Feeds:
Berichten
Reacties

Nieuws

29012017

 

Er is niets nieuws onder de zon.

Kohelet

“De geschiedenis herhaalt zich,” snuift de oude baas naast me schouderophalend. Terwijl hij met een vinger over het schermpje van zijn smartphone veegt, zie ik telkens weer de naam Trump voorbij komen. “Toen hadden ze ook op de verkeerde gegokt. Tja, en opeens was het te laat.” Het is International Holocaust Remembrance Day en de man met wie ik zit te praten is een survivor, dus termen als meme en godwin plakken niet erg.

Hij is ook niet een typische linkse intellectueel, die zich politiek correcte zorgen over het populisme maakt. Hooguit doet hij me denken aan mijn vader, die ik hoorde mopperen op “het wapenkapitaal”, wanneer hij de krant dicht deed en aan tafel kwam. Dat was in de zestiger jaren van de vorige eeuw, maar het had net zo goed nu kunnen zijn, denk ik dan.

Ik weet het niet meer, of weet ik het nog steeds niet? Ik dacht dat ik een nette krant las, maar kreeg onlangs van een academica, die ik nota bene tot mijn eigen bubble rekende, te horen dat ik dan “net zo goed niks kan lezen”. Zelf veegt zij zich in elk onbewaakt ogenblik een weg door de koppen van een handvol kranten en van Breitbart News. Nieuws of nepnieuws, dat is de vraag. Een vraag waar eenvoudige mensen vroeger een eenvoudig antwoord op hadden: “De almanak en de krant . . . .”

Over een poosje moet ik binnen een paar minuten iets zeggen over de Israëlische dichter Yehuda Amichai. Ik overweeg mijn vertaling van een van zijn gedichten voor te lezen, omdat het een van mijn lievelingsgedichten is:

Een mens heeft in zijn leven geen uur om voor alles
een uur te hebben.
En hij heeft geen tijd om tijd te hebben voor alles
wat hij nastreeft.
Kohelet had geen gelijk, toen hij dat zei.

Een mens moet tegelijkertijd haten en liefhebben,
met één paar ogen huilen en lachen,
met één paar handen stenen gooien
en ze met hetzelfde paar handen weer oprapen,
de liefde bedrijven in oorlog
en oorlog voeren in de liefde.

Haten en vergeven, gedenken en vergeten,
rangschikken en verwarren, eten en verteren
wat de langgerekte geschiedenis
over zeer vele jaren uitsmeert.

Een mens heeft in zijn leven geen tijd.
Zodra hij verlaat, zoekt hij weer op,
zodra hij vindt, vergeet hij al,
zodra hij vergeet, heeft hij lief
en zodra hij lief heeft, begint hij te vergeten.

Zijn ziel is geleerd,
zijn ziel is zeer bedreven.
Alleen zijn lichaam blijft altijd
een amateur. Het probeert en het faalt,
leert niet, maar raakt verward,
dronken en blind in zijn lust en zijn pijn.

Hij zal sterven als een vijg in de herfst:
gerimpeld, vol van zichzelf en zoet.
Bladeren verdorren op de grond,
kale takken wijzen al naar boven,
naar een plek waar tijd is voor alles.

Gisteren zat ik naast een andere man, een academicus van mijn eigen leeftijd, die vond dat het eigenlijk wel tijd was voor een politieke moord. Hem heb ik altijd gekend als zeer bedachtzaam, dus dit leek heel even nieuw, misschien. De vrouw aan mijn andere kant sprak hoopvol over jonge studenten in de geesteswetenschappen, die als nieuw zo enthousiast zijn over het eeuwige zoeken van de mens naar De Mens en naar diens verhouding tot de wereld. Maar op de vraag of zij zich in het domein van de politiek door iemand vertegenwoordigd voelden, hadden ook zij geen antwoord. Misschien was dat in de geschiedenis die zich lijkt te herhalen ook al zo. Ik weet het niet meer, of nog steeds niet of . . . .

Poeze-Mientje

07012017

 

Wat een geluk dat ik geen man ben! Of misschien is het al genoeg dat ik geen vrouw heb. Zo’n vrouw die op een goeie dag een lange blonde haar op d’r mans (of vrouws!) schouder ziet liggen, terwijl zij zelf korte donkere krullen heeft. Ze deinst meteen terug en een draaikolk van destructieve gevoelens woelt op vanuit haar binnenste. Haar hoofd is een klok vol galmende vragen: Van wie is die haar?! Hoe oud is zij? Hoe lang is het al gaande? Wat zijn mijn kansen?

Wacht, lieve vrouw (of man!) die er niet is. Ik kan het allemaal uitleggen. Kijk om te beginnen goed. Doe van mijn part het licht aan. Je zult zien dat die haar niet lang is, maar kort, en niet blond, maar wit, en dat ie daar niet alleen ligt, maar met honderd, wat zeg ik, duizend tegelijk! Jij bent er niet, maar er is ook geen ander. Hou nou toch op! Ik heb gewoon een kat in huis gehaald, dat is alles. Echt.

Terwijl ik mij voorzichtig naar rechts draai, naar de lege stoel waartegen ik net zat te praten, schiet er een lichtflits in mijn ooghoek. Een vallende ster, een geest uit een fles. En daar staat ze al: luid spinnend draait ze zich een paar keer om en springt dan op mijn schoot, op mijn toetsenbo0dsVLK[MV=9djkadjqh-38hnv’an, en vandaar weer op mijn schoot.

Tot straks, ik moet even aaien.

O ja, en nu de vragen. Ze (ja, het is een zij) is ongeveer vier jaar oud en ze leeft sinds 27 december 2016 met mij onder één dak. Op die dag heb ik haar gered uit een hel van blaffende honden, getraumatiseerde katten en door oprukkende digitalisering getergde verzorgsters. Daar was ze beland, toen haar vorige baasje/vrouwtje overleed. Volgens de rapportage op haar hokkaart was zij “een lieve, verlegen dame, die eerst vanuit verstopplekjes de kat uit de boom kijkt, maar na een poosje zal ontdekken dat wij mensen wel meevallen en dan vanzelf om een aai zal komen”.

Thuis aangekomen deed ik het deurtje van de mand open en verwijderde ik mij discreet. Na een afwasje van niks kwam ik de kamer weer in. De mand was leeg en de poes onvindbaar. Uiteindelijk bleek zij achter de piano te zijn gekropen. God, wat een sneu gezicht! Angstig ineengedoken zat zij daar, aan alle kanten ingeklemd als een gebakerde baby. Drie dagen heeft dat geduurd, dat verstoppen. Alleen ’s nachts kwam zij tevoorschijn, getuige het lege schoteltje in de keuken en het drolletje dat ik ’s morgens vroeg in de kattenbak zag liggen. Toen kwam vriendin Renée op bezoek, met een zakje kattenlekkers in haar tas. Knisperend met dat zakje en met een hoog stemmetje pratend benaderde zij het bange diertje in haar donkere schuilhoek.

“Poezemientje!” was haar eerste woord en daarmee was zij peetmoeder geworden en had Poeze-Mientje haar naam. Het ijs tussen kat en mens was bovendien gebroken en een dag later sprong het poezenbeest vrolijk op mijn schoot en zette zij het op een spinnen. Ronkend van hartstocht was ze opeens all over me, met heel haar zachte, witte kattenlijf. Vandaar die haren. Zie je wel, niets aan de hand!

Ik kijk nog eens naar de stoel naast me, die nu weer leeg is. Poeze-Mientje ligt op de bank verder te verharen en nog wat na te spinnen. Het is net alsof ik de nagalm van de overgebleven vraag boven die lege plek hoor brommen: “Wat zijn mijn kansen?” Of die vraag nu gesteld wordt door mijzelf of door die imaginaire afwezige (m/v) in mijn leven: het zijn altijd de kansen die je grijpt. Het komt allemaal goed, als je van katten houdt, niet zeurt over een paar haren hier en daar, en net zo met je Berührungsangst omspringt als dit poezemientje.

Veestelijkheden

25122016

Er was eens een Overijsselse boer, die boerde aan de voet van de Pyreneëen. Zeventig zwartbonte koeien graasden daar, onder het toeziend oog van een valse stier, over de glooiende heuvels van een oud landgoed. Eén van die koeien droeg de naam Veest. Dat zat zo: in Vrankrijk kregen alle koeien van een bepaald jaar een naam die begon met een voorgeschreven letter van het alfabet. Het was het jaar van de “V” en de boer had al een Vera, een Vrouke en een Viola, dus hij kon niet zo gauw op iets anders komen. “Dus noemde ik het kalfje Feest, maar dan met een “V”, zei de boer.

De boer was weliswaar een gesjeesde neerlandicus, maar hij kende zijn moedertaal of in ieder geval zijn Komrij niet goed:

De Veest eens Vents klinkt steeds Viriel,

(de mysogyne rest van dit vers googlet u er zelf maar bij)

Op deze winderige Eerste Kerstdag gaan mijn gedachten naar hem en naar de nieuwste politieke rel in ons land. Een opgeblazen premier Rutte toonde zich moreel verontwaardigd over de trend (gezet of gevolgd door de publieke omroep, om “politiek correcte redenen”) om elkaar “fijne feestdagen” te wensen. “In Nederland vieren we Kerst!” zei onze leidsman. “Dat hoort bij onze cultuur. Ik wens de mensen Fijne Kerstdagen en een Gelukkig en Gezond Nieuwjaar.”

Tja, wat moet ik daar mee? Ik vier vandaag Chanoeka in plaats van Kerst. En ondertussen doe ik gewoon mijn werk in de wijk. Wacht, laat ik eens een enquête houden onder de ouderen die ik bezoek. Wat moet het volgens u zijn:

  • Gezegend Kerstfeest
  • Zalig Kerstfeest
  • Prettige Kerstdagen of
  • Fijne Feestdagen?

En zie: de Protestanten kiezen de eerste optie, de Katholieken de tweede, de Seculieren de derde en zo blijft de vierde over voor de jongere generaties.

Dus, meneer Rutte, wat heeft dit in hemelsnaam met “de Nederlandse identiteit” te maken? Bent u misschien van na de zuilenmaatschappij? Of van vóór de multiculturele? Moet de politiek zich echt op zo’n manier over “onze cultuur” ontfermen? Weet u eigenlijk nog wel wat het verschil is tussen cultuur en folklore? Kunt u dit hele gedoe niet beter aan Albert Heijn en de Jumbo uitbesteden? Of gaat u zich voortaan ook met hun “feeststol” bemoeien? En met de “verstopeieren” in de schappen van de Hema?

Kortom: heeft de graaf geen andere zorgen?

Gelukkig hebben wij Chanoeka. Lichtjes en latkes, en veel vrolijkheid, maar voor ernstige types als ik is er ook wat bij: ik mag acht dagen heerlijk nadenken over “assimilatie” versus “traditie” en “particularisme” versus “universalisme”, want daar gaat het feest ook over. Ik heb mezelf daartoe een Chanoeklaaskadootje gegeven, The Dignity of Difference – How to Avoid the Clash of Civilisations van Jonathan Sacks.

Wat u ook doet tijdens deze donkere dagen, ik wens u er veel plezier mee.

Hoekjes

24122016

 

Waarom had ik het hem nooit eerder gezegd? Wat als ik hem voor altijd uit het oog verloren was en hij dit nooit geweten had? De gevolgen daarvan kan ik niet overzien, want die zullen er nooit zijn. Vanochtend was er zomaar een moment, dat ik beslist niet aan zag komen voordat het er was. Op de valreep van mijn vertrek bij mijn huidige werkgever kwam het opeens uit mijn mond: “Ik moet jou nog iets vertellen.”

We stonden voor het sleutelkastje en waren in gesprek over mijn laatste loodjes. “Ik snap je helemaal,” zei hij, “en ik denk dat het goed is wat je doet.” Dat ook hij niet enthousiast is over de plannen van het bedrijf, wist ik wel ongeveer. Dat hij zich niet genoodzaakt voelt daar consequenties aan te verbinden, denk ik wel te snappen. Hoewel, eigenlijk weet ik niet veel van hem. Hij is niet zoals ik, behept met een drang om zich te uiten.

Zo zie ik hem ook nog zitten, in een herinnering van zes jaar geleden, links van mij, aan de verste hoek van de vergadertafel. Stil, glimlachend met neergeslagen ogen, toen onze toenmalige manager aankondigde dat hij ons team ging verlaten, omdat hij de opleiding tot verzorgende ging doen. Zo, zonder enige intentie om iets teweeg te brengen, gaf hij de aanzet tot een verandering in mijn leven, die me onvoorstelbaar veel gebracht heeft. Onbedoeld bracht hij mij op een idee en ik besloot zijn voorbeeld te volgen. Zo simpel was het.

Het deed hem zichtbaar goed, toen ik hem dit vertelde. Misschien moet ik ze vaker doen, zulke bekentenisjes. Meteen schiet me nog zo’n moment te binnen. Ook toen zat het geluk in een hoek, achter een beeldscherm, energiek rammelend op een toetsenbord. Het was haar en een andere collega niet ontgaan dat mijn onvrede met de organisatie van ons werk groeide. Ik kon niet meer verbergen dat ik daar onder leed. “Kan je geloof je niet op de een of andere manier helpen hierin?” vroeg mijn veel jongere collega zomaar opeens.

Dit was niet zo simpel. Maar na wat schermutselingen tussen mijzelf en mij, zag ik in dat ik andere opties had dan in het ene domein te schuilen voor wat mij in het andere te moeilijk viel. Dat er ander manieren zijn to go with the flow dan door te proberen je aanpassingsvermogen op te rekken. Nog een paar dagen en ik ben weg van mijn werkplek en al schrijvend bedenk ik nog dat ik door dat te doen, vanuit mijn klein hoekje, twee andere collega’s aan een nieuwe baan heb geholpen. Onbedoeld, eerder luidruchtig dan stil, maar toch.

The morning after

19122016

 

Look, this goes to the heart of, to the difference between the Jewish messianic temperament and the Christian messianic temperament. Think of it this way: the problem for Jews is that we wait and wait and wait and wait, and he doesn’t come. The problem for the Christians is that he came and the world did not change. The Jews will always so arrange matters, that they will never wake up on the morning after the messiah arrives. Because the risk is much too great, because the world will still be the world.

Dit zegt Leon Wieseltier tegen Simon Schama in het tweede deel van de tevee-serie The Story of the Jews (vanaf de 47ste minuut), naar aanleiding van de zogeheten disputatie van Barcelona in 1263. Maar hoe doen de Joden dat dan? Ik stel me voor dat het bij Wieseltier, net als bij mij, via de route van het intellectualiseren gaat: je klapwiekt wat met de vleugels van je intellect en voor je het weet zweef je veilig boven de menigte die uitzinnig van vreugde achter de messias aan danst. En wanneer iedereen met een kater wakker wordt, schrijf jij er een boek over. Of je leest zo’n boek.

Recentelijk verdiep ik me in de geschiedenis van het sabbatianisme en lees daartoe het nog altijd magistrale werk van Gershom Sholem. In het kort: het sabbatianisme ontstond tijdens de Chanoeka van het jaar 5426 (december 1665 CE), toen Sabbatai Tsvi, door de profeet Nathan van Gaza als messias herkend, zichzelf in het openbaar als zodanig begon te manifesteren. Binnen enkele maanden had hij een grote aanhang onder de Joden in heel Europa. Ook onder de sefardim in Amsterdam. Een tegenstander, Jacob Sasportas, beschrijft in zijn boek Tzitzat Nobel Tzvi de impact van het nieuws over de komst van de messias als volgt:

En er was grote opschudding in Amsterdam, alsof er een hevige siddering door de stad ging. De vreugde was uitzinnig, met tamboerijnen en gedans, in alle straten. De wetsrollen werden uit de Ark, met zijn prachtige versieringen, gehaald, zonder dat men zich bekommerde om het gevaar dat zulks de jaloezie en haat van de niet-joden zou kunnen opwekken. Integendeel, ze predikten openlijk en brachten de niet-joden op de hoogte van alle berichten.

Overal bereidde men zich voor om en masse naar het toenmalige Palestina te verhuizen. Ondertussen deed men alom boette om de manifestatie van God in deze wereld kracht bij te zetten. Tegen het einde van datzelfde jaar leek alles voorbij. Sabbatai Tsvi werd in Istanbul gevangen genomen door de Turkse autoriteiten en bekeerde zich korte tijd later tot de islam. Het hele gebeuren klapte als een zeepbel uit elkaar.

Maar niet heus. Veel van zijn volgelingen bleven in hem geloven en duizenden werden moslim, net als hun messias. De Turken noemden hen döhnme, overlopers. Nog in de twintiger jaren van de vorige eeuw leefde er een döhnme-gemeenschap in Tessaloniki en bedenkers van complot-theoriëen geloven graag dat Atatürk uit hun midden afkomstig was. Veel boeiender vind ikzelf de veerkracht van de Joden die na deze koortsdroom het Jodendom trouw bleven. Daar valt voor mij nog wat van te leren.

Een andere gedachte die mijn lectuur me bracht is deze: met de Verlichting en de dood van God achter de rug zal het ons niet zo snel meer gebeuren dat we achter een Redder aan lopen. Hooguit maken we ons zorgen over Henk en Ingrid of over al die onzichtbare Trump-stemmers. Maar hoe zeker zijn wij er eigenlijk van dat wij met onze Rede niet ook in een Droom verzeild raken? Ook dat is eerder gebeurd. We kijken daarbij graag achterom of naar een ander deel van de wereld en denken graag dat het gevaar in onderbuiken huist. Toch zou het zomaar kunnen dat we juist met onze oplossingsgerichtheid, met onze ijver het leven en de wereld optimaal te rationaliseren, het einde van de geschiedenis dichterbij brengen. (Verlossing, oplossing, Endlösung.) Hoe zal dán de morning after zijn?

Chotspe, cognac en gedichten

03122016a

Vroeger was ik heel bescheiden: telkens wanneer ik de uitdrukking “de brutalen hebben de halve wereld” hoorde, vulde ik die geruststellend aan met “goed, maar dan blijft de mooiste helft voor ons over”. Met de jaren ben ik zelf wat brutaler geworden en kwam ik erachter dat die andere helft ook z’n charme heeft. Gisteravond nog bracht m’n chotspe me een moment dat ik voor geen goud had willen missen.

Al dagen liep ik met een verstopte neus en een keelontsteking rond, of liever: ik lag ermee onder een deken. Daar kwam ik alleen nog onder vandaan om een crematie bij te wonen of om mijn werk te doen. Dat kan nog net, als je nauwelijks kunt praten, maar je nog wel van het ene huis naar het andere kunt slepen. Voor zover ze geen doodsangsten uitstonden vanwege de wolk van bacillen die zij zich rondom mijn hoofd voorstelden, was het lekker rustig voor de mensen. En soms nog grappig ook, om met gebarentaal te moeten communiceren.

Tegen tienen stapte ik bij mijn laatste cliënt de kamer binnen. Mevrouw is stokdoof en zit meestal tegenover de tevee te dommelen. Dit keer kon ik haar niet wakker roepen, dus schudde ik zachtjes aan haar schouder. Blijde schrik, zoals altijd. “Even m’n gehoorapparaatjes indoen,” riep zij, en toen wist ik dat ik het niet kon maken om haar het gebruikelijke praatje te onthouden. Nadat ik haar steunkousen had uitgedaan, begonnen we over de gebruikelijke ditjes en datjes. “Wil je misschien iets drinken?” vroeg zij tussendoor en keek me vragend aan. Ik keek vragend terug, wachtend op de opsomming van wat ze mij kon aanbieden. Toen die niet kwam, vroeg ik zomaar opeens: “Heeft u cognac in huis?”

Cognac tegen verkoudheid en griep! Met heet water en een beetje suiker. Ik moest het zelf maar klaarmaken, want mevrouw is niet meer zo mobiel. Ooh, wat was dat lekker! Terwijl ik genoot van de warme gloed, die zich vanuit mijn maag naar al mijn poriën verplaatste, vertelde mevrouw over een vriend, die op wonderbare wijze genezen was van slokdarmkanker. Ook door cognac? Nee, twintig chemo’s en nog een stuk of wat bestralingen. Maar nu is hij er dan ook helemaal van af. Alleen, hij mag geen cognac meer drinken. Ach! Ik hief mijn mok op de gezondheid van die vriend en sneed een ander onderwerp aan: lezen.

Mevrouw was net jarig geweest en had weer een aantal boeken gekregen. Ze leest graag en veel, dat is een zegen als je lichamelijk niet meer zo makkelijk van je plek komt. Wij bleken één gemeenschappelijke interesse te hebben: biografieën. Verder wijken we nogal van elkaar af. Of zij wel eens gedichten las, vroeg ik luid, want inmiddels weer aardig bij stem. Nee, dat deed zij eigenlijk bijna nooit. Hier had het gesprek (tijdelijk) dood kunnen lopen, maar ik had nog een brutale vraag achter de hand. “Heeft u dan ook geen lievelingsgedicht?” Ja, dat had ze toevallig wel en voor ik het wist stond zij op, waarbij haar knieën knarsten als kiezels die barsten onder een traag draaiend karrenwiel.

Ze kwam terug met een bruine map, waaruit zij twee vergeelde en verfomfaaide krantenknipseltjes tevoorschijn haalde, die ze voor mij op tafel legde. “Die had ik ooit eens uitgeknipt, omdat ik dacht: dat zou mooi zijn om op mijn begrafenis te laten lezen.” Hopelijk zullen de mensen die om haar begaan zijn dat ook doen. Ik mocht nu al:

 

03122016b

In memoriam Twiggy

twiggy1

Het was een regenachtige zondag in het voorjaar van 2007, ik weet het nog goed. In een wat samenzweerderige stemming kwamen de kinderen de huiskamer binnen en haalden het ouderlijk duo achter koffie en krant vandaan voor een bijzonder familieberaad. “Wij willen een poes, die nog jonkies kan krijgen,” luidde hun eis en aangezien ze samen al bijna een absolute meerderheid hadden, was elke vorm van twijfel aan onze kant onmiddellijk in het voordeel van Het Plan. Dat onze huiskater Lano geen stem in het overleg had, verbaasde ons destijds – vreemd genoeg – niet.

Tegen lunchtijd hadden de zegeningen van het internet er al voor gezorgd dat zij een e-mail konden overleggen van een mevrouw in Gouda, die gratis en voor niks een poes aanbood, die niet alleen nog jonkies kon krijgen, maar juist op dat moment een hele buik vol jonkies had. Dat was ook de reden dat die dame van haar af wilde. Een uur later reden we door de stromende regen terug naar Amsterdam en werd het tengere lapjeskatje in de mand op hun schoot Twiggy gedoopt. Roos was die jaren helemaal into fashion.

Een week of wat later hoorden we op een ochtend wat gerommel tussen de dozen onder ons bed en wisten we meteen dat Twiggy daar haar kraamkamer had ingericht. Een paar uur later (wat gaat alles toch snel in dit verhaal!) lagen er vijf jonge poesjes op een rij aan haar tepels. Zog trappen konden ze van meet af aan.

 

twiggy2

 

Zindelijk worden was een ander verhaal. Toen ze eenmaal groot genoeg waren om de trap op en af te rennen en elkaar de gordijnen in te jagen, heb ik een paar weken lang weinig anders om handen gehad dan overal schattige kleine poepjes en plasjes op te ruimen. Gelukkig kwam het vanzelf goed, dus Dolce, Gabbana, Gucci, Pucci en Chanel konden na negen weken met een gerust hart worden uitgezonden naar andere gezinnen met poesbeluste kinderen.

Twiggy – of de Natuur – had er nog geen genoeg van en toen het voorjaar van 2008 zich aandiende, glipte ze op een morgen met Lano mee naar buiten. Na enig zoeken had ze een ongeholpen kater gevonden, die bereid was aan haar romantische gevoelens tegemoet te komen. Lang heeft de liefde niet geduurd: na een paar dagen had Twiggy haar buik vol van die zwarte met zijn dikke kop en kwam ze weer netjes drie hoog wonen. Een dag voordat wij met vakantie gingen, lag het tweede nestje er al, weer tussen de dozen onder ons bed. Van hun namen kan ik me alleen Rosso en Prugno herinneren, maar Roos weet vast en zeker nog hoe de anderen heetten.

 

twiggy3

 

Na deze beide worpen hebben we Twiggy met vervroegd pensioen gestuurd. De kinderen werden groot en mopperden vooral op de katten, als die weer eens ongegeneerd verharend op hun little black dress hadden gelegen. Lano had overdag zijn bezigheden buitenshuis en Twiggy sleet haar dagen als een reïncarnatie van Emily Dickinson, alleen met haar gedachten (gedichten?). Heel bescheiden, bijna onzichtbaar, op telkens een ander plekje in huis.

Pas toen het gezin uiteen viel in 2012, bleek zij de nieuw ontstane stilte net iets te stil te vinden en toonde zij zo nu en dan behoefte aan affectie. Meestal ging zij dan nogal demonstratief op de houten vloer liggen, rolde een paar keer om en maakte daarbij een koerend geluidje, precies als dat waarmee zij Zwarte Dikkop had verleid. Ik ben dan wel geen kater, maar tegen de universele roep om liefde heb ik weinig verweer, dus vleide ik mij naast haar en kroelde haar waar zij maar wilde, tot ze haar nagels in mijn hand zette en opeens besloot, dat ik het vast wel fijn vond eens lekker gebeten te worden.

Slechts een heel enkele keer kwam zij op schoot, waar ik dan zo van genoot, dat ik me zo lang mogelijk doodstil hield. Zij had de reputatie dat ze nogal eenzelvig was, en misschien was ze dat ook wel. Maar door de jaren heen is ze mijn nabijheid toch gaan waarderen. Dat merkte ik vooral als ik bezig was met mijn pogingen de wereld om mij heen te begrijpen en daarover te schrijven. Dan lag ze graag tussen mijn beeldscherm en het toetsenbord, waarop ik vandaag deze woorden te harer nagedachtenis typ. Ze was een echte schrijverskat.

 

twiggy4