Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘filosofie’ Category

Je moet-boeken

01012015b

Iedere vrijdagmiddag loop ik – beroepshalve – een half uur achter de rolstoel van een man, die anders de deur niet meer uit zou komen. Laten de voorvechters van de participatiesamenleving er niet achter komen! Ondertussen leen ik mijn oor aan wat die meneer allemaal vertelt over Het Leven. Meer dan de helft van zijn zinnen begint met “je moet….”. Hij heeft weliswaar nooit meer dan lagere school gehad en heeft zijn brood met eenvoudig handwerk moeten verdienen, maar in zijn vrije tijd heeft hij zich verdiept in “boeken over de levenskunst”. Het genre boeken waarvan sprake was in mijn vorige bericht. Je moet-boeken.

Een goed geplaatst “Ja, ja,…..” of “Zeker…..” of “Natuurlijk….” volstaat om de stroom van wijze woorden op gang te houden en zo kom ik al duwend heel wat aan de weet over wat een mens met het leven aan moet. Of ik er zelf wat mee aan kan vangen, is een andere kwestie, maar dat doet er niet zoveel toe. Deze meneer preekt in eerste instantie voor zichzelf. Maar wacht eens even: eigenlijk doen de beide heren in mijn vorige bericht dat ook. Een leerstoel en een rolstoel, een kookboek of een bijbel, de afstanden en verschillen zijn soms minder groot dan je denkt.

Niettemin verschilt onze verwachting: van wat klinkt vanaf een leerstoel hopen we iets te kunnen leren. Daarom hopen we dat degene op die stoel zich niet te zeer aan Goethe spiegelt en wel de moeite neemt om boeken te lezen. Kookboeken, bijbels, allerlei boeken. We hebben mensen nodig die zich inspannen om de Name te ontdoen van alle Schall und Rauch, en niet te vergeten van de Himmelsglut die haar umnebelt. En dan mogen ze van mij best een ‘je moet-boek‘ schrijven, desnoods een aantal.

Daarbij schiet me opeens iemand te binnen die dat onlangs gedaan heeft. Niet vanuit een leerstoel of een rolstoel, maar staande op één been. Nota bene over de thematiek waar ik nu bij stil probeer te staan: aftakelen, afscheid nemen van het leven en sterven. Ik bedoel het boek Sterven is doodeenvoudig – Iedereen kan het van René Gude en ik moet het nog lezen. Ondertussen ken ik zijn gedachtegang enigszins uit hoe hij zich in interviews en lezingen heeft uitgesproken en ik ben oprecht onder de indruk. Meer dan van de andere heren die ik ter sprake bracht, ja, meer dan van Goethe.

Ik bewonder deze man precies om die wonderlijke combinatie (net spruitjes en lofsla, zou ik nooit doen) van denkend en vooral ook voelend doorgronden van wat er met hem gebeurt, met een gedegen kennis van wat “allerlei moraalfilosofen” hebben geschreven over leven en doodgaan. Vanwege mijn eigen achtergrond als classica ben ik natuurlijk heel blij dat hij met Seneca en Epicurus voor de dag komt, maar juist door zijn persoonlijke inzet is hij overtuigender dan die beide grootheden. Ook hem hoor ik herhaaldelijk “je moet…..” zeggen, maar tegelijk doet hij het voor: alle gevoelens ondergaan en vervolgens zijn “goede humeur bewaren”.

Wat we verder van hem kunnen leren, is dat sterven iets is wat wij als mensen samen doen. Natuurlijk moeten we elkaar op het laatste moment loslaten, maar alsjeblieft niet eerder. Hij doet ons voor hoe je ernst en humor afwisselend kunt inzetten om je tot het hele gebeuren te verhouden. En houdt ons voor dat we de boel ook beslist niet moeten idealiseren. (Amen!) Op zijn sterkst is hij, wanneer hij in het tevee-programma De Kist spreekt over de troost én het verdriet, gelegen in het besef dat Het Leven doorgaat, ook als het zijne ophoudt. Bij verdriet kun je “verwijlen”. Denk daar maar es over na. En dat boek van hem, dat moet ik toch maar eens lezen.

Advertenties

Read Full Post »

29102014a

πόλλ’ οἶδ’ ἀλώπηξ, ἐχῖνος δ’ἓν μέγα

De vos kent veel streken, de egel daarentegen één grote.

Archilochus

Het lijkt wel of ook dit stukje weer over de spanning tussen het (of de?) Ene en het Vele zal gaan en misschien is dat ook wel zo. Dan moet het maar gaan over ‘de mens’ en over al die ontelbare mensen die zich aan ons voordoen. Over de ene kant, waar het zo oorverdovend stil is, dat we er beter over kunnen zwijgen en over die andere, waar we door de vele stemmen geen woord meer verstaan. En over de tussenruimte, waarin wij met tweedelingen, kwadranten, en wat niet al proberen wat koude grond onder de voeten te krijgen om daarop samen psychologie te bedrijven. Of onszelf te leren kennen.

Zo delen wij de mensheid op in introverten en extraverten, al naar gelang ieders persoonlijke verhouding tot binnen- en buitenwereld. Naar onze manier van leren onderscheiden we denkers, dromers, doeners en beslissers. In ons werk zoeken we naar veiligheid, status, avontuur of saamhorigheid. Op grond van ons temperament zien wij onszelf als sanguinisch, flegmatisch, cholerisch of melancholisch. Zeven is ook een aardig getal: de antroposoof Julius onderscheidt in de plantenwereld zeven “groeitypen” (die ongetwijfeld met de zeven planeten samenhangen) en koppelt daaraan zeven manieren om als mens in het leven te staan. Doe het in twaalven en de dierenriem schiet je te hulp. Kom je er niet uit, dan voer je ‘ascendanten‘ in en heb je opeens 144 mogelijkheden om jezelf en anderen te typeren.

Een speelser, minder systematische manier van onderscheiden en samenvoegen zie je in de pogingen om mensen te spiegelen aan de dieren. (Waarom hebben we het eigenlijk nooit over ‘het dier’?) Dat doen we bijvoorbeeld in de fabels, maar ook als we iemand willen karikaturiseren. En zo kom ik dan toch bij mijn onderwerp van vandaag: The fox and the hedgehog van Isaiah Berlin. Let op: het gaat hier toch weer om een tweedeling. Die pinguïn komt uit een ander verhaal, maar daarover later.

There is a line among the fragments of the Greek poet Archilochus which says: “The fox knows many things, but the hedgehog knows one big thing.” Scholars have differed about the correct interpretation of these dark words, which may mean no more than that the fox, for all his cunning, is defeated by the hedgehog’s one defence. But, taken figuratively, the words can be made to yield a sense in which they mark one of the deepest differences which divide writers and thinkers, and, it may be, human beings in general. For there exists a great chasm between those, on one side, who relate everything to a single, universal, organizing principle in terms of which alone all that they are and say has significance — and, on the other side, those who pursue many ends, often unrelated and even contradictory… Their thought is scattered or diffused, moving on many levels, seizing upon the essence of a vast variety of experiences and objects for what they are in themselves, without, consciously or unconsciously, seeking to fit them into, or exclude them from any one unchanging, all-embracing, sometimes self-contradictory and incomplete, at times fanatical, unitary inner vision. The first kind of intellectual and artistic personality belongs to the hedgehogs, the second to the foxes; and without insisting on a rigid classification, we may, without too much fear of contradiction, say that, in this sense, Dante belongs to the first category, Shakespeare to the second.

Zo begint Isaiah Berlin zijn memorabele essay over het genie van Tolstoi, waarin hij tot de slotsom komt dat deze een vos is, die vreselijk zijn best doet een egel te zijn. Veel meer dan spel was het niet, als we hemzelf mogen geloven, maar waar vindt men spel zonder ernst? In ieder geval vindt men de ernst bij allen die hem citeren en zichzelf, anderen of de hele mensheid de maat nemen. Wat mij na enig gescharrel op het internet vooral opvalt, is dat men vrijwel unaniem aanneemt dat het beter is om een vos te zijn dan een egel. Terwijl Berlin dat nooit zo bedoeld heeft. Die ziet wel de moeilijkheden in de communicatie tussen deze twee menstypen, met name op het vlak van de politieke filosofie (zijn eigen vakgebied), maar matigt zich geen oordeel aan.

Laat ik dat in deze over mezelf ook maar niet doen. Daar komt sowieso niks van terecht. Heel even kan ik – vergeef mij de hoogmoed! – denken dat ik een omgekeerde Tolstoi zou zijn, maar al gauw moet ik – als altijd – besluiten dat ik van nature beide kanten op neig. Ik zwalk, ik slinger en ik wankel dat het een lieve lust is. Nee, laat ik mijn heil zoeken bij een ander dier: de koe. Geduldig, een herkauwer, gesteld op het gezelschap van vrouwen, dwalend en grazend zonder een ander doel voor ogen. Zie de mens, deze mens. Maar beloof me één ding: schrik niet als een koe een haas vangt.

O ja, die pinguïn! Toen men Isaiah Berlin vroeg wat hij zou willen zijn als hij een dier was, koos hij voor de pinguïn:

Because when the penguin remains alone, he dies.

 29102014b

Read Full Post »

Oikos

17092014

Toen mijn moeder in 1955 trouwde, werd in de huwelijksakte aan haar meisjesnaam de aantekening ‘zonder beroep’ toegevoegd. Vijftien jaar later werd zij weduwe en moest ik haar helpen (zij was inmiddels geheel blind) met het invullen van de belastingpapieren. Voor het eerst in haar leven had zij zeggenschap over zichzelf en zij wist wel degelijk iets over zichzelf te zeggen. Dus schreef ik – aandachtig, want het moest heel netjes – ‘huisvrouw‘ op het stippellijntje achter ‘beroep‘. In mijn latere leven heb ik mij op alle mogelijke manieren tot het huishouden verhouden, van verwensen tot verheerlijken. Maar diep daaronder ligt in mij een fundamenteel respect voor de zorgende taken waarvoor dat woord een woning is.

Bijna een halve eeuw na dato laat het zich nog regelmatig gelden, bijvoorbeeld in de argwaan die ik voelde opkomen bij het lezen van het essay Uit liefde voor de wereld in Kairos van Joke J.Hermsen. Het stuk wil de lezer ervan overtuigen dat kunst onlosmakelijk verbonden is met ‘das Politische‘ – een term die Hermsen ontleent aan het gedachtegoed van Hannah Ahrendt. Om dat te onderbouwen haakt zij bovendien aan bij Aristoteles, en wel bij het onderscheid dat hij ziet tussen ‘zoè‘ en ‘bios‘, en in het verlengde daarvan tussen ‘oikos‘ en ‘polis‘. In het vuur van haar betoog lijkt zij dit onderscheid tot een antithese te verheffen, waarbij ze vervolgens het één boven het ander plaatst in een hiërarchie van waarden.

Waar ‘zoè’ het naakte, biologische leven is, dat gericht is op het fysieke overleven, is ‘bios’ de morele, culturele en waardevolle levenswijze, ….

Nu is dat onderscheid – dat een cruciale rol speelt in hoe je mens en dier, privé en publiek ziet – niet zonder waarde. Met het vertroebelen of weg relativeren van dergelijke grenzen verliezen we die waarde gemakkelijk uit het oog. Ze dan maar ver uit elkaar trekken en het een boven het ander plaatsen lijkt me echter ook niet heilzaam. Hermsen doet dat in mijn ogen wel, vooral wanneer zij het leven binnen de muren van de oikos louter in termen van sleur en herhaling beschrijft en het heeft over ‘afstand nemen’ en ‘achter ons laten’. En passant veegt zij twee hedendaagse cultuurcritici van tafel: Roger Scruton en Thierry Baudet. Hoewel ik niet veel van deze twee heren heb gelezen, heeft ‘oikofilie‘ voor mij onmiddellijk een positieve connotatie. Het maakt mij nieuwsgierig naar hoe Scruton daaraan vorm denkt te kunnen geven. Als ik dan zie dat Hermsen daartegenover een zwaar beladen term als xenofobie van stal haalt, dan lijkt ‘oikofobie‘ daar een passend antwoord op. Ergens in de verte klinkt het gekletter van een discussie tussen strijders uit twee kampen, – progressieven en conservatieven, naar het schijnt – waarbij de hang naar allerlei vormen van kosmopolitisme en de behoefte aan grenzen en eigen haard zich tegen elkaar afzetten. Aan die twee bomen gaan geen appels groeien, denk ik dan, bij gebrek aan kruisbestuiving.

Er is nog iets anders: met alle waardering voor Aristoteles als filosoof zou het me niet verbazen als hij instemmend zou knikken bij het betoog van Joke Hermsen. Precies daar waar ik mijn wenkbrauwen voel samentrekken. Het wereldbeeld van Aristoteles mag filosofisch gezien nog zo ruim en groot zijn, hij kon in zijn tijd nog niet voorbij een werkelijkheid kijken waarin de oikos vanzelfsprekend het domein van de vrouw was en de polis dat van de man. Aan die tweedeling kleefde destijds bovendien een vanzelfsprekend verschil in waardering, waar wij nog altijd de povere vruchten van oogsten.

