Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘filosofie’ Category

Zie de mens

09052014

 

Het was niet geheel onverwacht dat ik twee blogberichten geleden aan mijn wiskundelerares moest denken. Ik denk de laatste paar jaar wel vaker aan haar. Zou ze nog leven? En hoe is het dan met haar? Hoe zou het zijn om haar nog een keer te zien en haar te laten weten wat zij voor mij heeft betekend? Dat kon ik haar destijds onmogelijk zeggen, eigenlijk ben ik haar pas veel later op haar waarde gaan schatten. Zij was onhandig, onpraktisch, niet knap en niet getrouwd, kortom: het ergste wat er van een vrouw kon worden in het leven, vanuit puberperspectief. En toch is zij van alle docenten uit mijn jeugd degene die de diepste indruk heeft achtergelaten.

Dan denk ik natuurlijk aan de tijd waarin ik, altijd braaf geweest, vrij plotseling onhandelbaar begon te worden. Obstinaat, heette dat toen nog. Ik was geschorst en merkte dat ik daarbij de heimelijke bewondering van mijn medeleerlingen, die een dergelijke maatregel doorgaans opleverde, moest ontberen. Terwijl ik op mijn kamertje lag te mokken, heeft zij op een middag tien kilometer gefietst om mij op te zoeken en mij in alle oprechtheid de Parcival-vraag te stellen: “What ails thee?” Eng mens!

Maar bovenal denk ik aan al die maandagmiddagen dat wij het laatste uur wiskunde hadden en zij met ons de dagsluiting moest doen. Sommige docenten lazen een overdenking uit een mapje, liefst zo kort mogelijk, anderen een stukje uit de Bijbel, maar zij zong met ons een psalmvers. Altijd hetzelfde: de eerste twee coupletten van Psalm 139.

Heer, die mij ziet zoals ik ben,
Dieper dan ik mijzelf ooit ken,
Kent Gij mij, Gij weet waar ik ga,
Gij volgt mij waar ik zit of sta.
Wat mij te diepste houdt bewogen,
’t Ligt alles open voor uw ogen.

Gij zijt zo diep vertrouwd met mij:
Wie weet mijn wegen zoals Gij?
Gij kent mijn leven woord voor woord,
Gij hebt mij voor ik spreek gehoord.
Ja, overal op al mijn wegen
En altijd weer komt Gij mij tegen.

Al was ik nog zo’n krengige puber, de ontroering in haar stem ontging mij niet. Pas veel later ging ik mij afvragen waarom zij telkens weer naar die woorden terugkeerde. Was het omdat die haar zelf troost schonken? Of wilde zij ons laten weten dat ook wij minder alleen waren dan we dachten, te midden van  al die rare worstelingen met dat geweldige leven dat aan onze voeten lag?

Tijdens de afgelopen maand van de filosofie heb ik elke dag aan haar gedacht, en aan de psalm die zij ons week in week uit heeft laten zingen. Dat kwam doordat ik in het al eerder gememoreerde essay van Jos de Mul las over Freud en zijn ‘derde krenking’:

Nadat Copernicus de menselijke trots al een knauw had gegeven door aan te tonen dat de aarde niet het middelpunt van het heelal is, betekende deze tweede krenking [Darwin’s evolutie-theorie] dat we ons maar een beetje onderscheiden van de andere dieren. En Freud voegde daar, zoals hij niet al te bescheiden opmerkte in zijn ‘Inleiding in de psychoanalyse’, nog een derde krenking aan toe: slechts een klein deel van onze gedachten is bewust, de meeste psychische processen verlopen onbewust.

Hoezo ‘krenking’, denk ik dan? Dat wisten we toch al lang? Maar misschien had hij geen wiskundelerares om hem in alle bescheidenheid duidelijk te maken dat de menselijke psyche zo’n raadsel is voor onszelf, dat er een God aan te pas moet komen om haar te peilen.

The Brain is just the weight of God, ­
For, ­Heft them, Pound for Pound ­
And they will differ, if they do ­
As Syllable from Sound.

Emily Dickinson

Advertenties

Read Full Post »

29042014a

Hoewel je ze vaak in heel verschillende kampen tegen zult komen, zijn de technoprogressives en de animal rightists dikke familie van elkaar. Ook de voorvechters van dierenrechten zijn namelijk utilitariërs. Door de boekhouding van pijn en genot centraal te stellen valt elk logisch fundament voor een verschil in identiteit van mens en dier weg, want op dat punt is er inderdaad geen onderscheid. En aangezien na ettelijke generaties verstedelijking, waarbij zelfs het paard uit de menselijke leefwereld is verdwenen, het contact tussen mens en dier heeft plaats gemaakt voor een meer abstracte kijk op andere dieren dan kat, hond en kanarie, is er ook geen affectief houvast meer voor een moreel denken over dieren. Middels een nieuw begrip ‘personhood‘ zou alles wat intelligent en sensitief is vanzelfsprekend moeten delen in onze rechtsorde.

Onlangs las ik een artikel dat me erg behulpzaam was bij het inventariseren van alle argumenten voor en tegen dierenrechten en vegetarisme op morele (niet-culinaire) gronden. Journalist Michael Pollan geeft in zijn essay An Animal’s Place een boeiend verslag van de zoektocht die hij ondernam teneinde in het reine te komen met de ‘cognitieve dissonantie‘ die ontstond toe hij Animal Liberation van Peter Singer las met een biefstuk op zijn bord. Pollan lijkt aanvankelijk behoorlijk onder de indruk van de strakke redeneringen van Singer. Maar die blijken zowel de kracht als de zwakheid van het utilitaristische vertoog te zijn. Na een handenwringend gesteggel over de voorrang van een “normal ape” boven een “severely retarded orphan” bereikt ook Pollan de filosofische aporie. Die brengt hem echter niet in het nauw. Hij trekt daaruit een nogal gelaten conclusie: “We certainly won’t philosophize our way to an answer.”

Daaarmee is de weg vrij om zich te verstaan met meer praktische kanten van de morele dilemma’s. Wat betekent de vegetarische utopie voor de ecologische voetafdruk? (Daar kom ik graag nog eens op terug.) Hoe zit het met dieren die dieren eten? En is de mens in dat opzicht ook een dier? Als het natuurgebeuren geen acceptabele basis is voor de moraal, hoe zinvol is het dan om onze moraliteit aan de natuur op te leggen? Wat gaat er gebeuren met onze landbouwhuisdieren, zodra zij het recht op vrijheid krijgen? Hier komt Michael Pollan tot de verzuchting dat de dierenrechtenactivisten een “profound ignorance about the workings of nature” aan de dag leggen.

To think of domestication as a form of enslavement or even exploitation is to misconstrue the whole relationship, to project a human idea of power onto what is, in fact, an instance of mutualism between species. Domestication is an evolutionary, rather than a political, development. It is certainly not a regime humans imposed on animals some 10,000 years ago.

Toch blijkt onze auteur een stevig stuk gemeenschappelijke grond te hebben met de ‘animal rightists‘. En met hem de conservatieve christelijke auteur Matthew Scully, die het in zijn boek Dominion als volgt stelt: “We are called to treat them with kindness, not because they have rights or power or some claim to equality but . . . because they stand unequal and powerless before us.” En dan is eigenlijk iedereen het er wel over eens dat de dieren te lijden hebben onder onze heerschappij, niet zozeer vanwege pijn bij het slachten, maar omdat onze industriële manier van doen hen levenslang frustreert in het uitleven van hun instincten. Daarmee zijn het de bio-industrie en het ongebreidelde kapitalisme die alle politieke tegenwind verdienen die er maar te mobiliseren valt.

Michael Pollan’s hoop is daarbij gevestigd op het vechten voor ons recht te zien wat er gebeurt met de dieren die wij eten. Dat kan langs parlementaire weg, maar ook en vooral door onze ‘consumer power‘ in te zetten. Met de geestdrift en warmte van een verliefde beschrijft hij de bedrijfsvoering van Joel Salatin op zijn Polyface Farm in de staat Virginia. Daar leven kippen, konijnen, varkens, schapen en runderen samen in een kringloop die recht doet aan de ‘natuurlijke’ leefwijze van elke soort en aan het ecologisch evenwicht van de locatie. Al is de geldstroom waar ik persoonlijk het klepje van kan bedienen niet veel meer dan een lekkend kraantje, voor wat het waard is geef ik aan dergelijke initiatieven graag mijn consumentenzegen.

 

29042014b

Read Full Post »

26042014

 

Tot tien tellen was niet genoeg, maar een dag later begon ik wel een beetje van de schrik te bekomen. Zoals ik al zei: het zijn nette mensen. Bevlogen zijn ze ook: als in ‘verbeter de wereld, begin bij jezelf‘. Maar dan groots aangepakt: Humanity +. En aardig: wie niet wil, hoeft niet weg. Er komt in die betere wereld een hoekje apart voor ‘Humanish‘, zo genoemd naar analogie van de Amish in Amerika. Maar bovenal: zij kijken met een moraalfilosofische blik naar technologie. Zo zie je maar, als je even geduld hebt, blijk je toch meer met elkaar gemeen te hebben dan je dacht. Of ben ik nu weer te haastig in mijn toenadering?

Voorzover ik het zo in de gauwigheid kan overzien, staan zij in een eerbiedwaardige filosofische traditie. Zij beschouwen “aspects of the human condition, such as disability, suffering, disease, aging, and involuntary death as unnecessary and undesirable.” Daarmee bekennen zij zich tot het utilitarisme, dat zelf weer gebaseerd is op het hedonisme: het goede leven bestaat in het grootst mogelijk geluk voor zo veel mogelijk mensen. Maar wat is dan geluk? Hier komt de rekenkunde van pas: geluk = genot minus pijn. Daar kan men nog twee kanten mee uit. Laat ons streven het genot te maximaliseren, dan houden we de pijn er wel onder. Maar dat was zelfs Epicurus te min.

Hier verraadt zich een puriteinse inslag (op het vertederende af herkenbaar!): wij willen niet genotzuchtig zijn, laten we daarom het lijden verminderen. U las het hierboven al in het citaatje, dat ik plukte uit een lemma over ‘transhumanisme‘ uit de ‘wiki‘ van het Institute for Ethics and Emerging Technologies. Wat komt me dit opeens bekend voor! Het lijkt de Nederlandse overheid wel! Van de wieg tot het graf worden wij behoed voor alles wat erg is. Rubber tegels op de speelplaatsjes. Pedofielen met een enkelband. Gestaag uitdijende preventieve gezondheidszorg. Alle potkachels weg. En aan het uiteinde euthanasie.

Zelf denk ik dat een kind kan weten dat dit niet deugt, maar ik ben bang dat hier mijn wereldvreemdheid me parten speelt. Help me, mensen: praat ik wartaal als ik zeg dat pijn bij het leven hoort? Klets ik als een kip zonder kop, als ik zeg dat je wereld alsmaar kleiner wordt, wanneer het vermijden van pijn je leidraad is? Waar maak ik een denkfout, als ik beweer dat het vermogen te lijden onlosmakelijk verbonden is met het vermogen te genieten: haal het een weg en je verliest meteen het ander? Zal het geluk dat deze boven zichzelf uitstijgende mensen ons te bieden hebben nog naar iets anders smaken dan naar papier en inkt?

Gisteren meende ik mijn oude professor Cornelis Verhoeven tegen te komen, in het decor van de roman Blindgangers van Joke Hermsen. Hij heette daar Voorhoeven, maar ik zag hem meteen weer voor me: “altijd keurig in driedelig grijs pak gestoken“, een “beminnelijke oude man, die behoedzaam en bedachtzaam zijn zinnen formuleerde“. Dankzij hem weet ik dat filosoferen heel goed mogelijk is zonder een logica te volgen die zich moeiteloos los zingt van het leven.

Leven is uiteindelijk zwichten, en allang voordat het zwicht voor ouderdom en dood, verliest het zijn nuchterheid in de ontmoeting met wat ik bij gebrek aan een beter woord als de lyrische meerwaarde van het bestaan zou willen aanduiden. Die is niet het effect van een uitzonderlijke creativiteit en heeft niets te maken met een opgewonden idealisme of een heroïsche emancipatie uit de sleur van het alledaagse, maar zij is een gegeven dat zich in de lauwe soberheid van een gewoon en ten dode opgeschreven bestaan met onweerstaanbare kracht aandient.

Uit: Cornelis Verhoeven, De resten van het vaderschap, 1975.

 

Read Full Post »

21042014

 

In mijn vorige mijmering over het Dal van Oneigenheid stond ik stil bij hoe het leven mij op een paar punten door een diepte had gevoerd, waardoor ik niet langer ‘uncanny‘ vind wat ik blijkens het grafiekje bij uitstek als zodanig zou moeten ervaren. Of dat goed is, dat weet ik niet, daarvoor heb ik er te weinig met anderen over gesproken. Toch heb ik de neiging het als een verworvenheid te ervaren. Alsof ik ergens de weg weet, waar ik anders liever niet zou komen. Denkend aan andere manieren waarop wij gewoonlijk met ‘uncanniness‘ omgaan, vraag ik me soms af of je in dergelijke ervaringen ook een actieve rol kunt spelen. Kan je ze opzoeken en met goed gevolg doorlopen, zonder dat het leven zelf je bij de hand heeft genomen?

Maar nu even over wat je nog meer met die Unheimliche Vallei kunt doen. Er bij uit de buurt blijven door je alleen daar op te houden waar je je veilig voelt, bijvoorbeeld. Of een positie hoog boven dat dieptepunt kiezen, vanwaaruit je sterk relativerend kunt spreken over het verschijnsel. Je kunt er ook met een grote sprong overheen springen. Dan bevind je je aan de overkant, die meteen als ‘het goede kamp‘ voelt. Van daaruit ziet het terugdeinzen van anderen eruit als al die dingen waar we met gemak ‘-fobie‘ achter plakken en een onwenselijk ‘-isme‘ bij zoeken: homofobie, xenofobie, racisme, seksisme,….. Ze komen me alle drie even vertrouwd voor als die doortocht van mijn eerdere bericht. Been there, done that.

Academisch geschoold als ik ben heb ik beslist weet van de aantrekkelijkheid van de middelste optie. Die afstand en dat relativeren werken geruststellend. Precies wat ik verlang wanneer ik geconfronteerd wordt met verontrustende grenservaringen. Maar inmiddels heb ik ook daarvan de grenzen vaak genoeg ervaren. Vroeg of laat komt het moment dat ik me weer aan tafel bij mijn Oma zie zitten en haar hoor zeggen: “Want eigenlijk bestaat de tijd niet. Dat vind jij toch ook, hé?” Breng daar maar eens iets tegenin. Wanneer ik mij voorstel hoe ik eenmaal achter die spiegel en die raadselen uit de Bijbel terechtkom, dan geef ik haar grif gelijk. En met haar al die anderen, die elke grens op aarde ‘kunstmatig‘ noemen. Maar hier en nu kan ik er niet zo veel mee, dus daal ik liever af naar wat dichter bij de dagelijkse ervaring ligt.

Over de eerste mogelijkheid heb ik het op dit blog ook al vaker gehad en ik hoop er binnenkort nog eens op terug te komen. Dan gaat het waarschijnlijk nog maar eens over de schaamte die angst in onze cultuur aankleeft, maar die lang niet altijd tot het ontwikkelen van moed leidt. Daarin hangt de eerste weg met de derde samen: wie met een ferme sprong, vaak geholpen door de redeneringen van de tweede weg, de Griezelvallei achter zich laat, heeft naar mijn idee toch iets waardevols gemist. Dat iets kan misschien als ‘groeien‘ worden omschreven. En de waarde daarvan als voeling houden met je eigen wortels en de grond die je gemeen hebt met alle mensen.

Al met al vind ik het steeds moeilijker om iets menselijks naar de andere kant van een kloof te verplaatsen. Er is mij veel aan gelegen om mij sociaal wenselijk te gedragen, of aan het streven een goed mens te zijn, dus ik snap die sprong. Anderzijds ben ik mij gaandeweg meer bewust geworden van de taaiheid van de vooroordelen waarin mijn bestaan geworteld is, dus dat terugdeinzen is mij ook niet vreemd. Met de spanning tussen die twee moet ik het zien te redden. De oude Grieken spraken daarover in termen van lichamelijkheid: midden tussen je denkende hoofd en je voelende buik bevindt zich het middenrif, de ‘frèn‘. Daar, waar gedachten en gevoelens elkaar ontmoeten, kan wijsheid ontstaan. Ik geloof graag dat die mogelijkheid nog steeds bestaat.

Read Full Post »

13042014

Twee weken na mijn feest en nog ben ik er niet over uitgedacht. Misschien wel het wonderlijkste: daags erna begon ik op deze plek over een verlangen naar kluizenarij. Een vriendin, die er ook was, mailde mij de volgende dag over existentiële eenzaamheid. En ik herinner mij dat een vriend op een wat rustiger moment in de keuken – in de huiskamer knetterden de uitgesproken gedachten nog over en weer als elektrische ontladingen in een onweerswolk – sprak over het boek Torenhoog en mijlenbreed van Tonke Dragt, waarin iemand zich op Venus bevindt, waar men elkaars gedachten gewoon kan lezen. Ik huiverde even, want al ben ik volgens anderen behoorlijk uitgesproken en zelfs transparant (soms voel ik me een wandelende volière vol gedachten), als het er op aankomt ben ik heel blij met dat beetje omhulling dat mij nog rest.

Dubbelheid der dubbelheden, alles is dubbelheid. – “Die te Amsterdam vaak zei: ‘Jeruzalem’ En naar Jeruzalem gedreven kwam, Hij zegt met een mijmrende stem: ‘Amsterdam.” – Ik ben dezer dagen uithuiziger dan ooit. De vriendin treedt met verve buiten zichzelf en van de vriend kan ik gelukkig de gedachten lezen, voor zover hij ze kwijt wil. We zijn met ons allen op reis van verlangen naar verlangen en weer terug. Wat wil je nog meer?

Ooit las ik een geschiedenis van de filosofie, nog voor Hans Joachim Störig, Bertrand Russell of Jostein Gaarder. Het was een nogal baldadig boek. De schrijver stond niet op de schouders van reuzen, maar maakte die reuzen zo klein dat hij er met gemak overheen kon kijken. Zo leek hij zelf wel een filosoof. Hij leek ook een geboren levensgenieter, maar doordat hij daar een filosofie bij nodig had – de filosofie van het Belcampisme – plaatste hij daar eigenlijk alweer vraagtekens bij. De schrijver, Belcampo, was in het dagelijks leven huisarts, dus het is begrijpelijk dat hij belang stelde in de biografie en de persoonlijkheid van de filosofen waar hij zich toe wilde verhouden. Soms ging hij daarin zo ver dat hij tot heuse diagnoses kwam (Sartre, zo meen ik mij te herinneren, gaf blijk aan een ‘gebrekkig affectief rapport‘ te lijden) en ik kreeg de indruk dat hij het existentialisme in zijn geheel als een soort aandoening zag.

In dat verband kwam hij tot een gedachte die me altijd is bijgebleven. Daarin sta ik misschien wel alleen, zoals het plaatje boven dit bericht suggereert, maar dat is binnenkort verleden tijd: ik ga die gedachte met u delen. Belcampo onderscheidde drie vormen van eenzaamheid: de maximale, de minimale en de optimale. De existentialisten beleefden overduidelijk de maximale variant en leken die zelfs te cultiveren. Mensen die zichzelf te roekeloos aan de anderen uitleverden, liepen het gevaar op te houden een persoon te zijn. Tussen die beide extremen bevond zich de optimale eenzaamheid, waar hij als arts gezondheidswaarde aan toekende.

Sindsdien denk ik aan Belcampo, telkens wanneer ik ervaar dat ik overspoeld dreig te raken door de overvloed aan ideeën die het menselijk verkeer over mij uitstort. Of wanneer ik te lang de afzondering heb gekoesterd. Ik weet dat ik soms op moet passen dat ik niet te dicht bij andere mensen probeer te komen, zodat ik hun persoonlijke optimum verstoor. Aan de andere kant zou het niet goed zijn als ik daardoor te voorzichtig werd. Hier bevinden we ons op het terrein van de levenskunst, en die lijkt misschien nog het meest op fietsen. Kijk maar uit als je mij tegenkomt: ik slinger nog een beetje.

 

13042014b

Zoals u ziet is de verleden tijd waar ik hierboven over sprak al na 3 minuten en 0,14 seconden ingegaan. Kon Vestdijk nog sneller schrijven dan God kon lezen, over een poosje kan Google sneller lezen dan God kan denken.

Read Full Post »

Ik zie rond

02042014

 

Een lente of vier geleden was ik getuige van de geboorte van een geitje. We waren in het Amsterdamse Bos op de Ridammerhoeve, op één van maart’s negen zomerse dagen. De meeste kinderen hadden het te druk met spelen en de ouders met hun kinderen, dus het viel bijna niemand op. Ook de andere geiten leken geen acht te slaan op de barende buurvrouw, die stil en gelaten in een hoekje van het hok stond. Eén jonkie lag al aan haar voeten in het stroo en zij was bezig het schoon te likken, toen er zich een tweede aandiende. Met een lichte schok schoot het kopje tevoorschijn uit een baaierd van bloed en slijm. Wat er toen gebeurde behoort tot de mooiste dingen die ik ooit heb mogen zien: het kopje draaide zich en keek in het rond.

In één oogopslag leek het de wereld in zich op te nemen. Ik stelde mij een camera obscura voor, ergens in de kleine geitenziel, die nog draalde in de warme moederschoot, en dat zich daarin een wereldbeeld vormde. You never get a second chance to make a first impression, zei ik in gedachten tegen de wereld om me heen. En ook al gaat het bij ons allemaal veel trager en ook heel diffuus, aan dat adagium ontkomt de wereld ook bij ons mensen niet. Een wereldbeeld, we bouwen er aan, ons leven lang, maar het fundament is gelegd in een tijd dat wij nog niet konden kiezen welke steen of welke plank de volgende zou zijn. Dat fundament neem je mee, zolang je verder leeft.

Het mijne heb ik te danken aan het gereformeerde gezin waarin ik ben opgegroeid, aan het dorpsleven, aan de boerderij van mijn grootouders en de dieren die daar met ons leefden. Wat ik ook later gebouwd en gesloopt en weer opgebouwd en verbeterd heb, het hele huis klinkt nog naar de bevindelijkheid van mijn ouders, grootouders, overgrootouders. De geur die er hangt, inmiddels een bouquet van grote complexiteit, draagt nog altijd onmiskenbaar een ondertoon van melk en mest. Nestgeur. Het licht komt er van buiten, dat wel.

Niet alleen in de donkere kamer van onze ziel, maar ook onder de koepel van ons menselijk samenleven bouwen we aan een wereldbeeld. Het verrijst als een tempel in ons midden. Of er een God of een Waarheid komt wonen, ik weet het niet. Dat we samen bouwen is al heel wat, en dat we daarbij voortdurend met elkaar praten nog belangrijker. Ondertussen is ons bouwsel een wereld op zich, waar je omheen kunt lopen en binnen kunt treden om het beetje bij beetje te ontdekken. Als je kiekjes maakt, hou je een album aan wereldbeelden over. Ik houd van dat album, de beelden erin zijn pure poëzie.

Een van de plaatjes waar ik graag zo nu en dan naar kijk is het volgende gedicht. Op de school van mijn dochter beginnen ze er de dag mee, elke dag. Alsof je de wereld heel even stil kunt zetten en als een toren op elkaar kunt stapelen. Meteen daarna begint hij weer te draaien, en al gauw zit er geen kop of staart meer aan. Maar dat moment van stilte is er geweest, genoeg om de echte wereld tegemoet te treden, voor een dag.

 

 

Ik zie rond in de wereld,
waarin de zon haar licht zendt,
waarin de sterren fonkelen,
waarin de stenen rusten,
de planten levend groeien,
de dieren voelend leven,
waarin de mens bezield
de geest een woning geeft;

Ik zie diep in de ziel,
die binnen in mij leeft,
De Godesgeest, hij weeft
in zon- en zielenlicht,
in wereldruimten buiten,
in zielendiepten binnen.

Tot u, o Godesgeest,
wil ik mij vragend wenden,
dat in mij kracht en zegen,
voor leren en voor arbeid,
tot wasdom mogen komen.

Read Full Post »

Gorgias

19032014

Ongeveer twee weken geleden deed ik ook al ergens luchtig en lacherig over, terwijl ik er net zo goed – of misschien beter – ernstig en bezorgd over had kunnen doen. Ik hing rond op een virtueel speelplaatsje en het ging net over de angst dat de voortschrijdende digitalisering banen zou doen verdwijnen. Dat is op zich niet nieuws. Computers hebben ons al van veel geestdodend werk verlost. Aan de vraag of dat ons de verwachte vrijheid en vergrote kansen op zelfontplooiing heeft gebracht ga ik hier nu maar even voorbij. Het ging hier echter over heel andere banen: de intellectuele beroepen, het denken als ambacht.

En dan herinner ik mij opeens de man die mij ooit de eerste beginselen van het klassieke Grieks en Latijn heeft bijgebracht. Die dat met zoveel enthousiasme deed, dat ik die oude talen ben gaan studeren, in een tijd dat het belang daarvan voor het eerst openlijk in twijfel getrokken werd: vanwaar al die moeite als er toch goede vertalingen zijn? Destijds had ik niet zo heel veel begrip voor de bezorgde geluiden om mij heen. Ik was zelfs geneigd er de arrogantie van een elite in te zien, die de plaats van haar waarden in de wereld schromelijk overschatte. Van de sociale mobiliteit die mij als het ware had overrompeld hield ik vooral een grenzeloos cultuurrelativisme over. Of de behoefte daaraan.

Terug naar die man: met veel geduld leerde hij ons eerst het Griekse alfabet, daarna de uitspraak, vervolgens de betekenis van woorden, dan nog de manier waarop in die taal woorden tot zinnen worden geweven en zinnen tot tekst. Na ruim een jaar zwoegen bleken wij in staat een dialoog van Plato te lezen, zij het ondersteund door een ‘commentaar’ en zijn persoonlijke begeleiding. Ik weet nog wat we lazen: de Gorgias. Dat gaat over een van de eerste mensen die zich liet betalen voor een puur intellectuele prestatie. Hij was leraar in de ‘retorica’, de kunst van het overreden. Maar dat is niet de reden waarom ik mij juist dit herinner in verband met het verdwijnen van de intellectuele beroepen als gevolg van de digitalisering.

Het gaat mij om die leraar van mij en om wat hij met ons voor had. Binnen de beperkte tijd en binnen de grenzen van onze beperkte vermogens waagde hij het om ons zo dicht mogelijk te doen naderen tot het belang van filosofie voor de mensheid. Aan de hand van die oude tekst maakte hij zichtbaar dat het aanleren van vaardigheden een zaak van groot gewicht is. Maar wat doet iemand met zijn vermogens zodra je hem loslaat? Wat gebeurt er met een samenleving die van alles vermag, maar die zich niet langer ethische vragen stelt op een manier zoals Socrates dat deed? Kan een samenleving zonder mensen die daar een passie voor hebben en de gelegenheid krijgen hun talenten in te zetten?

We kunnen van alles denken en beweren over hoe ook apen morele wezens zijn, hoe we van godsdienst of filosofie niet vanzelf betere mensen worden of hoe computers veel menselijke hersenarbeid overbodig maken, maar ik geloof niet dat we zonder mensen als mijn leraar Grieks en Latijn kunnen. Nu hebben filosofen en andere intellectuelen wel voor hetere vuren gestaan dan bezuinigingen en pogingen tot het ontwikkelen van kunstmatige intelligentie, maar als ik mij probeer voor te stellen hoe het zal gaan als ook zij geheel en al aan de ‘gezonde marktwerking’ zullen worden overgelaten, dan houd ik alvast maar op met luchtig en lacherig doen.

Eén lichtpuntje: op de school van mijn jongste dochter krijgen ze nog les in het herkennen van drogredenen en mijn oudste heeft nog leren onderscheiden tussen feiten, waarnemingen, meningen en vooroordelen. En toen ik een paar jaar geleden een groepje HBO-studenten van wie ik een tekst moest redigeren betrapte op slecht gecamoufleerd knippen en plakken uit Wikipedia zei zij: “Oh, dan heb je bij ons een één.”

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »