Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘religie’ Category

Gloed

 

Het is nog heel warm in Israël, terwijl wij daar zijn. Ongeveer zoals hier tijdens de hittegolf van de afgelopen zomer. Elke dag schijnt de zon. Heel fijn, maar toch ben ik maar wat blij dat Willis Haviland Carrier voor ons de airconditioning heeft uitgevonden. Elk huis en elke auto heeft er een, in Israël. Hoe hebben ze dat vóór 1960 gedaan, vraag ik me af. Het antwoord vind ik in de soeks van Safed, Akko en Jerusalem: je verstopt je openbare ruimte onder en achter veel metselwerk, zodat de zon er niet bij kan.

In de roman die ik lees op momenten dat ik niet loop, rijd, praat of eet, komen twee van de personages tot de volgende observatie:

‘Mensen die in de woestijn wonen zijn altijd geïnteresseerd in God.’
‘En als het maar warm genoeg is, menen ze Hem nog te zien ook.’
‘En als ze geen pet op hebben, beginnen ze ook nog met Hem te praten.’

Meir Shalev, De grote vrouw

Is het daarom dat in deze regio drie grote wereldgodsdiensten zijn ontstaan?

In de oude stad van Jerusalem wijst een behulpzame koopman, naar later blijkt een bedouïn, ons een weg naar het dak van de stad. Ergens op de grens tussen de moslimwijk en het christelijk kwartier lopen wij opeens door een stedelijk woestijnlandschap. De daken reflecteren de felle zon en nergens is schaduw. Er schiet mij een vers te binnen uit een psalm die ik elke morgen zeg. Let op de mooie klank:

mi-k’tsè ha-sjamajiem motsa’o oe-t’koefato al k’tsotam we-één nistar me-chamato

Aan het ene einde van de hemel komt hij op,
aan het andere einde voltooit hij zijn loop,
niets blijft voor zijn gloed verborgen.

Psalm 19:7

De laatste woorden galmen tijdens deze vakantie telkens door mijn hoofd, wanneer we ergens belanden waar we ons voor de zon niet kunnen verstoppen. Ze roepen ook herinneringen wakker aan de tijd dat ik nog op zoek was naar de in- en uitgangen van mijn leven. Hoe dikwijls verbaasde ik mij niet over de rare discrepantie tussen de beeldentaal van de Psalmen, waarmee ik opgroeide, en de natuurlijke werkelijkheid van het land waarin ik geboren was en waarmee ik dacht mij te moeten kunnen verbinden? Het lukte mij niet die kloof te overbruggen.

Opeens snap ik waarom die discrepantie voor mijn gevoel verdwenen is. Die is namelijk inherent aan het Christendom, maar in het Jodendom totaal afwezig. De christelijke boodschap is – vaak sterk vergeestelijkt – door zendelingen overgeplant naar West-Europa (en elders). Vrome Vlamingen lossen de vervreemding op door hun Klein Jezuken ter wereld te laten komen in een licht glooiend sneeuwlandschap en onder een rieten dak. De Joden hebben altijd hun hele beschaving meegenomen, overal waar zij heen trokken, en zo de band met het Land levend gehouden.

Over de hele wereld worden tijdens Soekot (het Loofhuttenfeest) de “arba’a miniem” meegebracht naar de plaatsen waar we samenkomen. De etrog, de loelav, de hadas en de arava worden vaak van ver gehaald, maar zijn niet ‘exotisch’. We nemen ze bij elkaar in onze handen en schudden ermee in een vrolijk ritueel, tot de palmtak ratelt als de regen op de droge aarde. Vanaf dat moment tot aan Pesach in het voorjaar is een gebed om regen ingebed in het dagelijks gebed. Deze vakantie was dan wel geen bedevaart, maar het zien van de zon zoals hij daar schijnt neem ik mee, wanneer ik ‘met God praat’.

 

Advertenties

Read Full Post »

Middelpuntvlieders

*

Toen de Templers klaar waren met de hoofdstraat van hun kolonie, dook er een andere religieuze groepering op, die de keurige rechte lijn die de Duitsers in de vlakte hadden gelegd, door trokken tegen de berg Karmel op. Passer en rij tekenden er 18 hangende tuinen, met in het midden een mausoleum, waarin hun founding father ter eeuwiger ruste werd gelegd. Het koepeldak werd bedekt met 12000 gouden dakpannetjes van Hollandse makelij. Bij dag en bij nacht een aanblik van raadselachtige schoonheid, aantrekkelijk en afstotend tegelijk.

Op een zonnige morgen togen wij daarheen (daarheen!) om de Tuinen van Baha’i te bezoeken. Bewakers bij het hek legden ons uit dat de tuinen een heiligdom vormden, wat betekende dat er van alles niet mocht: met blote benen lopen, kauwgum kauwen, spugen, op het marmer zitten, het water aanraken. Plechtig beklommen wij de trappen naar het tweede terras, om daar tot de ontdekking te komen dat de volgende terrassen niet toegankelijk waren. We namen daarom rustig de tijd om het eerste terras van boven te aanschouwen.

“De gids vertelt dat de baha’im streven naar de eenmaking van de mensheid,” verbrak ik de stilte. “Een sympathiek verlangen,” meende Max, die doorgaans wat meer hart heeft voor universalistische idealen dan ik, die meteen vond dat we (de baha’im incluis) dat maar beter aan God kunnen overlaten. Voordat we het door voorzichtig argumenteren eens hadden kunnen worden, naderden we elkaar al doordat het gesprek een scherpe bocht maakte en daarachter over mystieke ervaringen bleek te gaan. “Kent iemand dat gevoel etc.” Ondertussen klonk er een fluitje en alle grassprieten leken ogenblikkelijk in het gelid te staan en te salueren. Een kind had zijn hand in het water gestoken.

Twee schuldelozen stonden daarboven en keken ernaar. We spraken met elkaar over de mystieke ervaringen die ons zo nu en dan overdiend ten deel vielen.

‘T is, of een punt tot cirkel gaat verwijden;
‘T is, of een cirkel punt wordt en verschiet.

Misschien is het wel zo dat mystici, per ongeluk of express, uiteenvallen in twee categorieën: middelpuntvlieders en middelpuntzoekers. Al naar gelang zij tot het Al-Ene komen door God te vinden in Alles of in het Niets. Middelpuntvlieders waren wij. We liepen elk langs een afzonderlijke trap naar beneden en vonden elkaar daar weer. Wat nu?

Een bewaker vertelde ons dat er ter hoogte van de tempel nog een andere toegang tot de Tuinen was, dus wij begonnen aan een lange klim, die ons langs de shabby achterkant van Haïfa voerde, waar zwerfkatten woonden in uitpuilende vuilcontainers en mensen paradijsjes schiepen op erfjes ter grootte van een postzegel. Door een hek met weer twee bewakers floepten we opnieuw het domein van de perfectie binnen. Daar stond de gouden koepel, middenin een arboretum vol cactussen en vetplanten. Caroben en nog exotischer bomen boden ons schaduw. Het heilige der heiligen was al gesloten, maar ik voelde me in die tuin wel dicht genoeg bij de God van de Baha’i. De spanning tussen leven en wet stond er op springen.

Ons verlangen (naar wat eigenlijk?) voerde ons naar nog groter hoogte. In de toenemende hitte verdwaalden we in een ruigte, die ooit bedoeld was om een parkje te worden. Een bankje stond eenzaam te verpieteren op een plek waar men eens over de baai uit kon kijken. Nadat er een flat op de zichtlijn was gebouwd, had men de zaailingen van den en steeneik ook maar vrij spel gelaten. Niemand nam nog op dat bankje plaats, of het moest een junkie zijn. Alles liep hier dood.

Hoe kwamen we er weer uit? Met volharding, zegt een achtergebleven calvinist in mijn multiculturele binnenwereld. Een volharding die dan uiteraard ook beloond werd: bovenop de Karmel, aan de rechov Yefe Nof 99 (de Mooi Uitzichtstraat), stond een Georgisch restaurant. Het eten was er met veel liefde klaargemaakt, de bediening huiselijk en hoffelijk tegelijk, het uitzicht niet te overtreffen en het bier koel en welverdiend. Ik heb beloofd reclame te maken . . . .

 

Read Full Post »

Vrijgevigheid

 

In de tijd dat in Amsterdam de diamantslijperijen op volle toeren draaiden en een groot deel van haar joodse bevolking van een goed inkomen voorzagen, was er een sjnorrer (= bedelaar, parasiet), die op vaste tijden de lange tafels af ging om de giften op te halen, waaruit zijn inkomen bestond. Iedereen wist het en legde voor die tijd een stuiver links van zijn schuurschijf, zodat de bedelaar er minder werk aan had en zij zelf niet van hun werk zouden worden gehouden. Op zekere dag had iemand in plaats van een stuiver een twee-en-een-halve centstuk neergelegd. Toen de goede man dat zag, tikte hij de gever op de schouder en zei: “Het kost vijf cent, hoor.”

Dit verhaal wordt nog wel eens aangehaald om aan te tonen hoe de joodse versie van liefdadigheid, die tsedaka (= gerechtigheid) genoemd wordt, het gevoel van eigenwaarde van de behoeftige intact laat. Misschien zou het ook een aanmoediging kunnen zijn voor het aanwenden van enige chotspe (= brutaliteit) bij het binnenhalen van geld ten behoeve van de gemeenschap. God zorgt goed voor ons, maar heeft daar wel uw bankrekening bij nodig.

In de aanloop naar de Hoge Feestdagen raakte ik langzaam maar zeker gepreöccupeerd door gedachten rond dit thema. Dat kwam natuurlijk vooral door een discussie over de juiste aanpak in de fondsenwerving, maar zeker ook doordat ik administratief betrokken was bij de inschrijvingen en betalingen voor deelname aan de diensten tijdens deze dagen. Alles was helder, maar toch waren er telkens vragen over geld. Controle was globaal gezien misschien overbodig, maar niettemin vielen er zo nu en dan discrepanties op tussen deelname en betaling. Zo was de afgelopen weken zomaar opeens het woord krenterig terug van weggeweest.

Het hield me bezig, dus ik sprak er met verschillende mensen in mijn omgeving over. Dat was verhelderend, want al snel bleek dat mensen het probleem – als dat er al was – heel verschillend benaderden, afhankelijk van de gevoelens waardoor men zich liet leiden. Zo ontdekte ik, dat bij mij het rechtvaardigheidsgevoel de overhand had. Haast ongemerkt was bij mij de ergernis erin geslopen over, ja, laat ik het toch maar de krenterigheid noemen, die sommige mensen aan de dag legden. Strikt genomen ging het hooguit om een procent of drie van de deelnemers, maar in mijn gemoed namen die uiteindelijk zevenennegentig procent van de ruimte in.

Pas op de Grote Verzoendag zelf viel er bij mij een kwartje: ik was als het ware een spiegelbeeld geworden van die wanbetalers. Mijn ergernis vulde hun terughoudendheid in het geven in alle gulheid aan. Maar hoe vrijgevig was ik zelf eigenlijk, als het voor mij blijkbaar geen optie was om niet of minder te geven? Gelukkig is Jom Kipoer een dag bij uitstek om je bekommernis op de Eeuwige te werpen (Psalm 55:23) en het klopt: Hij zal voor je zorgen. Mijn gevoel voor proportie is weer hersteld. Moge het in ieder geval tot de volgende Jom Kipoer mee gaan.

Read Full Post »

Zielsverruiming

 

“Wat verandert er na deze dag?” vroeg een van de rabbijnen en ze keken me alledrie verwachtingsvol aan. Ik wierp nog een keer een blik in mijn ziel, waaruit ik net drie kwartier lang van alles had opgediept, om hen te laten zien hoe ik tot dit moment gekomen was. Toekomstvisioenen zaten daar niet echt bij. Draaide ik niet allang volop mee in het joodse leven? En was dat niet reeds ruim voldoende voor mij? Ja, het zou een officiëler karakter krijgen, dat wel. Verder kwam ik niet. Toen stuurden ze mij de gang op.

Al na twee minuten werd ik teruggeroepen en na wat gescherts over en weer gingen de drie rabbijnen staan en reikten mij een voor een de hand, met de woorden “Achotenoe at!” – “Onze zuster ben jij.” Wat moest ik daarop zeggen? “Toda raba” dan maar: hartelijk dank! En toen was het opeens of ergens diep binnenin mij een deksel van een put werd geschoven en er een bron omhoogwelde, die me tot in alle kieren vulde met een gevoel van volmaakte vervulling. Zij zagen hoe ik vol schoot, en ik dacht even dat ik door mijn tranen heen voldoening in hun blikken waarnam. “Blijkbaar is dit voor jou belangrijk,” zei een van hen nog.

Dat was nog maar het begin. Even later was ook mijn lijf tot in de poriën geraakt door water, al moet ik eerlijk zeggen dat ik het gevoel van opnieuw geboren te worden op dat moment niet echt kon bevatten. Ook toen ik een Tora-rol in mijn armen mocht houden en mijn eigen rabbijn mij de drievoudige priesterzegen gaf, was ik er nog niet helemaal bij. Terwijl de gebruikelijke gastvrouwenstress (er zat een hele bank vol vrienden en vriendinnen voor mij!) zachtjes door mijn aderen ruiste, ving ik nog net op dat de Tora-voorlezing van deze week (“Wanneer je in het land gekomen bent . . .”) wel heel toepasselijk was voor een rite de passage.

Op de eerstvolgende Sjabbat bleek wel hoe ik echt op de andere oever was aangeland: ik werd voor het eerst ‘opgeroepen’ voor de Tora-lezing en daarna las de rabbijn die de dienst leidde een speciale zegenwens voor, waarvan ik de vertaling hier graag weergeef:

Moge Hij die onze voorouders Awraham, Jitschak, Jaäkov, Sara, Riwka, Rachél en Léa zegende, Zijn zegen geven aan Channa bat Awraham, die deze heilige Sjabbat is opgeorepen voor de Tora, nadat zij bij ons is gekomen om te schuilen onder de vleugelen van Gods Aanwezigheid. Zij heeft een lange weg van voorbereiding afgelegd om te worden opgenomen in het joodse volk en te worden gerekend onder hen die behoren tot het volk van de God van Awraham en Sara.
Moge de Heilige, Hij zij geprezen, met haar meegaan en haar voorspoed geven op haar levensweg, haar beschermen en zegenen met voldoening en tevredenheid als zij haar deel van Gods werk in deze wereld verricht. Mogen al haar wensen ten goede in vervulling gaan en moge zij altijd openheid, vriendschap en verbondenheid ondervinden onder haar volk Israël.
Daarop zeggen wij: Amén.

” . . . opgenomen in het joodse volk . . . ” Nooit zou ik hebben geweten hoe dat was, als ik het niet had meegemaakt. Hoe zou het zijn als mijn leven bijna volledig bestond uit de voorstellingen die ik mij ervan maakte? Heel vaak heb ik het bestaan zo overweldigend gevonden, dat ik daar graag genoegen mee had genomen. Vandaag prijs ik me gelukkig om alle momenten waarop ik dat niet heb gedaan.

Een andere reden om aan de veilige kant van alles te blijven, is de angst om te verliezen wat je dierbaar is. Betekent een nieuwe naam krijgen niet het verlies van een oud vertrouwde? Er wordt wel gezegd dat opname in het Jodendom een “biologisch wonder” is: je wordt zozeer werkelijk een nazaat van Awraham, dat oude bloedbanden hun geldigheid verliezen. Wil ik dat dan wel? Gelukkig was ik inmiddels zelf al soepeler geworden in het gebruik van twee voornamen; er blijven plekjes waar ik Janiek genoemd word. Voor het andere probleem vond ik op de valreep een oplossing, ergens op het internet, ik weet niet meer waar. Elke jood die de Sjabbat heiligt, krijgt voor die dag een nesjama jetera: een extra ziel, – of misschien ook wel: een ruimere ziel. Precies hetzelfde geldt voor de joodse ziel die een bekeerling krijgt (of blijkt te bezitten) op het moment van toetreden tot de Natie. Er hoeft niets te worden tenietgedaan. Ik hoef slechts toe te staan dat er een zielsverruiming plaats vindt. Graag!

 

 

 

Read Full Post »

Erop of eronder

 

Misschien moet ik mijn ‘grapje’ in het vorige bericht toch maar even uitleggen. Dan kan ik meteen iedereen geruststellen door te zeggen dat ik natuurlijk ook wel weet dat het allemaal niet zo simpel is met die genialiteit van mij en mijn rabbijnen. De aarde is rond: so what? Het is nodig dat te weten en er rekening mee te houden als je een raket in een baan om de aarde wilt brengen, maar volstrekt irrelevant als je je op de fiets verplaatst van Geuzenveld naar de Molukkenstraat. En zo is het ook met die microscoop: die heb je niet nodig om het bloed uit dat vlees te zien sijpelen. Godsdienst is geen wetenschap, en zolang je ze uit elkaar houdt, bijten ze elkaar niet.

In mijn ogen is alles wat wetenschap en religie ons aanbieden eigenlijk niets anders dan een scherm tussen onszelf en de oneindig complexe werkelijkheid, om ons te beschermen tegen de duizelingwekkende onmetelijkheden van onze eigen onwetendheid. Om te kunnen leven moet onze verbijstering worden getemperd tot verwondering en nieuwsgierigheid. Meestal zit daar een zekere mate van vrijblijvendheid in: zolang wij elkaar min of meer begrijpen, zitten we goed. De soms felle strijd tussen aanhangers van de evolutietheorie en hen die aan het scheppingsverhaal een groter waarachtigheid toekennen, lijkt dan ook een beetje overdreven. God schiep de mens: so what?

Maar wat als de opvattingen die we aan onze ‘schermen’ ontlenen een rol gaan spelen in de discussie over wat er allemaal mag of moet in een samenleving? Dan is het opeens niet meer zo simpel. Laten we dicht bij huis blijven: een paar jaar geleden woedde er een heftig debat door de hele samenleving, tot de Eerste Kamer er een domper op zette, door het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren tot een verbod op ritueel slachten nietig te verklaren. Dat het hierbij niet ging om een uitnodiging tot een gesprek om te komen tot een consensus over onze omgang met het welzijn van de dieren in dit land, bleek al snel. Religieuze groeperingen, ook degenen die niet direct nadeel zouden ondervinden van het verbod, voelden zich aangevallen. Terecht, denk ik, want al gauw ging het bij de voorstanders van het verbod allang niet meer om de dieren, maar om de achterlijkheid van hen die de rituele slacht praktizeren.

“Jaarlijks worden in ons land miljoenen dieren op middeleeuwse wijze geslacht,” riep Marianne Thieme.

“In een moderne democratische samenleving horen hoe dan ook praktijken niet thuis die tegen de goede zeden indruisen, wreed zijn en de mens onteren,” meende theoloog en jurist Uwe Arnhold.

Die “praktijken” worden door Arnhold in één klap uitgebreid naar eerwraak en besnijdenis. Anderen nemen de executie door steniging maar meteen mee in de discussie:

“Tientallen seconden tot minuten lijden voor een beest is middeleeuws en totaal overbodig. (…) Joden stenigen overspeligen niet meer en moslims begraven homo’s ook niet meer levend. Toch moet dat van de Thora en Koran. Dus of we gaan weer lekker stenigen en slachten met z’n allen, of we kappen met alle middeleeuwse gebruiken uit gedateerde boeken!” aldus Jorg van de Mierde in het Brabants Dagblad van 14 april 2011.

Daarom hangen we tegenwoordig onze kippen heel beschaafd ondersteboven aan een lopende band en halen ze door een waterbad, dat we stevig onder stroom hebben gezet, zodat ze tenminste verdoofd zijn, als ze in een tempo van 100 per minuut machinaal onthoofd worden.

Deze citaten heb ik geplukt uit een interessant artikel van historicus Bart Wallet, waarin hij enerzijds de invloed van ‘9/11’ en ‘de Fortuyn-revolte’ schetst, en anderzijds de rol van de wetenschap benoemt en ananlyseert. Laat ik hem wat uitgebreider citeren:

Het laatste, vierde argument – en niet het minste – vormde de wetenschap. Die vervulde in het debat een zelfstandige rol en werd door veel voor- en tegen- standers als een neutrale factor beschouwd (Gieskes 2011; Bouwmeester 2011; Goudsmit 2011). Zo werd uitgebreid gedebatteerd over hoe het lijden van dieren is te meten, hoeveel seconden of minuten eventueel lijden zou mogen duren en in hoeverre verdoofde slacht nu werkelijk beter was voor het dier dan onverdoofde slacht. De wetenschap kreeg steeds meer een beslissende rol toebedeeld, niet alleen omdat de Partij voor de Dieren in het wetsvoorstel uitgebreid naar evident geachte wetenschappelijke feiten wees, maar ook omdat de voorstanders van ritueel slachten met alternatieve wetenschappers kwamen en de resultaten van de PvdD probeerden te falsificeren [sic]. Thieme sprak over ‘harde bewijzen’ die de wetenschap leverde, terwijl de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdD, Karen Soeters, verwees naar ‘gezaghebbende wetenschappers’ (Soeters 2011a; Soeters 2011b). Een van die wetenschappers overigens, Jan A. Schulp, ergerde zich nogal aan het simplificerende gebruik dat er van de wetenschap werd gemaakt en concludeerde: ‘dat wetenschappelijke bewijsvoering niet eenvoudig is en zich niet gemakkelijk leent voor een in oneliners vervat beleid’ (Schulp 2011).

In dit debat was het net alsof de schermen voor onze ogen verkruimelden en we ons gingen gedragen als ruziënde kinderen, die in een huis zonder ouders zijn achtergelaten. We vochten, erop of eronder. Blijkbaar zijn we er nog niet aan toe om samen om de tafel te gaan zitten en het over dierenwelzijn te hebben. Als je het mij vraagt heeft de Eeuwige met zijn Tora ooit een heel bruikbare aanzet gegeven en zou het interessant zijn om eens met die bril naar het leven van onze plofkippen, kiloknallers en legbatterij hennen te kijken. Waar het erop aankomt wat wij ieder voor zich bereid zijn te betalen voor dierenwelzijn, staan we allemaal op de aarde en onder de zon, met een klont boter op ons hoofd.

 

Read Full Post »

 

In je eentje kun je geen Jood zijn, want met wie moet je het oneens zijn? Mij stelt dat niettemin voor een uitdaging: naast mijn op harmonie gerichte eerste natuur, moet ik een tweede natuur ontwikkelen, die lust beleeft aan pittige discussies. Nog niet zo lang geleden, tijdens een les over kasjroet (de joodse spijswetten), leek me dat aardig te lukken. Op een zeker moment raakten de gemoederen – het mijne incluis – zozeer verhit, dat ik de rabbijn bijna zag denken: “Mooi zo, ze worden al aardig joods!” Stemverheffing, ook in de lichaamstaal, en lekker door elkaar praten:  net als vroeger thuis bij ons aan tafel.

We keken gezamenlijk naar een aantal korte documentaires, met als titel De Koosjere Hamvraag,  die Jigal Krant een paar jaar geleden had gemaakt voor de Joodse Omroep. De grootste opwinding ontstond rond de kwestie van het zich “onthouden van bloed en het verstikte”. Over het wurgen of verdrinken van dieren hoefden we het niet te hebben, want dat doet tegenwoordig niemand meer. Het bloed, dáár ging het om. Over “de ziel van het vlees, die in het bloed is”, waren we het merkwaardig snel eens: dat paste in het wereldbeeld van onze voorouders en konden we veilig daar laten. Maar het bloed, dat in het (koosjere) vlees is, dát steeg ons naar het hoofd.

Kwispelend als een jonge hond sprong Jigal rond op de rijk gedekte tafel van het orthodoxe kasjroet, vertederend genoeg om een potje te kunnen breken. We zagen de praktijk van het poorsjen, weken en zouten van vlees bij slagerij Marcus en volgden Jigal naar het veterinair instituut van de Universiteit van Utrecht, waar een paar stukjes vlees op de proef gesteld zouden worden: was het bloed er écht uit? De microscoop kwam eraan te pas en een witgejaste deskundige wees ons netjes de rode bloedlichaampjes aan, die waren achtergebleven tussen de dwarsgestreepte spiercellen. Er was bovendien geen verschil te zien tussen koosjere en niet-koosjere plakjes vlees. Vervolgens kreeg de zwartgejaste Rabbijn Evers (ja, de zoon van Bloeme Evers uit het eervorige bericht) de glanzend afgedrukte foto’s van dit beeld voorgelegd. Wat nu?

Heel even zag ik de cognitieve dissonantie als de schaduw van een wolk over het beminnelijke gezicht van de rabbijn trekken. Hij mompelde zelfs iets over dat dit voor hem “moeilijk te accepteren” was en hij meende nog dat men het bloed (waar is de ziel?) er toch echt uit ziet sijpelen bij het zouten, maar alles wees erop dat hij zou moeten toegeven dat die jongeman hem te slim af was geweest. Maar wacht! Toen herpakte hij zich en zei, doelend op het volgens de rite behandelde vlees: “Maar volgens onze joodse traditie is het zo koosjer.” Wie heeft er gelijk?

Toen begon het te rommelen in onze gelederen. “Merkwaardig toch,” meende iemand ver weg rechts van mij, “dat die rabbijn zo’n nietszeggend en ontwijkend antwoord moet geven.” “Ik vond het juist een geniaal antwoord,” riposteerde ik. “Nou ja, hoezo?!” kaatste het van de andere kant, op verontwaardigde toon. “Hij praat als iemand die niet eens wil accepteren dat de aarde rond is.” Aah, een Galileï-Godwin! “Goed dat je die vergelijking maakt,” vond ik, en inmiddels had ik de smaak te pakken. “Tuurlijk is de aarde rond, maar dat betekent nog niet dat ze aan de andere kant van de wereld op hun kop staan.” (Waarom moet ik het er altijd bij zeggen, wanneer ik probeer een grapje te maken?)

Je kunt als mens uit één stuk heel goed in meerdere parallelle universa tegelijk leven en vanmorgen kwam ik er toevallig achter dat je niet eens een orthodoxe rabbijn hoeft te zijn om je van die doodsimpele genialiteit te bedienen. In een filmpje van het Levisson Instituut hoorde ik (de liberale) Rabbijn David Lilienthal de vraag of de Tora ons door God op de Sinaï is gegeven als volgt beantwoorden: “Het speelt zich af op verschillende niveau’s: als het een academische vraag is, kan je die vraag bevestigen noch ontkennen, maar als we tijdens Sjavoeot in sjoel staan, dan is het wél ons Verhaal.” Kortom: kijk even welke jas je aanhebt en zet een bijpassende bril op.

 

Read Full Post »

Zitten als een kat

Met enige on-regelmaat kom ik bij hem over de vloer, om voor hem te zorgen. Alleen: hij laat niet graag voor zich zorgen. Onder de douche krijg ik hem niet, want hij is bang voor water. Soms mag ik zijn (droge) ogen druppelen, maar meestal niet: hij is bang om zijn ogen te openen. Hij is ook bang dat hij ze op een dag niet meer zal kunnen openen en dus de facto blind zal worden.  Doodstil zit hij op de rand van zijn bank, als een ei op een lepel in de hand van een kind: bang om te vallen. Maar hij is ook bang dat hij straks niet meer van die bank op zal kunnen staan. “Channa,” zegt hij, “ik ben zo bang.”

Als ik vraag waar hij nú bang voor is, is het De Dood. In de stilte die valt begint in mijn hoofd Jim Croce te zingen: “. . . ‘cause I’m tired of living, but I’m scared of dying . . .” Ik heb niet nog een vraag voor hem. Ik zit heel stil in mijn stoel, schuin tegenover hem en kijk naar hem. Hij niet naar mij. Na een poosje zegt hij: “Channa, ik ben blij dat u er bent. Ik word rustig als u er bent. Maar straks gaat u weg, en dan ben ik weer alleen.” Op dat moment begint een van ons een liedje te zingen en de ander zingt mee. Of, als hij hoofdpijn heeft, leg ik mijn hand op zijn hoofd en zwijg, totdat hij zegt: “Dank u wel, Channa.”

Wanneer ik ga krijg ik een handkus en toon ik mij vereerd. In al zijn ingehouden radeloosheid neemt hij de moeite om niet alleen maar op zichzelf en zijn eigen lijden betrokken te zijn. Zo is hij heel soms, heel even een charmeur: “U heeft de schoonheid van een kat.” Ik ga, en neem iets van hem mee, al weet ik niet of hij daardoor lichter is geworden, wat ik graag zou willen.

In de loop van de week krijg ik bezoek van mijn op één na jongste broer en heb ik met hem een bijzonder gesprek over de broer die tussen ons in stond, over wie ik het vaker heb gehad in mijn blogberichten. “Je kunt iemand die niet wil leven de wil om te leven niet geven,” zegt hij op zeker moment. In mijn gedachten zit ik, vijfendertig jaar geleden, op de vaste dinsdagavonden stil tegenover die andere broer, die daar zit, als een handgranaat in de hand van een kind: verlangend om te exploderen. Ik zit stil als een kat en kan niets doen, hoe graag ik het ook zou willen.

Op vrijdag, tijdens het lernen in sjoel,  stap ik in een ander verhaal. Mozes hoedt de kudde van zijn schoonvader achterin de woestijn en ziet opeens het brandende braambos. Zijn nieuwsgierigheid dwingt hem om dichterbij te komen, maar op zeker moment doet de Eeuwige hem in zijn schreden stilstaan: té dichtbij is niet wijs. Ik leer uit de midrasj dat het beeld van de brandende struik iets zegt over Gods aanwezigheid in het lijden van Zijn volk: het lijden verdwijnt niet, maar Hij is er wel. “Gaat dat ook op voor het lijden van mijn broer en van meneer M.?” vraag ik Hem in stilte.

Als dat zo is, dan is het ook goed dat ik daar zat – en zit – als een kat. Mijn oplossingsgerichtheid zit als een vlo op het puntje van mijn linkeroor: klaar om te kriebelen. Maar ik zit stil, zo mooi als ik kan.

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »