draagt pijes (lange haarlokken aan de slapen). Omdat we de tijd nemen voor onze lunch, beginnen ons de verschillen op te vallen: men is duidelijk niet erg consequent in het zich aanmeten van deze kenmerken. Hier voel ook ik me een buitenstaander, want ik weet niets over hoe deze Joden dergelijke onderlinge verschillen waarderen. Gemoedelijk, vermoed ik wel, als ik zie hoe divers men binnen een gezin of vriendengroepje kan zijn.

Dat het joodse volk, ondanks al die verschillen, toch een eenheid blijft, is volgens velen meer aan de buitenwereld te danken dan aan onszelf. Met welk een knarsetanden dat gepaard kan gaan, zag ik afgelopen weekend weer eens in een tweet van de volledig seculiere Netanyahu naar aanleiding van de terreurdaad in Pittsburgh:

 

 

 

Waarom gebruikt hij tot tweemaal toe het woord “synagogue”? Omdat de Israëlische opperrabbijn David Lau dat heel opvallend niet had gedaan: de Tree of Life Synagogue behoort tot de Conservative gemeenschap in Amerika, en die wordt door het Israëlische opperrabbinaat niet erkend. Zo doe je dat dus, één zijn.

Read Full Post »

Older Posts »