Feeds:
Berichten
Reacties

 

Eergisteren, op de 49ste sterfdag van mijn vader, overleed in Israël de schrijver Amos Oz. Waarschijnlijk was daar juist de Sjabbat begonnen, waardoor zijn sterven een speciale glans krijgt. Tegelijk gaat er een licht uit: kijkend naar de straatinterviews die ik in mijn vorige bericht noemde, zie ik de hoop op een vreedzame coëxistentie van Joden en Palestijnen in het Midden-Oosten in een soort poolnacht verzinken. Amos Oz was een uitgesproken voorstander van de twee staten-oplossing, al is het verstandig voor ons, met vrede verwende Europeanen, om in het achterhoofd te houden hoe hij de realiteit daarvan voor zich zag:

The Israeli-Palestinian conflict has been a tragedy, a clash between one very powerful, very convincing, very painful claim over this land and another no less powerful, no less convincing claim. Now such a clash between right claims can be resolved in one of two manners. There’s the Shakespeare tradition of resolving a tragedy with the stage hewed with dead bodies and justice of sorts prevails. But there is also the Chekhov tradition. In the conclusion of the tragedy by Chekhov, everyone is disappointed, disillusioned, embittered, heartbroken, but alive. And my colleagues and I have been working, trying…not to find the sentimental happy ending, a brotherly love, a sudden honeymoon to the Israeli-Palestinian tragedy, but a Chekhovian ending, which means clenched teeth compromise.

Terwijl de donkergrijze wereld buiten stil lijkt te staan, krul ik me op als een kat in mijn fauteuil in de erker. Op mijn schoot een ‘Tsjechoviaanse’ roman, Een verhaal van liefde en duisternis van Amos Oz. (De centrale verwarming ga ik niet meer ontluchten, want ik begin te houden van het geluid van de lucht in gevecht met het water tegen de metalen wanden van de radiatoren.) De sfeer van het boek doet me denken aan mijn vader, die ooit “een zwaarmoedige levensgenieter” werd genoemd. Zwaar en licht zijn alom tegelijk aanwezig, net als licht en donker. Oud en Nieuw is – als vanouds – nieuw, en oud. Lees maar een stukje mee, lieve Europeanen:

Mijn vaders broer, oom David, bleef met zijn vrouw Malka en hun zoontje Daniël, die anderhalf jaar voor mij geboren was, in Wilna: mijn oom David werd, ondanks  zijn Joodse afkomst, op jonge leeftijd benoemd tot literatuur-docent aan de universiteit van Wilna. Hij was een bewuste Europeaan, in een tijd waarin niemand anders in Europa Europeaan was, behalve de leden van mijn familie en andere, soortgelijke Joden. Alle anderen waren pan-Slavisten, pan-Germanen, of gewoon Letse, Bulgaarse, Ierse, Slowaakse partiotten. De enige Europeanen in heel Europa in de jaren twintig en dertig waren de Joden. Mijn vader zei altijd: ‘In Tsjecho-Slowakijke wonen drie volken – Tsjechen, Slowaken en Tsjeco-Slowaken, dat zijn de Joden. In Joegoslavië heb je Serviërs, Kroaten, Slovenen en Montenegrijnen, maar er woont daar ook een handvol onmiskenbare Joegoslaven. En zelfs bij Stalin heb je Russen en Oekraïeners en Oezbeken en Tsjoektsji’s en Tataren, maar onder al deze volken wonen ook onze broeders, de leden van het sovjetvolk.’
Oom David was een onmiskenbare, bewuste Eurofiel, gespecialiseerd in vergelijkende literatuurwetenschap, en het waren de Europese literaturen die zijn geestelijk vaderland vormden. Hij zag niet in waarom hij zijn positie moest opgeven en moest emigreren naar West-Azië, een plaats die hem vreemd en onbekend was, alleen om opgewonden anti-semieten en kleingeestige nationalistische oproerkraaiers hun zin te geven. Hij bleef dus op zijn post, de post van de vooruitgang, de cultuur en de geest die geen grenzen kende, totdat de nazi’s naar Wilna kwamen: Joden, intellectuelen, cultuurminnende kosmopolieten, daar hielden ze niet van, en daarom vermoordden ze David en Malka en mijn kleine neefje Daniël, die door zijn ouders Danoesj en ook wel Danoesjek werd genoemd, en over wie ze in hun voorlaatste brief, van 15 december 1940, schrijven dat hij ‘kort geleden is gaan lopen… en hij heeft een uitstekend geheugen’.
Inmiddels is Europa volkomen veranderd, tegenwoordig is het van muur tot muur vol met Europeanen. Trouwens, ook wat er in Europa op de muur geschreven staat is volkomen veranderd: in mijn vaders jeugd, in Wilna, stond er op elke muur in Europa: ‘Joden ga naar huis naar Palestina’. Vijftig jaar later, toen mijn vader weer een bezoek bracht aan Europa, schreeuwden de muren hem toe: ‘Joden ga weg uit Palestina’.

 

 

Advertenties

Bar Giora

 

In dit eenvoudige huisje heb ik misschien wel de mooiste momenten van mijn vakantie in Israël beleefd. Bij het kantelen van de dag in de avond zat ik in een oude strandstoel in de tuin. Ik was niet leeg, zoals Herman de Coninck in zijn Ligstoel, maar voelde wel hoe ik volgegoten werd met het besef van mijn persoonlijk geluk. Schuimend ging het over de randen. Ho! Stop! had ik moeten zeggen, maar ik was al tezeer overweldigd. Hier te mogen zijn, badend in weelde en zacht zonlicht van vijf uur. In geuren en kleuren vertelt de tuin me waar ik ben.  Aangeland in een leven dat ik zelf gewild heb, toen ik dat eindelijk kon.

’s Avonds in de woonkeuken, waarheen ik het glas dat ik was voorzichtig, zonder knoeien had gedragen, gebeurde hetzelfde-anders opnieuw. Liggend in een soort schommelstoel zie  ik hoe Max een cd-tje uitzoekt en op zet, waarna hij aan de afwas gaat; ik had gekookt. Een moment van zo volmaakte huiselijkheid, dat me opnieuw doet overstromen. Net als aan de oever van de Kineret verlang ik naar eeuwigheid.

En toch: juist op deze plek woog de morele last van mijn verbondenheid met de geschiedenis van dit land zwaarder dan ooit en elders. Bar Giora ligt namelijk vlak naast de bestandslijn van 1949. Dat wil zeggen dat de grond daar ons niet is gegeven op basis van het verdelingsplan van de Verenigde Naties in 1947. Het behoort tot de gebieden die zijn veroverd in de oorlog tegen de omringende landen, die volgde op de onafhankelijkheidsverklaring van 15 mei 1948. Hier hebben oorspronkelijke bewoners hun huizen moeten verlaten en ik merk hoe dat op mij drukt.

Wanneer ik op een avond de streek verken via Wikipedia, stuit ik op een intrigerende titel: All That Remains: The Palestinian Villages Occupied and Depopulated by Israel in 1948. Walid Khalidi beschrijft het oorspronkelijke dorp Allar in 1992 met de woorden: “Stone rubble, concrete blocks and slabs, and steel bars litter the site, together with the remains of stone terraces and walls. One domed stone structure, the former school building, still stands. On the slopes overlooking the site, almond and cypress trees and cactuses grow along the terraces.” Ergens denkt iemand met heimwee aan dit dorp, denk ik dan.

Er schuilt een zekere rechtvaardigheid in het feit dat deze plek op de aarde is gegeven aan andere verdrevenen, de Joden uit Marokko. Een vijftigtal gezinnen, met mooie mocro-joodse namen als Souissa, Ouaknine en Azulay, hebben hier een nieuw leven op kunnen bouwen. Zevenhonderdduizend Joden heeft de Arabische wereld uitgespuugd in de twee decennia volgend op de stichting van de staat en Israël heeft het leeuwendeel ervan kunnen opnemen. Tegelijkertijd houden de Arabische landen, met steun van de internationale gemeenschap, een ander vluchtelingenprobleem kunstmatig in stand. Wat is rechtvaardig? Welk recht is rechtvaardig?

Het is goed dat het Jodendom ons verbiedt om ons te verheugen over de nederlaag van onze vijanden, al moet ik zeggen dat ik van nature moeite heb met het innemen van ruimte waar ook anderen aanspraak op maken. Toch is daar geen ontkomen aan. In het klein kom ik een heel eind met het organiseren van een zo conflictloos mogelijk leven, maar als deel van mijn volk ontkom ik er niet aan. Max probeert me wel een uitweg te bieden, door te zeggen dat ik hier een betrokkene ben, maar geen partij. Ik ervaar dat anders, telkens wanneer de moslims onder mijn cliënten  – die zich vaak heel sterk met ‘de Palestijnse zaak’ identificeren – mij zeggen dat wij het gestolen land terug moeten geven of dat wij helaas niks van de Sjoa geleerd hebben en nu zelf nazi’s zijn. Dan heb ik alleen maar gezegd dat ik joods ben.

Kritiek op Israël moet kunnen, natuurlijk. Zelf ben ik ook niet gelukkig met de dominantie van rechts en van de ultra-orthodoxie. En het nederzettingenbeleid, tja. Maar waar gaat kritiek over in anti-zionisme en hoe vaak ligt daaraan anti-semitisme ten grondslag? In een poging Palestijnen te begrijpen kijk ik naar YouTube-filmpjes en huiver bij de onverbloemde haat en fundamentele onverzoenlijkheid die daarin de boventoon voeren. Het lukt me niet om de selectieve verontwaardiging van mensenrechtenorganisaties en de VN Veiligheidsraad te begrijpen.

Al die gemengde gevoelens zijn soms lastig te herbergen. En toch betrap ik me er regelmatig op dat ik droom van een oude dag in Haïfa, of in Bar Giora.

Jerusalem


Het leek die dag wel een zomerse zondagmiddag  op de Veluwe, in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Een bijna autoloze zondag. Toch was het gewoon maandag, maar heel Israël vierde de achtste dag van Soekot (het Loofhuttenfeest). Bijna geen verkeer, nergens een winkel open en zelfs nauwelijks recreanten in het verwaarloosde herbebossingsgebied, waar we een voorverpakte sandwich, gekocht bij een tankstation, opaten. Zelfs de vogels en de slangen lieten zich niet zien, toen we een dorre heuvel beklommen, op zoek naar een uitzichtpunt. Vredig voelde het allemaal niet. De Gaza-strook lag op een kleine veertig kilometer westelijk van ons. Misschien zat iedereen wel in de schuilkelders.

Niettemin kwamen we veilig aan in de moshav Bar Giora (daarover in een volgend bericht), waar het touwtje voor ons uit de brievenbus hing. Wat een paradijsje! En zo vlak bij Jerusalem. Ach, Jerusalem! begrijp me niet verkeerd: ik hou van je, maar opeens werd ik bang. Natuurlijk, bang voor de verkeersdrukte van een wereldstad. Zouden we wel een parkeerplekje vinden? Wat wilden we, toch al een beetje overvol van indrukken, daar eigenlijk zien? Maar vooral: zouden mijn emoties wel aan de verwachtingen voldoen? Zouden mijn tranen wel willen stromen, als ik eenmaal voor de Kotel (vulgo: de Klaagmuur) zou staan? Zou ik mijn liefde wel voelen?

Jerusalem (1936)

Ich liebe Dich;
Liebe Dich ohne Grenzen.
Ich segne Dich;
Segne Dein Urgestein.
(. . .)

(. . .)
Deine Mauern, Zinnen und Tore, Deine Bogengassen.
Dein Gestein und Deine weite wilde Wüste Jehuda:
Odem Deiner Geschichte.
Deine Riesenquadern:
Dein Blut!
Du Allgewaltig-Allerheiligste.

Du, Du.
Nur Du,
Jeruschalajim,
Du Heilige, SEINE Heilige, Urheilige meines Volkes,
Ha-Kedoscha!
Blut meines Volkes Du,
Jeruschalajim, Jeruschalajim,
Mein Heiliges:
DU!

Reuben Hecht

Toen ik eenmaal aan het rijden was, viel de vrees al snel van me af. Het beven hield op en tegen de tijd dat we pakweg een kilometer van de Oude Stad verwijderd waren, werd ik zelfs iets te chutzpadik naar de zin van Max, die doorgaans een stuk hoffelijker is dan ik. Het blik bleef echter heel en geheel krasvrij bereikten we een sjieke parkeergarage, die me een gevoel van enorme luxe gaf. Door een soort PC Hooftstraat liepen we regelrecht naar de Jaffa-poort, waarna we ons in het gewoel van pelgrims en toeristen stortten.

Of werden we erin gezogen, rondgepompt als bloedlichaampjes door de aderen van een oude godheid, gemaakt van nog oudere stenen? “Too much God,” schamperde Yaniv, mijn leraar Hebreeuws, wanneer hij het over Jerusalem had. Eerst zag ik vooral multiculturele en multireligieuze commercie: kruisen, iconen, talliet en keffiyeh gebroederlijk naast elkaar. Bij de Western Wall kwam er een militair tintje bij. Veel groen op straat. Toen ik er eenmaal vlak voor stond, helemaal alleen in het vrouwengedeelte, was er vooral rust, en de hitte van de zon. Ik pakte een beduimeld gebedenboek, zocht de juiste plek op en zei mijn tefille (het hoofdgebed). En dat was het dan. Geen grote gevoelens, alleen eenvoudige plichtsvervulling.

Daarna begaven we ons opnieuw in de drukte van de soeks en de steegjes. Over elkaar tuimelende indrukken, hitte, veel geluid en weinig ruimte, broeierigheid soms. Ik was blij dat Max al die tijd dicht in mijn buurt was. Zonder hem was ik innerlijk nog meer versnipperd geraakt dan ik al was. Behalve bloed leken er ook zenuwbanen door dat oude stadlichaam te lopen. Electrisch geladen voelde de lucht, vanwege de veelsoortige en tot hoogspanning opgezweepte religieuze energie van al die moslims, christenen, Joden. Op een pleintje voor de Heilige Graf-kerk, omstuwd door heel veel vrome vrouwen, stond ik even stil en keek omhoog naar de luidsprekers aan de minaret van de naburige Omar-moskee, vanwaar de muezzin opriep tot het middaggebed. Too much God, maar toch mooi dat het weer kan, sinds Israël het hier weer voor het zeggen heeft.

Middenin het joodse kwartier, aan de voet van de pas herbouwde Hurva-synagoge, vonden we een terrasje met heilig voedsel. Goed voedsel, en een jonge ober die “schoon van gedaante, en schoon van aangezicht” was, genoeg om een mens weer naar de aarde en het goede leven terug te voeren. Pas ’s avonds, terug in Bar Giora, kwam de grote ontroering, maar die was veel rijker geschakeerd dan men van een liefde voor Jerusalem zou mogen verwachten, meeromvattend ook. Jerusalem, 15 kilometer verderop in het donker, kreunend onder too much God, ik was en zal je niet vergeten. Maar het mooie van het Jodendom is voor mij tóch, dat het me alle gelegenheid biedt om dicht bij God te zijn, maar ook weer niet té dichtbij.

 

 

Kineret

Terwijl het hier op mijn schrijfplek – zonder kachel – alsmaar kouder wordt, lijkt het me een goed plan om op mijn blog weer naar Israël terug te keren. (Au!) Waar waren we ook alweer? O ja, in Tsfat, geen plek om te blijven. Om niet dezelfde weg terug te hoeven rijden, kozen we een route via Tiberias. Door dezelfde dorre bergen als op de heenweg koersten we naar het zuidoosten, langzaam slingerend naar lager regionen. En toen was daar opeens, bij het uitgaan van de zoveelste bocht, onze eerste blik op de Kineret.

Bij het zien van die wondermooie spiegel van het zuiverste aquamarijn ter aarde, probeerde mijn sterke, maar onhandige talent voor ontroering zich dwars door het gebruikelijke gekeuvel heen een weg naar buiten, naar stembanden en traanklieren te banen. Gelukkig volgde onmiddellijk een scherpe bocht, die de betovering doorbrak, zodat Max dit keer tenminste een beetje ruimte overhield, zo vlak bij die heftige zieleroerselen. Het is genoeg dat ik nooit zal vergeten hoe het was alsof ik heel even definitief thuis kwam.

Beneden aan de oever was het een stuk prozaïscher. Ook hier vooral verval en vervuiling. We baanden ons een weg door manshoog riet naar een strand van groezelig zand en scherpe stenen, waar we een rustig plekje vonden om te zwemmen. De wind woei kinderstemmen en opblaasspeelgoed in onze richting en verder, naar de Hermon. Aan het einde van een dromerige middag reden we tegen het fel-oranje licht van de ondergaande zon terug naar Haïfa.

Wat was ik blij met Max’ voorstel om de volgende sjabbat aan de oevers van het meer met de vele namen door te brengen. De ultra-orthodoxe mannen van de woonwijk in Tiberias waar wij met onze auto heel even in verdwaald raakten hadden misschien gelijk dat wij de sjabbat ontheiligden, maar verder was de dag beslist zoals God het bedoeld moet hebben.  We vonden een strand waar een sympathiek slag recreanten waren neergestreken. Zo konden we in volstrekte rust mee resoneren met een scala aan universele strandvermakelijkheden.

Naast ons bivakkeerden een paar jonge stellen met wat kinderen, een bal, een hond en een gitaar. Vanuit hun richting hoorde ik Carlebach-achtige melodieën mijn kant op waaien en op dat moment bedacht ik me dat op één na alle ingrediënten die voor Channa Szenes de wereld de moeite waard maakten, aanwezig waren:

Mijn God, mijn God,
laat deze dingen nooit ophouden te bestaan:
het zand en de zee
het geruis van het water
de donder van de hemel
het gebed van de mens.

Dikwijls verbaas ik mij over haar bescheidenheid, maar op die sjabbat, aan de oever van de Kineret, miste ik niets en had het moment eeuwig mogen duren.

Verzwommen

*

 

Die Beobachtungen und Begegnisse des Einsam-Stummen sind zugleich verschwommener und eindringlicher als die des Geselligen, seine Gedanken schwerer, wunderlicher und nie ohne einen Anflug von Traurigkeit.

Thomas Mann, Der Tod in Venedig

[De observaties en de ontmoetingen van iemand die alleen reist en dus niemand heeft om tegen te praten zijn tegelijk “verschwommener” en indringender dan die van degene die in gezelschap verkeert. Zijn gedachten hebben meer gewicht, zijn vatbaarder voor verwondering en hebben altijd iets droefs over zich.]

Hoe komt het dat deze zin me na zoveel jaren zomaar weer te binnen schiet? Het is omdat ik wijs probeer te worden uit een dag van mijn leven, die als een ei zonder schaal door een gewichtsvrije ruimte zweefde. Wat hield dat ei bijeen? Om nog maar te zwijgen van het hoe en waarom de dooier en het wit uit elkaar gehouden werden.

De dag begint om half vier ’s nachts. De avond tevoren heb ik nog gewerkt en vandaag staan er drie dingen op het programma: naar Londen Gatwick vliegen, met de trein naar Brighton reizen en aldaar ’s avonds een eredienst mee vieren in de Brighton and Hove Progressive Synagogue. Houvast genoeg, dacht ik, maar door de moeheid en de stress van de afgelopen weken knapt er iets in mijn hoofd. Geheel onverwacht is alles “verschwommen”, de dag, de wereld, ikzelf.

Onwillekeurig zoek ik de zee op, die vanzelfsprekend zowel de “snotgreen sea” van James Joyce is, als de azuren verte, van waaruit de dood Gustav Aschenbach naar zich toe lokte. Langs het strand slenter ik, ik doezel weg op een bankje in een van de verveloze ‘shelters‘, vlak naast een slapende zwerver. De zilvermeeuw, die woest in zijn spullen staat te pikken, kijkt me nog even heel kwaad aan, voordat hij de vleugels neemt. Kiezels rollen ratelend over elkaar onder het geweld van de golven. Zo ook mijn gedachten, om vervolgens als schuim op te spatten en op de wind te verdwijnen.

Overal grijnst het verval me aan, als een spiegel van mijn innerlijk. Uren lang balanceer ik op het randje van wat misschien wel mijn grootste angst is: te moeten beleven dat ik er nog ben, maar toch niet meer. Bang ben ik niet. Ik blijf rustig watertrappelen, totdat ik grond onder de voeten zal voelen. Bedenken welke kant ik op zou moeten zwemmen lukt mij niet. Ondertussen doe ik iets wat ik anders zelden doe: ik registreer wat ik zie met de camera van mijn mobiele telefoon, die – net als ik – haar verbinding met de vertrouwde wereld kwijt is.

Einsamkeit zeitigt das Originale, das gewagt und befremdend Schöne, das Gedicht.

(als boven)

*

*

*

*

*

*

*

 

Aan het eind van de dag, een paar minuten voor aanvang van de sjabbat, bel ik aan bij het gastgezin dat mij is toebedeeld. Even later zit ik in een lichte keuken, mijn koude handen om een kop thee geklemd, om mij heen de stralende gezichten van een warm gezin. Floep! Schaal om het ei, grond onder mijn voeten, wortels en bladeren aan mijn gedachten en gevoelens.

 

Gewoon Els

 

Vrienden kies je, familie niet. Maar hoe zit het met een vriendin, die je niet gekozen hebt, maar die jou koos? Gewoon zo. Zo van: “Wat wil je in je koffie?”, zonder eerst te vragen of je koffie wilt. Want natuurlijk wil je koffie. En natuurlijk wil je haar vriendinnetje zijn. Meestal schrik ik terug van zoveel overwicht, bang dat ik straks op de wip naar boven vlieg en niet meer op de grond kom. Maar ik had al “alleen melk” gezegd. Eigenlijk: “iem chalav, rak chalav“, want ze zou me helpen met mijn Ivriet.

Zo was onze vriendschap er gewoon, zonder te zijn ontstaan of zich te ontwikkelen. Ik bleef, altijd tot haar verbazing, tegenstribbelen tegen haar grenzeloze generositeit, terwijl ik mij warmde aan haar flamboyante persoonlijkheid. Ik genoot van haar aandoenlijke onbevangenheid, al was haar directheid soms wel ‘een uitdaging’ voor mijn tere ziel. Zij genoot er zichtbaar van om mij in haar jiddisjkat te laten delen, al hield ze tot het eind toe vol dat al mijn wensen mochten uitkomen, “alleen jij zelf niet, hoor!”

Zij was en bleef zo vanzelfsprekend zichzelf, dat ik mijn innerlijke aarzeling om me helemaal te geven als een tekortkoming van mijn kant ging zien. Dat bleek onterecht. Toen ik gisteren bij haar begrafenis de vele toespraken aanhoorde, kwam ik alle elementen van mijn ingewikkelde vriendschap met haar in die van de anderen tegen. Het viel me op dat er weinig of geen verschil was tussen de beleving van haar (door de oorlog weinig talrijke) familie en haar (zeer uitgebreide) vriendenschare, van wie velen haar al zestig jaar of langer kenden.

Het trof me dat meer dan één memoreerde dat Els graag kinderen gehad zou hebben en meteen herinnerde ik me de enige keer dat ik deze stoere, door niets en niemand te evenaren vrouw heb zien huilen: dat was toen ik het lied van Toeki Jossie voor haar zong. In stilte zong ik voor haar nog één keer over die arme papegaai, die kinderloos moest sterven. Had zij misschien haar vrienden tot familie gemaakt? Daar zat iets in, wat mij betreft, en misschien zag de verpleegkundige in het hospice, waar zij haar laatste twee weken doorbracht, dat ook wel, toen ze mij voor haar dochter hield.

Alles viel op z’n plek, toen ik de laatste woorden uit de speech van haar nichtje over het zwarte doek op haar kist hoorde rollen: “Je was altijd: gewoon Els!” Dat waren mijn eigen laatste woorden, toen ik haar een week geleden voor het laatst zag. Ik herinner me niets van de inhoud van de vriendschappelijke por tussen de ribben, die Els me gaf, tijdens wat misschien wel haar allerlaatste stoere, overmoedige moment was. Wel dat een vrijwilliger, die ook aan tafel zat, me spontaan in bescherming nam met een: “Nou, nou!” Ik lachte en zei: “Ach, dat is gewoon Els!”

Moge haar ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven.

 

Wij zijn één

 

Het is bijna vanzelfsprekend en misschien zelf wetenschappelijk te verklaren: aan de kust is Israël seculier, maar hoe verder je landinwaarts reist, hoe godsdienstiger het wordt. In Tel Aviv doet men vol overtuiging alles wat God verboden heeft, in Haïfa en Akkko lijkt godsdienst – net als bij ons – vooral een privé-aangelegenheid en in Achzivland vindt men de Allerhoogste misschien per ongeluk, als de wiet zijn werk goed doet. Het binnenland van Israël is een andere wereld. Over Jerusalem later, nu eerst Tzfat.

Om daar te komen moeten we een eindje richting Akko rijden, om vervolgens door het heuvelland oostwaarts op te klimmen. Het landschap oogt dor, ondanks de herbebossingsprojecten. Leeg ook: als hier werk was, zou er veel plaats voor immigranten zijn. Maar behalve hitte, droogte en steile hellingen heeft de omgeving van Tzfat niet veel te bieden. Als onze huurauto zich eindelijk naar 900 meter boven de zeespiegel heeft geworsteld, zien we de eerste huizen van het stadje. Tevergeefs zoeken onze ogen naar een charme om voor te vallen.

De oude stad lokt nog als een belofte. Daar waren immers ooit de uit Spanje verdreven Sefardiem neergestreken om er de Kaballa tot bloei te brengen en de meest gezaghebbende samenvatting van de joodse wetten te schrijven. Een plek van dergelijk belang moet toch de moeite van het bezoeken waard zijn? Na veel geploeter door rommelige wijken met smalle straten bereiken we de oudste kern en kijken elkaar lichtelijk gedesillusioneerd aan. Een handjevol smoezelige straatjes, waar de historische bouwsels na een lange periode van verval zijn bedolven onder een dikke laag quasi-religieuze koopwaar. Hier en daar herinneren plaquettes aan de muren nog aan de onafhankelijkheidsstrijd van 1948. Met een ander monumentje, zelf alweer aan de verwaarlozing prijsgegeven, wordt de weldoener geëerd, die het verarmde Tzfat tot een toeristische attractie heeft gemaakt.

Op een straathoek kopen we een bekertje vers geperst granaatappelsap. “Dan vind je god [sic],” appte mijn jonge (en niet zo religieuze) vriend Daniël behulpzaam. Het is de derde dag van Soekot, maar de plastic loofhutten die de restaurants voor hun gasten op de stoepen hebben gezet, kunnen mij niet tot het nakomen van mijn religieuze verplichtingen verleiden. We kiezen voor een seculier ogend terras om te lunchen en naar voorbijgangers te kijken. Tijd voor bespiegeling.

Wat Israël voor Joden tot een ‘thuis’ maakt, is dat joods-zijn daar een soort ‘default setting’ is. Even geen minority stress meer. Maar zelfs een buitenstaander ziet dat onder Israëlische Joden een enorme diversiteit heerst. Denk om te beginnen niet dat je het altijd aan iemand kunt zien of zij/hij joods is. Het joodse spectrum loopt er van volledig seculier, via cultuur-joods en traditioneel, naar orthodox en ultra-orthodox. Als liberaal behoor ik daar tot een verwaarloosbare minderheid en word ik door velen niet eens als joods erkend. In Tzfat behoren de meeste inwoners tot het orthodoxe uiteinde van de regenboog en we hadden al gezien dat daar de pot met goud niet staat.

Terwijl wij stukjes heerlijk vers brood in onze hummus dopen, trekt een stoet kinderrijke, en onmiskenbaar joodse, gezinnen aan ons voorbij. De mannen herkenbaar aan hun tzitzit (kwastjes) en de vrouwen aan hun scheitl (pruik) en lange rokken. De kinderen zijn meestal vrij casual gekleed – Hema, geen Bijenkorf – en het merendeel van de jongens draagt pijes (lange haarlokken aan de slapen). Omdat we de tijd nemen voor onze lunch, beginnen ons de verschillen op te vallen: men is duidelijk niet erg consequent in het zich aanmeten van deze kenmerken. Hier voel ook ik me een buitenstaander, want ik weet niets over hoe deze Joden dergelijke onderlinge verschillen waarderen. Gemoedelijk, vermoed ik wel, als ik zie hoe divers men binnen een gezin of vriendengroepje kan zijn.

Dat het joodse volk, ondanks al die verschillen, toch een eenheid blijft, is volgens velen meer aan de buitenwereld te danken dan aan onszelf. Met welk een knarsetanden dat gepaard kan gaan, zag ik afgelopen weekend weer eens in een tweet van de volledig seculiere Netanyahu naar aanleiding van de terreurdaad in Pittsburgh:

 

 

 

Waarom gebruikt hij tot tweemaal toe het woord “synagogue”? Omdat de Israëlische opperrabbijn David Lau dat heel opvallend niet had gedaan: de Tree of Life Synagogue behoort tot de Conservative gemeenschap in Amerika, en die wordt door het Israëlische opperrabbinaat niet erkend. Zo doe je dat dus, één zijn.