Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘natuur’ Category

De wereld en ik

17012015a

Eigenlijk had ik nog willen ‘verwijlen‘ bij dat interview met de denker des vaderlands, maar toen gebeurde er opeens zoveel verontrustends, verderop in de wereld. Vandaag lijkt de Charlie-roes voorbij en is het geroezemoes zo polyfoon geworden dat ik er weer wat geruster op ben. Bovendien zat ik vanmorgen aan het bed van een man die op zijn laatste dagen loopt. Eerst voerde ik hem water met een theelepeltje, daarna nam hij een paar slokjes en toen ik hem wat later vroeg of hij misschien ook iets zou willen eten, antwoordde hij: “Ja, havermoutpap. Als het niet teveel moeite is.” Dat was het niet en even later pakte hij de kom en de lepel (ik wilde hem alweer voeren!) uit mijn handen en begon de pap heel langzaam uit te lepelen. “Dank je. Dat was lekker,” zei hij, wellevend als altijd. En toen viel hij alweer in slaap.

Zal hij er nog zijn, wanneer ik over twee dagen mijn volgende dienst draai? Dat ik er dan nog ben is waarschijnlijk, maar niet meer dan dat. En de wereld?

De aarde is niet uit haar baan gedreven
toen uw hartje stil bleef staan,
de sterren zijn niet uitgegaan
en ’t huis is overeind gebleven.

Dat constateert Willem Elsschot in de eerste strofe van gedicht Bij het doodsbed van een Kind. Verwonderd, bijna teleurgesteld.

Het trof mij diep, toen René Gude juist daarover begon in dat gesprek met Kefah Allush. Zelf was hij tot tranen toe geroerd en de interviewer hield het ook niet droog. (“Gekke kerel!”) Hij werd er verdrietig van, maar putte er ook kracht uit om zijn eigen dood te kunnen aanvaarden. Misschien is het raar, maar ik denk dat ik met hem mee kan voelen, ook al benut ik datzelfde vertrouwen juist om het dagelijks leven aan te kunnen. Het besef dat alles niet staat of valt met mijn bestaan of mijn bijdrage is een zegen voor iemand zo zwaar op de hand als ik.

Keer het eens om, zoals Housman – voor de grap – doet in dit gedicht:

Good creatures, do you love your lives
And have you ears for sense?
Here is a knife like other knives,
That cost me eighteen pence. 

I need but stick it in my heart  
And down will come the sky,
And earth’s foundations will depart  
And all you folk will die.

Als ik het me goed herinner troost Gude zich vooral met de gedachte aan zijn gezin, dat voort zal leven rondom de lege plek die hij hen laat. Een plek die zich langzaamaan ook weer met leven gaat vullen. Ik heb altijd gedacht dat het ingebed zijn in de loop van de generaties haast onmisbaar is voor een dergelijk levensgevoel, maar zonder meteen aan bloedverwanten of zelfs aan mensen te denken kan het ook:

Wanneer de lente komt
En als ik dan al dood ben
Zullen de bloemen net zo bloeien
En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.
De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

Ik voel een enorme vreugde
Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is

Als ik wist dat ik morgen zou sterven
En het was overmorgen lente,
Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.
Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd?
Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zoals het moet zijn;
Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield.
Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden,
Want alles is werkelijk en alles is zoals het moet zijn.

Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil.
Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen.
Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben
Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal het zijn dat wat het is.

Fernando Pessoa, 1915 (vert. August Willemsen)

Opeens schiet me ook weer dat gedichtje te binnen van Hannah Szenes, dat ik tijdens de Hebreeuwse les leerde:

17012015b

Advertenties

Read Full Post »

Zien

02102014

Afgelopen week is me iets bijzonders gebeurd. Om vijf uur in de morgen werd ik wakker en ik wist meteen dat ik niet meer in zou slapen. Dan kan ik net zo goed voor mijn werk uit nog even gaan zwemmen, besloot ik. Onder een sterrenhemel, dat heeft wel wat, en bovendien zou ik de eerste zijn die noten kwam rapen onder de walnotenboom aan het Anton Schleperspad. Het was schemerdonker toen ik daar aankwam, meer donker dan schemer, en er was geen kunstlicht voorhanden. Terwijl mijn ogen hun best deden zich aan het duister te wennen, schoof ik voorzichtig met mijn schoenen over het asfalt. Ik wilde voor geen goud een walnoot stuk trappen. Zo vond ik er zes. Dat was het dan, dacht ik.

Toen hoorde ik in de ochtendstilte een geluid dat ik bleek te kennen: het vallen van een walnoot. Tot mijn verbazing kon ik goed horen waar hij viel en ook nog dat hij nauwelijks verder rolde. Met meer vertrouwen dan daarnet liep ik naar de plek die mijn oren hadden gezien en raapte de (zevende!) noot feilloos op. Masha’Allah! Precies op dat moment realiseerde ik mij dat ik het vorige blogbericht net zo goed aan mijn moeder had kunnen opdragen. Het gaat namelijk niet alleen over de natuur en over ‘woordkunst’, maar ook over zien. En afgezien van mijn vader, zijn vogels en zijn verrekijker, heb ik dat toch vooral van mijn moeder geleerd.

Mijn moeder was blind en haar kinderen waren haar ogen. Vanaf mijn vroegste herinnering was ik vaak haar geleidehondje. Uit die tijd herinner ik mij het eerste compliment dat mij in de roos trof. Op een dag, in de trein, ergens tussen Hoorn en Wolfheze, zei zij dat ze mij graag bij zich had, omdat ik haar bijna zonder onderbreking vertelde wat ik allemaal zag in het voorbijsnellende landschap achter het raam. Die symbiose bracht mij iets waar ik tot op de dag van vandaag dankbaar voor ben: een heilzame oefening in zien. In zekere zin ben ik namelijk een gebochelde. Mijn blik richt zich van nature hardnekkig naar binnen, waar de stroom van mijn gedachten mij vaak weerloos met zich mee sleurt. Woorden, woorden, woorden! Vanwege een introverte dispositie? Of is het omdat ik zo sensitief ben, dat ik de wereld met zijn gewarrel eigenlijk te ingewikkeld vind om aan te zien?

Aansluitend bij het laatste meen ik iets te begrijpen van mijn fascinatie voor mystiek getinte proza en poëzie, waarin gezocht wordt naar de Ene in al die veelheid. Er gaat vaak een rust van uit die ik als troostrijk ervaar, wanneer ik moe word van alles wat bij mij naar binnen stroomt, of van wat daar al kolkt en wemelt. Als het aan mij alleen had gelegen zou ik in staat zijn geweest genoeg te hebben aan “de geluiden van de eerste dag“. Of te blijven bij de schreeuw om stilte in het volgende gedicht van Vasalis:

De zomerwei des ochtends vroeg.
En op een zuchtje dat hem droeg
vliegt een geel vlindertje voorbij.
Heer, had het hierbij maar gelaten.

Maar als ik zo dicht bij de ultieme herkenning ben en weldra het Niets in de spiegel zal zien, schrik ik wakker. Het is alsof ik in de trein zit en ben weggedroomd, en of mijn moeder me aanstoot: “Waar zijn we?” Buiten zie ik paarden in de lentewei, koeien, schapen, pinksterbloemen, een roerdomp aan een waterkant, een handvol kauwen in een grijze lucht, rijen populieren, ijler dan je denken kan, en dat alles warrelt door het spiegelbeeld van een mooie dame die ik droomde dat ik was. Die houd ik voor mijzelf, de rest vertel ik aan mijn moeder.

Het Niets mag mij dragen, graag zelfs, maar tegelijk ben ik blij dat ik geleerd heb de andere kant op te kijken. Als ik uiteindelijk alles prijs zal geven, is dit wat overblijft:

En wat ik heb aanschouwd
in heel mijn heerlijk leven
staat in mijn hart van goud
voor eeuwig opgeschreven.

F.L.Bastet

Read Full Post »

Het bedrog van de reiger

28092014*

voor mijn vader

*

A dog cannot lie, neither can he be sincere.

Wittgenstein

Ik zou hem zo op zijn mooie woorden geloven, ware het niet dat deze zelfde man heeft beweerd dat je een serieus filosofisch werk zou kunnen opbouwen uit louter grappen. Een hond lijkt mij een tamelijk transparant dier, maar voor hetzelfde geld houden ze ons massaal voor de gek. Daar is voldoende evolutionair voordeel bij te halen. Maar: is het bij gebrek aan woorden dat een hond niet zou kunnen liegen? Met kwispelen en droevig kijken kom je ook een heel eind. En hoe zit het met de andere dieren?

De afgelopen week zag ik, elke morgen wanneer ik ging zwemmen, een reiger in een slootje staan. Voorovergebogen tuurde hij naar het kroos dat om zijn poten dreef en van tijd tot tijd liet hij een kraaiachtig gekras horen. Nu was er geen andere reiger in de buurt, dus dat geluid was vermoedelijk niet bedoeld als een “ik ben hier” of “dit is mijn visplek”. Opeens wist ik het: hij sprak een woordje over de grens. Het was ‘kikkers‘, of in ieder geval een poging daartoe. En de eerste de beste kikker die zijn kop boven het kroos uit zou steken om te kijken wie daar in zijn buurt was, zou zijn goedgelovige nieuwsgierigheid met zijn leven moeten bekopen.

Dat dieren de werkelijkheid weliswaar waakzaam, maar toch door een sluier van vooroordelen bekijken, valt me tijdens het zwemmen vaker op. Lopend over het pad naar de oever stuiven de meerkoeten haastig voor mij weg, maar zodra alleen nog mijn hoofd als een bal op het water drijft kan ik ze tot op een paar meter naderen. Zouden ze mij voor een (ietwat vreemde) eend verslijten? De fuut lijkt zich niet zo makkelijk te laten foppen en duikt onder zodra hij mij gewaar wordt. Voor de buizerd boven mij ben ik op mijn beurt bang. Ik zwem rustig naar de oever, waar een paar konijntjes grazen. Ze lijken me niet eens op te merken, zelfs niet als ik nog maar vier armlengten van hen verwijderd ben. Pas als ik mij opricht gaan ze er gauw vandoor. Jammer, want ik lust ze wel – vooral met uien, tijm en citroen.

Een andere morgen, de nevel ligt nog op het water en de zon werkt zich traag vanachter de wilgen omhoog, staat er een (andere?) reiger op de oever te wachten terwijl ik naar de kant zwem. Dit keer sta ik rustig op en zeg hem goedendag. Hij wandelt bedaard voor mij uit naar de andere kant van mijn fiets en baant zich daar een weg de rietkraag in. Ik blijf kijken en de gebaren waarmee ik mij afdroog en aankleed zijn onwillekeurig trager en voorzichtiger dan wanneer ik alleen ben. De reiger stoort zich in het geheel niet aan mij en doet zijn werk als was hij onbespied. Opeens schiet zijn snavel naar beneden en als hij zijn lange nek weer recht, spartelt er een veldmuisje aan de punt van zijn bek. Zou hij de stilte hebben nagedaan, of heeft hij even met zijn grote teen het trippelen van een muizenlief geroffeld? Bijna ontsnapt mij een bewonderend “oooh!” op het moment dat hij het muisje, schijnbaar zonder het los te laten, in één hap naar achter zijn keel ik werkt. Levend en wel. Terwijl ik mij nog verwonder over die merkwaardige verbaasde blik in zijn ogen stapt de reiger alweer op en verdwijnt om de hoek van een elzenbosje, waarachter zich een drassige poel vol kikkers bevindt.

Wat voel ik mij met al mijn woorden onbeholpen. Een enkele keer kom ik wel aan een konijntje, als één van de drie windhonden die daar geregeld uitgelaten worden er een te grazen neemt, maar mijn eigen lompe lijf mist snelheid én bedrog om op dat punt voor mezelf te kunnen zorgen. Dat hoeft gelukkig niet: als ik op de terugweg een hengelaar bij het sluisje twee baarsjes af biets die hij net gevangen heeft, dan voel ik mij weer in mijn element. Mooie woorden kosten me niets en als ik er een beetje lief bij kijk, wordt de vis nog steeds niet duur betaald. Zou de hengelaar zich bedrogen voelen? Kom, laat ik (nog twee weken en De Gedichten zijn weer verkrijgbaar!) Herman de Coninck nog maar eens citeren:

Charme is niet iets wat er is. Charme is een vorm van medeplichtigheid tussen charmeur en gecharmeerde, de afspraak om te doen alsof. Charme is een meerwaarde die de charmeur graag aan de dingen had gegeven bij wijze van cadeau aan een of andere dame, maar die alleen geste blijft. Wat charmeert zijn de mooie woorden, in de wetenschap dat het alleen maar mooie woorden zijn. Als ze ook nog geloofd zouden worden, heb je niet met charme, maar met bedrog te maken. Essentieel voor charme is dat ze doorzien wordt, en desalniettemin graag geaccepteerd.

Uit: Jacques Brel en de dood: mannen onder elkaar

Read Full Post »

04052014

*

 

The past only comes back when the present runs so smoothly that it is like the sliding surface of a deep river. Then one sees through the surface to the depths. In those moments I find one of my greatest satisfactions, not that I am thinking of the past; but it is then that I am living most fully in the present.

Virginia Woolf, A Sketch of the Past

In een ver verleden kwam bij ons de melkboer langs. Hij bracht ons allerhande zuivel in flessen met een wijde hals, afgesloten met een dunne aluminium dop. Blauw voor de melk, rood voor karnemelk en groen voor yoghurt: alleen die kleuren leven voort in de ‘pakken‘ van vandaag. Melk moest in die tijd, maar wij waren vooral dol op de doppen. We versierden daarmee onze fiets, door ze dubbel te vouwen om de spaken. Dat zag er feestelijk uit en maakte een vrolijk geluid (ritselend, rammelend, fluisterend) als je de straat uit reed. Je kon er ook speelgoedgeld van maken.

Iets dichter aan de oppervlakte glinsteren die doppen in een wiskundeles. De lerares wijdde ons in in de tweedimensionale meetkunde. Aan het eind van het hoofdstuk over de cirkel werd ons inzicht getoetst met een handvol sommen. Eén daarvan zal ik nooit vergeten: “Je hebt een aluminium strip van 3 centimeter breed en 3 meter lang. Hoeveel doppen met een doorsnede van 3 centimeter kun je daaruit stansen?” De juffrouw keek vragend de klas rond. Ik stak mijn vinger op, maar zij wachtte even of niet iemand anders zich aandiende. “Honderd,” zei ik, toen ze mijn kant op keek. Zij lachte zoals je lacht wanneer je iemand ziet uitglijden en draaide zich om naar het bord.

Daar deelde zij de doorsnede van de te stansen doppen door twee. Dat leverde een ‘straal‘ op, waaruit zij middels de bekende formule ‘pi-r-kwadraat‘ de oppervlakte van een dop berekende. Vervolgens deelde zij dat op de oppervlakte van de strip – lengte maal breedte. Er kwam een raar getal uit met een aantal cijfers achter de komma, die netjes ‘rest’ genoemd werden. “En toch klopt het niet,” waagde ik. Hoe ik ook om me heen keek, er kwam geen bijval. Het was maandagmiddag, tien voor vier, dus wat wil je. Daar heb je die wijsneus weer, zag ik de docente al denken. Ik ging wat rechter op zitten en stak van wal: “Het is eenvoudiger dan u denkt. De strip is precies zo breed als de doorsnee van een dop en honderd keer zo lang. Als je honderd doppen hebt gestanst, hou je een hoop afval over waar je verder niks mee kan.” (Nou ja, bewaren voor de zending, dat wel.)

Gelukkig was de juf haar vertwijfeling snel te boven en met een handigheid die zij anders zelden aan de dag legde, zei ze: “Kijk, dat wilde ik nou even laten zien, dat jullie allemaal zitten te slapen, behalve eentje die nog wakker is. Pak jullie boeken maar in en wegwezen!” De dagsluiting schoot er die keer bij in, weet ik nog. Toen ik bij de deur nog even naar haar omkeek, schudde zij haar hoofd, alsof zij die honderd melkflesdoppen eruit wilde hebben.

Bij mij blijven ze erin en beginnen ze te ritselen, rammelen en fluisteren, telkens wanneer iemand simpele sommen maakt om een mening kracht bij te zetten. “Vlees eten is slecht, want voor elke kilo vlees is 20 kilo graan nodig! Wat een verspilling!” (Op de eerste pagina in Google varieert het getal van 4 tot 35 kilo.) “En toch klopt het niet,” begin ik dan, want ik ben nog steeds een akelige wijsneus. Goed, voor de niet grondgebonden bio-industrie gaat het aardig op. Maar als we op grond daarvan naar een vegetarische utopie zouden moeten streven, stansen we meer doppen dan mogelijk is. Het is namelijk eenvoudiger én minder eenvoudig dan je denkt. En vandaag heb ik nog bijval ook:

Steve Davis, an animal scientist at Oregon State University, has estimated that if America were to adopt a strictly vegetarian diet, the total number of animals killed every year would actually increase, as animal pasture gave way to row crops. Davis contends that if our goal is to kill as few animals as possible, then people should eat the largest possible animal that can live on the least intensively cultivated land: grass-fed beef for everybody. It would appear that killing animals is unavoidable no matter what we choose to eat.

When I talked to Joel Salatin about the vegetarian utopia, he pointed out that it would also condemn him and his neighbors to importing their food from distant places, since the Shenandoah Valley receives too little rainfall to grow many row crops. Much the same would hold true where I live, in New England. We get plenty of rain, but the hilliness of the land has dictated an agriculture based on animals since the time of the Pilgrims. The world is full of places where the best, if not the only, way to obtain food from the land is by grazing animals on it–especially ruminants, which alone can transform grass into protein and whose presence can actually improve the health of the land.

The vegetarian utopia would make us even more dependent than we already are on an industrialized national food chain. That food chain would in turn be even more dependent than it already is on fossil fuels and chemical fertilizer, since food would need to travel farther and manure would be in short supply. Indeed, it is doubtful that you can build a more sustainable agriculture without animals to cycle nutrients and support local food production. If our concern is for the health of nature–rather than, say, the internal consistency of our moral code or the condition of our souls–then eating animals may sometimes be the most ethical thing to do.

Michael Pollan, An Animal’s Place

Read Full Post »

06062013

Een euro kun je oppotten of uitgeven. Elke euro kun je maar één keer uitgeven, vooral als het crisis is. Daarom flitsen gedachten heen en weer bij elk verlangen dat een greep in de beurs met zich mee brengt. Wat is belangrijker: chocola of pantalons? Wijn of boenwas? Toiletpapier laat zich door niets of niemand wegdringen van de prioriteitenlijst. Maar bloemen? Waar komen de bloemen?

Een bloemetje op tafel, op de vensterbank, de schoorsteenmantel is zolang ik mij kan heugen een eerste levensbehoefte geweest. Daar werd nooit op beknibbeld. Maar nu ik noodgedwongen wat schrieperiger word, verdringen verbazingwekkend veel eerste levensbehoeften zich om mij heen, terwijl ik mijn hand krampachtig op de knip houd. In dit koude voorjaar betekent een bosje bloemen al gauw twee flesjes Mooikaap, alweer zo’n onmisbaarheid. Of drie broden. Een pond kaas. En voor tien bosjes tulpen heb je al een paar nieuwe schoenen.

Voordat ik gek word van al dat rekenen stap ik op mijn fiets en rijd ik de stad uit. Beweging, vitamine D, het is daar allemaal gratis. Dat scheelt een abonnement op de sportschool en een gang naar de drogist. Een bankje in de zon aan de rand van de Rietwijkerpolder is zeker een terrasje waard. Een uur lang drinken mijn ogen groen, groen en Hollandse hemel met witte wolken. Mijn aandacht hecht zich slechts aan het geduld van de reiger, die op vijf meter afstand van waar ik zit een rietvoorntje uit de sloot prikt. Pas nadat ik het langzaam door zijn strot naar beneden heb zien glijden, sta ik op.

Op de heenweg heb ik al in de etalages (de bermen) gekeken, dus ik weet precies waar ik moet zijn voor boterbloemen, margrieten, ridderzuring, gele lis, klaproos, blaassilene, koekoeksbloem, beemdkroon en wat grassen. God, wat bloeien de grassen mooi vandaag! Vlakbij roept de koekoek. Terwijl ik de grens tussen stad en land weer passeer valt mijn oog op een haag, waarin de hop woekert. Gauw even een maaltje hopscheuten bij elkaar plukken en weldra kom ik met handenvol buiten mijn huis binnen.

Iedere dag is er schoonheid in mijn huiskamer. Vreugde, troost, hernieuwd verlangen  om naar buiten te gaan. En mooie herinneringen: veldboeketjes hebben dertig jaar van mijn leven tot het vocabulaire van de liefde behoord.

Read Full Post »

Kauwen

13032013

Afgelopen dinsdag stond ik een kwartier lang te wachten in de J.M.Coenenstraat, geleund tegen een prullenbak, met op mijn gezicht het lentezonnetje, lang verbeid. Met een half oog keek ik opzij, waar een kauwenpaartje doende was met het bij elkaar scharrelen van nestmateriaal. De een scheurde stukken papier van een aanplakzuil, terwijl de ander ze kundig oppikte, vlak voordat de wind ermee vandoor zou gaan. Toen de zwarte snavel vol was, verdwenen de twee kauwen, net toen degene op wie ik wachtte naar buiten kwam.

Vanmiddag, in Woerden, zag ik weer zoiets. Nu stond ik bij een bushalte, die Hertenkamp heette. De gemeente had er zowaar voor gezorgd dat zich daarneven een weitje met damherten bevond, die lagen te soezen in datzelfde lentezonnetje van dinsdag. Pas toen ik wat beter keek zag ik een tiental kauwen in de weer, balancerend op de geduldige ruggen van de herten. Met de punt van hun snavel kamden zij de dode haren uit de bruine vacht en verzamelden die in hun mondhoeken. Stevig vastgeklemd, want de wind lag ook weer op de loer.

Ik was vertederd, maar nog meer dan dat. Inzichten bestormden mij: Frans de Waal en zijn trawanten hebben het helemaal mis! De mens stamt in de verste verte niet van de apen af, veeleer van de kauwen. Ik keek nog eens goed en voelde een warme verwantschap, warm genoeg om mij de voorjaarskou te doen vergeten. Als ik de kat niet had, dan nam ik een paar kauwen in huis, dacht ik meteen. Twee seconden later zag ik een kleine kolonie in de lege kamer van Roos. God, wat gezellig!

Kauwen zijn net mensen: ze leven in een kolonie, maar wel in paartjes. Niks apenrots, niks kudde, waarin mannetjesputters elkaar het recht bevechten om hun genen met zoveel mogelijk vrouwtjes te delen. Welnee, elk koppel vervult mijn eigen romantische levensideaal: tweezaam, maar in niets van elkaar te onderscheiden, als Philemon en Baucis. De een niet kleurrijker dan de ander, maar allebei van het mooiste zwart dat je je kunt bedenken, met een prachtige grijze gloed. Als antraciet, je voelt de warmte al. Bovendien, de jongens die naast de boerderij van mijn grootouders woonden, wisten zeker dat je ze kon leren praten. Ik geloof het maar al te graag, nog altijd.

En opeens zie ik mezelf terug, in 1968, toen golven van protest de wereld overspoelden. Ik zat op mijn knietjes en haalde het onkruid tussen de tegels van het tuinpad weg, zoals mijn vader wilde. Opeens schrok ik op van een geluid dat ik nog bijna dagelijks hoor (toen op de vuilnisbak, nu op het kapje van mijn schoorsteen): de poten van een kauw, landend op zink. De kauw en ik keken naar elkaar, nee, wij maakten oogcontact. Het was een blik van herkenning, want in die tijd maakte ik eens in de twee weken de volières van de vrouw van de dominee schoon. In één daarvan bevond zich een gezelschap ‘daklozen’, verdwaalde postduiven, een ekster met een lamme vleugel en deze kauw, als jonkie uit het nest gevallen en door een kinderloos predikantenpaartje grootgebracht.

Ik ging de keuken binnen en alsof het afgesproken was, kwam de kauw mij achterna. Een telefoontje naar de pastorie en een half uur later stonden de dominee en zijn vrouw elk op een aanrecht om de kauw te vangen, die per ongeluk aan de zwerf was geraakt en niet de vrijheid zocht, maar het gezelschap van zijn soortgenoten. Hoe keek hij me ook alweer aan, toen ik een week later het logement waar hij van kindsbeen af woonde kwam schoonmaken?

Read Full Post »

Pinksternakels

05122012

Toen ik vanmorgen om half zes wakker werd tinkelde het als een belletje in mijn nog lege hoofd: pinksternakel. Pinksternakel, wat een prachtig woord! Het klinkt naar zilver en naar poedelnaakte baby. Met zijn wonderlijke etymologie hoort het thuis tussen antiek en curiosa. Of in de nog niet helemaal serieuze wereld tussen slapen en wakker worden. Als ik eenmaal wakker ben, zeg ik weer gewoon pastinaak. Ik moet nodig naar de natuurwinkel, want het is de tijd van de pastinaken.

Maar eerst draai ik me nog even om en herinner me de herfst van 1994, toen ik mijn eerste volkstuintje had. Ik had pastinaken geteeld, een hele rij. Wat stonden ze er prachtig bij! Een dikke bos geurig, gevederd blad, bovenop een blanke bietentop. Ze groeien geweldig in de vette klei. Op een zonnige oktoberdag, met de eerste nachtvorst in aantocht, ging ik ze oogsten, om ze thuis in een bak met zand te bewaren. Eten voor de hele winter. Ik stak mijn riek voorzichtig naast de regel in de grond, om de peeën niet te beschadigen. Daarop pakte ik met mijn linkerhand het loof stevig vast en wilde net met mijn rechterarm de riek naar beneden drukken, toen ik opeens achterover tuimelde. Met in mijn hand het uitgeholde topje van een pastinaak.

Woelmuizen! Verdikke! Voorzichtig trok ik aan de volgende plant, maar ook die liet meteen los. En de volgende, en de volgende, bijna tot het einde van de regel waren al mijn pastinaken opgevreten. Soms netjes uitgehold via een gaatje ergens in het midden. Het moet voor die woelmuizen een uitkomst zijn geweest dat ik mijn pastinaken zo keurig in het gelid had geplant. Geen gezoek in het donker, zodra je de juiste richting door had. Ik vloekte nog maar eens en bracht gauw mijn winterpenen in veiligheid.

Hartje winter was ik weer op de tuin om mijn akkertje te spitten. Dat moet met zware zeeklei, liefst voor de echte vorst komt. Meteen die stokoude pol boerenwormkruid maar eens scheuren en naar een onschuldig hoekje verplaatsen. God, die moet er al zeker tien jaar staan! Geen beweging in te krijgen. Ik groef er dus een grachtje omheen, alsof ik een boom ging rooien. Toen ik bijna rond was schoot mijn spade opeens door iets los en luchtigs, en meteen stroomde er een golf witte dobbelsteentjes in mijn gracht. Pastinaak! Mijn pastinaak, dacht ik, en dat moet ook de woelmuis gedacht hebben, wiens kelder ik had opengebroken.

Vanavond snijd ik mijn pastinaken zelf in dobbelsteentjes. Die kook ik in water met een beetje zout tot ze beetgaar zijn. Ondertussen schil ik een paar goudreinetten en die snijd ik ook in blokjes. In een grote koekenpan gaat een flinke klont boter. Als die heet is, gaan eerst de blokjes pastinaak erin. Bruinen die al? Dan de appels erbij. Een lepel honing erover, een pietsie nootmuskaat en nog wat kaneel. Pas ondertussen op dat je de appels niet tot moes kookt: doe de hele boel op tijd over in een platte ovenschaal, zodat het een dunne laag vormt. Brokkel er – royaal! – zachte geitenkaas op en strooi er nog gauw een hand geroosterde walnoten over. Nu in de oven, tot er lichtbruine randjes aan de kaasbrokjes komen.

Lekker met een glas vlierbessenwijn. ’t Is wel crisis, maar de winter gaat gewoon door.

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »