Feeds:
Berichten
Reacties

Vrij om te dienen

Nog even en we vieren weer onze nationale Bevrijdingsdag. In de media en op scholen doen wij dan  een poging ons voor te stellen wat vrijheid voor ons betekent. Dat valt doorgaans niet mee, wanneer je die vrijheid dagelijks geniet en het wordt moeilijker, naarmate de dag van bevrijding verder in het verleden wegzinkt. Stel je voor hoe dat op 5 mei 5279 (ik doe maar een gooi) zal zijn. Ons landje weggezakt in de Atlantische Oceaan, Mokum nog slechts een mythe en een handjevol Hollanders in de diaspora. Er zullen tulpen bloeien in Siberië.

Ik vier vandaag de laatste dag van het acht dagen durende bevrijdingsfeest van die andere natie waartoe ik begin te behoren. Op de eerste twee avonden nam ik op twee plaatsen deel aan de seder, het traditionele pesachmaal. Dat wordt in ieder geval al meer dan tweeduizend jaar gevierd. (Jezus deed het ook al.) Het draaiboek voor dat samenzijn, de haggada, bestaat zeker meer dan duizend jaar en is in al die jaren niet wezenlijk veranderd. Is dat niet star? Nee, want de essentie van het feest is dat het verhaal verteld wordt als waren wij er zelf bij toen het gebeurde.

Er zijn verschillende manieren om het verhaal van onze bevrijding uit Egypte te verbinden met wat er nu in en om ons gebeurt. Zo kun je naast de traditionele seder schotel een aantal voorwerpen tonen, die verwijzen naar groepen mensen in onze wereld die ook nu nog onderdrukt worden. Of je kunt je afvragen in hoeverre je zelf vrij in het leven staat. Dat heeft in mijn beleving al gauw iets AA-igs: het antwoord blijft hangen in de nevelen tussen sociaal wenselijke bekentenissen en dat wat we zelf niet eens weten.

Eerlijk gezegd was ik blij dat ik mij, na de wisseling van baan in de afgelopen maanden, op een betrekkelijk luw stukje van mijn levensweg bevond. Toen ik dat hardop zei, meende ik een kritische vonk te zien glimmen in de ogen van de rabbijn. Of was het mijn eigen innerlijke stemmetje, dat altijd roept dat het nooit goed genoeg zal zijn? Voor ik kon zeggen dat ik dáár wel eens van bevrijd zou willen worden, was de seder alweer een eind voort gerold. Vier glazen verder was ik mijn benauwenis alweer vergeten en anders aan het eind van de volgende avond wel.

Op de derde dag stond ik op, om te werken. Niet eens brak, ondanks al die glazen. De zon scheen en al ging ik, net als alle andere mensen, gewoon aan het werk, het was alsof ik vakantie had. Roze wolken van bloeiende prunus dreven langs mijn weg en in alle huizen waar ik kwam, knisperden de matzekruimels onder mijn voeten. Het voelde alsof ik na een heerlijke liefdesnacht in de armen van mijn geliefde wakker werd. Had ik dan mijn bevrijding zomaar kado gekregen? ” – Hij geeft het Zijn lieveling in de slaap.” (Psalm 127:2)

Dat gevoel hield de hele week aan, ook al werkte ik meetbaar meer dan anders. Zelfs het gebruikelijke gevoel voor een dilemma te staan, toen de planner mij vroeg om voor een zieke collega in te vallen, terwijl ik daar eigenlijk geen zin in had, was afwezig. Alleen de verbazing daarover herinnerde mij aan de vertrouwde druk. Ik was iets kwijt, maar ging er niet naar zoeken. Zonder te zoeken vond ik iets anders: een inspirerend pesach-verhaal van een andere blogger. En dit is volgens haar de crux van Pesach:

De Eeuwige zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: “Dit zegt de Eeuwige, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om mij te dienen.”

Exodus 9:1

Dat klinkt paradoxaal: bevrijd worden om te gaan dienen. Esther Weissman-Erwteman legt in haar blog uit hoe dat dienen bestaat in het doen van Gods opdrachten (mitswot). Als je die doet, alleen om God te dienen, voor geen enkel ander doel, dan zijn het beperkingen die een ongekende vrijheid schenken. Misschien was dat wat ik de afgelopen week heb ervaren.

Wasgoed

 

Het is vast en zeker mogelijk een mooi salontafelboek te vullen met schilderijen, foto’s en gedichten met als thema: het drogen van wasgoed. Als inleiding zou iemand een schitterend essay kunnen schrijven over het belang van onbeduidende dingen of over het sacrale dat verborgen ligt in het schijnbaar alledaagse om ons heen. Voor wie zich nu geïnspireerd voelt volgt hieronder een pleidooi voor twee gedichten, die volgens mij niet mogen ontbreken.

De afgelopen sjabbat heb ik mij gebogen over een gedicht van Yehuda Amichai, waarin wasgoed op een erf te drogen hangt. Op het eerste gezicht hangt het daar alleen maar om een sfeer van huiselijkheid op te roepen en, in combinatie met de titel, wappert de kitsch je al bijna tegemoet. Bijna, ware het niet dat de volgende versregel met het woord oorlog begint. Nu helpt het uiteraard om je te realiseren dat huiselijkheid en oorlog in de dagelijkse realiteit van Israël net zo moeilijk uit elkaar te houden zijn als oorlog en liefde in het vorige gedicht van Amichai dat ik voor mijn weblog heb vertaald. Maar het is even nuttig om eerst nog een ander vers van dezelfde dichter aan te halen, hier in de vertaling van Leon Wieseltier:

Laundry

In a place where laundry is hung
no people die,
none are in the wars,
they’ll stay at least
two or three days.
They won’t be replaced
and they won’t flutter.
They aren’t like the dry grass.

 

Dan volgt hier mijn vertaling van שיר ליל שבת. Die is, bij gebrek aan een leeskring voor Hebreeuwse poëzie bij mij in de buurt, nog zeer onvoldragen. Als je wilt, kun je op de achtergrond luisteren hoe Chawa Alberstein het lied zingt.

*

Sjabbatavondlied

Kom jij deze nacht nog naar mij toe?
Het wasgoed hangt droog aan de lijn,
en de altijd onverzadigbare oorlog
moet vannacht ergens anders zijn.

Onophoudelijk komen de wegen
als een paard zonder ruiter thuis,
en het huis wordt des avonds gesloten
om het wel en het wee dat er huist.

En al weten wij best dat de grens heel
dichtbij is, maar geen plek voor ons.
Mijn vader maakt kidoesj: “voltooid zijn
de aarde en al zijn heir.”

Mag dat heir en die aarde misschien nog
even door kaarslicht worden verhuld?
De mitswa die God zelf is begonnen,
wordt opnieuw door ons beiden vervuld.

 

*

Waarom?

Lang geleden, vóór de digitalisering van de marketing, toen verkooptijgers nog met een headset en een telefoonboek opgesloten zaten in een call-center, werd ik een keer opgebeld door een energiek klinkende jongedame, die mij van energieleverancier wilde doen veranderen. Het kan ook ten behoeve van een obscure telecomprovider zijn geweest. Hoewel ik natuurlijk een dief van mijn eigen portemonnee was, zei ik haar dat ik helemaal niet van leverancier wilde veranderen. “Heeft u daar een goede reden voor?” klonk het dreigend aan de andere kant van de lijn. Tja, en daar stond ik dus met mijn mond vol tanden.

How convenient does it prove to be a rational animal, that knows how to find or invent a plausible pretext for whatever it has an inclination so to do.

Benjamin Franklin

Hiermee had Franklin beslist een ander soort mensen op het oog dan mij. Dromerig als ik was, moest ik het zonder sterke neigingen stellen en, geloof me of niet, dan leggen de redenen die je erbij verzint het meestal af tegen die van een ander. Voor je het weet heb je iets gekocht, gegeven, gesteund of beaamd, omdat een ander daar goede redenen voor had. Terwijl die ander er alweer vandoor is, kijk je dromerig naar je lege handen. Keer op keer. Dat ik me die jongedame in haar call-center blijf herinneren, is omdat zij de eerste was tegen wie ik zomaar zei: “Nee hoor, maar u wens ik nog een prettige dag!” Sputterend als een kaarsje ging zij uit, toen ik er nog een schepje “Succes verder!” bovenop deed. Ziezo!

Met de jaren ben ik gelukkig wat sterker geworden in mijn neigingen én in de bijbehorende redeneringen, en laat ik me niet meer zomaar elke bewijslast op de schouders laden. In mijn werk daarentegen heb ik zelf vaak een professioneel belang bij het achterhalen van de beweegredenen van mijn cliënten voor hun gedrag. Toch heb ik geleerd het stellen van waarom-vragen te vermijden. Je komt daarmee namelijk zelden iets te weten. Er ontstaat hooguit een gevoel van gedrang en daar komt niemand verder mee. Wanneer je echter persoonlijke belangstelling weet te tonen, of een belangeloze nieuwsgierigheid aan de dag legt, komt belangrijke informatie vaak vanzelf naar buiten.

Bestaat zoiets eigenlijk wel: belangeloze nieuwsgierigheid? De woorden lijken elkaar in tegenspraak het zwijgen op te leggen. Maar, eh, ik zou wel eens willen weten: waarom vragen wij naar het waarom van alles? En waarom wil ik dat weten? Als ik een staart had, dan rende ik er nu achteraan. Totdat? Tja, totdat de wind gaat liggen. En weer opsteekt. “Lama? Kacha!” heet het in het Ivriet en dat betekent niet “Waarom? Daarom!”, maar “Waarom? Zo!” Of: “’t Is zoals ’t is.” Dáárom gaan de wolken zo snel.

Een paar weken geleden waren we aan het lernen over het gebed. Op zeker moment vroeg één van ons aan de rabbijn: “Heeft het gebed ook een doel?” De rabbijn gaf een antwoord, waaruit bleek dat gebed weliswaar tot iets kan leiden, je ergens kan brengen, maar niet als je datgene als een doel ziet. Ik moest denken aan het slot van Rilke’s gedicht Du mußt nicht bangen, Gott:

Falle nicht, Gott, aus deinem Gleichgewicht.
Auch der dich liebt und der dein Angesicht
erkennt im Dunkel, wenn er wie ein Licht
in deinem Atem schwankt, – besitzt dich nicht.
Und wenn dich einer in der Nacht erfasst,
so dass du kommen musst in sein Gebet:
             Du bist der Gast,
       der wieder weiter geht.

Wer kann dich halten, Gott? Denn du bist dein,
von keines Eigentümers Hand gestört,
so wie der noch nicht ausgereifte Wein,
der immer süßer wird, sich selbst gehört.

Zelf vraag ik mij nooit af, waarom ik godsdienstig ben. Anderen, die dat niet zijn, weten het meestal wel: ik zoek een houvast, omdat ik zo mijn leven beter bij elkaar kan houden, of het bevredigt blijkbaar een behoefte. Mooi, dan hoef ik tenminste geen “plausible pretext” meer te verzinnen. Dat zou me in dit geval slecht af gaan.

Waarom? Waasjviel!

Onpeilbaar

Kunnen zeevogels

die leven aan schuimranden

van de getijden

een onpeilbare diepte

bevatten ― en, wat dat zegt …

Ono no Komachi, 834-880 AD

 

*

Als ik een zilvermeeuw was, dan zou ik het je kunnen zeggen. Of juist niet: ik zou wanhopig, klaaglijk krijsen. En misschien zou ik denken, dat jij denkt, dat ik het weet – achter de onzichtbare, ondoorlaatbare wand, die ons van elkaar scheidt. Maar goed, ik zou je zeggen: „Het schuim zit in de weg. Wij moeten weg, naar helderder water.” Zo moeilijk is dat niet. Jij weet net zo goed als ik wat het is om boven het spiegelvlak van een bergmeer te hangen, als een vogel. Onder ons schittert de zon op de bodem van een blinkend blauwe schaal, veel dieper dan de bodem van het meer. Maar onpeilbaar? Laten we wachten op de nacht, nee, op de helderste nacht, windstil. De nacht waarin het zwart achter de verste ster zichtbaar wordt, boven ons en onder ons.

Elf eeuwen staan tussen ons in, en een taalbarrière die ons nog lelijk kan bedriegen. Toch, als wij elkaar nu diep in de ogen kijken, weten we dat het onpeilbare zich in ieder van ons herhaalt. Wij zien het niet, om van bevatten maar te zwijgen.

 

*

uitgedaagd door Simon Buschman

iGod en de betere wereld

Terwijl ik mijn nachtmerrie over de zorg langzaam maar (wat God verhoede!) zeker waarheid zie worden, schrok ik alsnog van het verhaal over iGod in NRC van 11 maart jongstleden. Natuurlijk heb ook ik niets te verbergen en ben ik misschien wel het braafste meisje van de klas. Toch ga ik me ongemakkelijk voelen van dat Alziende Oog overal om mij heen. Steeds angstvalliger houd ik mijn eigen activiteit op het internet in de gaten. Hoe houd ik mijn gezicht in de plooi, oog in oog met Iets dat mijn gedachten leest, nog voordat ikzelf er inzage in heb gehad?

Steeds vaker bekruipt mij de volgende angst: wat zijn op den duur de gevolgen, als het mij lukt om Big Data voor mijn persoontje zo klein mogelijk te houden? Waar ben ik nog, als op een zeker moment ook alles wat ik niet doe mij zal worden aangerekend? Dat is immers de uiterste consequentie van een concept als de social citizen score, waarmee in China al druk geëxperimenteerd wordt? Ik word er alvast een beetje claustrofobisch van.

Wat ik niettemin fascinerend vind, is hoe God in dit verhaal terecht is gekomen. Misschien heeft zij (Nog een interessante vraag: is uit politiek correcte overwegingen voor dit gender gekozen?) zich losgemaakt van de wand van een katholieke kinderkamer. Of heeft zij de Almachtige Schepper des hemels en der aarde uit de christelijke geloofsbelijdenis als rolmodel gekozen? Maar kom, ik ga u en mijzelf niet vermoeien met gespit en gegraaf in dikke lagen theologisch stof. De Eeuwig Levende groeit daar vanzelf bovenuit, net als de krokussen op de rotonde bij mij om de hoek.

Vandaag kwam ik Hem tegen in een midrasj over de schepping van de wereld, te vinden in Beresjiet Rabba 12:15:

Er is een verhaal over een koning, die bekers had laten maken van zeer fijn glas. De koning zei: „Als ik er heet water in doe, dan zetten ze uit en barsten ze. Doe ik er koud water in, dan krimpen ze en breken ze ook.” Wat deed hij toen? De koning mengde heet en koud water, goot dat in de glazen bekers en ze bleven heel.

Evenzo, toen Hij het plan opvatte om de wereld te scheppen, zei de Heilige-gezegend-zij-Hij: „Als ik de wereld maak met rachamiem (=barmhartigheid) alleen, dan wordt het kwaad te groot; als ik haar maak met alleen maar din (=rechtvaardigheid), hoe lang houdt die wereld het dan uit? Daarom zal ik de wereld maken met din én met rachamiem, zodat zij lang zal blijven bestaan.

Kijk, als iGod er ook zo uit zag, dan kreeg ik het nu niet zo benauwd. Van Psalm 139: „u doorziet van verre mijn gedachten” krijg ik die kriebels namelijk niet. Maar ja, wij zijn bezig in de handen van mensen te vallen. Wanneer wij in ons streven naar veiligheid, doelmatigheid en eerlijkheid Big Brother Data in de arm nemen, dan lijkt dat misschien rechtvaardig (al is ook daar op af te dingen), maar erg barmhartig is het niet. Of houdt iGod er ook een Jom Kipoer op na? Eens per jaar worden al onze data gewist en beginnen we met een frisse social citizen score, misschien zelfs met frisse criteria. O ja, en laat hij er dan meteen maar een iTora bij doen, zodat je weet waar je aan toe bent.

Hamannetjes

04032017

Nog een dag of tien, dan moeten we stemmen. (Moeten? Ja, ik vind van wel.) Overal waar ik kom draaien televisietoestellen op volle toeren en ook mijn digitale courant heeft het er maar druk mee. Dat zie ik allemaal vanuit een ooghoek, terwijl ik druk doende ben mijn draai te vinden in mijn nieuwe werkkring en me op stillere momenten afvraag waar mijn eigen leven ook alweer over ging. Terwijl ik een zaterdags ommetje loop, loopt mijn hoofd ook om, van dit alles en nog wat. In het kringelen en kronkelen van mijn gedachten passeer ik telkens opnieuw de vraag: op wie moet ik stemmen?

Een week of wat geleden dacht ik het opeens te weten. Mijn stem was voor Ada Gerkens (SP). Het zou een beloningsstem zijn. Dat had te maken met iets waarvan ik hoop dat het de geschiedenis in zal gaan als de motie-Gerkens. Twee en een half jaar heeft het geduurd, maar dankzij die motie is er een degelijk rapport van het Rathenau Instituut verschenen, dat de regering op het hart drukt onze rechtsstaat te beschermen tegen al die bedrijven die het op onze data gemunt hebben. Ik hoop dat het niet nog een keer twee en een half jaar gaat duren, voordat dit thema echt op de agenda staat, want die snelle jongens in Sylicon Valley zijn ons al te lang te snel af.

Wat later las ik een interview met Joël Voordewind (CU) en sindsdien vond ik dat ik zijn partij maar eens moest steunen met mijn kostbare stem. Waarom? Om dat beetje tegenwicht tegen mijn goed bedoelende linkse vrienden, die denken dat zij met steun aan de BDS-campagne een van de lastigste conflicten in het Midden-Oosten kunnen oplossen. En tegen de betweterige achteloosheid, waarmee iedere kiloknallerkanende Nederlander met een verbod op ritueel slachten een aflaat voor zijn schuld aan dierenleed denkt te kunnen kopen. Of tegen de verwoede secularisten en euthanasiasten, die geen maat weten in hun streven de mens tot maat van alle dingen te maken. Toen ik de ChristenUnie in een kieswijzer bijna exact op het snijpunt van de assen progressief/conservatief en links/rechts gepositioneerd zag, gaf dat zelfs een beetje thuisgevoel.

Maar de Partij van de Arbeid dan? Van de kieswijzers zou ik haar best trouw mogen blijven. En toch: Asscher is geen Job Cohen en de partij is al lang niet meer wat ze geweest is. Trouwens, mijn eigen nostalgie ook al niet meer. Dat men van het idee voor een bindend referendum is afgestapt, daar word ik wel weer een beetje warmer van. De politiek zou misschien wel iets sneller mogen, maar het moet geen clicktivism worden.

Een paar dagen voor de verkiezingen is het Poerim. Eerlijk gezegd ben ik – nebbisj – niet zo in de stemming om me te gaan verkleden en op commando gek te doen. Aan de andere kant is het een religieuze plicht om me, samen met de anderen in de queer corner van mijn sjoel, eens goed vol te gieten. Tot ik het verschil tussen Mordechaï en Haman (boeoeoe!!!) niet meer weet. Nou goed, met een paar dagen om het delier weer te boven te komen is het misschien wel te doen. Op 15 maart is het wel zaak om te weten wie Haman (boeoeoe!!!) ook al weer was. En is.

Lees het verhaal van Esther, zou ik kunnen zeggen. Dat is beter dan dat ik het samenvat. Wel wil ik verklappen dat het over deze verkiezingsstrijd gaat. Want die gaat bijna over niets anders dan over identiteit. En dan zie ik opeens heel veel Haman(boeoeoe!!!)netjes. Mannetjes (en vrouwtjes, op hun eeuwige tweede plaats) die wel weten wat de identiteit van ons land is of moet worden. Daar heb ik al vaker op gemopperd, dus nu maar even niet. Als het kon zou ik stemmen op Rosanne Hertzberger, met wie ik het  vaak oneens ben, maar vandaag even niet. Lees haar pleidooi voor vrijheid in NRC van vandaag, waaruit ik citeer:

Vertrouwen, liefde, zorgzaamheid, aandacht – daar heeft PwC geen verstand van. Want dat staat niet op papier. Als je alleen maar naar het papier kijkt, is er altijd iets te regelen. Er is geen probleem te bedenken dat jij niet kan oplossen met een onderzoek, een beleidsplan of een wetsvoorstel. Je kunt altijd de hoepels verzetten, vernauwen of er een paar extra optuigen. Je kunt er een wortel achter hangen of gewoon straf uitdelen als mensen er niet door willen springen.

Haar stemadvies:

Ik stem op de politicus die als eerste zegt: die Nederlandse identiteit, dat is niet aan ons. We gaan het niet in kaart brengen, we gaan er geen beleidsplan over schrijven, we gaan het niet regelen. Uw identiteit is aan u, lieve Nederlander.

Perenhout

26022017

*

Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.

 

Sjemot/Exodus 20:4

 

Er was eens een Jood, die in een klooster ondergedoken zat. Toen de oorlog voorbij was, was hij de kloosterlingen zeer dankbaar. “Hoe kan ik jullie danken? Is er iets dat ik voor jullie kan doen?” vroeg hij.

De monniken wisten dat hij houtsnijder van beroep was, dus ze vroegen hem: “Zou je voor ons een beeld willen maken uit die oude perenboom daar? Die moet toch omgehakt worden.”

Met al zijn liefde maakte de beeldhouwer een manshoog Christusbeeld, zo mooi als nog nooit iemand gezien had. Het kreeg een prominente plaats in de kloosterkerk en iedereen die oog in oog met het beeld kwam te staan, werd door devotie gegrepen. Sommigen vielen plat op de grond, anderen knielden langdurig, niemand bleef onverschillig.

Alleen de maker zelf leek niet gevoelig voor de bijzondere werking die van het beeld uitging. “Hoe kan het dat jij er zo aan voorbij loopt?” vroegen de monniken hem.

 

“Ach,” zei de man, “ik heb Hem nog als perenboom gekend.”

 

(deze witz hoorde ik vandaag van een cliënt)

Het beeld op de afbeelding is van Mark van Eygen.