Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2018

Wij zijn één

 

Het is bijna vanzelfsprekend en misschien zelf wetenschappelijk te verklaren: aan de kust is Israël seculier, maar hoe verder je landinwaarts reist, hoe godsdienstiger het wordt. In Tel Aviv doet men vol overtuiging alles wat God verboden heeft, in Haïfa en Akkko lijkt godsdienst – net als bij ons – vooral een privé-aangelegenheid en in Achzivland vindt men de Allerhoogste misschien per ongeluk, als de wiet zijn werk goed doet. Het binnenland van Israël is een andere wereld. Over Jerusalem later, nu eerst Tzfat.

Om daar te komen moeten we een eindje richting Akko rijden, om vervolgens door het heuvelland oostwaarts op te klimmen. Het landschap oogt dor, ondanks de herbebossingsprojecten. Leeg ook: als hier werk was, zou er veel plaats voor immigranten zijn. Maar behalve hitte, droogte en steile hellingen heeft de omgeving van Tzfat niet veel te bieden. Als onze huurauto zich eindelijk naar 900 meter boven de zeespiegel heeft geworsteld, zien we de eerste huizen van het stadje. Tevergeefs zoeken onze ogen naar een charme om voor te vallen.

De oude stad lokt nog als een belofte. Daar waren immers ooit de uit Spanje verdreven Sefardiem neergestreken om er de Kaballa tot bloei te brengen en de meest gezaghebbende samenvatting van de joodse wetten te schrijven. Een plek van dergelijk belang moet toch de moeite van het bezoeken waard zijn? Na veel geploeter door rommelige wijken met smalle straten bereiken we de oudste kern en kijken elkaar lichtelijk gedesillusioneerd aan. Een handjevol smoezelige straatjes, waar de historische bouwsels na een lange periode van verval zijn bedolven onder een dikke laag quasi-religieuze koopwaar. Hier en daar herinneren plaquettes aan de muren nog aan de onafhankelijkheidsstrijd van 1948. Met een ander monumentje, zelf alweer aan de verwaarlozing prijsgegeven, wordt de weldoener geëerd, die het verarmde Tzfat tot een toeristische attractie heeft gemaakt.

Op een straathoek kopen we een bekertje vers geperst granaatappelsap. “Dan vind je god [sic],” appte mijn jonge (en niet zo religieuze) vriend Daniël behulpzaam. Het is de derde dag van Soekot, maar de plastic loofhutten die de restaurants voor hun gasten op de stoepen hebben gezet, kunnen mij niet tot het nakomen van mijn religieuze verplichtingen verleiden. We kiezen voor een seculier ogend terras om te lunchen en naar voorbijgangers te kijken. Tijd voor bespiegeling.

Wat Israël voor Joden tot een ‘thuis’ maakt, is dat joods-zijn daar een soort ‘default setting’ is. Even geen minority stress meer. Maar zelfs een buitenstaander ziet dat onder Israëlische Joden een enorme diversiteit heerst. Denk om te beginnen niet dat je het altijd aan iemand kunt zien of zij/hij joods is. Het joodse spectrum loopt er van volledig seculier, via cultuur-joods en traditioneel, naar orthodox en ultra-orthodox. Als liberaal behoor ik daar tot een verwaarloosbare minderheid en word ik door velen niet eens als joods erkend. In Tzfat behoren de meeste inwoners tot het orthodoxe uiteinde van de regenboog en we hadden al gezien dat daar de pot met goud niet staat.

Terwijl wij stukjes heerlijk vers brood in onze hummus dopen, trekt een stoet kinderrijke, en onmiskenbaar joodse, gezinnen aan ons voorbij. De mannen herkenbaar aan hun tzitzit (kwastjes) en de vrouwen aan hun scheitl (pruik) en lange rokken. De kinderen zijn meestal vrij casual gekleed – Hema, geen Bijenkorf – en het merendeel van de jongens draagt pijes (lange haarlokken aan de slapen). Omdat we de tijd nemen voor onze lunch, beginnen ons de verschillen op te vallen: men is duidelijk niet erg consequent in het zich aanmeten van deze kenmerken. Hier voel ook ik me een buitenstaander, want ik weet niets over hoe deze Joden dergelijke onderlinge verschillen waarderen. Gemoedelijk, vermoed ik wel, als ik zie hoe divers men binnen een gezin of vriendengroepje kan zijn.

Dat het joodse volk, ondanks al die verschillen, toch een eenheid blijft, is volgens velen meer aan de buitenwereld te danken dan aan onszelf. Met welk een knarsetanden dat gepaard kan gaan, zag ik afgelopen weekend weer eens in een tweet van de volledig seculiere Netanyahu naar aanleiding van de terreurdaad in Pittsburgh:

 

 

 

Waarom gebruikt hij tot tweemaal toe het woord “synagogue”? Omdat de Israëlische opperrabbijn David Lau dat heel opvallend niet had gedaan: de Tree of Life Synagogue behoort tot de Conservative gemeenschap in Amerika, en die wordt door het Israëlische opperrabbinaat niet erkend. Zo doe je dat dus, één zijn.

Advertenties

Read Full Post »

Gloed

 

Het is nog heel warm in Israël, terwijl wij daar zijn. Ongeveer zoals hier tijdens de hittegolf van de afgelopen zomer. Elke dag schijnt de zon. Heel fijn, maar toch ben ik maar wat blij dat Willis Haviland Carrier voor ons de airconditioning heeft uitgevonden. Elk huis en elke auto heeft er een, in Israël. Hoe hebben ze dat vóór 1960 gedaan, vraag ik me af. Het antwoord vind ik in de soeks van Safed, Akko en Jerusalem: je verstopt je openbare ruimte onder en achter veel metselwerk, zodat de zon er niet bij kan.

In de roman die ik lees op momenten dat ik niet loop, rijd, praat of eet, komen twee van de personages tot de volgende observatie:

‘Mensen die in de woestijn wonen zijn altijd geïnteresseerd in God.’
‘En als het maar warm genoeg is, menen ze Hem nog te zien ook.’
‘En als ze geen pet op hebben, beginnen ze ook nog met Hem te praten.’

Meir Shalev, De grote vrouw

Is het daarom dat in deze regio drie grote wereldgodsdiensten zijn ontstaan?

In de oude stad van Jerusalem wijst een behulpzame koopman, naar later blijkt een bedouïn, ons een weg naar het dak van de stad. Ergens op de grens tussen de moslimwijk en het christelijk kwartier lopen wij opeens door een stedelijk woestijnlandschap. De daken reflecteren de felle zon en nergens is schaduw. Er schiet mij een vers te binnen uit een psalm die ik elke morgen zeg. Let op de mooie klank:

mi-k’tsè ha-sjamajiem motsa’o oe-t’koefato al k’tsotam we-één nistar me-chamato

Aan het ene einde van de hemel komt hij op,
aan het andere einde voltooit hij zijn loop,
niets blijft voor zijn gloed verborgen.

Psalm 19:7

De laatste woorden galmen tijdens deze vakantie telkens door mijn hoofd, wanneer we ergens belanden waar we ons voor de zon niet kunnen verstoppen. Ze roepen ook herinneringen wakker aan de tijd dat ik nog op zoek was naar de in- en uitgangen van mijn leven. Hoe dikwijls verbaasde ik mij niet over de rare discrepantie tussen de beeldentaal van de Psalmen, waarmee ik opgroeide, en de natuurlijke werkelijkheid van het land waarin ik geboren was en waarmee ik dacht mij te moeten kunnen verbinden? Het lukte mij niet die kloof te overbruggen.

Opeens snap ik waarom die discrepantie voor mijn gevoel verdwenen is. Die is namelijk inherent aan het Christendom, maar in het Jodendom totaal afwezig. De christelijke boodschap is – vaak sterk vergeestelijkt – door zendelingen overgeplant naar West-Europa (en elders). Vrome Vlamingen lossen de vervreemding op door hun Klein Jezuken ter wereld te laten komen in een licht glooiend sneeuwlandschap en onder een rieten dak. De Joden hebben altijd hun hele beschaving meegenomen, overal waar zij heen trokken, en zo de band met het Land levend gehouden.

Over de hele wereld worden tijdens Soekot (het Loofhuttenfeest) de “arba’a miniem” meegebracht naar de plaatsen waar we samenkomen. De etrog, de loelav, de hadas en de arava worden vaak van ver gehaald, maar zijn niet ‘exotisch’. We nemen ze bij elkaar in onze handen en schudden ermee in een vrolijk ritueel, tot de palmtak ratelt als de regen op de droge aarde. Vanaf dat moment tot aan Pesach in het voorjaar is een gebed om regen ingebed in het dagelijks gebed. Deze vakantie was dan wel geen bedevaart, maar het zien van de zon zoals hij daar schijnt neem ik mee, wanneer ik ‘met God praat’.

 

Read Full Post »

Lastig leven

 

*

Voor wie geen geloof heeft

Voor wie geen geloof heeft,
is ’t lastig leven dit jaar.
Het veld vraagt om zegen,
de zee vraagt vertrouwen,
maar jij – jij vraagt niets.

Mijn hart slaapt zijn slaap
en ik – ik slaap ook.
Mijn droom is zwaar van stilte.
Mijn doden wandelen in mijn slaap,
als in een oud kasteel.

Hoe zal ik opstaan uit mijn slaap,
zonder geloof in mijn hart?
En jij – jij vraagt niets.

Lea Goldberg

Read Full Post »

Middelpuntvlieders

*

Toen de Templers klaar waren met de hoofdstraat van hun kolonie, dook er een andere religieuze groepering op, die de keurige rechte lijn die de Duitsers in de vlakte hadden gelegd, door trokken tegen de berg Karmel op. Passer en rij tekenden er 18 hangende tuinen, met in het midden een mausoleum, waarin hun founding father ter eeuwiger ruste werd gelegd. Het koepeldak werd bedekt met 12000 gouden dakpannetjes van Hollandse makelij. Bij dag en bij nacht een aanblik van raadselachtige schoonheid, aantrekkelijk en afstotend tegelijk.

Op een zonnige morgen togen wij daarheen (daarheen!) om de Tuinen van Baha’i te bezoeken. Bewakers bij het hek legden ons uit dat de tuinen een heiligdom vormden, wat betekende dat er van alles niet mocht: met blote benen lopen, kauwgum kauwen, spugen, op het marmer zitten, het water aanraken. Plechtig beklommen wij de trappen naar het tweede terras, om daar tot de ontdekking te komen dat de volgende terrassen niet toegankelijk waren. We namen daarom rustig de tijd om het eerste terras van boven te aanschouwen.

“De gids vertelt dat de baha’im streven naar de eenmaking van de mensheid,” verbrak ik de stilte. “Een sympathiek verlangen,” meende Max, die doorgaans wat meer hart heeft voor universalistische idealen dan ik, die meteen vond dat we (de baha’im incluis) dat maar beter aan God kunnen overlaten. Voordat we het door voorzichtig argumenteren eens hadden kunnen worden, naderden we elkaar al doordat het gesprek een scherpe bocht maakte en daarachter over mystieke ervaringen bleek te gaan. “Kent iemand dat gevoel etc.” Ondertussen klonk er een fluitje en alle grassprieten leken ogenblikkelijk in het gelid te staan en te salueren. Een kind had zijn hand in het water gestoken.

Twee schuldelozen stonden daarboven en keken ernaar. We spraken met elkaar over de mystieke ervaringen die ons zo nu en dan overdiend ten deel vielen.

‘T is, of een punt tot cirkel gaat verwijden;
‘T is, of een cirkel punt wordt en verschiet.

Misschien is het wel zo dat mystici, per ongeluk of express, uiteenvallen in twee categorieën: middelpuntvlieders en middelpuntzoekers. Al naar gelang zij tot het Al-Ene komen door God te vinden in Alles of in het Niets. Middelpuntvlieders waren wij. We liepen elk langs een afzonderlijke trap naar beneden en vonden elkaar daar weer. Wat nu?

Een bewaker vertelde ons dat er ter hoogte van de tempel nog een andere toegang tot de Tuinen was, dus wij begonnen aan een lange klim, die ons langs de shabby achterkant van Haïfa voerde, waar zwerfkatten woonden in uitpuilende vuilcontainers en mensen paradijsjes schiepen op erfjes ter grootte van een postzegel. Door een hek met weer twee bewakers floepten we opnieuw het domein van de perfectie binnen. Daar stond de gouden koepel, middenin een arboretum vol cactussen en vetplanten. Caroben en nog exotischer bomen boden ons schaduw. Het heilige der heiligen was al gesloten, maar ik voelde me in die tuin wel dicht genoeg bij de God van de Baha’i. De spanning tussen leven en wet stond er op springen.

Ons verlangen (naar wat eigenlijk?) voerde ons naar nog groter hoogte. In de toenemende hitte verdwaalden we in een ruigte, die ooit bedoeld was om een parkje te worden. Een bankje stond eenzaam te verpieteren op een plek waar men eens over de baai uit kon kijken. Nadat er een flat op de zichtlijn was gebouwd, had men de zaailingen van den en steeneik ook maar vrij spel gelaten. Niemand nam nog op dat bankje plaats, of het moest een junkie zijn. Alles liep hier dood.

Hoe kwamen we er weer uit? Met volharding, zegt een achtergebleven calvinist in mijn multiculturele binnenwereld. Een volharding die dan uiteraard ook beloond werd: bovenop de Karmel, aan de rechov Yefe Nof 99 (de Mooi Uitzichtstraat), stond een Georgisch restaurant. Het eten was er met veel liefde klaargemaakt, de bediening huiselijk en hoffelijk tegelijk, het uitzicht niet te overtreffen en het bier koel en welverdiend. Ik heb beloofd reclame te maken . . . .

 

Read Full Post »

Nog even leven

 

De eerste werkweek na mijn vakantie was “best pittig”: qua uren ging ik ruim over mijn gebruikelijke bovengrens heen, want de avonden waren lang. Daarbij moest ik mijn weg zien te vinden in een buurt die ik niet kende en uitvinden hoe de hazen liepen bij een dertigtal cliënten, die ik nog nooit gezien had. Zij mij ook niet, maar in de meeste gevallen was het ijs snel gebroken. Terwijl ik de noodzakelijke handelingen verrichtte, opende ik mij als een schaal waar alles in past. Van de weeromstuit ging bij de mensen tegenover mij het lid van de kan en stroomden hun levensverhalen schuimend in die schaal.

Wat een levens! Wat een verhalen!

“Hoe lang bent u al blind?” – “Vanaf mijn negentiende. Mijn man sloeg me een keer op mijn gezicht, terwijl ik een zonnebril op had.” Zijn straf kwam, jaren later, van de kant van een broer van zijn tweede vrouw, die hem aan een zwaard reeg, zodat hij voor de rest van zijn leven halfzijdig verlamd was.

“Een foutje van het AMC!” moppert een levendige oude dame “met rare hobbies”. “Ze hebben mijn schildklier weggehaald, maar daarbij een zenuw geraakt. Toen heb ik zes dagen in coma gelegen en daarna kon ik niet meer praten.” Dankzij een ingenieus systeem met canules, die zij behendig in een gaatje onder haar strottenhoofd schuift, kan zij nu weer praten. Maar als zij per ongeluk in slaap valt met de verkeerde canule erin, dan is ze binnen twee uur dood.

Een op het eerste gezicht heldere mevrouw van 93, die me de tweede avond op het hart drukt dat zij liever “veel ijs en weinig soep” wil, laat zich door mij voor de nacht opsluiten achter drie rollluiken en vier sloten op de voordeur. In de rapportage lees ik dat zij desondanks om 2:00 uur de politie heeft gebeld, omdat er volgens haar mensen door het huis scharrelden.

Ruwe bolster, blanke pit, of in iedere geval een hele stoere man met een klein hartje. Als bouwvakker heeft hij een val van een steiger overleefd, van zeven hoog. Later heeft hij zeven TIA’s meegemaakt. Hij verontschuldigt zich over het feit dat hij zo schreeuwt. “Mijn eigen zoon ook: ik ben een keer met een motorzaag op ‘m afgestapt. Nou gaat je kop eraf, zei ik, en ik trok ‘m aan. De motor liep, zo’n zware motor, en ik stapte op ‘m af. Een blad van een meter zat erop, zo eentje om funderingen te slopen. Ik zeg, je kop gaat eraf! Als je ’t verdomt om te werken, dan gaat je kop eraf!”

Vanaf een laag bedje kijkt een lief gezicht met een wit ringbaardje, gedragen door scoliose schoudertjes, mij aan. Of ik beneden in de keuken de kippensoep, die zijn zoon heeft klaargezet, wil opwarmen. Ik dwaal per ongeluk door het huis, dat helemaal vol staat met klokken. Hoe was er plek voor een vrouw in het leven van deze verzamelaar?

Je zult maar 104 worden, doodmoe zijn en nog een goede eetlust hebben. Het motorische deel van je lijf doet bijna niets meer, maar je spijvertering en je bewustzijn gaan stug door. Dan moet je je met een tillift uit je stoel laten hijsen, door de lucht naar je bed zweven, daar neergelaten worden en al heen en weer rollend door twee vrolijk kwebbelende verzorgsters verschoond en omgekleed worden. Je hoort ze niet meer “welterusten, lieverd!” roepen, terwijl het licht uitgaat, want dan ben je al in slaap.

Of – en dat was voor mij persoonlijk schokkend – je bent pas 65 en je krijgt in juni van dit jaar te horen dat je kanker hebt. Op dinsdagavond lag hij me met wijdopen ogen aan te staren, terwijl ik hem op een nat washandje liet sabbelen. Niet meer in staat om zich te uiten. Ver weg. “Tot ziens,” zei ik beleefd, maar de volgende avond hoefde ik er niet meer naar toe. Hij was er al niet meer.

Ergens middenin een heel beschouwelijk gesprek met een mevrouw die ik nog vanuit een andere wijk kende, begin ik Let it be van de Beatles te zingen. “Mother Mary, weet je wie dat is?” vraagt ze en haalt een doosje met daarop een afbeelding van de Heilige Maagd tevoorschijn. Daarin bevindt zich een rozenkrans. “Die bid ik elke avond helemaal. Dat heb ik aan God beloofd, toen mijn dochter vermist was. Vier jaar lang is ze weg geweest, maar toen kwam ze terug. Mijn gebed was verhoord.” Die avond zal ze haar rozenkrans voor mij bidden, zegt ze bij het afscheid.

In dezelfde aanleunflat woont nog zo’n vrome katholieke vrouw, met net zo’n Brabants accent. Zij was 23 en moeder van drie dochters, toen ze in coma raakte en een bijna-dood ervaring had. “Ik was in een tunnel en alles was wit, heel erg wit. Maar ik kon nog niet gaan, want ik wilde mijn oudste dochter niet alleen laten. Dat was een zenuwenkind en de anderen waren niet lief voor haar.” Nu is haar dochter 71 en woont in Spanje, zelf ook weduwe. Ze bellen elkaar elke dag.

Hij is klein, veel kleiner dan ik – een Indonesische man. Voor hem hoeft het allemaal niet meer: 93 jaar is hij en vanwege een herseninfarct kan hij moeilijk lopen en vaak moeilijk op de juiste woorden komen. Zijn vrouw is schizofreen en sinds kort gedwongen opgenomen. Vanaf de computer zingt Roberta Flack: “. . . telling my whole life with his words . . .” Waar ging zijn leven over? Ik vraag het maar rechtuit, want ik ben nieuwsgierig en merk aan hem dat hij graag wil praten. “Mijn leven is mislukt,” begint hij en ik spartel al in zijn net. “U lacht erbij,” zeg ik, en zie hoe mijn eigen glimlach tegen de zijne in glanst. Onmiddellijk weet ik, dat ik niet gauw genoeg zal krijgen van die Democritus-lach van hem. Wijs? Sluw? Cynisch? Er op uit om te verleiden? Als het halve uur om is, weet ik meer van hem dan hij van mij, maar prijst hij mijn schoonheid én mijn intellect.
Zo wil hij nog wel even . . . .

Ziezo, de schaal was erg vol, de rest ging over de rand. Nu is hij weer leeg.

 

Read Full Post »

Dahin! Dahin!

 

*

“Dahin! Dahin!” grapte een erudiete vriendin, toen ik bovenstaande foto van ons onderkomen in Haïfa had rondge-appt. Ze sloeg de juiste toon aan, in de juiste taal: het huis stond in de German Colony en met die cipres, die bougainvillea en – ja, werkelijk! – een boom vol citroenen aan de achterkant, had het zomaar romantisch Italië kunnen zijn. Op andere plekken in de stad waande Max – mijn reisgezel – zich in Griekenland, weer ergens anders voelde ik me verdwaald in Catalonië, of gedropt in Zuid-Frankrijk. Op de avond van aankomst (het was de eerste dag van Soekot, het Loofhuttenfeest) waren wij op zoek naar de enige winkel die volgens onze huisbaas nog open zou zijn: de Russische supermarkt. De enige mensen die we in het vreemd-stille donker tegenkwamen en naar de weg vroegen, spraken een karig mondjevol Engels, met een vet Russisch accent. Van jiddisjkat geen spoor, de Joden van Haïfa zijn overwegend seculier.

Naïef als ik ben, had ik landlord Samuel nog een chag sameach (fijne feestdagen) gewenst, maar toen hij de wens niet herhaalde en beleefd “thank you” zei, keek ik vlug naar de deurposten en miste de mezoeza’s. Bij het lichtknopje in mijn slaapkamer hing Jezus aan zijn kruis. Ik dacht nog even “zal ik ‘m zolang in een laatje leggen?”, maar dat vond ik toch een beetje zielig. Bovendien: hij was misschien geen jolige jongen, maar hij heeft ook nog nooit iemand kwaad gedaan. Dus lag ik daar, in een heerlijk bed, onder een loeiende oude airco, aangestaard door een soort boekenkerkhof van christelijk-theologische werken, in het meest joodse land ter wereld in mijn eentje joods te zijn.

We raakten ogenblikkelijk nieuwsgierig naar de geschiedenis van dit oude huis vol oude spullen. Had Samuel het misschien aangekleed met een deel van de winkelvoorraad van zijn schoonvader, een handelaar in brocante? Nee, daarvoor zat er toch net iets teveel samenhang in de rommel. Onafhankelijk van elkaar, en toch wel een tikje schaamtevol, begonnen we te neuzen in de boeken. Toen Max opeens met een dagboek in zijn handen stond en blij was dat het in het Fins was geschreven, zodat hij zijn nieuwsgierigheid niet op zo’n spannend moment zou hoeven wurgen, hadden we toch al de meeste puzzelstukjes bij elkaar. Hier had een christelijke Arabier gewoond, die getrouwd was met een Finse vrouw. Eén van hen had zich intensief beziggehouden met huwelijksperikelen vanuit christelijk perspectief. Samuel moest zich schamen, dat hij het huis van zijn overleden ouders aan wildvreemde mensen verhuurde, terwijl hun leven er nog niet eens helemaal uit geweken was.

*

*

De dagen daarop hoefden we maar twee stappen buiten de deur te zetten, of we bevonden ons in een ander bijzonder stuk geschiedenis: the German Colony. Wij woonden pal achter de lange straat, die de 19de-eeuwse Templars hier gebouwd hadden. Letterlijk in wat ooit hun achtertuin was, die daarom heel toepasselijk Rechov Ha-Ganim (Straat van de Tuinen) heette. Ooit een toonbeeld van orde en nijverheid, was de hoofdstraat van de kolonie nu bevorderd of gedegradeerd (doorhalen etc.) tot een uitgaanscentrum vol restaurants met enorme terrassen. Volgens mijn reisgids was de oude wijk “gerestaureerd”, maar op het eerste gezicht vielen de rafelranden erg in het oog. Verkrottende monumenten: waarom is dat Oosters in mijn ogen?

De hoofdstraat van de German Colony werd voor ons vooral de plek waar we op zwoele nazomeravonden Levantijns aten en grote, koele glazen bier dronken op feestelijk verlichte terrassen. We raakten beiden gefascineerd door de teksten die, in het prachtige Duits van de Lutherbijbel, de lateiën boven de deuren van de huizen sierden en ik begon al met het doorploegen van Wikipedia-pagina’s, teneinde iets over die Templers te weten te komen. Wat bezielde die mensen toch, om op deze destijds desolate plek, onder de macht van de Ottomaanse sultans, een kolonie te stichten? Hoe kan het dat zij met een dergelijk kleinschalig plan zo snel zo succesvol waren. Kunnen dergelijke micro-geschiedenissen mij wijzer maken over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een multiculturele samenleving? Al is de Tempelgesellschaft hier allang weer verdwenen, voorlopig lijkt die van “downtown” Haïfa zeer geslaagd.

 

Read Full Post »

Thuizen

*

 

‘Home is the place where, when you have to go there, 
They have to take you in.’ 

                                      ‘I should have called it 
Something you somehow haven’t to deserve.’ 

Robert Frost, The Death of the Hired Man

 

*

Dat is het: ik weet niet waaraan ik het verdiend heb, maar sinds kort heb ik twee thuizen. Dat was wat ik voelde toen we landden op Ben Gurion Airport. In een flits, later was het soms weg, soms overweldigend, meestal vaag aanwezig en tenslotte iets waarvan ik me los kon maken in de zekerheid dat ik terug zou komen. Het was dus geen vakantie, geen bedevaart, geen reis, maar een thuiskomen. In het Goede Land, dat mijn pas gekregen voorouders als van God gegeven hebben ervaren, ook al zei de Eeuwige er duidelijk bij dat het Zijn eigendom was en zou blijven, net als het volk dat er mocht gaan wonen.

Terwijl ik – gisteren pas thuisgekomen in de ballingschap – nog onwennig zit te plukken aan een kluwen draden die ik geacht word ‘weer op te pakken’, neem ik me voor om in de komende weken enkele indrukken van ons verblijf in Israël op dit weblog vast te leggen. Ik zeg “we” en “ons”, want ik was daar niet alleen. Zolang het gaat over wat we deden, zal dat meervoud af en toe weer opduiken; waar het impressies betreft kan ik uiteraard alleen voor mezelf spreken. Wie mijn reisgenoot was, doet er voor de lezer niet toe: hij heeft bovendien recht op enige privacy. Voor mijzelf maakte het veel uit, dat hij mee was. Als nóg een thuis, dat ik niet heb hoeven verdienen.

Tussen het scherm en mijn toetsenbord ligt Poezemien alweer te spinnen, staat op en likt haar linker voorpoot. Ik ben thuis.

Read Full Post »