Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘mensen’ Category

 

Maar wat als je toevallig een minder fijn zelf hebt en dat toch moet zijn? Ik was beslist de enige niet, die zich af en toe het hoofd brak over de hardnekkige ontevredenheid van mevrouw D., een alleenstaande dame van rond de honderd, die na een lang en zeer zelfstandig leven uiteindelijk hulpbehoevend was geworden. Met onze hulp werd zij elke morgen uit bed gehaald, opgefrist, van een ontbijt voorzien en naar de zitkamer begeleid, alwaar zij de dag liggend op de bank doorbracht. Kort na twaalven maakte één van ons voor haar een lunch klaar, tegen zessen kwam iemand een halve kant-en-klaar-maaltijd voor haar opwarmen en voor de nacht werd zij weer in haar pyjama gehesen en in haar eigen bed te ruste gelegd.

Steevast werden deze “algemene dagelijkse levensverrichtingen” door haar van commentaar voorzien. Niets was naar haar zin en nergens had zij zin in, maar omdat zij een buitengewoon plichtsgetrouw karakter bezat, moest alles niettemin zeer zorgvuldig worden uitgevoerd. In mijn ogen klopte daar iets niet: de liefdevolle gebaren, waarmee zij het kommetje Brinta leeg schraapte (haar lepel was aan één kant scheef afgesleten!), staken af tegen het schaamteloze misprijzen waarmee zij de pap in ontvangst had genomen. Eigenlijk verwachtte ik haar te zien likkebaarden als een poes, na het laatste hapje. Maar nee, al snel was er wel iets anders om op te mopperen.

Vaak trad op een zeker moment een soort meta-onvrede in werking. Mevrouw was namelijk op latere leeftijd “tot de Heer gekomen” en werd er door haar geloofsgenoten trouw op gewezen dat zij dankbaar moest zijn. Maar zij was nu eenmaal niet blij. Nergens mee, waarschijnlijk ook niet met zoiets abstracts als het zoenoffer op Golgotha, waardoor haar zonden waren uitgewist. Die ondankbaarheid nam zij zichzelf zeer kwalijk en daarmee richtte het misnoegen over Alles zich tenslotte op haar eigen zelf. Zij was zoals ze was en dat was niet goed. Zelfs de dood van Christus leek daar niets aan te kunnen veranderen en dat was erg, erger, allerergst. Deze zelfkastijding, waarvan ik regelmatig getuige moest zijn, vond ik het moeilijkste moment van de verzorging. Ik ben dan wel een stuk tastbaarder aanwezig dan haar Jezus, maar als die haar al geen vrede met zichzelf kon geven, wie dan wel?

Sommige van mijn collega’s meenden wel te weten waar die onvrede vandaan kwam. “Dat is toch onvoorstelbaar: dat je honderd wordt en in je hele leven nooit één keer seks hebt gehad?” zei A., die zelf overduidelijk niet tekort gekomen was en tegelijkertijd onbevangen genoeg om mevrouw D. daarnaar te vragen. Ook I. vroeg zich af of niet alles anders geweest zou zijn, als mevrouw op zeker moment een leuke man zou zijn tegengekomen. “Of een leuke vrouw,” opperde ik. “Ach ja, natuurlijk! Sorry!” verontschuldigde zij zich nog. Maar eigenlijk deed ook dat er niet toe: mevrouw had een milde vorm van smetvrees, en dat is meestal een contra-indicatie voor seks als remedie.

In de dagen vlak voor haar 102-de verjaardag dacht ik nog maar eens na over het onbehagen van mevrouw D., en ik verdwaalde in een pakhuis vol herinneringen aan ontmoetingen met mensen die niet blij waren met het leven en het ook met zichzelf niet getroffen hadden. Daar kwam ik ook prachtige verhalen tegen, zoals De vijf zinnen van Karel van de Woestijne, waarin boer Nand op zijn sterfbed ligt, terwijl het in hem weent en drenst: “Ik zal toch wel nooit mijnen wél hebben.” In zijn eenzaamheid komt een breugheliaanse processie van zintuiglijke herinneringen hem het medicijn indruppelen, waardoor hij toch niet bang en verongelijkt zal hoeven doodgaan, zoals de stadgenoot in het gedicht van Jan Elburg.

Ook al hoort mevrouw D. voor mij inmiddels bij “mijn oude werk”, toch ging ze mij voldoende aan ’t hart om haar even een bezoekje te brengen aan de vooravond van haar verjaardag. Met een eenvoudig bosje duizendschoon heb ik een uurtje bij haar gezeten. Ik las haar de verjaarkaarten voor, die ik van de mat geraapt had, en we hebben een paar oude liedjes gezongen, die we allebei kenden. Echt praten was te lastig vanwege haar te ruim zittende gehoorapparaatje. De stiltes waren bijna vredig en ze sprak het woord “duizendschoon” uit met dezelfde zorgvuldigheid als waarmee ze altijd het laatste restje pap uit haar kommetje schraapte. Niks bang, niks verongelijkt.

Read Full Post »

Ontzag

 

Op de kop af een jaar geleden werd me, voor een soort sollicitatie, gevraagd in het kort mijn levensloop te vertellen. Toen ik klaar was met het benoemen van alles dankzij – of ondanks – hetwelk ik was waar ik nu was, kwam de vraag: “Wat heeft jou zo lang op de been gehouden?” Toch nog wat overrompeld mompelde ik iets klunzigs over een “religieus verlangen”, maar eigenlijk had ik moeten zeggen: “Ontzag voor het Leven.” En dat ontzag is oorspronkelijk helemaal niet zo religieus gefundeerd.

Wel is het onlosmakelijk verbonden met de zelfmoord van mijn broertje, in 1985. In de aanloop daarnaartoe schoof hij steeds consequenter de mensen uit zijn leven, die – zo zei hij het echt – “niet depressief genoeg waren”. Blijkbaar was ik dat wel, want ik ben er tot het laatst toe bij gebleven en voor mijn gevoel zelfs een stuk met hem mee gereisd over de grens tussen leven en dood. In dat grensgebied was het alsof de omgang met hem een soort solidariteit van mij vroeg, die tegelijk een verzet in mij opriep, dat ik niet durfde uiten. Zelfs nauwelijks durfde voelen, want het voelde als Verraad.

Op een heel andere plek kwam het er wel uit, in de woorden van een ander, die zegt ze ook maar van horen zeggen te hebben.

Lex barbarorum

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam recht overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar éen wet:
léven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet
verraden het en dat wìl ik niet.

Hendrik Marsman

De vriend, aan wie ik dit gedicht stuurde (we wisselden gedichten uit en wisselden daarover per brief van gedachten), was negatief getroffen door de toon en de inhoud ervan. Het was bijna alsof hij op zijn beurt bang was mij kwijt te raken, want hij riep mij vermanend terug uit de wereld der barbaren.

In de week die achter me ligt las ik de biografie van Andreas Burnier. Daar kan ik wel meer over vertellen, maar één ding sprong er uit, waarschijnlijk vanwege de synchroniciteit met de berichten over het vastlopen van de kabinetsformatie op het D66-dogma van het Voltooide Leven. Nu valt er genoeg af te dingen op de soms bizarre hang naar dogmatiek en systematiek in het werk van Andreas Burnier, maar op dit punt heb ik haar/hem uit die biografie leren kennen als volstrekt authentiek. Het fundament onder dat verzet tegen het D66-wetsvoorstel voor het legaliseren van medische hulp bij zelfmoord bestond uit ontzag voor het Leven. En dat had ook Andreas hard nodig om zich op de been te houden.

Middenin diezelfde week kwam ik bij een cliënt om haar “nachtklaar te maken”. Zij is een lieve, plagerige oude dame van bijna 98 jaar, die als één van de weinigen van haar familie de sjoa heeft overleefd. Haar opgeruimde karakter zorgt ervoor dat zij niet zo gauw naar ontzag hoeeft te grijpen als het erop aankomt zich staande te houden in het leven. Telkens wanneer zij zichzelf langzaam recht overeind zet, zodat ik haar pyjamabroek tot over die ontzaglijke billen kan hijsen, zucht ze: “Ach, moedertje, moedertje!” Maar het volgende moment lacht ze weer en grapt: “’t Is om te vloeken, achter al die rooie doeken, Jongens en meisjes van de AJC.”

Omdat ik er mee in mijn hoofd rondliep, vroeg ik haar wat zij vond van dat streven van D66 naar een steeds gemakkelijker uitweg uit het leven. Toen werd ze ernstig. Zonder enige opwinding zei ze: “Nee, dat vind ik niet goed. Kijk, moet je horen, wij hebben zo moeten vechten om in leven te blijven; dan is het heel raar om te horen dat mensen daar nu op zo’n manier over praten.”

Read Full Post »

Buigen of barsten

*

voor Ilonka

 

Het is goed dat een boom geen ogen en oren heeft. Stel je voor: de houthakker komt eraan, of er steekt een storm op. “Rennen!” denk je, met al je jaarringen. Maar, shit!, je hebt wortels in plaats van voeten! Daar sta je dan, met al je geduld.

Nee, Plonk, het is er niet leuker op geworden in de zorg. Toen we elkaar krap zes jaar geleden voor het eerst zagen, was het allemaal heel anders. Geen iPad, geen TZ-Portaal. Ook voor een verzorgende B was er plek in ons team. We hadden vaste roosters, een hele maand in het vooruit, of langer zelfs. Avondmensen draaiden de avondroosters. De gaten werden opgevuld door flexwerkers. Je had nog de tijd om lief te zijn voor je cliënten. Als je ’s ochtends voor het overleg de wijk in ging, dan kraaide daar geen haan naar. Zorg volgens plan. Geen bijzonderheden.

Maar “de zorg is complexer geworden”. Het “zorglandschap is veranderd”. Oh, ja? Mensen hebben nog steeds twee billen, twee voeten met dikke enkels, ongeveer evenveel krakende gewrichten, wrakke hartkleppen en sleetse longen. Vraag mij niet wat daar ingewikkeld aan is. Het zal wel over de productiviteit gaan, of over de effectiviteit, of de flexibiliteit. Amme hoela!

Van m’n leven heb ik geen mens gezien die flexibeler was dan jij. Al die jaren heb je gratis en voor niks ’s morgens de roosters klaargelegd, instructies en sleutels aan de flexers gegeven, blunders in de planning gesignaleerd. O ja, en koffie gezet, natuurlijk, voor het hele team! Pardon, voor twee teams.

Wat is dat allemaal waard, in de ogen van de managers? Of zelfs in de ogen van het zelf-zorg-organiserende team zelf? Lieve Plonkie, we leven in een tijd van flexibilisering, maar laat je niks wijs maken: alles wordt juist harder. Het onderste moet uit de kan. Uit onze kan. Goudgeld verdienen ze eraan, de managers en directeuren, de beleidsmakers en politici. De ouderen denken langzamerhand: “Ik heb er genoeg van!” De politiek zegt: “Oh, is uw leven voltooid?”

En voor ons is het buigen tot we barsten. Eigenlijk zouden bomen vuisten moeten hebben.

Read Full Post »

Zand erover

 

Om te beginnen dit: ik mag natuurlijk niet klagen, en dat zal ik ook niet doen. Het is mijn werk om er voor mijn cliënten te zijn en ik doe het met liefde. Maar dat neemt niet weg dat ook de liefde vermoeidheid kent. Bij sommigen gaat, zodra ik binnenkom, de klep om te zeuren open en niet weer dicht voordat ik de deur uit ben. Of ik kan me een half uur lang als een Assepoester rond laten commanderen, met een vanzelfsprekendheid waar ik niet van terug heb. Het geschal en geschetter van een narcistische loftrompet verduren hoort er ook bij. Eén uur en vijftig minuten lang een stortvloed van verbale agressie (niet persoonlijk bedoeld) absorberen: it’s all in a day’s work bij de thuiszorg.

Als ik na vijf, zes uur werken thuiskom, voel ik me soms net een emmer, een deurmat, of een dweil. Maar daar wil ik het hier niet over hebben. Genoeg hierover. Het kan ook heel anders.

Vandaag was ik vrij, maar ik checkte toch even snel het medewerkerportaal om te zien of mijn andere vrije dagen niet achter mijn rug dichtslibden met werkroosters. Er zijn veel zieken. Zo kwam het dat ik het berichtje las over de dood van meneer S., die vannacht thuis is overleden. Volgens goed joods gebruik was vanmiddag de lewaje (begrafenis). Ik kon, dus ik ging. Zo zag ik hoe het lichaam van een mens, die ik eergisteren ’s morgens nog in de kleren had geholpen, in een mum van tijd  terugkeerde  naar de aarde waaruit wij allen voortgekomen zijn. Een kiezelsteentje op de zandhoop en weer naar huis.

In de korte toespraak die aan de teraardebestelling voorafging, vertelde de leider van de uitvaart, dat het vandaag één van die feestelijke momenten in het joodse jaar was, waarop treuren eigenlijk verboden is. Er zouden daarom geen hespediem (rouwredes) worden gehouden en ook zouden enkele van de gebruikelijke gebeden worden geschrapt. “Niet om af te doen aan de verdiensten van de overledene, maar omdat op Rosj Chodesj (de eerste van de maand) de poorten van de hoogste hemel toch al openstaan.” Nu de zon ondergaat voel ik me vrij om toch iets te zeggen over de man die we vandaag uitgeleide hebben gedaan uit het land der levenden.

Toen ik hem voor het eerst zag, had hij al een hele reeks schermutselingen met de dood achter de rug. Hoewel lichamelijk ernstig verzwakt, maakte hij op mij een wonderlijk levenskrachtige indruk. Die eerste avond kon ik niet veel voor hem doen, want de dagzorg had hem al naar bed gebracht. Wat ik wel deed, was nog een uurtje bij hem blijven, tot zijn dochter kwam. In dat uur heeft hij me een stuk van zijn levensverhaal toevertrouwd en mij daarmee een zeldzaam gevoel van intimiteit gegeven. De volgende keer dat ik kwam, wist hij zowaar mijn naam nog en vond hij dat het zijn beurt was om mij te bevragen.

Ik vertelde hem over mijn weg naar opname in het Jodendom en kon vanaf dat moment op zijn steunende belangstelling rekenen, ook al was hij zelf ‘orthodox‘ en ik niet alleen een bekeerlinge, maar ook nog eens bij een meer-dan-liberale club. “Nog vele jaren Pesach,” wenste hij me een paar weken geleden nog, terwijl hij liet merken dat hij twijfelde of wij elkaar nog terug zouden zien. Niet alleen op godsdienstig vlak toonde hij mij respect, ook als vrouw voelde ik mij door hem gezien. Al was hij een eind in de tachtig, hij maakte nog graag een ondeugende opmerking, maar altijd leuk en charmant. Zelfs op het allerlaatst, toen hij knorriger en ongeduldiger werd, kostte het mij geen enkele moeite de gentleman in hem te blijven zien.

Zo zal ik me hem dan ook herinneren.

Read Full Post »

09022017

 

De loopjongen is terug in het straatbeeld. Sinds kort prijkt het dienstmeisje op de Amsterdamse billboards. Snorders racen onzichtbaar door onze straten en op de zolders boven ons rookt en ronkt het van de nette (of onnette) heren b.b.h.h.. Mijn hippe jonge buurvrouw heeft een webwinkeltje in handgemaakte schrijfwaren en mijn eigen dochter een heuse praktijk in ayurvedische yoga-massage. Nog even en God is terug in Jorwerd.

Waarom denk ik vandaag, behalve aan God, aan Jorwerd? Dat is om een zin als deze, uit dat prachtige melancholieke boek van Geert Mak:

“Ach wat waren de mensen arm toen ik een jongen was,” zei de notaris. “er was geen steun en je zag iedereen met handeltjes beginnen. Een koemelker met zes koeien begon daarnaast iets met koffie en thee. (…)”

 

We hebben het dan over de jaren vijftig, toen geluk nog heel gewoon was en ik als een geitje met een lang eind touw stond vastgebonden aan een kwarrig appelboompje in het bleekveld aan de dijk. Aan het begin van mijn volwassen leven was al dat sappelen verleden tijd. In Frankrijk zong Marie-Paule Belle er een weemoedig liedje over en ikzelf ben de nostalgie naar die armoe nooit helemaal te boven gekomen. Ah, de romantiek ervan!

Ik heb het allemaal teloor zien gaan in mijn eigen kleine leventje. De sanering van het Nederlandse land- en tuinbouwbedrijf had mijn vader vanonder zijn zwerk vol leeuweriken weggeplukt en aan een lopende band vol theebeschuitjes gezet. Een neef, die kruidenier was, legde het af tegen de nieuwe supermarkt in het centrum van ons dorp. En alles waar vroeger een reparateur voor bestond verdween op een zeker moment in de vuilnisbak, omdat je goedkoper een nieuwe kon kopen. Tenslotte kopen wij nu elk jaar al onze apparaten nieuw, niet omdat ze stuk of versleten zijn, maar omdat ze “niet langer ondersteund worden”. Keep the aspidistra flying!

Mijn eer-eer-eervorige manager zei eens, toen onze organisatie Amsterdam Thuiszorg net was opgeslokt door Cordaan, en wij begonnen aan de eeuwigdurende reorganisatie via wijkteams naar zelfzorgorganiserende teams naar God-weet-wat: “Het is een golfbeweging: centraliseren en decentraliseren en dan weer centraliseren.” Ik weet niet of zij helemaal gelijk had. Misschien gebeurt het wel allemaal tegelijk. De grote bedrijven, die eerst alle kleintjes hebben opgeslokt, maken nu van hun werknemers langzaam maar zeker kleine zelfstandigen. Of sappelaars, want wat blijft er van hun rechtspositie over?

De jonge mensen van nu vinden het waarschijnlijk heel romantisch allemaal en waarom ook niet? Wat een vrijheid geniet je tenslotte! Volop in beweging, in een heerlijk vacuüm van anonimiteit en je werkgever is een app, net zo verleidelijk als je facebook-account. Google maar eens naar afbeeldingen van Foodora en Deliveroo en zie dat het altijd mooi weer is. Of probeer een Helpling te vinden die niet blij kijkt. Op mijn 60-ste en op mijn fietsje door deze prachtige stad karrend, van oud bestje naar niet meer zo krasse knar, voel ik me zomaar opeens weer heel jong. Hosselen is de toekomst!

“Een hosselaar is niet afhankelijk van één inkomstenbron. Hij scharrelt zijn kostje bij elkaar met verschillende activiteiten die samen genoeg opleveren, genoeg voor een leuk leven.

Een hosselaar is streetwise: een ondernemend multi-talent dat kansen grijpt en risico’s spreidt. Geld verdienen wordt weer een levenskunst die je al doende ontwikkelt.

Wat is jouw sociale en emotionele kapitaal? Welke kansen bieden grote maatschappelijke trends? En hoe maak je van zo’n kans een geldkraantje? Je leest het allemaal in dit boek boordevol goede ideeën en slimme voorbeelden!”

Read Full Post »

Sjalom

30012017

 

Sommige gedachten zijn even troostrijk als beklemmend. Neem de gedachte dat de dood het einde niet zou zijn:

o! de tocht naar het eeuwige land
door een duisternis somber en groot
in de nooit aflatende angst
dat de dood het einde niet is.

H.Marsman

Toen mijn broertje zich – op de kop af 32 jaar geleden – het leven benam, sprak iemand hem over de dood heen bemoedigend toe, wenste hem sterkte met al het onafgemaakte dat hij achter zich had willen laten. De voorstelling van zaken die achter deze wens schuil ging, kwam mij destijds als buitengewoon wreed voor. Had ik niet op zijn rouwkaart laten drukken: “Wij hopen dat hij de verlossing vond, die hij zocht”? En anders hoopte ik wel dat ik zelf ooit verlost zou zijn van al het onafgemaakte dat er tussen ons was blijven liggen.

In werkelijkheid heeft het meer dan tien jaar geduurd eer ik enigszins in het reine was met de pijn, die overbleef nadat er met geweld een eind was gemaakt aan onze relatie, die bij zijn leven gedrenkt was in gevoelens van ontoereikendheid en onvermogen. Al die tijd droeg ik – of ik dat nu wilde of niet – ons gedeelde verleden in mij mee. Dat verleden leek langzaam te verstenen, en een deel van mij versteende als het ware mee, terwijl de veranderingen in mijn eigen leven telkens slechts kleine verschuivingen teweegbrachten in mijn verhouding tot het gebeurde. Zelfs toen ik dertig jaar later zijn dagboeken las, bleek dat nog een hele klus.

Zijn – en mijn – moeder heeft hem zeven en een half jaar overleefd, maar die tijd is niet voldoende geweest om de gevoelsmatige verwijdering teniet te doen, die het drama voorafgaand aan zijn dood tussen haar en mij had veroorzaakt. Toen zij stierf, bleef ik achter met een bezwaard gemoed vanwege het besef dat het tussen ons nooit meer helemaal goed was gekomen. De tijd hielp hier niet veel, zeker niet toen ik mij op zeker moment begon te realiseren dat onze relatie ook zonder de dood van mijn broer pijnlijk ingewikkeld was geweest. En nog altijd was, ook al voelde ik mij daar heel alleen mee.

In het afgelopen jaar is daar weer beweging in gekomen, een helende beweging. Die heb ik te danken aan de kracht van de joodse liturgie en het bezig zijn met de woorden van de Tora. Laat ik een voorbeeld noemen. Vorig jaar augustus, tijdens de Pink Shabbat in onze sjoel, stonden wij voor het moment waarop kaddiesj gezegd wordt door de hele gemeente. Het is daarbij de gewoonte om de namen te noemen van degenen die in de elf maanden daarvoor zijn gestorven én van degenen wier sterfdag rond die tijd viel. Ik had mij voorgenomen de naam van mijn moeder te noemen, en voelde daarbij van binnen een zwaarte die raar afstak bij de vrolijke regenboogkleuren om mij heen.

Toen klonk de stem van onze rabbijn: “We are about to say kaddiesj for all the ones we loved, . . .” – en hier aarzelde zij even – “or did not love.” Ik schoot ogenblikkelijk in de lach, en gelukkig was ik niet de enige. De rabbijn bekende me later dat het er bij haar ook zomaar, onbedoeld, uit was gefloept. Maar het had zijn werk gedaan. De zwaarte was van mij af gevallen en ik kon de naam van mijn moeder, met alle gemengde gevoelens jegens haar die daaraan kleefden, hardop uitspreken, om vervolgens met meer dan honderd stemmen tegelijk de Eeuwige én het leven in alle denkbare termen te prijzen. Met aan het einde:

Hij die vrede maakt in Zijn sferen, moge Hij vrede maken voor ons, voor heel Jisraël en voor de hele mensheid. Zegt daarop: Amén.

Dit is slechts één van de vele momenten, waarop de verhouding tot mijn moeder een plek kreeg in mijn godsdienstige leven. Telkens weer maakte dat sterke emoties bij mij los. Alleen de laatste weken gebeurt er iets anders, iets waar ik me vooraf geen voorstelling van gemaakt had. Op volstrekt willekeurige momenten merk ik dat ik niet over of aan mijn moeder denk, maar dat ik met haar lijk te praten, en sterker: zij praat terug. Over de dood heen. Niet dat ik de woorden zou kunnen vangen, maar de klank is er wel. En een warmte, die heel lang weg is geweest.

Read Full Post »

Veestelijkheden

25122016

Er was eens een Overijsselse boer, die boerde aan de voet van de Pyreneëen. Zeventig zwartbonte koeien graasden daar, onder het toeziend oog van een valse stier, over de glooiende heuvels van een oud landgoed. Eén van die koeien droeg de naam Veest. Dat zat zo: in Vrankrijk kregen alle koeien van een bepaald jaar een naam die begon met een voorgeschreven letter van het alfabet. Het was het jaar van de “V” en de boer had al een Vera, een Vrouke en een Viola, dus hij kon niet zo gauw op iets anders komen. “Dus noemde ik het kalfje Feest, maar dan met een “V”, zei de boer.

De boer was weliswaar een gesjeesde neerlandicus, maar hij kende zijn moedertaal of in ieder geval zijn Komrij niet goed:

De Veest eens Vents klinkt steeds Viriel,

(de mysogyne rest van dit vers googlet u er zelf maar bij)

Op deze winderige Eerste Kerstdag gaan mijn gedachten naar hem en naar de nieuwste politieke rel in ons land. Een opgeblazen premier Rutte toonde zich moreel verontwaardigd over de trend (gezet of gevolgd door de publieke omroep, om “politiek correcte redenen”) om elkaar “fijne feestdagen” te wensen. “In Nederland vieren we Kerst!” zei onze leidsman. “Dat hoort bij onze cultuur. Ik wens de mensen Fijne Kerstdagen en een Gelukkig en Gezond Nieuwjaar.”

Tja, wat moet ik daar mee? Ik vier vandaag Chanoeka in plaats van Kerst. En ondertussen doe ik gewoon mijn werk in de wijk. Wacht, laat ik eens een enquête houden onder de ouderen die ik bezoek. Wat moet het volgens u zijn:

  • Gezegend Kerstfeest
  • Zalig Kerstfeest
  • Prettige Kerstdagen of
  • Fijne Feestdagen?

En zie: de Protestanten kiezen de eerste optie, de Katholieken de tweede, de Seculieren de derde en zo blijft de vierde over voor de jongere generaties.

Dus, meneer Rutte, wat heeft dit in hemelsnaam met “de Nederlandse identiteit” te maken? Bent u misschien van na de zuilenmaatschappij? Of van vóór de multiculturele? Moet de politiek zich echt op zo’n manier over “onze cultuur” ontfermen? Weet u eigenlijk nog wel wat het verschil is tussen cultuur en folklore? Kunt u dit hele gedoe niet beter aan Albert Heijn en de Jumbo uitbesteden? Of gaat u zich voortaan ook met hun “feeststol” bemoeien? En met de “verstopeieren” in de schappen van de Hema?

Kortom: heeft de graaf geen andere zorgen?

Gelukkig hebben wij Chanoeka. Lichtjes en latkes, en veel vrolijkheid, maar voor ernstige types als ik is er ook wat bij: ik mag acht dagen heerlijk nadenken over “assimilatie” versus “traditie” en “particularisme” versus “universalisme”, want daar gaat het feest ook over. Ik heb mezelf daartoe een Chanoeklaaskadootje gegeven, The Dignity of Difference – How to Avoid the Clash of Civilisations van Jonathan Sacks.

Wat u ook doet tijdens deze donkere dagen, ik wens u er veel plezier mee.

Read Full Post »

Older Posts »