Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘geschiedenis’ Category

Nieuws

29012017

 

Er is niets nieuws onder de zon.

Kohelet

“De geschiedenis herhaalt zich,” snuift de oude baas naast me schouderophalend. Terwijl hij met een vinger over het schermpje van zijn smartphone veegt, zie ik telkens weer de naam Trump voorbij komen. “Toen hadden ze ook op de verkeerde gegokt. Tja, en opeens was het te laat.” Het is International Holocaust Remembrance Day en de man met wie ik zit te praten is een survivor, dus termen als meme en godwin plakken niet erg.

Hij is ook niet een typische linkse intellectueel, die zich politiek correcte zorgen over het populisme maakt. Hooguit doet hij me denken aan mijn vader, die ik hoorde mopperen op “het wapenkapitaal”, wanneer hij de krant dicht deed en aan tafel kwam. Dat was in de zestiger jaren van de vorige eeuw, maar het had net zo goed nu kunnen zijn, denk ik dan.

Ik weet het niet meer, of weet ik het nog steeds niet? Ik dacht dat ik een nette krant las, maar kreeg onlangs van een academica, die ik nota bene tot mijn eigen bubble rekende, te horen dat ik dan “net zo goed niks kan lezen”. Zelf veegt zij zich in elk onbewaakt ogenblik een weg door de koppen van een handvol kranten en van Breitbart News. Nieuws of nepnieuws, dat is de vraag. Een vraag waar eenvoudige mensen vroeger een eenvoudig antwoord op hadden: “De almanak en de krant . . . .”

Over een poosje moet ik binnen een paar minuten iets zeggen over de Israëlische dichter Yehuda Amichai. Ik overweeg mijn vertaling van een van zijn gedichten voor te lezen, omdat het een van mijn lievelingsgedichten is:

Een mens heeft in zijn leven geen uur om voor alles
een uur te hebben.
En hij heeft geen tijd om tijd te hebben voor alles
wat hij nastreeft.
Kohelet had geen gelijk, toen hij dat zei.

Een mens moet tegelijkertijd haten en liefhebben,
met één paar ogen huilen en lachen,
met één paar handen stenen gooien
en ze met hetzelfde paar handen weer oprapen,
de liefde bedrijven in oorlog
en oorlog voeren in de liefde.

Haten en vergeven, gedenken en vergeten,
rangschikken en verwarren, eten en verteren
wat de langgerekte geschiedenis
over zeer vele jaren uitsmeert.

Een mens heeft in zijn leven geen tijd.
Zodra hij verlaat, zoekt hij weer op,
zodra hij vindt, vergeet hij al,
zodra hij vergeet, heeft hij lief
en zodra hij lief heeft, begint hij te vergeten.

Zijn ziel is geleerd,
zijn ziel is zeer bedreven.
Alleen zijn lichaam blijft altijd
een amateur. Het probeert en het faalt,
leert niet, maar raakt verward,
dronken en blind in zijn lust en zijn pijn.

Hij zal sterven als een vijg in de herfst:
gerimpeld, vol van zichzelf en zoet.
Bladeren verdorren op de grond,
kale takken wijzen al naar boven,
naar een plek waar tijd is voor alles.

Gisteren zat ik naast een andere man, een academicus van mijn eigen leeftijd, die vond dat het eigenlijk wel tijd was voor een politieke moord. Hem heb ik altijd gekend als zeer bedachtzaam, dus dit leek heel even nieuw, misschien. De vrouw aan mijn andere kant sprak hoopvol over jonge studenten in de geesteswetenschappen, die als nieuw zo enthousiast zijn over het eeuwige zoeken van de mens naar De Mens en naar diens verhouding tot de wereld. Maar op de vraag of zij zich in het domein van de politiek door iemand vertegenwoordigd voelden, hadden ook zij geen antwoord. Misschien was dat in de geschiedenis die zich lijkt te herhalen ook al zo. Ik weet het niet meer, of nog steeds niet of . . . .

Advertenties

Read Full Post »

The morning after

19122016

 

Look, this goes to the heart of, to the difference between the Jewish messianic temperament and the Christian messianic temperament. Think of it this way: the problem for Jews is that we wait and wait and wait and wait, and he doesn’t come. The problem for the Christians is that he came and the world did not change. The Jews will always so arrange matters, that they will never wake up on the morning after the messiah arrives. Because the risk is much too great, because the world will still be the world.

Dit zegt Leon Wieseltier tegen Simon Schama in het tweede deel van de tevee-serie The Story of the Jews (vanaf de 47ste minuut), naar aanleiding van de zogeheten disputatie van Barcelona in 1263. Maar hoe doen de Joden dat dan? Ik stel me voor dat het bij Wieseltier, net als bij mij, via de route van het intellectualiseren gaat: je klapwiekt wat met de vleugels van je intellect en voor je het weet zweef je veilig boven de menigte die uitzinnig van vreugde achter de messias aan danst. En wanneer iedereen met een kater wakker wordt, schrijf jij er een boek over. Of je leest zo’n boek.

Recentelijk verdiep ik me in de geschiedenis van het sabbatianisme en lees daartoe het nog altijd magistrale werk van Gershom Sholem. In het kort: het sabbatianisme ontstond tijdens de Chanoeka van het jaar 5426 (december 1665 CE), toen Sabbatai Tsvi, door de profeet Nathan van Gaza als messias herkend, zichzelf in het openbaar als zodanig begon te manifesteren. Binnen enkele maanden had hij een grote aanhang onder de Joden in heel Europa. Ook onder de sefardim in Amsterdam. Een tegenstander, Jacob Sasportas, beschrijft in zijn boek Tzitzat Nobel Tzvi de impact van het nieuws over de komst van de messias als volgt:

En er was grote opschudding in Amsterdam, alsof er een hevige siddering door de stad ging. De vreugde was uitzinnig, met tamboerijnen en gedans, in alle straten. De wetsrollen werden uit de Ark, met zijn prachtige versieringen, gehaald, zonder dat men zich bekommerde om het gevaar dat zulks de jaloezie en haat van de niet-joden zou kunnen opwekken. Integendeel, ze predikten openlijk en brachten de niet-joden op de hoogte van alle berichten.

Overal bereidde men zich voor om en masse naar het toenmalige Palestina te verhuizen. Ondertussen deed men alom boette om de manifestatie van God in deze wereld kracht bij te zetten. Tegen het einde van datzelfde jaar leek alles voorbij. Sabbatai Tsvi werd in Istanbul gevangen genomen door de Turkse autoriteiten en bekeerde zich korte tijd later tot de islam. Het hele gebeuren klapte als een zeepbel uit elkaar.

Maar niet heus. Veel van zijn volgelingen bleven in hem geloven en duizenden werden moslim, net als hun messias. De Turken noemden hen döhnme, overlopers. Nog in de twintiger jaren van de vorige eeuw leefde er een döhnme-gemeenschap in Tessaloniki en bedenkers van complot-theoriëen geloven graag dat Atatürk uit hun midden afkomstig was. Veel boeiender vind ikzelf de veerkracht van de Joden die na deze koortsdroom het Jodendom trouw bleven. Daar valt voor mij nog wat van te leren.

Een andere gedachte die mijn lectuur me bracht is deze: met de Verlichting en de dood van God achter de rug zal het ons niet zo snel meer gebeuren dat we achter een Redder aan lopen. Hooguit maken we ons zorgen over Henk en Ingrid of over al die onzichtbare Trump-stemmers. Maar hoe zeker zijn wij er eigenlijk van dat wij met onze Rede niet ook in een Droom verzeild raken? Ook dat is eerder gebeurd. We kijken daarbij graag achterom of naar een ander deel van de wereld en denken graag dat het gevaar in onderbuiken huist. Toch zou het zomaar kunnen dat we juist met onze oplossingsgerichtheid, met onze ijver het leven en de wereld optimaal te rationaliseren, het einde van de geschiedenis dichterbij brengen. (Verlossing, oplossing, Endlösung.) Hoe zal dán de morning after zijn?

Read Full Post »

02062016

Het is tijd om een zoektocht af te ronden. Niet dat ik het zoeken naar sporen van het leven van Andries en Annie ga staken, nee, in dit stukje wil ik komen tot een plaatsbepaling van mijn beoogde bijdrage aan de bundel Joodse Huizen 3. Ik heb het in deze kleine serie gehad over verschillende manieren waarop men zich zou kunnen verhouden tot het gedenken van de slachtoffers van de shoah.

In het eerste bericht kreeg ik “de wind van voren”. Tot op dat moment had ik met bolle zeilen mee gevaren in de vloot aan activiteiten, waarbij de levens van hen die zijn uitgewist uitvoerig worden gedocumenteerd, opdat zij “een gezicht” zouden krijgen. In een vervoerend enthousiasme worden foto’s, briefjes en allerlei ontroerende details gedeeld. Je zou haast kunnen zeggen dat er een soort posthuum ‘facebook‘ ontstaat. Heel aanstekelijk als je er middenin zit, maar ik kan me inmiddels goed voorstellen dat mijn respondente destijds het woord ‘voyeurisme‘ in de mond nam. Iets wat ‘waarheidszegster‘ Henriëtte Boas al riep toen de dagboeken van Anne Frank en Etty Hillesum werden gepubliceerd.

Aan de andere kant – en daar ging mijn tweede stukje over – werd ik bij veel van mijn contacten een sterke behoefte gewaar om een gat in het collectieve geheugen van hun ‘misjpoge‘ te vullen. Een behoefte die blijkbaar zelfs uitgebreid kan worden naar de samenleving als geheel. In psychologische of zelfs spirituele zin wordt gestreefd naar ‘heling‘, alweer zo’n groot woord. Dat rechtvaardigt misschien het streven om zoveel mogelijk persoonlijke levens gedocumenteerd te krijgen, maar ontslaat mij/ons niet van de plicht na te denken over de manier waarop en de mate van openbaarheid waarin dat gebeurt.

De heelwording van de menselijke samenleving of zelfs van alle leven op aarde koester ik als een hoog ideaal. In een hiërarchie van waarden neemt het, als het erop aankomt, zelfs de hoogste plaats in. Tikkun olam is een heel mooi, maar vooral heel groot woord. Geschiedschrijving als gedeelde herinnering van “een mensheid die ten prooi is aan allerlei impulsen en emoties” in plaats van als “keuzemenu waaruit iedereen pakt wat hij nodig heeft om zijn identiteit en overtuigingen te harnassen” heeft in mij beslist een medestander, schreef ik – in mijn derde blog – voorzichtig. Voorzichtig, omdat de wereld niet heel is. Als ik iemand op de bres zie staan voor het universalisme, dan is er altijd een stemmetje in mij dat vraagt: “Wiens universalisme?” Of, zoals Bas Heijne zelf schreef in de column (NRC, 21 mei 2016) die ik hier citeer: “Zelfvertrouwen is mooi, maar jezelf wantrouwen misschien nog wel beter.”

Maar goed, laat ik nu eindelijk voor de draad komen met mijn antwoord op de vraag naar mijn eigen plek in dit gebeuren, ergens tussen Facebook en de Geschiedenis van de Mensheid. Dan moet ik beginnen te zeggen dat ik vooral schatplichtig ben aan degene die mij zo’n negen maanden geleden – zonder zich daarvan bewust te zijn – op weg gestuurd heeft. Onlangs heb ik haar boek, Sterk als de dood, gelezen. Opeens wist ik dat mijn hoofdstuk over Andries en zijn gezin de vorm moet krijgen van een ‘hesped‘, een rouwrede zoals die binnen de joodse traditie na iemands overlijden wordt uitgesproken. Net als alle andere rituelen rond sterven en rouw geeft me dat grond onder m’n voeten: een plek om stil te staan bij het verschil tussen weten en spreken.

De volgende – mooie! – woorden van Sasja Martel schrijf ik op een ‘geeltje’ en plak ik daarom in de rechter bovenhoek van mijn beeldscherm, voordat ik zal beginnen met het schrijven van de hesped voor Andries, Annie, Anneke en Nanda:

Het jodendom erkent dat de mens altijd in conflict zal blijven met de twee kanten van zijn wezen: de eenzame kant en de hang naar gemeenschap. Elk mens is een wereld in zichzelf en op zichzelf. Elk mens in een gemeenschap brengt in wezen een microkosmos mee (zijn unieke zelf), iets dat in de joodse gemeenschap als kostbaar en onvervangbaar wordt ervaren. Wanneer iemand sterft komt aan zijn unieke innerlijke wereld en inbreng een einde. Hij laat een vacuüm achter dat door niemand opgevuld kan worden.

 

Read Full Post »

21052016

De wind waait wisselend van alle kanten en zo raakte ik in mijn-klein-hoekje bedolven onder een hoop rondkringelende bladeren. Maar kijk, ik steek mijn hoofd er alweer bovenuit, mijn lommerdbriefje heb ik nog in de hand en mijn blik vult zich met het zoete licht dat mij gratis omringt. De duisternis waarin ik was ondergedoken, was niet voor niets: binnenin me begint zachtjes een inzicht te zingen, waarvan ik hoop dat ik het woorden zal kunnen geven. Anders moet ik er in mijn eentje blij mee zijn, en ik ben niet zo goed in binnenpretjes.

Het licht ging bij mij aan, toen ik afgelopen zaterdag in NRC de column van Bas Heijne las over de rol die ‘geschiedenis’ gaat spelen – en vaak al speelt – waar de beoefening van en het onderwijs in Geschiedenis als zelfstandig vak verdwijnt. Hij schrijft hierover zeer behartenswaardige dingen:

(. . .)historische feiten die alleen nog maar gebruikt worden om emoties in het heden van achtergrond te voorzien, waardoor geschiedenis een keuzemenu wordt waaruit iedereen pakt wat hij nodig heeft om zijn identiteit en overtuigingen te harnassen.

Hij dacht daarbij aan Sylvana Simons, maar ik had de dreiging ervan onlangs boven een heel andere discussie zien donkeren. Eind vorig jaar werd in De Rode Hoed gedebatteerd over de mogelijkheid om de ban van Spinoza op te heffen. Geboeid luisterde ik naar een paar zeer goed onderlegde historici, die het probleem van context voorzagen. Ik was onder de indruk van opper-rabbijn Toledano, die zijn rug recht hield tegenover een meerderheid die niet aarzelde het beter te weten dan de 17de-eeuwse chachamiem. Het ‘progressieve‘ standpunt kreeg woorden door mannen als Paul Cliteur en Nathan Lopes Cardozo, en ja, daar stonden eigen identiteit en overtuigingen, verlegen om een geschiedenis die als een maatpak zou passen.

Het voor mij verlossende woord kwam van Yosef Kaplan: “I ask you, with respect for Spinoza, leave this issue to history. What we can do, is explain what happened. We can even condemn what happened (. . .)”. Vervolgens legde hij nog een keer uit dat je niet mee kunt spelen met de orthodoxie en de spelregels eenvoudig naar je eigen hand zetten. Met terugwerkende kracht, bovendien. En dat je zoiets als seculiere jood ook helemaal niet nodig hebt.

Hier zag ik in volle glorie wat Bas Heijne ziet als de vruchten van ‘geschiedenis’:

Maar empathie ontwikkel je alleen wanneer het je lukt om jezelf als deel van iets groters te zien, van een mensheid die ten prooi is aan allerlei impulsen en emoties, die nu eens iets geweldigs voortbrengt en dan weer Auschwitz en de slavernij. Wanneer het je lukt, simpel gezegd, om jezelf als mens in de geschiedenis te zien in plaats van als enkel individu in het heden.

Tja, en wat moet ik hier mee als het mijn lommerdbriefje betreft? Het zou al mooi zijn als ik persoonlijk mijn empathie en burgerzin ontwikkel aan de inspanningen die het kost om het verhaal van Andries en Annie te begrijpen in de context zoals die is beschreven door de verschillende historici die ik er omheen lees. Want ik heb niet de ambitie en het uithoudingsvermogen om te komen tot een vierhonderd pagina’s tellend populair geschiedwerk, dat De halve eeuw van Andries en Annie zou kunnen heten. Dat hoeft ook niet: de vorm die mijn verhaal zal krijgen, de spelregels die mij zullen leiden, kwamen mij diezelfde zaterdag vanuit een heel andere hoek aanwaaien.

(wordt vervolgd)

Read Full Post »

05052016

Frappant: ik eindigde mijn bericht Lommerdbriefje aan de rand van een gat en een paar dagen later was ik aanwezig bij de boekpresentatie van Joodse Huizen 2, waar ik hoorde hoe initiatiefnemer Frits Rijksbaron naar een vergelijkbare metafoor greep. Hij vergeleek het verdwijnen van 102.000 Joden – en daarmee van een ooit duidelijk aanwezig joods leven – uit onze samenleving met een wond. Was het niet een bijzonder toeval, dat juist een joodse geleerde, de hematoloog (en dichter) Leo Vroman, als eerste beschreef hoe op een wond een korstje ontstaat, doordat bloedplaatjes samenklonteren tussen fibrine-draden? Zulk een web van draden zou de door hem beoogde verhalenverzameling moeten vormen en daaronder zou de wond in onze samenleving, die hij en vele anderen ervaren, moeten helen.

Gevuld. Geheeld. Ja ja, maar zover zijn we nog lang niet, denk ik dan. Laat ik eens een andere vergelijking proberen: voor mij ziet dat gat eruit als een krater. En of er nu een bom is ingeslagen of het binnenste van de aarde naar buiten is gebarsten, dat doet er nu even niet toe. Het tertium comparationis is de temperatuur. Zelfs al is de hitte in het midden van dat smeulende gat na zeventig jaar misschien iets gedaald, het is nog altijd bijna onmogelijk om er dichterbij te komen. De overlevenden, degenen die als het ware tussen ons en het verdwijngat in hebben gestaan, zijn op een paar na overleden. Er is niemand meer die Andries of Annie nog gekend heeft en over hen zou kunnen vertellen.

Het is een mooie gedachte, dat verhalen draden zouden kunnen vormen, waaronder wonden kunnen helen. In het leven van de overlevenden heeft het doorgaans niet zo gewerkt. Hun generatie was niet opgevoed in een cultuur van ‘bespreekbaar maken‘ en buiten dat: niemand zat destijds op hun verhalen te wachten. Zelfs thuis – vooropgesteld dat er nog iets dergelijks was – werd er gezwegen, over de oorlogservaringen, maar ook over de tijd ervoor en over de mensen die toen nog leefden en niet waren teruggekomen. Dat is het meest gegeven antwoord op mijn vragen naar herinneringen aan het gezin dat hier heeft gewoond. “Er werd nooit over gesproken.”

Voor een onderzoekje als het mijne bestaat evenwel een mogelijkheid om toch iets dichter bij het levensverhaal van Annie en Andries te komen. Ik kan gebruik maken van getuigenverslagen die in het kader van ‘oral history‘ zijn opgetekend of gefilmd en van memoires van overlevenden, waarvan er vele in boekvorm zijn uitgegeven. Zo lees ik op dit moment het proefschrift van Selma Leydesdorff, Wij hebben als mens geleefd. Daarin probeert zij een beeld te schetsen van het joodse leven in Amsterdam in de eerste helft van de vorige eeuw. Zij slaagt erin uit alle jeugdherinneringen die zij heeft opgerakeld een aantal hoofdlijnen naar voren te halen, waarbij de schaarse gegevens die ik over ‘mijn’ families heb kunnen vinden naadloos aansluiten.

Boeiend, maar ook complicerend, is de rol die nostalgie speelt in de gesprekken die zij heeft gevoerd. Haar respondenten praten over een manier van leven die weliswaar door de oorlog totaal is weggevaagd, maar die gedurende heel hun jeugd reeds bezig was te verdwijnen. De opgetekende verhalen krijgen daardoor een soort museumfunctie en lopen de kans daarbij authenticiteit te verrruilen voor romantiek en exotiek. In de jaren dat Leydesdorff haar onderzoek deed, had die houding tegenover het verleden twee doelen: pijnstilling en een poging grip te krijgen op de eigen identiteit.

Hoe is dat nu? Daarvan heb ik nog geen helder beeld. Voor het verhaal waarmee dit alles begon is dat misschien niet eens onontbeerlijk: ik zou eenvoudig en enthousiast kunnen meeliften met de trend die op dit terrein gaande is. Dat zou kunnen, maar het kan niet. Ik vind het veel te onweerstaanbaar om onderweg naar mijn doel – een afgerond verhaal – veel meer gewaar te worden.

(wordt vervolgd)

Read Full Post »

Lommerdbriefje

14042016

Het is goed om zo nu en dan de wind van voren te krijgen. “Lekker koel, toch?” zegt een jonge collega van me dan, met een lach als een schoon gewaaide voorjaarslucht. Helderheid, misschien is helderheid wel het grootste voordeel van tegenwind. Dat geldt in ieder geval voor de negatieve terugkoppeling die ik, ongeveer een maand geleden, kreeg van één van de respondenten in mijn onderzoek naar het joodse gezin, waarover ik al eerder bericht heb. Tot op dat moment waren de reacties van nabije of verre familieleden overwegend positief, soms verbaasd en soms onverschillig geweest.

“Ik ben helemaal niet blij met die hausse aan aandacht voor de mensen die vermoord zijn. Het is een soort voyeurisme, als je het mij vraagt. Doet me denken aan Koreanen, die naar Robbeneiland reizen om daar twee minuten in de cel van Mandela te staan, drie foto’s te nemen en een souvenir te kopen. Door naar de versnaperingen.” Haar weerzin gold niet speciaal mijn belangstelling, maar ook de hele stroom egodocumenten van overlevers en nabestaanden zelf. En het plan om nog maar eens een namenwand aan de rand van het Wertheimpark te plaatsen. “Maar ik wens u succes met uw onderzoek en zal het vast wel lezen, als u het publiceert!”

Zo, daar kon ik het mee doen. Ik had – en heb – van mijzelf het idee dat ik een bedachtzaam mens ben en veel reflecteer op wat ik denk en doe, maar blijkbaar kan er altijd nog wel een ietsje bij. Wat motiveert mij eigenlijk tot deze queeste? Is mijn werk als croniqueuse dat van een veertje, opgetild door de warme wind van andermans stimulans? Welke rol spelen daarin mijn eigen behoeften? Bijvoorbeeld die aan identificatie of aan het mee resoneren met de levens van anderen? Hoe ben ik ook alweer in deze onderneming terecht gekomen?

Toen ik op 5 mei 2011 met mijn geliefde op een zonovergoten tribune zat te wachten tot de feestelijkheden zouden beginnen, stopte zij mij een krantje in de hand, dat als titel 21.662 huizen droeg. Daarin stonden de adressen van alle huizen, waar begin 1941 joodse Nederlanders woonden, die in de jaren daarna waren weggevoerd om nooit meer terug te komen. Ons huis bleek ook op die lijst te staan. Dat betekende dat er een breuk zat in de keten van overdracht van deze plek om te leven. Waarschijnlijk was ik de eerste die zich hiervan bewust werd en aldus gedwongen werd daarbij stil te staan.

Niet op slag, maar gaandeweg begon ons huis voor mij te voelen als een lommerdbriefje, of een portemonnee, die ik op straat gevonden had. Iets wat ik niet zomaar houden mocht, maar ook niet terug kon geven aan de rechtmatige eigenaar. Die was, of liever: die waren er niet meer. Die waren vermoord en hadden niet de tijd gehad om erfgenamen aan te wijzen. Waren hun namen en data van geboorte en dood, die ik kreeg aangereikt iets als een erfenis? Wie waren zij eigenlijk? Om te beginnen niet meer dan een handvol namen en dagen op het Joods Monument.

Als ik wilde weten wat ik hiermee aan moest, dan kon ik in ieder geval een poging doen om erachter te komen wie zij waren, wat zij deden in het leven. Aan een naam hangen tegenwoordig stukjes archief, die men vrij eenvoudig vanachter zijn toetsenbord kan vinden. Wat vond ik? De aangifte van diefstal – hier voor de deur! – van een fiets (merk Magneet, waarde ƒ30,-), een loonstrookje van een week in april 1943 (hij verdiende ƒ34,38), archiefkaarten met een spoor van verhuizingen en een handjevol familie-advertenties. Ah, ja, familie! Toen ik mijn talent voor ‘misjpochologie‘, zoals een vriendin dat bewonderend noemt, aanwendde om daarnaar op zoek te gaan, trof mij allereerst de verwoesting, die het Nazi-regime had aangericht. Zeker 90 % van hun familieleden was weggevaagd.

Ik zocht verder, in de hoop sporen van overlevenden te vinden. Afgelopen winter lukte het eindelijk om contact te krijgen, eerst met een schoondochter van een zus. Daarna werden het er snel meer. Meteen viel op dat men verspreid over de hele wereld woonde. Ik was verbaasd over de contacten die tussen hen bestonden of hadden bestaan, getroffen door de klaarblijkelijke wens bij elkaar te blijven horen en verdrietig vanwege de tragische breuklijnen, waarop ik stuitte. Allemaal kloven, die leken te ontspringen aan een grote krater. Een verre verwant schreef mij – vanuit een ver land:

Nogmaals hartelijk dank voor alle informatie. Het vult een groot gat op, alhoewel ik nooit heb geweten dat dat gat er was.
De zwijgzaamheid van mijn ouders en mijn oom hebben er in ieder geval voor gezorgd dat mijn broer en ik zijn opgegroeid zonder oorlogstrauma’s.

In mijn eigen ogen had ik nog helemaal niets gevuld, hooguit een herinnering naar boven gehaald aan wat er in dat gat was verdwenen.

(wordt vervolgd)

 

Read Full Post »

02032016

Het wordt tijd om eens uit te leggen waarom het de laatste tijd wat stiller is op deze schrijfplek. Mensen zouden eens kunnen gaan denken dat het niet goed met mij gaat. Welnu, dat is niet het geval, het gaat mij – mutatis mutandis – volgens de Wet van Carmiggelt, ooit in een gedicht vastgelegd door “kunstbroeder” van Gerard Reve:

Het lijkt waarachtig wel of hij gelukkig is.
Wat fijn, wat heerlijk voor die jongen,
maar wat rampzalig voor de literatuur.

Wie nu meteen denkt dat ik me ergens “vrolijk op straat (. . .) vlak bij een cinema” bevind, heeft de boel iets te letterlijk opgevat. Ik zit gewoon op allerlei stoelen, hier tegenover mijn beeldscherm en elders tegenover oude mensen, die mij hun verhalen toevertrouwen, stukje bij beetje. Dat schijnt mijn roeping te zijn.

In de tijd dat mijn kinderen naar de Vrije School gingen, kreeg ik een keer te horen dat een kind rond het negende levensjaar zijn of haar roeping vindt. Waar was jij toen je negen was? Waar was ik? Wat zag ik destijds als mijn levenspad? Gek genoeg herinner ik mij daar niets van, mijn goede geheugen ten spijt. Pas toen ik twaalf was, ontdekte ik een baan die mij aantrekkelijk leek: ik zag mij wel elke dag langs de boerderijen trekken om pasgeboren kalveren in het stamboek in te schrijven en gewapend met een kistje vol rammelende flesjes en een unster te registreren hoeveel melk elke koe in de polder gaf. Werk dat nu door een melkrobot wordt gedaan. Weg romantiek.

Maar waar was ik toen ik negen was? Opeens weet ik het weer: in de keuken bij mijn moeder. Niet om haar te helpen en zo het fundament voor een culinaire carrière te leggen, maar om naar haar verhalen te luisteren. In een notitieboekje, dat mijn vader me had gegeven en waarin nog een tiental lege blaadjes waren achtergebleven, schreef ik ze op. Verhalen over “ouwe Loel”, de schaapherder en over een knecht genaamd Jan van Holland, die van zijn vrouw niet op de verharde weg mocht lopen, omdat dan zijn klompen te snel zouden slijten. Over Rut, die “zijn land nut” was, maar wel zo arm dat hij achter een kruiwagen vol konijnenmest over de akker liep en riep: “Land ruuk! Land ruuk!” Dat werden dertig jaar later de “verhalen van Oma Hemel” waarmee ik mijn eigen kinderen zoet hield.

Afgelopen week zat ik op een stoel tegenover een vrouw die mijn moeder had kunnen zijn en die in de oorlog Vught, Auschwitz en Ravensbrück heeft overleefd. Een verhaal dat zij ieder jaar vaker vertelt, bij een hele serie activiteiten in het kader van Shoah-herdenking. “Het begint in januari en gaat door tot ergens in mei.” Zij is niettemin blij met mijn kleine beetje persoonlijke aandacht en helpt mij om me in te leven in het leven van haar familie in het vooroorlogse Amsterdam. Zoals ik in mijn vorige blogbericht al vertelde, probeer ik een verhaal te maken over het leven van het jonge joodse gezin, dat in mijn huis woonde, tot 23 juli 1943 – 2 uur ’s nachts. Via haar kom ik in contact met een voormalig leraar geschiedenis, die sinds enige jaren zijn bestemming gevonden heeft als “verhalenverzamelaar” voor Het Geheugen van Oost. Ergens op het internet volgt op zijn naam een prachtige beroepsnaam: chroniqueur.

Hé, wacht eens even: dit is wat ik wilde worden toen ik negen was! Een chroniqu . . . , tja, nu wordt het lastig. Als litt. class. dra. hecht ik erg aan het juiste gebruik van naamval en geslacht, maar hier te lande gaan die dingen steeds verder teloor. Zelfs mijn beste vrienden noemen mij tegenwoordig een “classicus”. Net wanneer ik begin te vermoeden dat ik een ‘hapax legomenon‘ zal moeten scheppen, blijkt het mooie woord dat ik zocht toch te bestaan. Goed, in het Franse taalgebied zal men denken dat ik een nieuwslezeres ben, maar dat is niet zo: ik ben een chroniqueuse, een heuse.

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »