Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘kinderen’ Category

13112014

Toen ik een jaar of negen was, logeerde ik in de zomervakantie op de boerderij van mijn opa en oma. Het was hooitijd en iedereen was druk in de weer. Wij kinderen genoten veel vrijheid, maar soms ook ging ik met mijn opa mee de weilanden in om iets te halen of te brengen. Hij op zijn klompen, ik in plastic laarsjes; hij met grote, rustige passen, ik half rennend naast hem. Die dag moesten we helemaal bij de Haarwal zijn, achteraan het verste weiland. ’s Middags zouden we de koeien ‘verkampen‘ en opa wilde alvast de roestige oude badkuip vol scheppen met water uit de beek, zodat ze meteen te drinken zouden hebben.

Ergens halverwege het tweede weiland, we liepen door het lange gras, dat komende week gemaaid zou worden, zagen we plotseling een grote haas plat op zijn buik tegen de grond gedrukt liggen. Vlak voor onze voeten! We hielden stil en mijn opa fluisterde: “Je kunt ‘m zo pakken. Doe maar.” Ik was even vergeten hoe oma en hij me voor de gek gehouden hadden door me te vertellen dat vogels zich met het grootste gemak lieten vangen, zodra je hen wat zout op de staart strooide. Dus deed ik een stap naar voren en greep naar de haas. Van schrik tuimelde ik achterover, want de haas sprong overeind en glipte onder de omheining door naar het weiland ernaast, waar de koeien naar een laatste grasspriet zochten. En opa maar lachen.

Terwijl ik overeind krabbelde, zag ik nog net hoe de haas met rare kromme sprongen een goed heenkomen zocht in de richting van de meidoornhaag. Tevergeefs: de koeien, nieuwsgierig als ze zijn, renden met zwaaiende uiers op hem af. Nog voor ik mij af kon vragen of ik mijn ogen wel kon geloven, zag ik hoe de oude Hennie (moeder van al vier nieuwe Hennies) de haas met haar brede voorhoofd tegen de grond drukte. Mijn opa gaf een schreeuw, waardoor de koeien hun aandacht op hem richtten, en stapte over het prikkeldraad. Even later was hij terug, de haas hing slap in zijn grote handen, morsdood.

Hij liet me zien hoe het kwam dat de haas niet uit de voeten had gekund: een van zijn achterpoten hing er aan een paar rafels bij. Vermoedelijk was hij daarmee in de maaibalk van de buurman terecht gekomen. Mijn gevoelens schoten heen en weer tussen ‘wat zielig!’ en ‘spannend’, maar bleven hangen bij de warmte en de zachtheid van het vel van de haas, toen ik hem van mijn opa aannam. “Hier, voor jou.” Rare man! Wat moet een kind van negen met een dode haas? Maar ook dat kwam goed: een oom slachtte het dier, mijn oma kookte het en ik kreeg het vel, dat we droogden aan de balken van de hooischuur. Mijn eerste souvenir. Van een vakantie, waarin ik met eigen ogen heb gezien, hoe een koe een haas vangt.

Advertenties

Read Full Post »

Volg je hart

16072014

 

Stel: Jules was geen robot, maar een gewone jongen. Niet autistisch of androgyn, maar gewoon biseksueel. Hij tikt voorzichtig tegen de krant c.q. laptop waarachter moeder Amanda zich heeft verschanst en vertelt haar over zijn verwarrende gevoelens. “Ach joh, dat hebben we allemaal wel eens,” lacht mama, “Maak je niet druk, volg gewoon je hart.” Jules kijkt even naar het wisselgeld in zijn hand en zegt: “Dank je, mama, ik voel me al een stuk beter, maar misschien moeten we het er later nog maar eens over hebben.” Op zijn kamertje duikt hij zwelgend in Die Leiden des jungen Werthers en waagt hij zich misschien zelfs aan Goethe’s  Faust:

Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust,
Die eine will sich von der andern trennen.

“Hmm,” denkt Jules, “misschien had mama toch gelijk: iedereen heeft dat wel eens.” En hij voelt zich werkelijk iets beter. Edoch, al snel komt hij er achter dat het hier niet om een louter filosofisch probleem gaat, maar dat er buitengewoon praktische kanten aan zitten: als je twee harten hebt, welke moet je dan volgen? Kies je een man of kies je een vrouw? Ga je voor de monogamie – levenslang of serieel -, of moet je je misschien tot de polyamorie bekennen? En wat als er nog een derde ziel in je borst huist, die er een sterke kinderwens op na houdt? “Je hart volgen, dat is niet zomaar wat,” denkt Jules, maar hij weet niet meer zo zeker of hij met dat probleem wel bij Amanda terecht kan.

Daarmee zitten we dan toch middenin iets waar we allemaal mee te maken hebben: tegenstrijdige verlangens en ingewikkelde scenario’s. We doen er vaak wel luchthartig over en roepen elkaar toe dat we toch vooral ons hart moeten volgen, maar wat bedoelen we dan? Ik heb wel eens de indruk dat het vaak in de richting gaat van ‘doen waar je zin in hebt’, en je daarbij niet zo laten belemmeren door verstandelijke overwegingen. Iets waar ik veel te bedachtzaam voor ben. Goed, ook ik moet handelen zonder alle consequenties te kunnen overzien en er dus maar op vertrouwen dat ik met de gevolgen zal kunnen leven. Maar ‘gewoon‘ mijn hart volgen? Zou ik mijn hart niet gewoon kunnen opwachten?

Opeens moet ik aan een kinderboek denken. Terwijl ik Rozemarijntje en Rooie Pier las, laafde mijn vriend Peter zich aan De tuinen van Dorr. Toen hij groot geworden was, maakte hij er een zangspel van, zodat ik het verhaal alsnog leerde kennen. Het gaat over een prinsesje, Mijnewel, dat een onmogelijke liefde koestert voor Jouweniet, de zoon van de tuinman. De jongen wordt veranderd in een bloem en voordat de winter hem teniet doet, oogst zij het zaad en bewaart het bij haar hart. Dan volgt zij dat hart en komt in een dorre woestenij vol dorre mensen. Daar neemt zij haar intrek in een hotel, dat gerund wordt door een man, die zich op een nogal vreugdeloze manier lijkt vast te klampen aan overgeleverde gewoontes. (Ah, les choses trop oubliées!) Hij verschoont elke week de bedden, ook al komen er geen gasten. “Men moet dagelijks gezicht, handen en bibben wassen,” heeft zijn vader hem geleerd.

Het verbaast mij niet dat deze sleutelfiguur in het verhaal doorgaans onopgemerkt blijft, want erg tot de verbeelding sprekend is hij niet. “Is de liefde van Mijnewel sterk genoeg om samen met de speelman Jarik de macht van de sluwe Sirdis te breken en de kille ban over de dode stad Dorr op te heffen?” vraagt uitgever Lemniscaat zich af. Bij mij komt een andere vraag op: waar waren deze moedige volgers van het hart zonder die onbeduidende hotelier, die zelfs de tuin bleef verzorgen, terwijl er al jaren niets in groeide? Dankzij zijn zorgzame wachten kon het zaad dat de hartstocht tot zo ver gedragen had tenslotte ontkiemen.

In dit verhaal worden twee zielen over twee lichamen verdeeld, maar gelukkig hebben wij er twee (of meer) voor onszelf. We kunnen volgen, vooruitsnellen, wachten, tegemoetkomen en uitzwaaien, afwisselend en tegelijkertijd. Dat is een rijkdom die we licht vergeten in een tijd waarin we elkaar vooral aanmoedigen ‘ons hart te volgen’, naar nieuw en meer en beter. Het kan geen kwaad, lijkt mij, als we onszelf en elkaar er ook af en toe aan herinneren dat het leven geduldig onderhoud vraagt. In de intieme sfeer, waar vriendschappen en relaties bloeien doordat wij ze trouw cultiveren, maar ook in de maatschappij, waar niet alles van waarde in termen van onmiddellijk profijt beschreven kan worden.

Read Full Post »

06072014

 

Als ik terugdenk aan het gezin met acht kinderen waarin ik ben opgegroeid, vallen mij meteen de woorden rommelig en rumoerig in. Mijn vader, die niet heel sterk aanwezig was, verzuchtte zo nu en dan: “Het lijkt hier wel een huishouden van Jan Steen!” Mijn moeder was niet iemand met een duidelijke visie over opvoeding. Zij had haar handen meer dan vol aan het vervullen van onze eerste levensbehoeften. Zolang zij niet het idee had dat de buren reden tot klagen hadden en de hete adem van God niet in haar nek voelde, liet zij ons lekker begaan. Het leek wel een soort participatie-samenleving, bij ons thuis. Pas wanneer zij “Jemie Kremie!” riep, wisten wij dat de grens bereikt was en we beter even uit haar buurt konden blijven.

Eigenlijk was er maar één situatie waarin een opvoedkundige interventie van haar kant zich voordeed. Dat was als wij elkaar zo te na kwamen dat iemands rechtvaardigheidsgevoel of gekwetste eigenwaarde in het geding kwam. Dan wendde de gekrenkte partij zich klagend tot Moeder om Recht. Ter wille van het voorbeeld dat dezer dagen mijn herinnering is binnengestapt, moet ik eerst iets van mijzelf blootgeven. Een gebrek, of eigenlijk: een teveel. Vlak naast mijn rechter oor – ik schuif mijn haar iets opzij, dan kunt u het zien – bevindt zich een minuscule uitwas. Zo’n kleine abnormaliteit is onder kinderen zeer bruikbaar, zodra er behoefte aan belediging ontstaat. In die gevallen werd ik pars pro toto “Oorpuntje!” genoemd.

Op zeker moment liep die pesterij kennelijk zover uit de hand, dat mijn moeder een regel invoerde: schelden was toegestaan, maar daarbij mochten wij geen misbruik maken van een ‘gebrek‘. Nu had degene die de meeste lol beleefde aan het wekken van woede bij de anderen zelf geen enkel minpuntje dat tegen hem gebruikt kon worden, dus de verhoudingen waren hoe dan ook scheef. En dat bleven ze, want ook als er één mogelijkheid wordt weggenomen, vindt men wel andere wegen om elkaar te tergen. Zo kwam het dat ik de plaaggeest, toen die een keer zo hard wegliep dat ik hem niet gewoon een klap kon geven, woedend “Arendsvogel!” achterna riep. Opeens stond hij stil, draaide zich om en sprak oprecht verontwaardigd: “Dat mag niet! Dat is een gebrek!”

Afgelopen week zag ik mijn moeder terug in onze arme burgemeester Eberhard van der Laan. De rechter heeft geoordeeld dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij ook dit jaar een vergunning heeft afgegeven voor de intocht van Sinterklaas.

Van der Laan heeft onvoldoende afgewogen of de figuur van Zwarte Piet – een ‘racistisch stereotype’ volgens de rechtbank – een zodanige “inbreuk op het privéleven van zwarte mensen” zou zijn, dat hij voorwaarden over deze figuur in de vergunning had moeten stellen. Bijvoorbeeld dat er ook pieten moeten rondlopen met steil haar, of dat ze rijden op een paard.

NRC van vrijdag 4 juli 2014

De krant meldt verder dat juristen niet onverdeeld gelukkig zijn met deze uitspraak. Zo zou ons staatsbestel aan bestuurders geen ruimte laten om invloed uit te oefenen op de inhoud van evenementen. Ook vreest men dat nu de weg open ligt voor andere gevoeligheden voor wat er in de openbare ruimte aan onwelgevoeglijks gebeurt. “De bevindelijke christen kan zijn pijlen nu richten op opzichtige homo’s in de Gay Pride.” Niettemin stelt onze burgervader zich ten doel van Sinterklaas weer “een feest van alle 820.000 Amsterdammers” te maken. Nu moet ik niet alleen aan het gebrekkige Salomonsoordeel van mijn moeder denken, maar ook aan André van Duin:

Read Full Post »

02062014

 

Het verhaal kende ik al, mijn dochter Laura en haar klas kende ik al, haar schoolgebouw kende ik al. O ja, en mijzelf, natuurlijk ook. Tenminste, dat dacht ik. Toch hadden wij nog nooit zó als een levend planetarium om elkaar heen gewerveld als op die woensdagavond. Heerlijk, hoe die kinderen theater kunnen maken! In de afgelopen weken had klas 11E van het Geert Groote College Amsterdam onder begeleiding van twee bevlogen drama-docentes zelf een toneelbewerking gemaakt van De Kleine Prins van Antoine de Saint-Exupéry. Uiteraard mochten wij komen kijken.

En beleven dat een verhaal in het theater iets heel anders doet dan in de beslotenheid van een boek. Op papier is het vlees als het ware woord geworden, op het toneel wordt het woord weer vlees. Je verbeelding krijgt wat minder ruimte, maar je zintuigen moeten opeens veel harder aan het werk. Zeker in de bewerking die onze kinderen van het sprookje hadden gemaakt. Alleen in het begin mochten de toeschouwers blijven zitten, daarna werden we letterlijk bij de hand genomen voor een tocht door het hele schoolgebouw en zelfs daarbuiten. Theater zonder podium, een uitkomst voor iemand als ik die altijd al na een kwartier ongemakkelijk op haar stoel heen en weer begint te schuifelen.

Laura was de roos, waar het verhaal mee begon: “Ik heb moeilijkheden met een bloem,” zei het prinsje immers, en daarom was hij van huis weggegaan. Als ik denk aan de moeilijkheden die zij en de jongen die het prinsje speelde met elkaar hebben gehad, dan was het niet minder dan een wonder om te zien hoe het spel die verhoudingen op een heel ander plan bracht. Hier mochten, nee moesten, zij allebei kwetsbaar zijn. Maar goed, het verhaal is middelpuntvliedend, dus daar bleef het niet bij. Na de openingsscène nodigde het prinsje ons uit om in drie groepen met zijn drie alter ego’s mee te gaan voor een reis langs de planeten.

Hier hadden de leerlingen zich op een zo aanstekelijke manier uitgeleefd in het creëren van de verschillende tonelen, dat ik ze het liefst allemaal zou beschrijven. Met rekwisieten die uit twintig verschillende huishoudens bijeen gescharreld waren (en dus niet op het budget drukten!) waren echte juwelen van decors in elkaar gezet. Less is more. En wat een inventief gebruik van de ruimtelijke gegevenheden! Stel je een slang voor die – arme jongen! – in een toepasselijke ‘onesie‘ op zijn buik door het zand van een nog niet betegeld stukje schoolplein kruipt. Of een jongen met een Febo-baret op, die fastfood verkoopt vanachter de balie in de kantine: hun versie van de “marchand de pilules perfectionnées“.

Op dat moment deelde ons prinsje minuscule broodjes hamburger uit, waarvan we proefondervindelijk vaststelden dat het wine-gums waren.

Het mooiste vond ik de vos, toch al mijn lieveling in het verhaal, die in (alweer) een ‘onesie‘ op een verhoogde vlonder in het handarbeidlokaal zat. Ik kreeg er kippenvel van toen ik die heerlijke dialoog door de ruimte hoorde gaan en het elkaar langzaam naderen voor mijn ogen zag gebeuren. Benevolent besluipen, met wederzijdse instemming. En dan dat afscheid, waarbij wel gehuild mocht worden, maar dat je niet in termen van verlies hoefde te zien. Daarbij kregen ook wij een geheim mee:

Voici mon secret. Il est très simple : on ne voit bien qu’avec le coeur. L’essentiel est invisible pour les yeux. -L’essentiel est invisible pour les yeux, répéta le petit prince, afin de se souvenir. -C’est le temps que tu a perdu pour ta rose qui fait ta rose si importante. -C’est le temps que j’ai perdu pour ma rose… fit le petit prince, afin de se souvenir. -Les hommes on oublié cette vérité, dit le renard. Mais tu ne dois pas l’oublier. Tu deviens responsable pour toujours de ce que tu as apprivoisé. Tu es responsable de ta rose… -Je suis responsable de ma rose… répéta le petit prince, afin de se souvenir.

Daar konden we het mee doen, want in het dagelijks bestaan komen we maar al te vaak wonderlijk dicht bij de karikaturen die Antoine de Saint-Exupéry van ons heeft geschilderd. Het is makkelijk om uit het oog te verliezen wat er werkelijk toe doet in het leven. Moeilijker is het je te herinneren wat er allemaal ‘trop oublié‘ is en dan de weg naar de kern terug te vinden.

 

Read Full Post »

03042014

*

 

voor Irene

*

Net toen ik mijn grote broer Google voor de zoveelste maal tevergeefs met hetzelfde verzoek had benaderd en ik vreesde dat een van ons beiden de deur met een klap in ’s anders gezicht dicht zou gooien, zag ik het juweel schitteren tussen de rotzooi in zijn kolenschoppen van handen. Al zeker drie jaar was ik telkens weer op zoek gegaan naar een verhaal uit mijn kleuterjaren, dat weliswaar grote indruk op mij had gemaakt, maar waarvan ik mij geen woord meer herinnerde. Vage beelden die mijn geestesoog destijds had gevormd spookten nog wel door mijn hoofd, maar Google is geen ‘beelddenker‘, dus daar schoten we niets mee op.

Vandaag heb ik de titel gevonden, en een paraphrase van de inhoud én een fragment. Het boekje dat mij rond mijn vierde levensjaar werd voorgelezen is ongetwijfeld Het Druivejurkje van Pauline Jacoba Cohen-de Vries geweest. Heel kort: het gaat over een verwend prinsesje, dat haar moeder ten einde raad brengt door te blijven zeuren om een jurkje van druivenschilletjes. Uiteindelijk komt er een aardmannetje aan te pas, dezelfde die de kinderwens van de koningin in vervulling had doen gaan:

Langzaam kwam de kabouter op haar toe. Toen stak hij beide handen in z’n zakken, trok de dikke wenkbrauwen samen en zei, een beetje spottend:
“Zoo, zoo! Hier hebben we dus de jonge dame, die zoo hard schreeuwen en gillen kan, dat wij ’t hier hooren kunnen.”
Hij stond haar maar op z’n dooie gemak te bekijken. En voor ’t eerst van haar leven schaamde Machteld zich en begreep zij, hoe leelijk en dom het was, zoo’n keel op te zetten.
“En wat was er gisteren weer aan de hand?” vervolgde de kabouter. “Waar heb je zoo om gedwongen, dat je moeder er geen raad meer mee wist?”
“Ik wou zoo graag een druivejurkje hebben,” zei het meisje zachtjes.
“Een wàt?” De dikke wenkbrauwen werden hoog opgetrokken.
“Een jurkje, van hetzelfde goed, waar de druiveschilletjes van gemaakt zijn. ’t Zou zoo beeldig zijn. Maar je kunt het niet bij een koopman krijgen. ’t Moet getooverd worden.”
En opeens keek ze hem vriendelijk aan en vleide: “Kan jij tooveren? Toe zeg, geef me dan zoo’n jurkje. Ik zou er zóó blij mee zijn.”
De kabouter stond naar den grond te kijken, en streek over zijn lange grijze baard. Hij scheen diep na te denken. Maar opeens hief hij ’t hoofd weer op en zei: “Goed, je kunt zoo’n jurkje van mij krijgen. Maar je moet het eerst verdienen.”

Hoewel ik allesbehalve een prinsesje was (wij waren met velen en hadden weinig geld – druiven zag ik eens per jaar in de fruitmand, die mijn moeder van de diaconie kreeg als zij weer bevallen was), wist ik meteen dat dit verhaal over mij ging. Heel jong al was ik rijk aan onmogelijke verlangens. Soms joeg ik ze na, maar vaker nog ging ik ervoor op de vlucht. Bovendien kwam me in het leven zoveel simpelweg aanwaaien, dat ik bij uitstek een kabouter nodig had om van mij een heel mens te maken. Tenslotte is tenminste één van mijn onmogelijke verlangens werkelijkheid geworden. “Ben je nu gelukkig?” vraagt men zo nu en dan.

Jawel, zeg ik dan in alle eerlijkheid, maar als het erop aankomt valt dat geluk niet eenvoudig samen met de vervulling van mijn verlangen. Liever zou ik het een ‘bijwerking’ willen noemen. Terugkijkend ben ik vooral gelukkig met alles wat ik op de weg naar hier heb mogen doen, met wat ik meemaakte en hoe dat alles mij gevormd heeft. Vooruitkijken leek een tijd lang moeilijker, omdat ik een groot deel van mijn vroegere rijkdom kwijt was. Maar de laatste weken gebeuren er opeens allemaal dingen die me op pad sturen. Eén ervan wil ik hier noemen, omdat het me weer aan mijn druivejurkje deed denken. Ter gelegenheid van het feest dat ik onlangs vierde, kreeg ik van de vriendin aan wie ik dit berichtje opdraag een gedicht in het Hebreeuws. Ik kan het niet lezen, maar zij verzekerde mij dat het pure schoonheid is en zij kan het weten. Zij weet ook hoe onvertaalbaar het is. En ik zie hier een vingerwijzing van mijn aardkabouter in: ga je de moeite getroosten om er zo dicht bij te komen als je kan.

Read Full Post »

Italy Landslide

Eigenlijk had ik een heel ander blog willen schrijven dan dit. Vorige week las ik The Mosquito Coast van Paul Theroux en dat had ik – agglomererend als ik gewend ben te denken – graag in verband gebracht met andere lectuur van de afgelopen weken. En met mijn eigen geschrijf over “mij verhouden tot het idealisme van mijn jeugd”. Het werd al met al reeds een behoorlijke kluwen of klont en misschien had deze of gene het best aardig gevonden om te lezen hoe ik dat aanpakte, maar goddank: het hoeft niet meer. Waarschijnlijk heb ik hierover ondertussen ook wel eens genoeg geschreven.

Mijn jongste dochter Laura is (naast een jongere vriendin) degene die dit thema regelmatig in mij aanraakt. Zij overweegt Future Planet Studies te gaan studeren en is gegrepen door Eradicating Ecocide van Polly Higgins. In gesprekken met haar word ik mij langzaam sterker bewust van wat er leeft achter mijn manier van reageren op deze materie. Natuurlijk wil ik niet cynisch zijn en wellicht ben ik dat ook helemaal niet en hoort iemand van mijn leeftijd het enthousiasme van de jeugd nu eenmaal met enige reserve, maar vooral welwillendheid aan te horen. Ondertussen komt het me gevoelsmatig erg na.

Naarmate mijn kind mij meer uitdaagt, merk ik duidelijker dat er in mijn innerlijk iets ligt dat doet denken aan zo’n rotsblok middenin een akker, waar ik al jaren omheen loop te ploegen. Kennelijk wordt het tijd dat ik daar eens mee in het reine kom. Dezelfde gesprekken brengen me tot het inzicht dat mijn eindeloze hang naar associëren en het leggen van verbanden me daarbij niet zal helpen. Zo nu en dan kijkt zij mij vol verbazing aan en zegt: “Ja, maar dat is toch helemaal niet hetzelfde?” of: “Ja, maar dat kun je ook heel anders zien.” En dan is het plotseling alsof de akker groter wordt en het rotsblok kleiner.

Daarna hebben we het nog een hele poos over teleurstellingen en wat die met je kunnen doen en andersom. Want daar draait het om, en om levenskunst. Dus gaan mijn vingers later op de avond langs de titels in mijn boekenkast. Wat zal ik lezen, nu ik ziek op bed lig? Terwijl het vraagteken rustig plaatsneemt achter deze vraag in mijn hoofd, houden mijn vingers halt bij de dagboeken van Etty Hillesum. Misschien durf ik die nu wel aan.

Read Full Post »

17102013

Eerder zal zout tot honing worden voor een mens een mens begrijpt, laat staan een volk een volk.

Uit: A. den Doolaard, Het leven van een landloper

Ik denk dat het toch nog goed gaat komen met de cultuurschok van mijn uitwisselings-jongere. Vandaag heeft zij een soort afscheidsfeestje gehad op haar gast-school, want na de herfstvakantie gaat zij met haar oudere broer een reis door Europa maken. Vroeg in de morgen hebben we samen cup-cakes gebakken om uit te delen en zij was vastbesloten om haar evaluatie van de ‘experience’, getiteld My Journey aan de klas voor te lezen. Natuurlijk was ze heel zenuwachtig en natuurlijk ging het allemaal goed.

Dat mag ook wel, want het was een indrukwekkende tekst. Zij stelde zich daarin weliswaar kwetsbaar op, maar op een manier die respect zou afdwingen, want niet bedoeld om bij voorbaat meelij te wekken. Nee, voor zover mogelijk in amper twee maanden tijd, had zij zichzelf leren kennen, haar aspiraties en wat daarvan terecht was gekomen mild én genadeloos tegen het licht van de werkelijkheid gehouden en er een afgewogen oordeel aan verbonden. Hier en daar herkende ik mijn eigen inbreng (we hebben wat af gepraat!), maar het was geen lesje dat ze opzei. Ze had werkelijk iets meegemaakt en bleek in staat om wat aanvankelijk een zware teleurstelling leek, op te vatten als een open deur naar de toekomst, haar toekomst. Bovendien had zij zichtbaar een stap gemaakt in de richting van culturele verschillen te zien zonder daarover in termen van ‘right or wrong’ te spreken.

Tegelijkertijd bereikten mij een paar nogal fragmentarische berichten uit Zuid Afrika, waaruit ik net kon opmaken dat zich in het gastgezin van mijn uitwisselings-dochter gedurende de afgelopen twee weken een heuse cultuurstrijd moet hebben afgespeeld. Haar moeder en mijn dochter waren elkaar kennelijk meermalen in de haren gevlogen. Mijn eigen dochter sprak erover als over iets dat zij “achter zich gelaten” had, maar in de toon van de gastmoeder leek de storm nog maar nauwelijks bedaard.

Hoe moeilijk het ook is om je op zo’n afstand en zonder ooggetuige te zijn geweest een beeld te vormen van wat zich binnen dat gezin heeft afgespeeld, in mijn ogen waren de woorden die zij aan mijn kind vuil maakte zowel begrijpelijk als onterecht. Verdrietig, dus. Met een kleine vertaalslag zijn al haar ‘ondeugden’ gemakkelijk te herkennen als wat wij ‘verworvenheden’ plegen te noemen. De verworvenheden van de seksuele revolutie en van ons streven naar een ‘open samenleving’ in de zin van Karl Popper. Ze gedraagt zich perfect naar de idealen van onze opvoeding, maar bedreigt daarmee de idealen van haar gastmoeder.

Er zijn nog vijf weken te gaan. Ik heb er een hard hoofd in, want ik vermoed dat er twee stijfkoppen aan die tafel in Durban zitten, maar met dat harde hoofd blijf ik hopen dat zij zullen blijven proberen elkaar te begrijpen en het gesprek gaande te houden. Alsof ik daarmee dat (mijn!) ideaal dichterbij kan brengen, kook ik vanavond voor Ruhini een van Laura’s lievelingsgerechten: Turkse pilav.  Rijst met rul gebakken gehakt (Quorn, om de cultuurkloof te overbruggen), rozijnen en pijnboompitten, gekruid met zout, peper, komijn, kaneel en een paar druppels honing.

Zout hoeft geen honing te worden om samen een klein feestje te maken.

Update: het combineren van hartig en zoet is waarschijnlijk voorbehouden aan sommige mediterrane culinaire tradities en misschien wel Perzisch van origine, maar mijn uitwisselings-jongere, die in een Indiase cultuur is opgegroeid, fronste haar neusvleugels en concludeerde dat het toch maar beter was om zoetigheid voor het dessert te bewaren.

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »