Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2015

Klaar

30042015

Er is al een hele poos iets merkwaardigs aan de hand met het woordje ‘klaar‘. Dat komt door de zegswijze: “Ik ben er helemaal klaar mee!” Een zeer eigentijdse uitdrukking, ik kan me beslist herinneren dat ze er nog niet was, maar niet hoe lang dat geleden is. Iedereen weet dat ze niet bedoelt wat ze zegt, eerder het tegendeel. Wie deze woorden in de mond neemt, heeft niet zojuist iets tot een goed einde gebracht. Eigenlijk dienen ze om aan te geven dat diegene vóór het zover is wil afhaken, bij gebrek aan vertrouwen in de goede afloop.

Ik zie een parallel met de opkomst van het begrip ‘een voltooid leven’. Ook hier is het einde niet bereikt, maar verwoordt zich de behoefte om het laatste stukje over te slaan. Het leven lijkt gereduceerd tot een verzameling doelstellingen, die gehaald zijn, en wat het verder in petto heeft, daar spelen we liever geen rol meer in. Blijkbaar zien we onszelf als auteur van ons leven en niet als acteur in het leven.

Dat ‘klaar zijn’ ook nog de ouderwetse betekenis kan hebben, waarmee ik ben opgegroeid, mocht ik de afgelopen week meemaken. Het begon zo: slenterend over de vrijmarkt op Koningsdag hoorde ik bij toeval, dat de oude boerin van de volkstuinvereniging waarin ik ooit twee decennia heb meegedraaid, was overleden. Het toeval kan zeer zorgzaam zijn. Iets later vernam ik dat zij in haar huisje op de tuin lag opgebaard en dat men daar afscheid van haar kon nemen. Opnieuw zorgde het toeval ervoor dat ik in de gelegenheid was om haar die eer te bewijzen, maar eigenlijk was ik degene die iets ontving en daar ben ik je dankbaar voor, lieve Ank.

Zoals je daar lag in de plek die nog warm was van je liefde voor de materiële wereld, te midden van een heleboel jampotjes en verweesde limonadeglaasjes vol veldbloemen, leek het wel alsof je niet dood was, maar stil gezet. Voor ons, zodat we even konden wennen aan je verscheiden. De rouwkaart zegt, dat je “genoot van het avontuur van het leven” en je dochter vertelde me dat je “klaar was voor een nieuw avontuur”. Klaar vóór. Van jou kan ik me niet voorstellen dat je ooit ergens ‘klaar mee’ zou zijn.

Ik werd wel eens wat ongemakkelijk van de kracht en het geduld, waarmee je een vooroorlogs idealisme droeg en uitdroeg. Het was tegelijk wel en niet aanstekelijk, want ik zou er nooit aan kunnen tippen. Niettemin had ik vaak de indruk dat je me voorging op een weg die ik ook te gaan heb: vanuit een moeilijk begin en behept met een niet al te makkelijk karakter op zoek naar wijsheid en liefde. Zonder de zekerheid dat je het tot een goed einde zult brengen. Maar misschien gaat het daar ook niet om en is het al heel wat als het je lukt om klaar te zijn voor wat er komt. Avontuur.

In mijn herinnering loop je trouwens niet voor me uit, maar naast me, zoals we dikwijls samen ‘naar achteren’ liepen. Jij naar je kippen en ik naar mijn akkertje. Elk aan een kant naast het middenpad, dat destijds nog te smal was voor twee mensen tegelijk. In december schoot je me soms aan: “Wil je nog een paar hanen?” Ze hoefden niets te kosten, want ze waren toch ‘over’, maar ik moest ze wel zelf de kop af slaan. Ik weet nog goed hoe je me toch maar even hielp, de eerste keer. De haan – in het donker van de vorige avond in zijn kraag gevat – zat te kleumen onder een afgedankte stalen melkkrat in de schuur, met een royaal galgenmaal en een bakje water naast zich. Hij schreeuwde moord en brand, toen je hem oppakte en naar buiten het erf op droeg, waar we hakblok en bijl hadden klaargelegd. Vlak voordat zijn einde daar was, sprak je hem geruststellend toe, als een kind, dat voor het eerst naar de kapper moest.

Voor een ander mag dat misschien een beetje gek klinken, maar niet voor mij, toen ik die dag naar de eerbied in jouw stem luisterde, met de haan in mijn linkerhand en de bijl in de rechter. Jij had een overtuigingskracht, die me is bijgebleven in de jaren die volgden. Je had eerbied voor het leven en was niet bang voor de dood, ook niet toen hij je recht in de ogen keek. Je kinderen zeggen dat je zelfs “vrolijk” was, die laatste dag. Nu loop je weer voor me uit. Ik blijf nog even, denk ik, tot ik klaar ben, en zeg maar: “Tot ziens.”

Read Full Post »

22052015

Wat is er toch zo aantrekkelijk aan tegenstellingen en tweedelingen? Misschien de eenvoud ervan: je trekt een lijn, noemt de ene kant “boven” en de andere “onder” en de rest gaat vanzelf. Berry Koeleman wil ons “boven de lijn” krijgen, en hij wil dat we daar ook blijven. Ah, het gaat hem dus om houvast, om grip op de zaak! En voor je het weet is het een kwestie van identiteit: “Ben jij een zuigtabletje of ben jij een bruistabletje?” Op dat punt aangeland denk ik: “Wat een quatsch!” Geef mij maar die tuinder, die mijn vader “een zwaarmoedig man” noemde, maar na twee slokken koffie uit zijn thermoskan besloot dat hij desalniettemin “een levensgenieter” was.

Hoe kan het dat vroeger één mens die twee extremen in zich kon verenigen, terwijl wij nu een substantieel deel van onze samenleving drogeren, omdat zij onversneden bruistabletjes of zuigtabletjes zouden zijn? Een antwoord vind ik in de biografie van Vasalis, die ik herlees:

Er werd veel geleden en het lijkt me nu, dat het lijden gedragen werd zonder het extra-leed dat het vernederende besef van abnormaliteit met zich meebrengt.

Ik kan ook dichter bij huis blijven. Proef de loze managersmantra van Koeleman nog even op de tong: “Wat heb jij nodig?” Wij hebben voor ons team en het zusterteam een werkbare kantoorruimte nodig. Dat wil maar niet lukken. Terwijl het water ons naar de lippen stijgt, stapt degene die – in figuurlijke zin – het kortst van stuk is nog maar eens naar de manager. En wat krijgt ze te horen? Juist: “Wat heb jij nodig?” Daarmee werd de afgelopen dertig jaar menige gemeenschappelijke kwestie tot een persoonlijk probleem gereduceerd. Precies wat we nodig hebben.

Zorg dus maar dat je boven de lijn bent – en blijft -, want voor je het weet lig je eruit. Aan losers hebben we niks. De volgende stap brengt je onder de grond, zie Arthur Gotlieb. Ook in het geval van de piloot van Germanwings wordt gewezen naar het huidige arbeidsethos. En dat allemaal vanwege een economie die zo heet loopt dat het geld aan de top verdampt, terwijl de druk naar onderen almaar verder toeneemt. In het midden de lijn.

Hoe zit het met de dichters, vroeg een collega mij. Zijn dat zuigtabletjes, of pendelen zij tussen de uitersten? Laat ik – zelf een “lyrisch kind”, in de zin van Avraham Chalfi – er dit over zeggen. Ik zie mijzelf graag als een kauwtabletje. Die hebben nooit een breuklijn in het midden en dat bevalt me goed. Ik ben zeer melancholiek van aard, maar zelden chagrijnig aan tafel. Doorgaans zelfs vrolijk: als een vloot scheepjes met kleurige zeiltjes drijft mijn opgewektheid op een grote plas verdriet. De zon schittert op de dartele golfjes. Daarnaast lig ik als een koe in de wei en herkauw de dag, terwijl mijn oren flapperen naar de vliegen rond mijn ogen.

Luister tot slot naar de verrukkelijkste kauwtablet ooit, Simon Carmiggelt. Dan steek je ook nog iets op over de chemie van bruistabletjes en zuigtabletjes:

Read Full Post »

Bittere chocolade

17042015

Bitter in de mond maakt het hart gezond.

mijn moeder

*

Eigenlijk zou ik het vandaag over zuigtabletjes en bruistabletjes hebben, maar bij nader inzien schrijf ik liever over bittere chocolade. Als het in je leven geen smart regent, maar je de ondergrondse rivier van het verdriet voelt zwellen en brommen, dan is het ergste wat je kan gebeuren dat je iemand tegenkomt die alles van de zonzijde ziet en vindt dat jij dat beter ook kunt doen. Terwijl de beste medicijn in dat geval juist homeopathisch is: het verdriet van een ander. Alleen niet in de gebruikelijke astronomische verdunning. Nee, andersom, meer dan puur, als bittere chocolade van 120 %. Het verdriet van een dichter, dus. Verdriet van de hele wereld.

Het komt allemaal door een liedje, dat we in de Hebreeuwse les behandelden. Heel Israel huilt als het gezongen wordt. Ik zal het zo goed en zo kwaad als dat gaat vertalen en terwijl u het leest mag u luisteren naar Arik Einstein, die het zingt. O ja, de dichter heet Avraham Chalfi. En de muziek is van Miki Gavrielov.

Lied over Toeki Yossi

Ik ga een papegaai kopen en hij zal Yossi heten.
Met hem zal ik praten, als niemand het hoort.
Dan zeg ik hem, ik zeg:
Verdriet is als een beker
En daarin zit wijn, bittere wijn,
Uit druiven van de ziel.

Weet je, Toeki Yossi, jij bent een lyrisch kind.
Jou wacht een stille dood,
Zo stil.
En dan zal ik, met de triestheid van Hameiri,
Fluisteren tegen de muren: Yossi is dood,
Yossi is dood.

Jouw as zal terugkeren van je kooi naar je moederland –
Vanuit je witte kooi naar de okergele aarde,
Zonder kinderen na te laten, of een zwanger papegaaienvrouwtje.
Voor een papegaai als jij is het verboden lief te hebben.

Jij zult niet liefhebben, Yossi, nee, Yossi,
Nooit.

Papegaaien als jij zijn geboren om te vermaken met gebabbel,
Samen met alle dichters, wier hart vuur en woede is,
Te midden van harten, gevoelloos en zondig.

Papegaaien als jij zijn slechts speelgoed in huis,
Waarmee kinderen kunnen spelen.
Babbel nog wat, Toeki Yossi,
Troost me een beetje,
Mijn hart is vandaag hol.

Read Full Post »

Moeders

12042015a

voor Renée

In mijn kamer hangt een schilderij, dat is als een raam met uitzicht op een woeste wereld van wind en licht. Iedere keer als ik ernaar kijk, word ik blij. En het lijkt wel alsof die blijheid groter is doordat ik de kunstenaar van nabij ken en dus weet wat voor een nare man hij is. Bovenop de schoonheidservaring komt nog de verwondering: hoe kan een mens die mij zó tegenstaat zoiets moois maken?

Andersom kan ook, helaas. Dat merkte ik onlangs, toen ik de biografie van Ida Gerhardt las. Door de weinige gedichten die ik van haar kende, maar zeker ook door de bewondering die mensen in mijn omgeving haar toedragen, had ik haar ongemerkt op een voetstuk geplaatst. Dat had ik natuurlijk niet moeten doen, want nu is ze daar van af gevallen. En ik ben bang dat het me niet meer zal lukken haar werk anders dan als een gebarsten vaas te zien.

Het boek van Mieke Koenen is prachtig geschreven, genuanceerd en grondig. Als rode draad kiest zij het “kernprobleem in Ida’s leven”: de gestoorde affectieve relatie met haar moeder. Nu ken ik dat levenslange hunkeren naar erkenning, dat hiervan het gevolg heet te zijn, heel goed; van ver, van nabij, van heel nabij en van binnenuit. Het verbaast me dus niet dat het bij Gerhardt in een levenslange vete uitmondt. Ook niet dat het zich overdraagt naar de verhouding met de andere mensen, met de wereld en tenslotte met het leven zelf. Niettemin heeft het iets van een teleurstelling in zich, om te zien dat iemand die ik een hogere wijsheid had toegedicht, nergens tot een barmhartiger of meer vergevingsgezinde kijk op deze persoonlijke tragedie komt.

Ergens in het boek komt Ida’s oudere zus Truus aan het woord, die volgens mij precies de vinger op de zere plek legt, wanneer zij spreekt van een “onoprechtheid jegens zichzelf”. Juist daardoor klinkt het “hoogstaande ethische gebaar” van “Zus” als een dissonant. En daardoor is haar liefde zo dwingend of zelfs heerszuchtig. Na de zoveelste brief op hoge poten hield ik op met lezen, maar gelukkig bladerde ik wel verder. Zo viel me toch nog iets moois ten deel: haar perceptie van en briefwisseling met M.Vasalis. Heerlijk om te zien hoe twee zo verschillende naturen elkaar liefdevol in elkanders waarde laten en misschien zelfs werkelijk weten te waarderen.

Het contrast kan haast niet groter. Waar het de moederbinding betreft, leeft de één in een sfeer van strijd en verwijdering, terwijl de ander de versmelting zoekt. Kijkt men naar hun verzen: de één likt ze als een berin haar jongen, de ander baart ze als een hinde, ze lopen meteen achter haar aan. Taakopvatting en levensstijl? Strengheid en ascese aan de ene kant, een zekere slordigheid en een hang naar roes aan de andere. Kom, Nietzsche, noem het maar apollinisch tegenover dionysisch. En toch, de dames dansen behoedzaam, maar niet krampachtig om elkaar heen. Gerhardt eert Vasalis met een gedicht:

Soms lijken uw verzen uit oerleem,
een aarde zwaar van gehalte,
nog vochtig van wegtrekkend water.
Het leem van de eerste mens Adam.

Soms naderen zij mij als nevelen,
damp van de waterwoestijnen
des aanvangs. Het raam van mijn kamer
wordt wit; er is mist aan mijn haren.

En soms zijn zij adem en windvlaag.

Maar mijn tranen zijn om die enkele
die ontstijgen alreeds bij de aanhef.
De ontzegden; óók aan uzelve.
Zij vinden hun weg naar de sterren.

Vasalis bedankt haar, maar zet zich even voorzichtig als stellig af tegen dat “ontstijgen” en eindigt haar brief met een heel impliciete verwijzing naar één van mijn lievelingsgedichten, waardoor ik nu weet dat het over haar moeder gaat, en niet – zoals ik dacht – over een geliefde:

Soms, als gij zwijgt en uit het venster schouwt
grijpt mij uw schoonheid als een wanhoop aan,
een wanhoop door geen troost te blussen,
niet door te spreken, niet door te kussen,
even groot als mijn bestaan, en even oud.

Dat ik u zien moet en u niet kan zijn,
van u gescheiden door mijn eigen ogen,
dat gij daar zit, zo buiten mij geboren,
het doet als een geboorte pijn.

Wanneer gij zwijgt en uit het venster ziet
komt soms de wind en hij beweegt uw haren,
die aan de boorden van uw voorhoofd staan
als aan een stilstaand water oeverriet.
Soms komt een wolk de hemel langs gevaren,
ik zie de schaduwen over uw ogen gaan.

Dan is het mij alsof gij eeuwig zijt,
of ik maar even bij u leven mag,
alsof mijn tijdelijkheid mij van u scheidt,
dan wendt uw hoofd zich om, ik zie uw lach…

 

12042015b

Read Full Post »

Betaalde liefde

09042015

Gisteren kwam ik op een kruispunt hier om de hoek een oude kennis tegen. Onze kinderen zaten ooit in dezelfde klas. Nadat we de blauwe lucht en elkaars blauwe oorbellen hadden bewonderd, begonnen we over het werk in de zorg, want wij zijn ook collega’s. Aanhakend bij onze gedeelde liefde voor bescheiden opsmuk, vertelde zij dat ze zich in haar werk wel eens vrouwelijker voordoet dan ze is. “Ik trek wel eens een jurkje aan, als ik met één van mijn cliënten op stap moet. (Zij werkt in de psychiatrie.) Sommige van die mannen hebben veel moeite met hun seksualiteit, omdat ze geen relaties kunnen aangaan. Die genieten er heel erg van als het lijkt alsof ze met een heuse vrouw op stap zijn, in plaats van met een professioneel begeleidster. En ik ben dol op toneelspelen,” besloot ze lachend.

Om aan te geven dat ik dat wel herkenbaar vond, vertelde ik dat we ook in de thuiszorg wel mannen tegenkomen die de zorg graag een beetje erotiseren. Ik dacht meteen aan die meneer van in de negentig, die bij het opstaan liever even steun zoekt bij mijn flanken dan bij de leuning van zijn stoel. Wanneer ik de tijd neem om met hem een kopje koffie te drinken, zegt hij steevast: “We hebben ons moment van intimiteit weer gehad.” En bij de deur is het dan: “Dag, lieverd.” Hij verkeert in de stellige waan dat wij verwante zielen zijn, terwijl ik alleen maar een beetje vriendelijk voor hem ben. Natuurlijk probeer ik hem ook wel te begrenzen, maar waarom zou ik het hem helemaal afnemen? Opeens keek ik iets naar opzij en zei, met mijn hand voor mijn mond: “Soms voel ik me net een hoer.”

Eerst moesten we allebei heel hard lachen en toen dat over was, sloeg niet de schaamte toe, maar zag ik haar gezicht ontspannen. “Ik ben blij dat ik dit eens iemand hardop hoor zeggen. Bij mijn collega’s zou dat echt niet kunnen.” Tja, ik weet ook wel dat het cru klinkt, maar het werk in de zorg heeft nu eenmaal overeenkomsten met de betaalde liefde. We willen allemaal graag dat liefde echt is, maar wat is eigenlijk echt? In de zorg, maar ook daarbuiten, is de grens tussen oprechtheid en hypocrisie niet altijd even duidelijk. Liefde kent veel meer dan vijftig tinten grijs en, al ben ik nu misschien behoorlijk ‘in your face‘, ik ben een groot voorstander van “oprecht veinzen“.

Betaalde liefde, dus. Dat doet me denken aan de “kwaliteitsbrief ouderenzorg“, die staatssecretaris van Rijn in februari van dit jaar de wereld in stuurde. Ook daarin is sprake van liefde:

“Waardigheid en trots. Liefdevolle zorg voor onze ouderen” Goede zorg voor ouderen in de verpleeghuizen draait in essentie om maximaal behoud van zelfrespect en kwaliteit van leven. Zorg die aansluit bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt, met warme betrokkenheid van familie en naasten: waardigheid. Zorg die met plezier geleverd wordt door gemotiveerde verzorgenden, verpleegkundigen en behandelaars. Zorg die voldoet aan hun beroepsstandaard geleverd in een beschermde woningomgeving, waar sprake is van: (beroeps)trots. Dat zijn de sleutelelementen voor liefdevolle zorg voor onze ouderen.

Over die liefde zijn we het gauw eens, maar over de betaling wil ik het wel even hebben. Want deze mooie woorden verdragen zich niet helemaal met de manier waarop wordt gestreefd naar ‘kostenbeheersing’ in de langdurige zorg. Ik ga me hier niet beklagen over de geringe beloning die mijn beroepsgroep ten deel valt. Maxim Februari schreef ooit in NRC dat verpleegkundigen en verzorgenden op die manier de zorg individueel subsidiëren. Die erkenning is voor mij voldoende, en bovendien ben ik zozeer vergroeid met mijn levensstijl als scharrelmens, dat mijn benen niet eens meer weelde zouden kunnen dragen. Nee, ik hoef geen opslag, maar pleit graag voor een beetje armslag in de zorg. Armslag, hoort gij dat, staatssecretaris, zorgverzekeraars, samenleving! Niet nog meer regels en standaarden en ICT, maar gewoon wat meer Tijd en Geld. Of nee: vooral Vertrouwen.

Met liefde en plezier,

Janiek

Read Full Post »

Kasjeren

05042015a

 

Het was alsof ik wakker werd uit een lange winterslaap. Ik stond op, baadde mij en nam mijn ontbijt. De zon riep me meteen naar buiten en ik liep en ik liep, tot ik buiten de stad was, waar de bomen hun nog kale takken de blauwe lucht in staken, boven de groene nevel van het uitlopend struikgewas uit. Alles rook naar lente en de vogels bouwden hun nesten, overal. Ik zag een kleine bonte specht, die ijverig op een wilgenstam in hamerde. Verderop scheerde een ijsvogeltje langs de dorre rietkraag van het vorig jaar. Opeens smeet de wind een handvol distelvinken op het pad, vlak voor mijn voeten, maar nog voor ik “Ooh!” kon fluisteren, stoven zij weer weg.

Thuisgekomen zie ik mijn huis met andere ogen: die van een “Putzerin“. Het balkon, dat bijna een boerenerf was geworden, moet er het eerst aan geloven. Daarna geloof ik het wel en ga zitten in de zon. Voor die voorjaarsschoonmaak heb ik immers nog een heel voorjaar voor me liggen? Yolo, hakuna matata, morgen is er weer een dag. Met de zon op mijn gezicht sluit ik mijn ogen en zo ontdek ik, dat ik ook nog een innerlijke zolder heb, waar mijn dromen hangen. Ach ja, die had ik ook nog! Tijd om ook daar eens wat orde in te scheppen. Waar was ik ook alweer mee bezig?

Gek, hoe al die dingen na een lange winter weer zo nieuw kunnen lijken. Waar ben ik al die tijd geweest? Opeens dringt het tot mij door: sinds enkele jaren heb ik er een vertrek bij, waarin ik blijkbaar makkelijk verdwaald raak. Ik kijk wel ietwat schuw naar al die mensen in het openbaar vervoer, die met hun smartphones in de weer zijn, en maak me zorgen over app’s waarmee de marktwerking zich straks ook over onze werkroosters zal gaan ontfermen, maar sla ik ook acht op wat ik zelf uitspook in cyberspace? Soms loop ik uren als een kind te struinen over die immense vuilnisbelt van menselijke zelfexpressie, allang vergeten wat ik daar eigenlijk zocht. Dat zie ik nu pas, in het licht van de lentezon.

Misschien wordt het tijd om mijn talent voor procrastinatie hier op los te laten, in plaats van op de vuile vaat van gisteren. Ik sta op en stoot een stapeltje papieren van een tafel. Mijn oog valt op een prent, die kennelijk dateert uit de begindagen van het Wereldwijde Web, toen we nog met gemak tussen die kleverige draden door konden vliegen. Dit plaatje ruim ik op, nee wacht: ik hang het op in mijn bovenkamer. Niet om naar terug, maar om naar vooruit te dromen.

 

05042015b

Voetnoot: kasjeren is jiddish voor de grote schoonmaak die men voor Pesach dient te houden en de Hebreeuwse letters onder het plaatje hierboven vormen het woord Putzerin.

Read Full Post »