Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘wetenschap’ Category

24042014

*

Homo sum, nil humanum mihi alienum puto.

Publius Terentius Afer, Heauton Timoroumenos

*

Mocht ik in mijn eerdere stukjes over de Uncanny Valley de indruk hebben gewekt dat ik nergens meer van sta te kijken, dan moet ik u nu toch teleurstellen. Er zijn wel degelijk dingen, en vooral mensen, die ik eng vind. Niet eens zo lang geleden kwam ik er een paar tegen. Op het internet, natuurlijk.

De eerste was een vrouw, die ik opeens als een spookrijder op me af zag komen, koplampen vol aan. Maar die leken niet te dienen om te zien wie of wat zij voor zich had, maar om ruim baan te maken. Ik voelde me een konijn, maar wist nog net op tijd in de berm te springen. Oef!

…vrede op aarde is uiteraard en helaas een illusie….maar een zekere ontwikkeling in bewustzijn in de loop van de geschiedenis der mensheid valt gelukkig wel te constateren. Ik hoop op een democratisch tot stand gekomen wettelijk verbod op het eten van dierenlijken binnen 50 jaar.

Behalve dat wilde zij Facebook, Twitter, God en mannen ook maar liefst de wereld uit hebben. In al haar schelheid raasde zij gelukkig snel voorbij.

Vandaag wandelde ik in mijn eentje vrij dicht langs een borrelend (mineraalwater) en babbelend gezelschap. Ik voel me dan altijd een beetje bekeken, – ook dat vind ik eng – maar ze leken me niet op te merken. Nieuwsgierig als ik ben vertraagde ik dus mijn pas, zodat ik kon horen waarover zij spraken. Tot mijn verbazing hadden ze het over mij! Weliswaar in termen die ik nog niet kende, maar desondanks kwam ik heel wat over mezelf te weten. Zo voelde ik me alsnog bekeken: doordat ik mijzelf door hun ogen kon zien.

Ik bleek een ‘human-racist‘ te zijn. Een ‘bioconservative‘ bovendien en misschien zelfs wel een ‘BioLuddite‘. De mensen bij wie ik over de tong ging noemden zichzelf ‘technoprogressives‘. En zo stond ik plotseling aan één kant van een kloof. Nu ben ik daar meestal niet zo bang voor, maar in dit geval is mijn vertrouwen in de mogelijkheid die kloof te overbruggen akelig klein. Ik voel iets rommelen, net onder mijn middenrif. O ja, ook daar hoorde ik hen over praten: ze noemden het de ‘yuck factor‘. Volgens hen zouden mensen als ik het zelf liever ‘wisdom of repugnance‘ noemen, maar daarin kom ik ze niet tegemoet. Voor ik het weet wordt mij in de schoenen geschoven dat ik er een ‘disgust-based morality‘ op na houd.

Ach, het leken me heel nette mensen. Heel redelijk vooral – als dat tenminste de juiste vertaling is van ‘rationalist‘:

Responding to the polarization of the debate between technophobes and anti-regulatory technophiles, an emerging global network of technoprogressive thinkers are defending people’s rights to use human enhancement technologies, while taking seriously the need to regulate their safety and social consequences. Technoprogressives address questions such as the right to use””and not use””cognitive enhancement technologies in an increasingly competitive society.

En toch vind ik deze mensen zeer ‘uncanny‘. Het voelt alsof de Invasion of the Body Snatchers nu toch echt heeft plaatsgevonden. Hun juiste midden ligt een heel eind bij het mijne vandaan. Zij staan een wereld voor waarin ik geen plaats zie om mijzelf te verwerkelijken. Zij pretenderen geduld te hebben met mensen als ik, maar ik voel aan mijn water dat het op ‘love it or leave it‘ aan zal komen, mochten zij de macht krijgen. Of zal ik in een reservaat belanden met andere ‘Humanish‘?

Advertenties

Read Full Post »

31032014

 

…. en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja het werk onzer handen, bevestig dat.

Psalm 90:17

Terug naar de robots. Ik zal maar meteen toegeven dat mijn weerzin vooral voortkomt uit de confrontatie met mijn eigen vervangbaarheid, dan hoeven we het daar niet meer over te hebben. Maar daarbij gaat het niet in de eerste plaats over het verlies van inkomen en misschien nog niet eens over de impliciete minachting voor het werk dat ik doe. Het gaat mij erom dat menselijke arbeid meer is dan marktwaar in een kapitalistische economie. Van de wetenschap dat ik het allemaal niet meer mee zal maken gaat een troost uit die met de dag schraler wordt. Ik heb kinderen in deze wereld en bovendien is er een mensheid waarmee ik mij verbonden voel.

Jarenlang hebben we een volkstuintje gehad, een lapje grond waarop wij groenten verbouwden. We huurden dat van een gepensioneerde pionier in de biologisch-dynamische tuinbouw. Bijna tot aan zijn dood heb ik hem nederige werkjes zien doen op die anderhalve hectare waaraan hij zijn leven had gewijd. Soms hielp ik hem daarbij en raakten we aan de praat. Hij was een onverbeterlijke, zeer wereldvreemde idealist. “Een tuinkabouter!” riep de vrouw die het tuintje naast mij bewerkte en die net zo eigenwijs was als hij. Een paar jaar geleden is hij gestorven, maar een van zijn gedachten leeft verder in mijn hoofd.

“De mechanisatie van de landbouw is geen vooruitgang geweest. Men voerde als argument aan dat het gebruik van machines tijd zou besparen. Maar je kunt tijd helemaal niet sparen. De tijd stroomt voortdurend verder, je kunt hem alleen maar gebruiken. Voordat je je werk uit handen geeft aan een machine, mag je eerst wel eens bedenken wat je met die lege handen gaat doen.”

Die gedachte schudde iets in mij wakker, dat sindsdien niet meer wil slapen. Ik was opgegroeid met een veel optimistischer beeld van de zegeningen van de technologie:

Ergens in de jaren vijftig kwam hij in beeld: de spelende, van arbeid bevrijde mens. De vrijetijdsmaatschappij, voorspelden deskundigen, was in de maak. Uit de Verenigde Staten bereikten ons land intrigerende verhalen over robots en automatisering. Alles wees erop dat de wereld van de arbeid het in toenemende mate zonder de mens af zou kunnen.
De Cobra-kunstenaar Constant Nieuwenhuys gaf het land van de toekomst begin jaren zestig ook een naam: Nieuw Babylon. “In Nieuw Babylon zal onze sluimerende kreativiteit ontwaken! De economische voorwaarden zijn er dan aanwezig voor. Wie nu nog de tijd moet doorbrengen met de kost verdienen, zal dan haast genoodzaakt worden kreatief te worden om niet aan verveling ten onder te gaan. Hij zal de homo ludens zijn, hij zal gaan spelen.”

(….)

Vrije tijd bleek voor een aanstormende generatie niet langer een bijproduct van de wereld van de arbeid, niet langer een oase van welverdiende rust, maar een wereld op zichzelf, een wereld waarin je een ander mens kon worden.

Uit: Lage landen, hoge sprongen: Nederland in de twintigste eeuw door Jos van der Lans en Herman Vuijsje

Dit toekomstbeeld sprak mij wel aan. Omdat ik bang was iets te missen als ik een richting insloeg of omdat ik mij graag verloor in contemplatie, dat laat ik in het midden. Door schade en schande ben ik dit kleine beetje wijzer geworden: die oude boer had een punt. Nederig handwerk is van een even onschatbare waarde als welk ander werk dan ook. Het is een rare romantische illusie dat een mens zich mooier zal ontplooien naarmate zijn vrijheid groter wordt. Men moet zich ergens aan kunnen ontwikkelen.

Dat is mijn persoonlijke ervaring, maar ook maatschappelijk hebben we inmiddels voldoende kijk op de kwalijke gevolgen van het uitbesteden van nederig werk aan machines en lagelonenlanden. De ene lost generation na de andere dwaalt doelloos en depressief over de arbeidsmarkt. Bepaalde menstypes zijn al vanaf hun geboorte overbodig of worden gedwongen zich tegen hun natuur in te ontwikkelen. Omdat ‘de economie’ hen niet meer nodig heeft.

Moeten we nu ook nog het werk in de zorg afstaan aan robots? Er zullen wel mensen zijn die er garen bij spinnen, want al jaren worden de geldstromen in de zorgsector hardnekkig omgebogen in de richting van technologie. Al in 1950 formuleerde Isaac Asimov in zijn bundel I, Robot drie ‘wetten van de robotica‘. Interessanter vind ik de zogenaamde ‘Nulde Wet‘:

Een robot mag geen schade toebrengen aan de mensheid, of toelaten dat de mensheid schade toegebracht wordt door zijn nalatigheid.

In plaats van te roepen dat we geen keuze hebben, kunnen we misschien eerst nog wat beter kijken naar alternatieven om onze economie in te richten, voordat we robots toelaten op de arbeidsmarkt. Anders brengen we zelf schade toe aan de mensheid.

*

[Bij het plaatje boven dit blogbericht dacht ik aan mijn oom Arend (1887-1971), die op zijn oude dag vaak verzuchtte: “Wie zal straks nog een zeis kunnen haren?”]

Read Full Post »

Gorgias

19032014

Ongeveer twee weken geleden deed ik ook al ergens luchtig en lacherig over, terwijl ik er net zo goed – of misschien beter – ernstig en bezorgd over had kunnen doen. Ik hing rond op een virtueel speelplaatsje en het ging net over de angst dat de voortschrijdende digitalisering banen zou doen verdwijnen. Dat is op zich niet nieuws. Computers hebben ons al van veel geestdodend werk verlost. Aan de vraag of dat ons de verwachte vrijheid en vergrote kansen op zelfontplooiing heeft gebracht ga ik hier nu maar even voorbij. Het ging hier echter over heel andere banen: de intellectuele beroepen, het denken als ambacht.

En dan herinner ik mij opeens de man die mij ooit de eerste beginselen van het klassieke Grieks en Latijn heeft bijgebracht. Die dat met zoveel enthousiasme deed, dat ik die oude talen ben gaan studeren, in een tijd dat het belang daarvan voor het eerst openlijk in twijfel getrokken werd: vanwaar al die moeite als er toch goede vertalingen zijn? Destijds had ik niet zo heel veel begrip voor de bezorgde geluiden om mij heen. Ik was zelfs geneigd er de arrogantie van een elite in te zien, die de plaats van haar waarden in de wereld schromelijk overschatte. Van de sociale mobiliteit die mij als het ware had overrompeld hield ik vooral een grenzeloos cultuurrelativisme over. Of de behoefte daaraan.

Terug naar die man: met veel geduld leerde hij ons eerst het Griekse alfabet, daarna de uitspraak, vervolgens de betekenis van woorden, dan nog de manier waarop in die taal woorden tot zinnen worden geweven en zinnen tot tekst. Na ruim een jaar zwoegen bleken wij in staat een dialoog van Plato te lezen, zij het ondersteund door een ‘commentaar’ en zijn persoonlijke begeleiding. Ik weet nog wat we lazen: de Gorgias. Dat gaat over een van de eerste mensen die zich liet betalen voor een puur intellectuele prestatie. Hij was leraar in de ‘retorica’, de kunst van het overreden. Maar dat is niet de reden waarom ik mij juist dit herinner in verband met het verdwijnen van de intellectuele beroepen als gevolg van de digitalisering.

Het gaat mij om die leraar van mij en om wat hij met ons voor had. Binnen de beperkte tijd en binnen de grenzen van onze beperkte vermogens waagde hij het om ons zo dicht mogelijk te doen naderen tot het belang van filosofie voor de mensheid. Aan de hand van die oude tekst maakte hij zichtbaar dat het aanleren van vaardigheden een zaak van groot gewicht is. Maar wat doet iemand met zijn vermogens zodra je hem loslaat? Wat gebeurt er met een samenleving die van alles vermag, maar die zich niet langer ethische vragen stelt op een manier zoals Socrates dat deed? Kan een samenleving zonder mensen die daar een passie voor hebben en de gelegenheid krijgen hun talenten in te zetten?

We kunnen van alles denken en beweren over hoe ook apen morele wezens zijn, hoe we van godsdienst of filosofie niet vanzelf betere mensen worden of hoe computers veel menselijke hersenarbeid overbodig maken, maar ik geloof niet dat we zonder mensen als mijn leraar Grieks en Latijn kunnen. Nu hebben filosofen en andere intellectuelen wel voor hetere vuren gestaan dan bezuinigingen en pogingen tot het ontwikkelen van kunstmatige intelligentie, maar als ik mij probeer voor te stellen hoe het zal gaan als ook zij geheel en al aan de ‘gezonde marktwerking’ zullen worden overgelaten, dan houd ik alvast maar op met luchtig en lacherig doen.

Eén lichtpuntje: op de school van mijn jongste dochter krijgen ze nog les in het herkennen van drogredenen en mijn oudste heeft nog leren onderscheiden tussen feiten, waarnemingen, meningen en vooroordelen. En toen ik een paar jaar geleden een groepje HBO-studenten van wie ik een tekst moest redigeren betrapte op slecht gecamoufleerd knippen en plakken uit Wikipedia zei zij: “Oh, dan heb je bij ons een één.”

Read Full Post »

Dwaze bijen

PENTAX Image

In vergelijking met andere wetenschapstradities schiet de antroposofie tekort waar het gaat om meetbaarheid en falsifieerbaarheid, dat kan ik onmogelijk ontkennen. Maar als we kijken naar de verhouding brij en krenten, dan doet zij voor geen enkele andere onder. En zodra wij al onze pogingen tot het doorgronden van ons bestaan beoordelen op poëtische kracht en misschien zelfs wijsheid, dan laat zij alle andere ver achter zich. Wanneer het ons tenslotte lukt om Rudolf Steiner’s eigen hang naar systeembouwen – is hij daarin niet, net als zijn tijdgenoot Freud, onmiskenbaar een kind van zijn tijd? – en de zucht naar dogmatiek van zijn volgelingen als bijzaak terzijde te schuiven, dan is hij een genie. Met meer gevoel voor humor dan Freud, bovendien.

Tijdens deze donkere dagen rond Kerst keer ik in gedachten terug naar een juweeltje uit zijn oeuvre, dat ik ooit las toen ik nog bijen hield: Ueber das Wesen der Bienen. Eigenlijk is dat een verslag van een aantal voordrachten die hij heeft gehouden voor de arbeiders die van 1922 tot 1924 aan het (tweede) Goetheanum in Dornach bouwden. Daarin merkt Steiner terloops op dat we niet de bij, maar het bijenvolk als een individu dienen te beschouwen. Met een eigen persoonlijkheid, kan ik uit ervaring zeggen. Kon je een bijenvolk van voldoende afstand bekijken, en met een scherpe blik, dan zag je iets dat lijkt op een menselijk gelaat.

De afgelopen tijd heb ik bij herhaling beseft dat hierin een diepe wijsheid schuilt. Vooral als we deze gedachte van Steiner uitbreiden met het besef dat zo’n individu  een wisselende omvang heeft. Om deze tijd van het jaar heeft het bijenvolk (de imme) zich samengebald tussen haar raten, onder een koepel van verzegelde honing. Bijna bewegingloos, met een diameter van hooguit twintig centimeter, maar als je in de Kerstnacht je oor tegen de kast te luisteren legt, hoor je haar zachtjes zingen. In de volle zomer, als de werksters er op uit trekken om nectar te verzamelen, breidt het volk zich weer uit, tot drie kilometer in de omtrek van haar woning. Ook dan staat elke bij in voortdurende verbinding met het volk.

Wat me dit jaar meer dan eens is opgevallen, is dat een mensenziel een zelfde wisseling in omvang kent. Volgens wetten die even basaal zijn als die welke de bijen volgen, maakt een mens zijn wereld kleiner wanneer dat nodig is en het lichaam volgt. Ik weet dat van mijzelf en heb het anderen zien doen. Wat is het dan dat mij drijft om van alles te ondernemen om die teruggetrokken en in zichzelf gekeerde mens weer de ruimte in te brengen? Terwijl ik daarbij al zo vaak de plank heb mis geslagen? Goede bedoelingen, louter liefde wellicht. Maar ik ben als een muis of een imker die ontijdig de rust van zijn bijen verstoort. Of zelfs als de winterzon, die, schitterend op de sneeuw, een paar uur lang de kasten warmt, tot de bijen naar buiten komen. Soms vliegen zij ondersteboven, naar de aarde die opeens zo op de hemel lijkt, om daar te verkleumen.

Steeds heviger bezweken,
steeds helderder doorschenen,
steeds heviger bezweken
naar het ontwijkend teeken,

stegen wij en verdwenen,
ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,
stegen wij en verdwenen
als glinsteringen henen. –

Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
wij dwarrelen naar beneden.
Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
het sneeuwt tusschen de korven.

Waren zij maar in de korf gebleven, die dwaze bijen. En toch, en toch…..  Hoe goed ik mijzelf en de bijen ook ken: het leven is een weegschaal waarin ik mijn wijsheid en mijn dwaasheid neerleg om te worden gewogen. Een waagschaal.

Niemand kan van nature
zijn hartstocht onderbreken,
niemand kan van nature
in lijve den dood verduren.

* de aangehaalde dichtregels zijn van Martinus Nijhoff, uit het Lied der dwaze bijen.

Read Full Post »

23032013

Een jaar of elf zal ik zijn geweest, toen mijn historische belangstelling voor het eerst in alle hevigheid opvlamde. Ik weet nog goed hoe ik uit de mond van mijn moeder talloze verhalen uit haar jeugd optekende in een oude agenda. Aan mijn vader ontfutselde ik de herinneringen die hij nog koesterde aan de tijd dat hij postduiven hield en samen met zijn zus de vereniging “Woordkunst” oprichtte. Van mijn opoe kreeg ik een oud beursje met een knip, rijk versierd met witte en lichtblauwe kraaltjes. Daarbij voegde ik een paar potscherven (Delfts Blauw, minstens 100 jaar oud!), een stuk of wat kiezen gevonden in een massagraf van koeien die rond 1715 aan de veepest waren bezweken en ziedaar mijn eerste museum.

Maar het mooiste was een heus geschiedenisboek, dat ik had gekregen van de conciërge van een school in Alkmaar, waarheen ik een tijd lang iedere vrijdagavond mijn moeder begeleidde, die daar een kookcursus voor blinden volgde. Met dat boek in een hoekje had je aan mij geen kind, ware het niet dat hier een gevaar op de loer lag.

En wat boven deze is, mijn zoon! wees gewaarschuwd; van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezens is vermoeiing des vleesches.

Prediker 12:12

Hoezeer beschouwelijkheid en studie in het tuindersdorp waar ik opgroeide ook gewaardeerd werd, men vond al gauw dat iemand die dreigde zich aan bovenmatige geestelijke inspanning over te geven “wat vaker zuid-op moest gaan.” Daar lagen de akkers, altijd bereid om je terug te voeren naar een aardser bestaan. Midden in deze denktrant stond een heus schrikbeeld opgericht. De broer van een buurman had zich, een jongen nog, “over de kop geleerd” en dat was nooit meer goed gekomen. Hij sleet de rest van zijn dagen in een inrichting ergens achter de duinen.

Dat het beducht zijn voor de kwalijke kanten van een intellectuele levensstijl veel ouder is en niet beperkt blijft tot het gezonde boerenverstand van mijn dorpsgenoten blijkt reeds uit het bijbelvers hierboven. Afgelopen week kwam ik het nog ergens anders tegen, alleen dan uitgebreid met allerlei veronderstellingen over de taakverdeling tussen vrouwen en mannen in deze.

Het Provinciaal Utrechts Genootschap (PUG) toonde zich minder enthousiast over vrouwelijke inmenging. In 1870 hield Nicolaas Beets voor de algemene vergadering zijn openingsrede, Opmerkingen naar aanleiding van de denkbeelden van den dag in verband met de Emancipatie van Vrouwen, waarin hij op termijn pleitte voor toelating van dames. Beets verdedigde de mening dat de vrouwelijke geest in het bezit is ‘van alle die vatbaarheden en organen, die, op mannelijke wijze gevoed, geoefend en gekweekt, het vrouwelijk geslacht tot de hoogste ontwikkeling in wetenschap en kunst zouden in staat stellen’. De grote verdienste van vrouwen bleef echter volgens hem
‘dat zij, aan de zijde van een geleerde mannenwereld, aan de volheid des levens ontrukt, tot eenzijdige onderzoekingen afgezonderd, in bedwelmenden afgetrokkenheden verdiept, en in het zoeken der waarheid van alle kanten door drogredenen belaagd, steeds de verkwikkende, opwekkende, ontnuchterende en bezadigende wederhelft, het onmisbaar tegenwicht, en de vertegenwoordigsters van het gezond verstand geweest en gebleven zijn, en tegenover de boeken en hun stof altijd weder den mensch en het leven vertoond en gehandhaafd hebben.’

Hoe bepalend en hoe onomkeerbaar dit soort denkbeelden zijn geweest viel me op bij het bladeren in 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Toen ik het maar eens ging turven, bleek dat 61 van de laatste 200 vrouwen in dat boek ongehuwd zijn gebleven. Was het voor die vrouwen dan niet gevaarlijk om zich eenzijdig intellectueel te ontwikkelen? Hadden die niet juist een man (of een andere vrouw) naast zich nodig om hen op aarde te houden?

Voordat ik voor de verleiding val om nog dieper in de antithesen te duiken, maak ik liever een sprongetje zijwaarts in de historie. Op een andere plank in mijn boekenkast (ik weet het: er is geen einde….) staat een lijvig werk, de Vasalis-biografie van Maaike Meijer. Die kan ik iedere jonge vrouw aanraden, ook al heeft ze er eigenlijk geen tijd voor. Het combineren van moederschap, een baan, een partner, een sociaal leven, is dat niet allemaal veel zwaarder dan de eenzame arbeid van een historica? Wie zal het zeggen? In ieder geval is het mooi dat iemand de moeite heeft genomen om al het gemopper en het idealiseren waarmee Vasalis precies zo’n druk bestaan verbaal heeft begeleid op te tekenen. Dan weet je weer dat je het zo gek niet doet.

De foto bij dit blogbericht toont Elisabeth Carolina van Dorp (1872-1945), de eerste vrouw in de Tweede Kamer met een ‘eenmansfractie’.
Het uitgebreide citaat is afkomstig uit: Strijd tegen de stilte: Johanna Naber (1859-1941) en de vrouwenstem in de geschiedenis door Maria Grever.

Read Full Post »

10032013

Of het scheikundig gezien waar is, kan ik niet beoordelen. Logisch bekeken klopt het, geloof ik, niet. Maar op een filosofisch niveau geeft het in ieder geval stof tot nadenken. (Kijk: ook in die uitdrukking vervaagt de grens tussen geest en materie!)

Ik vind het vooral een prachtige gedachtensprong, van een kamerplant naar Keats. Niets is tenslotte te wonderlijk voor de magie in alchemie. Alles is één, dus van stro goud maken is slechts een kwestie van hoe, niet van of het kan. “En met dat levenselixer komt het ook nog wel eens goed,” sprak de rozemarijn op mijn balkon vanmorgen, bibberend van de kou. “Zullen wij dat nog beleven?” vroeg ik nog, maar daarop bleef zij het antwoord schuldig. Toen heb ik haar maar gauw in het trappenhuis gezet, en de oleander ook.

Read Full Post »

20022013

De mooiste preek die ik ooit heb gehoord, klonk niet vanaf een kansel. Die werd niet uitgesproken door een predikant of priester en die ging over een bijbeltekst die achteraf helemaal niet bleek te bestaan. Maar ze raakte wel de kern, of in ieder geval mijn kern.

Ik bevond mij op een receptie ter ere van de promotie van een kennis die ik inmiddels al weer jaren uit het oog verloren ben. Daar klom na drie biertjes een oom van de promovendus op een tafel om de nieuwbakken doctor toe te spreken. U kent dat wel, zo’n oom die op elke familiebijeenkomst speecht, terwijl de toehoorders die hem kennen de tenen krommen. Mij werd van terzijde ingefluisterd dat hij zo’n beetje het zwarte schaap in de familie was, de enige namelijk die het nooit tot een promotie had gebracht. “Eigenlijk is-ie best briljant, maar hij blijft altijd steken in de fase van het materiaal verzamelen.”

Mij had hij snel voor zich ingenomen. Ik zag een joviale kerel op die tafel staan. Zo een die het liefste duizend bloemen ziet bloeien en oprecht gelooft dat humor de brug is die alle mensen met elkaar kan verbinden. De kwinkslagen klonken luid, zodat je moeite moest doen om te horen waar het hem werkelijk om ging. Maar de wijsheid die ik van die avond meenam was die moeite zeker waard.

Hij begon zijn verhaal met een bijbelvers, dat hij uit zijn hoofd citeerde: “De Heere wil dat wij als kinderen zijn en niet als huurlingen.” O ja, huurlingen hebben geen hart voor de zaak en die lopen de kantjes eraf, vulde ik in gedachten reeds aan. Maar nee, zijn verhaal ging een heel andere kant op. “Wat is het kenmerk van huurlingen?” vroeg de oom retorisch. “Dat ze precies doen wat je ze opdraagt,” antwoordde hij zelf. “Niet meer en niet minder. Ze gaan nooit buiten hun boekje, ze kleuren niet buiten de lijntjes.”  Tja, en wat doet een kind dan, vroeg ik mij reeds af.

“Maar wat doet een kind?” echoode het vanaf de tafel. En hier laste de oom een retorische stilte in, zodat wij ons konden afvragen of een kind nu gehoorzaam of misschien juist rebels was. “Een kind, dat speelt,” sprak de oom en daarmee waren de tegenstellingen meteen overstegen. “Een kind speelt,” zei hij nog eens. “Dat is wat God van ons wil: dat wij spelen voor zijn aangezicht.” Volgde een toepassing van het bijbelwoord op de academische praktijk, waarin voldoende van de pijn die hij daar had opgedaan doorklonk om zijn woorden doorleefd te laten zijn. Voor de jonge promovendus werd het tuinhek van het intellectuele leven met een zwaai opengegooid. “Jongen, ga spelen!”

Ik weet nog net genoeg van de carrière van die verloren kennis dat ik kan zeggen dat zijn oom zich over hem geen zorgen hoefde te maken.

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »