Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘kunst’ Category

12122013

Terwijl ik in gedachten nog bezig was met de gelijkenis van de talenten, – en natuurlijk ook met de werken der barmhartigheid, die er in het evangelie op volgen – viel mij iets bijzonders in de schoot. Vriend Peter nodigde mij uit voor een avond theater. Toneelgroep Maastricht speelde in Amstelveen De goede mens van Sezuan van Bertolt Brecht. Uiteraard vielen mij meteen de overeenkomsten met bijbelse thema’s op.

Zo is de goede mens in het stuk als vanzelfsprekend iemand zonder aanzien. Precies zoals het hoort vinden de goden (een wat wereldvreemde, ongeduldige Driëeenheid) na veel vruchteloos zoeken onderdak bij een hoertje. Na enig gesteggel in de goddelijke binnenwereld besluiten zij haar wankele bestaan te schragen met een aardig bedragje, waarvan Shen Te een tabakswinkeltje koopt, zodat haar leven zich ten goede kan keren. Een wending neemt haar leven wel, maar of het er beter op wordt is zeer de vraag.

Een andere vraag, die het stuk misschien niet zo duidelijk stelde, maar die mij wel bleef achtervolgen, is deze: wat behelst die goedheid van Shen Te eigenlijk? Is het wel goedheid? Zij leek mij eerder gedreven door een tomeloze barmhartigheid, die – paradoxaal! – feilloos het slechtste in haar medemensen naar boven bracht. Haar goede fortuin trok een groeiende schare profiteurs aan, waardoor zij zich gemakkelijk liet overweldigen. Om niet ten onder te gaan aan haar eigen goede hart, riep zij een alter ego in het leven: haar koele, zakelijke neef Shui Ta. (Let op de genderstereotype rolverdeling!)

De interventies van Shui Ta maken het er uiteindelijk alleen maar ingewikkelder op, want hij en Shen Te werken zorgvuldig langs elkaar heen. Iets dergelijks vond – waarschijnlijk dank zij Brecht’s betoverende vervreeemdingseffecten – binnen mijzelf plaats: mee bewegend met wat op toneel gebeurde, werd ik heen en weer geslingerd tussen gevoel en verstand. Hijgend rende ik van empathie naar afstand en weer terug, met armen vol dilemma’s. Het kostte me twee weken om met mezelf in het reine te komen en eindelijk weer in de comfortabele fauteuil van mijn eigen overtuigingen plaats te nemen. Die fauteuil voelde nieuw en vertrouwd tegelijk.

Natuurlijk was ik vele gedachten, misschien zelfs inzichten, rijker geworden. Ik had afstand genomen van de vanzelfsprekende sympathie voor Shen Te, die ook bij Brecht voor de hand leek te liggen. In mijn ogen begon zij te delen in het karikaturale van haar zogenaamde neef. Terecht had zij zich afgevraagd, vond ik, of haar goedheid niet veeleer een verslaving was aan de blijde blik van wie zij maar voor zich had, een verslaving die zij met jojo-en tussen zichzelf en haar alter probeerde onder controle te houden. Ongelijk krijgt ze van mij als zij de wereld er de schuld van geeft dat haar goedheid niet blijkt te werken. En de goden mogen hun goede raad (liever één keer in de maand Shui Ta te hulp roepen dan eens per week) mee naar huis nemen. Misschien kunnen neef en nicht maar beter met elkaar in het huwelijk treden en meer mens worden van de corrigerende dynamiek die dat (idealiter) met zich meebrengt.

Advertenties

Read Full Post »

27062013

Toen de spoeling dunner dreigde te worden dankzij de jongens van het verdampende geld, zag Wilder de kans schoon om Kunst en Cultuur als ‘linkse hobbies’ van de trog te duwen. Ik hoor er niet zo veel meer over en kan moeilijk beoordelen hoe kwalijk het ermee gesteld is, want bezoeken aan theater of concertzaal vallen niet binnen mijn begroting. Kom ik dan tekort op cultureel gebied? Integendeel: ik ontdek met bijzonder veel genoegen wat Amsterdam allemaal gratis te bieden heeft om mijn beschaving te helpen voeden.

Zo bezocht ik afgelopen weekend samen met mijn jongste dochter de Kerkennacht 2013. Dertien kerken stonden voor ons open, langs een wandeling van tien kilometer, maar de tijd was te kort om ze allemaal te zien. Geen nood, want wat we zagen gaf ons een gevoel van overvloed. Zeer welkom in tijden van crisis!

In al die kerken waren mensen die ons op bescheiden toon welkom heetten en mensen die iets ten gehore brachten. Gregoriaanse koorzang in de Sint Nicolaas basiliek: we konden er bijna niet meer weg komen, maar het was pas de eerste. In de Waalse kerk worstelden we ons tegen de wind van een woeste orgelrecital in naar een plekje op een houten bank. Niet voor niets: toen het stil werd stond een oudere man op om uit de psalmvertaling van Clement Marot te declameren. “Het klinkt als een liefdesgedicht,” zei Laura.

Toen we de Keizersgrachtkerk (PKN) binnenliepen, wilden we eigenlijk liever dansen, want er klonken klezmer klanken van onder de preekstoel voorin de kerk. De muziek werd hier afgewisseld met chassidische vertellingen. Sindsdien hebben wij het boek van Martin Buber van de plank gehaald om elkaar elke dag na het avondeten een verhaaltje voor te lezen.

Net toen we ongeveer begonnen te voelen hoe in een katholieke kerk het vlees centraal staat en in een protestante kerk het woord, waren we aangeland op de Singel, waar de Doopsgezinde Gemeente kerkt, pal naast de door en door katholieke Krijtberg. Groter tegenstelling is niet mogelijk! Een bijna saaie soberheid naast de overweldigende weelde van het rijke Roomse leven. Het enige wat op beide plekken precies hetzelfde was: de oude dames die zich beijverden voor goede doelen.

Een passende gedachte om mee het Begijnhof op te lopen. In de Engelse kerk herkenden wij het gebinte van een oorspronkelijk katholieke kerk, ontdaan van alles wat de zinnen zou kunnen raken en ons van het Woord af zou kunnen leiden. Ik voelde als altijd een onweerstaanbare behoefte dit soort tegenstellingen te overbruggen, al was het maar binnen mijzelf. Buitengekomen was het al donker. Slapen hier nog begijnen, vroegen wij ons af? Tijd om naar huis te gaan en er nog even naar te googlen.

Op de terugweg stond Laura – zo vertelde zij mij later – op de pont naar Noord, toen er een bedelares op haar af stapte. “Heeft u misschien veertig cent voor mij?” Laura keek in haar portemonnee en zag geen kleingeld, alleen een tientje. Dat moest zeker zo zijn, dus zij gaf het aan de vrouw en voelde zich plotseling nog gelukkiger dan zij al was. Ze vroeg de vrouw nog wat zij met het geld ging doen.“ “Ik ga ervan slapen, bij het Leger des Heils, maar eerst nog wat eten. En morgen koop ik er een ontbijt van en misschien kan ik nog een paar nieuwe kleren uitzoeken.”

Ik geloof in Amsterdam.

Read Full Post »

16062013a

“Kijk, jongens: dat is nou kunst!” roept een man van midden vijftig over zijn schouder naar zijn gevolg. Met zijn andere arm maakt hij een vrijgevig gebaar richting kunstwerk, zodat het lijkt alsof hij het daar voor hun genoegen in het water werpt. Een ironie als waarmee men zwijnen paarlen voert is moeilijk over het hoofd te zien. “Nou, ik vind het anders wel melig, hoor!” kraait een van de dames uit het gezelschap. De hond zwijgt en tilt zijn poot op om een geurvlag over het paaltje met uitleg te draperen.

Ik heb de sculptuur in kwestie op een vroege ochtend voor het eerst gezien, alsof zij gedurende de nacht ontkiemd was. Een wonder: misschien wel honderd afgehakte onderbenen (van hout, dat lijdt geen pijn) holden over de stoep en door het gras in de richting van de fontein die deel uitmaakt van het Van Heutz-monument. Daar leken zij verkoeling te vinden, want verder ging de beweging niet. In de weken die volgden heb ik het kunstwerk been voor been zien verdwijnen, ten prooi aan vandalisme. Triest, want het had iets te vertellen en was nog lang niet uitgepraat.

Het was kennelijk te groot om een staaldraadje omheen te spannen, twintig centimeter boven de grond, met een bordje “niet aanraken”. Die eer komt de malle tractorband van een eerder bericht wel toe. God mag weten waarom, want dat zou juist een leuk stuk speelgoed zijn geweest, 100% hufterproof. Om de hoek, bij het informatiecentrum, staat een kunstwerk (een stapel vederlichte vierkante blokken van 50 bij 50 cm) waar wel mee gespeeld mag worden, en volop gespeeld wordt. Ook de Trashstones mag ik blijven knuffelen. Ik heb nog niemand anders dan mijzelf de vuilnisbakkendiertjes van Laura Ford zien aaien, maar dat is een kwestie van geduld, denk ik.

De omgang met kunst in de openbare ruimte kent wonderlijke extremen. Wat leert ons de vernielzucht, die het kunstwerk Exodus II van Jems Robert Koko Bi ten deel viel? Wat moeten we met die truttige hekjes, waar de eerste de beste vader toch overheen stapt om zijn kinderen even te laten weten van wat voor materiaal dat mysterieuze luchtschip is gemaakt? Mensen bestaan per slot van rekening uit meer dan een intellect en en paar ogen. Misschien moet ik geduld hebben en ontstaat ook aan de Apollolaan op den duur vanzelf dat heerlijke amalgaam van vertrouwdheid en eerbied, waarmee het beeld van Petrus in de Sint Pieter te Rome bejegend wordt.

Onder gestadig liefkozen verdwijnt zijn halve voet, maar dat zal nog eeuwen duren.

16062013b

Read Full Post »

Bezoards

29052013

Eerst dacht ik dat het koeien waren, zoals ze daar lagen in het gras op de hoek van de Minervalaan en de Gerrit van der Veenstraat. Verstoken van vorm, weliswaar, maar afgaand op hun algehele houding ontegenzeggelijk koeien. Glazen koeien, dat weer wel, maar je hebt tenslotte ook glazen ogen. Vervolgens sloeg de twijfel toe en zag ik er, ondanks kleur en tekening, een soort peulen in, die me deden denken aan The Invasion of the Bodysnatchers. Terwijl deze en nog meer associaties heerlijk door elkaar begonnen te lopen, bleef ik even stilstaan bij een wel zeer verleidelijke duiding: dit waren reuzenkoevlinders in het stadium van verpopping. Wat een geluk dat ik hier dagelijks langs kom en dus een gerede kans maak getuige te zijn van het moment dat zij hun vleugels uit zullen slaan!

Toen kwam het bordje op het paaltje en werd ik naar de werkelijkheid teruggefloten. Niet onmiddellijk, want ik lijdt aan HOLG (hyper ongeduldig leesgedrag) en las als titel Transistoren. Ha! Met deze apparaten worden dus allerlei golven en trillingen uit het heelal verzameld en opgeslagen! Ik voel het al bijna aan de grond onder mijn voeten, maar verlang vooral in zo’n ding te kunnen kruipen en te ondergaan wat het heelal ons te zeggen heeft. Dat het raadselachtig zal zijn staat voor mij reeds vast en maakt het makkelijker verteerbaar. Ik klop op een van de voorwerpen, aai er eens over, vlei mij er tegenaan en leg mijn oor te luisteren tegen het gladde oppervlak. Niets.

Gelukkig stond de naam van de maker boven de titel, die overigens bij nader inzien (nader inzien, een belangrijke levensstrategie voor elke HOLG-patiënt) Trashstones 559 560 561 bleek te luiden: Wilhelm Mundt, geboren in 1959. Het internet bracht als altijd verheldering, gelukkig zonder al te ontnuchterend te zijn. Wat zou het een domper zijn geweest als het onverhoopt ‘conceptuele kunst’ zou blijken te zijn! Dan waren mijn verwachtingen pas echt ontregeld. Maar nee, hier geen idee, geen flauwekulverhaal. Slechts een impuls, een besluit en vervolgens volharding en toewijding. (Oh, schoonheid van de monomanie!)

In 1989 schijnt Mundt zijn eerste Trashstone te hebben gemaakt. Omdat er – godlof – geen ‘idee’ aan ten grondslag ligt, hooguit verveling, krijgt het procedé de volle aandacht. Je ziet het voor je: de kunstenaar raapt aan het einde van een noeste werkdag de rotzooi van de vloer van zijn atelier en loopt om geen enkele reden nu eens niet naar de vuilnisbak, maar legt de rommel op een tafel en wikkelt er glasvezelmatjes omheen. Het eten mag vanavond vergeefs op hem wachten, want hij moet beslist nog wat polyester met verharder mengen en de pakketjes daarmee insmeren. Terwijl hij een eenzaam glas wijn drinkt, kijkt hij naar de lelijke en vormeloze voorwerpen op de tafel en nog altijd zonder een idee te hebben van waar dit toe zal leiden stapelt hij de nog plakkerige gevallen aan elkaar en wikkelt er een nieuwe laag glasfiber omheen. Nou vooruit, nog even afsmeren en dan naar huis.

De volgende dag durft hij zijn atelier bijna niet te betreden, maar zijn plichtsgetrouwheid schiet hem te hulp. Op de tafel ligt iets dat op een overreden hond lijkt. Volkomen ongevaarlijk, of toch niet? Even komt de neiging in hem op om het ding alsnog in het vuilnisvat te proppen, maar een andere impuls is sterker. Na wat al te scherpe uitsteeksels te hebben weg geraspt legt de kunstenaar er nog eens een laag glasfiber omheen, nu bijna liefdevol. Terwijl hij de verharder door de epoxyhars roert overvalt hem een besef: ik moet 1000 van deze voorwerpen maken en zij zullen Trashstones heten. (Oh, schoonheid van de monomanie!)

Voor zover ik weet heeft hij dat doel 24 jaar later nog lang niet gehaald, maar ik hoop wel dat hij doorzet. Ik word namelijk nog gelukkiger dan ik al was door te mogen weten dat de wereld ooit door 1000 Trashstones bevolkt zal zijn. God zal die wereld alleen al daarom sparen. En terwijl Mundt en ik – generatiegenoten – allang dood zijn, liggen daar die koeien, pompoenen, peulen, edelstenen, zwanger van geheimen en vergankelijkheid. Onze achterkleinkinderen zullen ze aaien, want zij zullen tot in lengte van dagen de magische kracht van ‘bezoards’ belichamen.

Read Full Post »

Humbug

23052013

Natuurlijk zijn niet alle werken die ArtZuid 2013 tentoonstelt evenzeer in staat mij in vervoering te brengen. Dat zou overigens ondraaglijk zijn. Nee, er is genoeg waar ik schouderophalend aan voorbij kan gaan. Dan is er zomaar een  beeld dat mij vertedert en weer een ander kriebelt me, zoals een geestige opmerking van iemand die ik toch al leuk vond. Soms wordt mijn nieuwsgierigheid geprikkeld en draai ik het ding in gedachten eindeloos om, totdat ik het terugzet zonder het te kunnen plaatsen, blij met mijn eigen onvermogen. Maar er zijn ook objecten die bedoeld lijken om mij de dampen aan te doen, en die vallen zonder uitzondering onder de noemer ‘conceptuele kunst’.

Conceptuele kunst (conceptual art) is een kunstvorm waarbij het idee ofwel het concept belangrijker is dan esthetische of materiaal-technische afwegingen.

Wikipedia

Meestal komt het hierop neer: je haalt een voorwerp uit zijn gebruikelijke omgeving en plaatst het in een context die het tot ‘kunst’ maakt. Vervolgens hang je er een kulverhaal naast en klaar is Kees. Sinds Marcel Duchamp in 1917 een urinoir als kunstwerk inzond voor een expositie zijn we doodgegooid met dit soort deprimerende overbodigheid. Aangezien dat voorwerp ‘in 2004 door een panel van 500 kunstkenners verkozen is tot invloedrijkste kunstwerk van de 20e eeuw’ zal het einde hiervan nog wel niet in zicht zijn.

Ook ArtZuid 2013 ontkomt er niet aan. Ergens langs de stoeprand van de Apollolaan staat een manshoge afgedankte buitenband van een of ander grondverzetvoertuig (geen tractor, als je het mij vraagt) met een paar staalkabels aan een ingegraven blok beton vastgemaakt. Om ruzie te voorkomen ga ik geen plaatje pikken, ik verklap slechts dat je het zeker vindt wanneer je googlet op titel en auteur. Hier is de begeleidende tekst:

Als beeldhouwer heeft Michel François zich de opdracht gegeven om vaststaande verwachtingen te ontregelen. Groot en klein, mooi en lelijk zijn tegenstellingen die op zich niets betekenen. Dat blijkt bijvoorbeeld bij de reusachtige tractorband die alle voorstellingen logenstraft die je in je hoofd hebt over zo’n band en die François ironisch heeft voorzien van de titel Pièce à Conviction (Bewijsstuk).

Dat er iets van deze strekking bij zou komen te staan wist ik al voordat het paaltje met plaquette er voor was geplaatst. Dit is namelijk geen kunst, maar een kunstje, veel te vaak vertoond bovendien. Een totaal versleten cliché, dat desondanks telkens weer voor herhaling vatbaar lijkt. Er wordt naar mijn idee geen enkele verwachting ontregeld, integendeel, en het enige bewijs dat Michel François levert is dat hij zelf geen betekenis weet te geven én geen bestaande betekenissen weet te ontkrachten. Dit gaat helemaal nergens over. Waarom trekt de kunstwereld hem dan de nieuwe kleren van de keizer aan?

Ik erger me nog het meest aan de geperverteerde elitevorming waar dit alles op lijkt te drijven. Daarom stap ik graag even uit de menigte en haal een herinnering op aan mijn Oom Wim, een eenvoudige arbeider, van wie een paar nogal cynische bon-mots in de orale familietraditie bewaard zijn gebleven. Ik citeer:

Kunst

Wat is ‘kunst’? Niks is kunst!

Een skeet op een plankie spoikere,
dát is een kunst.

Men neme een plankje, slaat er een (roestige/kromme) spijker in en hangt het (een ietsje scheef, maar wel op ooghoogte) aan de muur, met bovenstaand gedichtje ernaast, liefst rechtsonder (zodat je een beetje moet bukken om het te lezen). Voeg eventueel de ironische titel Humming Bug toe. Ziedaar een heus ‘concept’, door iedereen thuis tot ‘conceptuele kunst’ te maken. Eindeloos herhaalbaar.

Het is gratis, maar zet er wel even bij dat het van mijn Oom Wim komt.

Read Full Post »

22052013

Terwijl ik al probeer om drie ballen tegelijk (“Crisis, gelijkheid en broederschap”) in de lucht te houden, rukt de verleiding om nog een serie blogberichten op touw te zetten aan mijn rechter mouw. Hoe houd ik die verleiding koest? Ik denk dat ik eerstdaags een extra blokje favorieten aan de rechterkant van het scherm ga plaatsen om mooie initiatieven in de wachtrij van mijn aandacht te zetten. Maar voor eentje laat ik prompt alle drie mijn kaatsenballen op de grond vallen.

Vandaag is de opening van ArtZuid, beslist een van meest indrukwekkende initiatieven binnen mijn blikveld. Zonder dat ik het aan zag komen schoten de afgelopen weken een voor een de beeldhouwwerken uit de grond langs de weg die ik dagelijks fiets van huis naar werk en weer terug. Ik heb al eens eerder geschreven over de optillende kracht die uitgaat van sommige kunstwerken als zij zomaar in je leefomgeving binnendringen. Zo ook nu weer: toen ik het Beeld in tien delen van Leo de Vries voor het eerst zag staan in de schaduw van de lindebomen langs de Apollolaan, wilde mijn hele lichaam zingen en springen. Uiteindelijk was een gefluisterd “Ooh, wat mooi!” het enige wat ik wist uit te brengen.

Het was niets minder dan een religieuze ervaring en die bleek zich moeiteloos te kunnen herhalen, telkens als ik er weer langs fietste. Er zit een beweeglijkheid in die massa steen die ik nog geen minuut op mijn netvlies gevangen kan houden, dus kijk ik geen tweede keer naar hetzelfde beeld. Vooral toen ik voor het eerst de regen langs de ruggen van de figuren zag lopen, waardoor ze gedeeltelijk van kleur veranderden, was dat een openbaring die de eerste ontmoeting evenaarde. Ruggen, zeg ik dat? Maar wat zijn het of wat is het eigenlijk, dat Beeld in tien delen? Gelukkig bleef dat in het begin geheel open (er stond nog geen bordje met uitleg naast), zodat ik er afwisselend mensen, goden, muziek en versteende vocalen in kon zien. Alsof ik weer kind was en naar de wolken keek.

Ik zal in de nabije toekomst zeker nog terugkomen bij ArtZuid, want er zijn meer kunstwerken die woorden in mij op woelen. Nu laat ik het hierbij en stap op mijn fiets, want vandaag heb ik avonddienst. Maar eerst laad ik mij op aan de beeldentuin onderweg. Het thema is dit jaar ‘engagement’, precies wat ik nodig heb om mij te helpen mij te verbinden met het lot van de mensen die vanavond mijn zorg behoeven.

Read Full Post »

Toen ik destijds Jan Siebelink’s bestseller Knielen op een bed violen las, was mijn eerste indruk: net echt! Over mijn eindindruk zal ik aan het slot van dit bericht nog iets zeggen. Nu eerst over wat er zo echt aan was. Daarvoor moet ik terug in de geschiedenis en dan vooral naar de verhalen van mijn moeder, want die groeide op in de kringen waar vader Siebelink – met grote schade – zijn heil zocht.

Ik zal u en mijzelf niet verdrieten met een uitvoerige inleiding over alle splitsingen en samensmeltingen die in de afgelopen anderhalve eeuw hebben plaatsgevonden onder al die splintergroeperingen die het gevolg waren van de Afscheiding  van 1834. Ik kan mijn moeder niet meer vragen van welk genootschap zij nu eigenlijk lid was. Belangrijker is dat ik probeer duidelijk te maken wat ‘bevindelijkheid’ inhoudt. Kortweg: het is cruciaal om de gereformeerde geloofswaarheden niet alleen als waarheden te belijden, maar ze als werkelijkheid te beleven. Die ‘bevinding’ bestaat in de droefheid om het zondebesef, de vreugde om verlossing door de genade Gods en de uiteindelijke dankbaarheid.

Kom, ik draai er nog steeds omheen. Hoe moet ik het in ’s hemelsnaam dichterbij brengen? Smijtegelt, laat ik Smijtegelt noemen, wiens prekenbundels ik als kind probeerde te ontcijferen op de vliering van de boerderij van mijn grootouders. Bernardus Smijtegelt was een legendarische Zeeuwsche predikant, een kerkvader bien aprés la lettre, die leefde van 1665 tot 1739.

Het bekendst werd hij door de 145 preken tellende serie Het gekrookte riet waarin hij ca. 300 kenmerken gaf waaraan onzekere gemeenteleden (de “gekrookte rietjes”) konden toetsen of zij werkelijk bekeerd en dus behouden waren. Het eenvoudige taalgebruik en de relatief geringe omvang van zijn preken zorgen ervoor dat deze ook nu nog wel worden voorgelezen in de zondagse eredienst.

Hoewel Smytegelt mild was voor kleingelovigen die zich het heil nog niet durfden toe te eigenen, was hij ook een felle boetprediker die regelmatig in conflict kwam met de overheid. Hij was één van de zeer weinige predikanten die principieel de slavenhandel afwees, wat hem niet geliefd maakte bij de kooplieden in Middelburg, het centrum van de Nederlandse slavenhandel in de achttiende eeuw. (bron: Wikipedia).

Driehonderd kenmerken! Ga er maar aan staan. Een van de broers van mijn opa was zo’n ‘gekrookt rietje’. Mijn moeder vertelde me ooit hoe hij op een middag totaal ontredderd van een bezoek aan de buurman – die reeds ‘bekeerd’ was en dientengevolge zelfs door de week in het zwart liep – terugkwam. Daar was hij geweest om zijn eigen bevinding te toetsen aan die van iemand die zich het heil wel had durven toerekenen. Dat had hij beter niet kunnen doen, want de buurman hield dat heil misschien liever voor zichzelf dan het met zo’n zwakkeling te delen. In ieder geval stuurde hij hem terug naar af. Mijn opa stond juist het paard in te spannen, toen hij zijn broer het erf op zag komen. “Hij spande het rustig weer uit,” zei mijn moeder, “en liep de trap op naar het slaapkamertje van oom G., om hem te troosten.”

Nee, dit was geen geschikt geloof voor gevoelige mensen. Mijn moeder opperde tijdens een catechisatieles dat ze zich niet kon voorstellen dat God onschuldige kinderen naar de hel zou laten gaan. “Ze hebben immers nog geen enkel kwaad gedaan?” “Nee,” zei de ouderling, “maar als jouw vader achter een zak aardappelen een nest jonge ratten vind, roze en kaal nog en met de oogjes dicht, dan trapt hij ze toch dood. Hij weet wat ze gaan doen als hij ze zou laten leven.” Zij heeft nooit begrepen hoe die Veluwse boeren al die donderpreken konden aanhoren om daarna rustig een sigaar op te steken en hun plas te doen achter de steunberen van de kerk.

Mijn kinderlijke verontwaardiging om dit ijdele gebruik van Gods naam was groter dan mijn kleine lijf. Al kende ik Slauerhoff nog niet, ik had dolgraag eens zo’n “plompe boerekop gesneld”. Toen ik opgroeide kreeg mijn eigen existentiële angst niet zelden een religieuze lading die wel in mijn bloed leek te huizen. Er zijn tijden geweest dat ik mij er zo ver mogelijk van probeerde te verwijderen. Maar niets wat ooit geweest is zal verdwijnen, je kunt je er maar beter toe zien te verhouden. In de jaren dat het leven er eindelijk in begon te slagen mij dat te leren, las ik Knielen op een bed violen. En het was net echt, nee, meer dan echt. Door de onvoorwaardelijke, maar tegelijk niets bedekkende liefde waarmee Siebelink het hele gezin en die kwetsbare vader beschreef, voelde ik me meegenomen naar de top van een berg, vanwaar ik het beloofde land kon zien. Het was gewoon mijn eigen leven, wanneer ik het zag met open ogen en met vertrouwen tegemoet trad.

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »