Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘kinderen’ Category

In memoriam Twiggy

twiggy1

Het was een regenachtige zondag in het voorjaar van 2007, ik weet het nog goed. In een wat samenzweerderige stemming kwamen de kinderen de huiskamer binnen en haalden het ouderlijk duo achter koffie en krant vandaan voor een bijzonder familieberaad. “Wij willen een poes, die nog jonkies kan krijgen,” luidde hun eis en aangezien ze samen al bijna een absolute meerderheid hadden, was elke vorm van twijfel aan onze kant onmiddellijk in het voordeel van Het Plan. Dat onze huiskater Lano geen stem in het overleg had, verbaasde ons destijds – vreemd genoeg – niet.

Tegen lunchtijd hadden de zegeningen van het internet er al voor gezorgd dat zij een e-mail konden overleggen van een mevrouw in Gouda, die gratis en voor niks een poes aanbood, die niet alleen nog jonkies kon krijgen, maar juist op dat moment een hele buik vol jonkies had. Dat was ook de reden dat die dame van haar af wilde. Een uur later reden we door de stromende regen terug naar Amsterdam en werd het tengere lapjeskatje in de mand op hun schoot Twiggy gedoopt. Roos was die jaren helemaal into fashion.

Een week of wat later hoorden we op een ochtend wat gerommel tussen de dozen onder ons bed en wisten we meteen dat Twiggy daar haar kraamkamer had ingericht. Een paar uur later (wat gaat alles toch snel in dit verhaal!) lagen er vijf jonge poesjes op een rij aan haar tepels. Zog trappen konden ze van meet af aan.

 

twiggy2

 

Zindelijk worden was een ander verhaal. Toen ze eenmaal groot genoeg waren om de trap op en af te rennen en elkaar de gordijnen in te jagen, heb ik een paar weken lang weinig anders om handen gehad dan overal schattige kleine poepjes en plasjes op te ruimen. Gelukkig kwam het vanzelf goed, dus Dolce, Gabbana, Gucci, Pucci en Chanel konden na negen weken met een gerust hart worden uitgezonden naar andere gezinnen met poesbeluste kinderen.

Twiggy – of de Natuur – had er nog geen genoeg van en toen het voorjaar van 2008 zich aandiende, glipte ze op een morgen met Lano mee naar buiten. Na enig zoeken had ze een ongeholpen kater gevonden, die bereid was aan haar romantische gevoelens tegemoet te komen. Lang heeft de liefde niet geduurd: na een paar dagen had Twiggy haar buik vol van die zwarte met zijn dikke kop en kwam ze weer netjes drie hoog wonen. Een dag voordat wij met vakantie gingen, lag het tweede nestje er al, weer tussen de dozen onder ons bed. Van hun namen kan ik me alleen Rosso en Prugno herinneren, maar Roos weet vast en zeker nog hoe de anderen heetten.

 

twiggy3

 

Na deze beide worpen hebben we Twiggy met vervroegd pensioen gestuurd. De kinderen werden groot en mopperden vooral op de katten, als die weer eens ongegeneerd verharend op hun little black dress hadden gelegen. Lano had overdag zijn bezigheden buitenshuis en Twiggy sleet haar dagen als een reïncarnatie van Emily Dickinson, alleen met haar gedachten (gedichten?). Heel bescheiden, bijna onzichtbaar, op telkens een ander plekje in huis.

Pas toen het gezin uiteen viel in 2012, bleek zij de nieuw ontstane stilte net iets te stil te vinden en toonde zij zo nu en dan behoefte aan affectie. Meestal ging zij dan nogal demonstratief op de houten vloer liggen, rolde een paar keer om en maakte daarbij een koerend geluidje, precies als dat waarmee zij Zwarte Dikkop had verleid. Ik ben dan wel geen kater, maar tegen de universele roep om liefde heb ik weinig verweer, dus vleide ik mij naast haar en kroelde haar waar zij maar wilde, tot ze haar nagels in mijn hand zette en opeens besloot, dat ik het vast wel fijn vond eens lekker gebeten te worden.

Slechts een heel enkele keer kwam zij op schoot, waar ik dan zo van genoot, dat ik me zo lang mogelijk doodstil hield. Zij had de reputatie dat ze nogal eenzelvig was, en misschien was ze dat ook wel. Maar door de jaren heen is ze mijn nabijheid toch gaan waarderen. Dat merkte ik vooral als ik bezig was met mijn pogingen de wereld om mij heen te begrijpen en daarover te schrijven. Dan lag ze graag tussen mijn beeldscherm en het toetsenbord, waarop ik vandaag deze woorden te harer nagedachtenis typ. Ze was een echte schrijverskat.

 

twiggy4

Advertenties

Read Full Post »

De dood beleven

Ik weet nog precies het moment waarop ik voor het eerst merkte dat er een wezenlijk verschil bestond tussen de wereld van mijn verbeelding en de “werkelijkheid”. Tot die tijd kon ik waarschijnlijk net als ieder kind totaal opgaan in mijn spel. Als ik speelde dat ik een koe was, dan was ik die koe. Op een avond viel dat gelukkige vermogen met een klap aan diggelen op de harde bodem van de realiteit. Misschien had ik het te hoog opgetild en wilde ik stiekem dat mijn spel nog echter dan echt zou zijn. Vier of vijf jaar zal ik zijn geweest, meer niet.

Het verhaal begint eerder: op zekere dag was ik met mijn buurmeisje en mijn jongere broertjes ver van huis gedwaald, langs de dijk waaraan wij woonden. Het was zomer en toen we langs de slagerij liepen, stond daar de deur van de schuur waarin geslacht werd wagenwijd open. Een koe, meer zwart dan wit, liep gewillig achter een touw aan naar binnen. Terwijl wij in de deuropening stonden toe te kijken, hield de slager een donker ding tegen de kop van het beest, er klonk een gedempt metaalachtig geluid en de koe zakte in één keer door alle vier haar knieën. Daar lag zij, stuiptrekkend nog, op de vochtige betonnen vloer. De slager nam rustig een lang mes en sneed haar de keel af, waarop het bloed als een brede rivier naar een putje in de hoek stroomde.

Vanaf dat moment verdwijnen mijn vriendinnetje en mijn broertjes uit mijn herinnering en wat vervolgens gebeurde heb ik helemaal alleen beleefd, of liever: meebeleefd. Niets deed ertoe dan de koe en ik, ik, die als vanzelfsprekend probeerde te zijn wat ik zag. De koe werd op haar rug gelegd en van haar kop en poten ontdaan, terwijl haar vel vochtig en bloederig van haar flanken gleed en als een kleed onder haar bleef liggen. Haar uier werd weggenomen (melk mengde zich met haar bloed) en zorgvuldig gewassen naast kop en poten aan de muur gehangen. Uit haar buik kwam een indrukwekkende hoeveelheid ingewanden tevoorschijn, die in een grote zwarte kuip verdwenen.

Toen werd zij aan haar achterbenen opgehesen en aan de nokbalk gehangen. Een vlugge snede van het lange mes en haar huid viel op de grond, een gevoel van naaktheid deed mij rillen. Met eerbiedige wreedheid hakte de slager de koe overlangs in twee gelijke helften, daarna overdwars in kwarten. In mijn herinnering is er al die tijd geen geluid meer en geen bekende emotie. Alleen het overweldigende gevoel van heel dicht bij iets heiligs te zijn. Daar houdt de herinnering op en wordt het stil om mij heen.

Tot op die avond dat ik mijn broertje vroeg om deze gebeurtenis met mij na te spelen. De rollen had ik al verdeeld: hij moest de slager zijn, want natuurlijk was ik de koe. Ergens midden in het vuur van het spel kwam er een vraag aan suizen, uit het donkere niets. Een meteoor sloeg een gat in de grond van mijn ziel: “Als ik dood ben, merk ik dan eigenlijk wel wat er met mij gebeurt?” Hardop herhaalde ik die vraag en opeens stonden de inzichten die ik inmiddels al had aangehoord (maar niet had willen weten) hoofdschuddend om mij heen en ik verloor al mijn warmte in een gevoel van diepe teleurstelling. Ik had hartstochtelijk gewild dat het kon: de dood beleven.

Von deinen Sinnen hinausgesandt,
geh bis an deiner Sehnsucht Rand;

Rainer Maria Rilke

Voetnoot: deze tekst heb ik geschreven in juli 2012, hij is gepubliceerd 4 september 2016 in de bundel  Langszij de tijd – opgaan in vergetelheid –, door Simon Buschman en 87 medeauteurs.

12092016

Read Full Post »

Treurspieren

13082016

Ik zie nog zo voor me waar we liepen, toen het gebeurde. De eerste huizen van Bagnac-sur-Célé waren in zicht, aan onze linkerhand stroomde een wat onfris beekje, boven ons ruiste het loof van de abelen. In het hoge gras waar we liepen was het onkruid juist uitgebloeid, maar de appels aan de knoestige boompjes kregen nog geen kleur. Grijs-groen-grauw leek alles om ons heen. Onze wandeling was een beetje uit de hand gelopen, dus we waren moe en hongerig. Gelukkig werd er in de boerenkeuken aan de rue du Couvent doorgaans vrij laat gedineerd, want anders zouden we nog de hond in de pot vinden. Om stil van te worden, al met al, en dat waren we ook. Tot ik opeens onze kleine meid zachtjes hoorde snikken, een paar passen voor mij.

Ik tilde haar op, hield haar tegen me aan en vroeg naar de oorzaak van haar verdriet. “Ik mis Jezus!” sprak zij en keek me met ingehouden wanhoop aan. Meteen daarop welden dikke tranen uit die grote bruine ogen van haar en zette zij het op een huilen. Ik verbeeldde me dat het geklik van de lepels op de borden in de huizen aan de andere kant van de beek van ritme veranderde en verwachtte ieder moment een verschrikt hoofd boven een blauwe schort of boezeroen uit elk raam te zien steken. Wat een hartstocht kan er huizen in zo’n klein kinderlijfje! “Ik mis Jezus! Ik mis hem zo! En hij komt nóóit meer teru-hug!” bleef zij herhalen. Ik meende te zien hoe ook Tonton Rini wat ongemakkelijk begon te worden onder dit wonderlijke, maar luidruchtige verdriet en mijn vruchteloze pogingen om het te sussen. Maar ja, hoe troost je iemand als je zelf niets van haar verdriet begrijpt?

Later heb ik nog vaak nagedacht over wat er in dat kleine hoofdje of hartje is omgegaan, vlak voordat het in een voor mij onnavolgbaar snikken en schreien naar buiten brak. Natuurlijk was ook zij gewoon moe en hongerig van die te lange ochtendwandeling. Bloedsuiker. Natuurlijk wist zij niet goed waar ze aan toe was, toen ze merkte dat wij het hadden opgegeven om de stemming erin te houden door levendig te converseren. Spiegelneuronen. Natuurlijk zijn zulke gevoelens te groot voor zo’n klein mensenlichaam. Zo ontstaat Weltschmerz toch? Maar misschien was het vooral dit: de jonge ziel is nog niet voldoende geoefend om elke smart ‘een plekje te geven’. Mijn dochter trainde haar treurspieren, en dan moet je je ergens aan vast kunnen houden of tegen af kunnen zetten. Daarbij kwam Jezus kennelijk goed van pas.

Wat waren onze chachamiem wijs, bedenk ik me nu, dat zij voor ons gelegenheden hebben geschapen om die treurspieren in conditie te houden. Vandaag is het Tisha b’Av en treuren wij om een hele rij rampen die stuk voor stuk plaatsvonden op de negende van de maand Av. In 1312 v.C. keerden de verspieders terug uit het land Kanaän, met de boodschap dat het mooi maar onbereikbaar was. Het volk morde en koos voor nog veertig jaar in de woestijn. In 586 v.C. wordt de tempel van Koning Salomo verwoest. In 70 n.C. ligt de Tweede Tempel in puin. In het jaar 133 maken de Romeinen een einde aan de opstand van Bar Kochba en daarmee een begin aan de eeuwenlange ballingschap van het joodse volk. In 1290 zet koning Edward I de Joden zijn land uit. In 1492 worden we door Ferdinand en Isabella uit Spanje verdreven. Op Tisha b’Av 1942 begonnen de Duitsers met het deporteren van de Joden uit het ghetto van Warschau naar Treblinka, met 6000 per dag.

Genoeg om over te treuren, nietwaar? Ik mag dubbel treuren, want ik ben te verkouden om bij het gemeenschappelijke treuren aanwezig te zijn. Wat ik wel kan doen: thuis op de grond gaan zitten en Echa (Klaagliederen van Jeremia) lezen. Zo kan ik me alsnog verbonden voelen met een verdriet zo groot, dat mijn persoonlijke verliezen erin verdwijnen als tranen in de zee. Minstens zo onredelijk – ook voor mijzelf, hoor! – als dat verdriet van mijn kind om een Jezus die zij nog nooit gezien had. Maar gek genoeg: het werkt. Alleen maar doordat ik een man verloren heb die ik niet eens had en met een schoonmoeder ben meegegaan, die ik dus ook niet had. Tegen haar beter weten in heb ik besloten dat haar volk mijn volk was en haar God mijn God. (Lees maar na in het boek Ruth.) Die God en dat volk zijn er nog altijd en ze komen vanavond overal samen om de val van de Tempel te betreuren. Dat ik daar niet bij kan zijn, dát zal ik missen.

Read Full Post »

30122015a

Gisteren waren we als voormalig gezin – met aanhang – bij elkaar om de verjaardagen van mijn beide dochters te vieren. Tegelijk vierden we het vertrek van de jongste, die over enkele dagen op het vliegtuig naar India stapt. De oudste wilde het feest wel ‘hosten‘, in haar fraaie huis, waar zij woont met haar vriend. Twee goddelijke taarten had zij gebakken en zij nam ons mee naar het Van Gogh Museum, om De Schreeuw van Munch te gaan zien. “Het is eigenlijk een studie van De Schreeuw,” zei een jongedame van het museum verontschuldigend, “gemaakt met pastelkrijt op karton.” Soit, dacht ik. Er was bovendien meer dan genoeg schoonheid om te aanschouwen.

“Goh, kijk!” zei ik tegen mijn jongste, toen we in het krioelen der kunstkijkers tot vlak voor Het zieke kind waren aangeland, “Dat kind weet dat ze dood gaat, en zij troost haar moeder.” – “Ja, zij weet dat het voor haar moeder erger zal zijn dan voor zichzelf.” – “Moet je zien: het lijkt wel of er licht uit haar gezicht schijnt.” – “Het is als met de dood van Perkamentus in Harry Potter: voor een opgeruimde geest is de dood slechts een deur naar een groter avontuur.” _ “Ha!” lachte ik, “Dat is precies wat ik van plan ben te gaan doen met de tijd die ik nog heb: voor een opgeruimde geest zorgen!” En toen staken we over naar een vitrine met tekeningen en kattebelletjes uit de nalatenschap van Edvard Munch.

Daar viel mijn oog op een tekening in zwarte en rode inkt, met daarnaast een soort dagboekaantekening. Ik herkende onmiddellijk de compositie van De Schreeuw, maar nog zonder de beklemmende sfeer. Die werd erbij geleverd door de tekst van de krabbel. Ik citeer:

30122015b

I was walking along a path with two friends
the sun was setting
I felt a breath of melancholy
Suddenly the sky turned blood-red
I stopped and leant against the railing,
deathly tired
looking out across flaming clouds that hung
like – blood and a sword over the
deep blue fjord and town
My friends walked on –
I stood there trembling with anxiety
And I felt a great, infinite scream pass
through nature.

Daarna leerde ik nog iets over het schilderij zelf. Er bestaan een aantal versies van. Niet omdat Munch er lang over deed eer hij tevreden was met het resultaat, maar omdat hij, telkens als het werk verkocht was, de behoefte had het opnieuw te schilderen. Alsof hij het dicht bij zich wilde houden. Op dat moment herinnerde ik mij een overweging van Reb Zalman Schachter-Shalomi (z.l.) over “spiritueel ouder worden”, waarin hij sprak over het “domesticeren van piek-ervaringen”. Aanstekelijk, vond ik, maar ik voelde ook bedenkingen opkomen. Nu zie ik een kans om over de weinig tot de verbeelding sprekende connotaties van dat domesticeren  heen te stappen, maar dan heb ik wel graag dat de dal-ervaringen ook meegenomen worden. O ja, en ook de afgrond-ervaringen. Opeens begreep ik dat Munch juist dát gedaan had in zijn Livsfrisen!

“Wat een goed idee van je, om ons hier naartoe mee te nemen,” zei ik na afloop tegen mijn dochter. “Ik ben er helemaal van opgeknapt.” – “Was dat dan nodig?” vroeg ze lachend. Nee, bedacht ik me, terwijl ik mijn jas aantrok, niet in het bijzonder. En toch . . .

Op weg naar onze fietsen vroeg ik haar vriend naar zijn bevinding van de tentoonstelling. “Ik kan niet zoveel met die schreeuw,” zei hij, “Ik ken die soort angstbeleving zelf helemaal niet.” Toen zag ik mezelf terug, in het begin van de jaren Tachtig van de vorige eeuw, ongeveer zo oud als de jonge man die naast mij door het donker liep. Ik was naar deze grote stad gekomen om te studeren en voelde me alleen. Ik probeerde een eigen leven te gaan leiden, maar dat speelde zich af in de vaak beklemmende nabijheid van mijn jongere broer, die bezig was aan het leven te lijden, en eraan dood te gaan.

De Schreeuw van Munch was destijds erg populair als ‘poster‘. Je zag hem overal, en overal was het alsof ik in de spiegel keek. Liefst wendde ik mijn gezicht af, maar dan was het juist alsof ik in het schilderij verdween en zélf met mijn rug naar de mensen toe stond, die zich nietsvermoedend van mij verwijderden, de verte in. Dus ja, ik ken die beleving van de wanhoop wel, al kan ik die nu niet meer precies zo in mijzelf oproepen. Heb ik haar misschien ‘gedomesticeerd‘? Of is zij tam geworden, als de vos in Le Petit Prince, doordat we, heel onopvallend, steeds een stukje dichter bij elkaar zijn gaan zitten? Zodat we samen naar de kleur van het korenveld kunnen kijken.

16062012

Read Full Post »

Geslaagd!!!!!

12062015b

Read Full Post »

Oploskind

26022015

 

Toen mijn oudste nog een kind was, hield zij heel erg van lezen. Eerst waren dat de prentenboeken – Alfie en Annie Rose -, die wij samen lazen, dicht tegen elkaar aan op de bank. Daarna kwamen de voorleesboeken van Astrid Lindgren en Laura Ingalls Wilder, met verhalen die nooit verveelden. Op een gegeven moment leerde zij zelfstandig lezen en zag ik alleen nog de kaft van het boek, waarachter zij schuil ging. De wereld van Polleke en haar binnenwereld raakten elkaar in een heel eigen wereld binnen mijn leefwereld, die ik nauwelijks zag of hoorde.

En toen kwam de verjaardag waarop zij haar eerste boekenbon kreeg. Groot genoeg om zelf een boek te kiezen (al was kiezen niet haar sterkste kant) was zij al, maar ik moest nog wel met haar mee naar de boekhandel. Terwijl zij in een hoek op de grond zat en boek na boek uit de kast trok, streelden mijn ogen de ruggen van andere boeken en hield ik mij in om geen suggesties te doen. “Kijk, dat ben ik!” riep ze opeens en schoof me het boek onder de neus, waarvan u hierboven de voorplaat ziet. Ze kocht het uiteindelijk niet, ik meen me te herinneren dat ze er die dag helemaal niet uit kwam.

Buiten op het Valeriusplein, met die titel nog in mijn hoofd, keek ik naar het grote kind naast me en plotseling liepen we weer in de Jodenbreestraat, hand in hand, op weg naar het Pintohuis voor nieuwe boeken. Haar zusje hing slaperig in een draagzak, schuin boven haar, en net op het moment dat we de poort van Gran Vista, waar we toen woonden, uitkwamen, passeerde ons een moeder met een luid huilende dreumes in een wandelwagentje. Ik voelde hoe haar hand in de mijne twijfelde of zij zich los zou rukken en ze sprak op gealarmeerde toon: “Daar huilt een kindje!” – “Ja,” zei ik, zo rustig dat het mij zelf verbaasde en – mijns ondanks – zonder mij om te draaien of mijn pas te vertragen. “Ach, dat laten we dan maar zo,” zei Roos en we vervolgden onze weg.

Dit is allemaal lang geleden, maar nooit ver weg. Mijn dochter en ik, we zijn nog altijd oploskinderen. Zij staat aan het begin van een loopbaan als arts, liefst eentje zonder grenzen, met een speciale belangstelling voor gezondheidszorg onder vluchtelingen in oorlogsgebieden. Ik verdien mijn boterham in de thuiszorg, waar het menselijk leed mij dagelijks tegemoet komt. Daarbij denk ik nog regelmatig aan dat moment waarop zij voor het eerst, en geheel zelfstandig, leek te beseffen dat hulpvaardigheid een heel mooie eigenschap is, waar je soms toch voorzichtig mee om moet springen.

Read Full Post »

06122014“Mama, kijk: Zwarte Piet!!”

Dat was me een heerlijk avondje, gisteren. Geen koek en geen gard. Geen makkers en geen wild geraas. Door de bomen waaide zelfs geen wind. Heerlijk stil. Had ik de kat niet gehad, dan had ik zeker muizenvoetjes horen gaan: trippeltrippeltrippeltrap. Ook de krant die ik las, ritselde niet, want die gooit mijn goeie buur (vier verre vrienden waard!) geruisloos door mijn digitale brievenbus. Heerlijk, zo stil. Zo stil was het, dat ik mijn gedachten kon horen. En die klonken, als altijd, naar een boom vol spreeuwen die zich klaarmaken voor de nacht, een paar straten verderop. Ik dacht maar eens over Zwarte Piet, daar hoort men immers iets over te vinden.

Toen schrok ik, want ik dacht dat ik mezelf hoorde grinniken. Gelukkig bleek het de potkachel te zijn, die stond te snorren op vier, alsof dat nog steeds heel gewoon was. Gut, dat is waar ook, ik moet dit jaar de schoorsteenveger nog bellen! En weer hadden de spreeuwen het over Zwarte Piet. In de krant had ik immers gelezen dat het een geniale vondst was om het zwart van Piet aan zijn roetige arbeidsomstandigheden te wijten. De spreeuwenbomen bleken hoog en stonden langs een tuinpad, aan het eind waarvan ik mijn vader zag staan. Die was een halve eeuw geleden al op dat idee gekomen. Wat moest hij anders: we hadden daar in die “neevlen van het Noorden – Die winters dempen weiden, slooten dicht” nog nooit een ‘medemens-met-een-donkere-huidskleur-zal-ik-maar-zeggen‘ gezien. Die kwamen pas na zijn dood, een paar jaar later.

Ach, ik kan moeilijk zeggen dat er voor mij niets op het spel staat. Ik zou ‘m missen, Zwarte Piet. Maar ik heb niet veel te vrezen, want ik zal blij zijn met die dartele levende bezems, die (let op mijn woorden) over een jaar of tien als geluk zo gewoon zijn. Onder mijn vrienden tel ik één telg uit een roemrijk geslacht van schoorsteenvegers. Zal hij zich vereerd voelen? En verder heb ik al het wild geraas rond Zwarte Piet met grote verwondering gadegeslagen. Ik zag hoe de hoogopgeleiden met de winst van morele superioriteit aan de haal gingen en door de populisten met grachtengordelitis werden gediagnosticeerd. De nieuwe kloof, de oude klassenstrijd. Ik stond te kijken van de intellectuele ijver die aan al die analyses en duidingen werd besteed. Bovenal verbaasde ik me over al die mensen die serieus dachten dat cultuuruitingen met behulp van het Recht konden worden vastgelegd of uitgebannen. Quod deus avertat.

Nee, als je het mij vraagt zal het heil dit keer niet van de intelligentsia of de politiek komen, maar van de commercie en het amusement. Hopelijk was ik niet de enige die dubbel lag om de Sinterklaasreclame van bol.com of om de vindingrijkheid van de makers van het Sinterklaasjournaal. Vandaag stond er een interview in de krant met Ajé Boschhuizen, de baas van het circus. Ik was aangenaam getroffen door de bescheidenheid van die man. Hij gaf een kijkje in de keuken waar hij “een leuk tv-programma wilde maken, dat reflecteert op die discussie. Niets meer en niets minder.” Indrukwekkend. En dan weer die bescheidenheid: “We varen met de stoomboot door een smalle sloot. We kunnen een beetje naar links en een beetje naar rechts. Maar nooit teveel, want dan lopen we vast. Dat neemt niet weg dat we een grote verantwoordelijkheid voelen.”

En let op zijn relativeringsvermogen: “Ik zei: besef wel dat wij allemaal in Het Reservaat leven; Amsterdam, Haarlem, hoogopgeleide, artistieke kringen. Maar daarbuiten ligt een heel ander Nederland.” Speels is hij ook, als hij van de nood een deugd weet te maken in plaats van andersom. De schoorsteen van een verffabriek, die eerst “lelijk in het shot” leek, wordt “een teken” en uiteindelijk de oefenschoorsteen van de pietenschool. “Ik wilde laten zien dat piet een functie is; iets wat je kan leren.” Ook hier denkt hij op door, want de magie moet blijven. Als hij de Sinterklaastraditie “een sprookje” noemt, denk ik meteen aan de pogingen van weleer om heksen en stiefmoeders uit de kinderboeken te weren. Wat word ik toch oud!

En dan de zwarte sint. Die kun je volgens Boschhuizen “accepteren of niet, en volgend jaar verzinnen we weer iets heel anders. Wij willen juist laten zien: neem het niet te nauw. Je kunt veel kanten uit met deze traditie.” Dat wil ik wel even doorgeven.

Read Full Post »

Older Posts »