Daar schiet me een ander, zeer lezenswaardig essay te binnen: in de bundel Zij denkt dus zij bestaat (povere vrucht, die titel, of gepaste ironie) schrijft Marli Huijer over het denken over ‘tijd‘. Nieuw en onverwacht! heet het stuk, en ook zij neemt haar uitgangspunt bij Hannah Ahrendt. In veel minder stellige bewoordingen dan Hermsen geeft zij een heel andere interpretatie van de verhouding tussen oikos en polis. Het nieuwe en onverwachte wordt bij haar niet pas buiten het huiselijke gerealiseerd, maar juist daarbinnen:

Benhabib [een andere beschouwer van Hannah Ahrendt, J.] doelt daarmee niet op vrouw-zijn in de zin van kinderen kunnen baren of het huishouden draaiende houden, maar op het opvoeden van kinderen, een activiteit die traditioneel tot het domein van vrouwen behoorde. Het zijn vooral vrouwen die in elk woord en gebaar, met elk geluid en elke handeling een wereld aan het kind overdragen en het daarmee in de publieke sfeer brengen.

Misschien ligt het vooral aan de toon, maar ik hoor een wereld van verschil tussen deze laatste zin van Huijer en onderstaande van Hermsen:

Elke dag opnieuw worden min of meer dezelfde handelingen verricht, dezelfde potjes gekookt, bedden verschoond, flessen gewarmd en luiers gewisseld om het kroost in leven te houden.

Dat verschil ligt volgens mij in de waardering voor al die nederige handelingen en het diep gevoelde besef van het belang daarvan voor het hele menselijke leven. Niet als louter voorwaarde, niet als iets dat ontstegen of achtergelaten kan worden voor ‘hoger honing‘, maar als een hart dat ons brengt waar wij het dragen. Even vanzelfsprekend, even wezenlijk en even kwetsbaar.

De reden dat filosofische tradities, van Plato tot Marx, de sfeer van menselijke aangelegenheden minachten, ligt in de fragiliteit, onvoorspelbaarheid en complexiteit ervan, aldus Ahrendt.

Ik denk dat Marli Huijer met enig recht vermoedt dat de filosofische traditie in het Westen sterk bepaald is door hoe (mannelijke) denkers zich hier door de eeuwen heen tot de huiselijke sfeer hebben verhouden. Voorzichtig formulerend (zij ziet niet over het hoofd dat de positie van opvoedende ouder niet zonder meer ‘universaliseerbaar’ is) spreekt zij de hoop uit dat de toenemende invloed van vrouwelijke denkers en de sterkere betrokkenheid van de mannelijke bij “de alledaagse wereld van het opvoeden van kinderen” de filosofische traditie meer naar het nieuwe en onverwachte zal richten.

Kruisbestuiving. Appels.

Read Full Post »

13082014

Nooit gedacht dat ik nog eens een trendsetter zou blijken te zijn geweest. Een paar jaar geleden schreef ik nog met een zweem van verontschuldiging over mijn merkwaardige loopbaan, maar in de nabije toekomst zal zoiets eerder regel dan uitzondering zijn. Kapitaalvernietiging, verzuchtte eens een bedrijfsarts die mij onderweg op de rails moest zien te houden, maar ook daar draait men tegenwoordig de hand niet meer voor om. Hoor wat iemand die zijn brood verdient met kijken in het koffiedik van de economische ontwikkelingen hierover onlangs zei:

Steeds meer afgestudeerden hebben moeite met het vinden van passend werk. Dat geldt in de VS, in Europa en zelfs in snelgroeiende economieën als China. En dus pakken ze werk aan op mbo-niveau. Tenminste, voor zover dat er nog is. Want robotisering en automatisering zorgen al jaren voor een structurele daling van het aantal banen op dit niveau.
Deze ontwikkelingen dwingen mensen met een middelbare schoolopleiding op hun beurt om nog wat verder af te dalen in de arbeidspiramide. En voor mensen zonder diploma breken echt zware tijden aan.

Ben Tiggelaar in NRC, 26 juli 2014

En ondertussen moeten meer vrouwen de arbeidsmarkt op (hoewel ik dat al een poosje niet meer gehoord heb) en moeten wij langer blijven werken en moeten we meer mantelzorg gaan doen en moeten er toch echt robots gemaakt worden om straks voor ons te zorgen als wij eenmaal oud zijn, maar nog niet der dagen zat. Ik snap er niks meer van.

Gelukkig zien jonge mensen nog veel blauw tussen deze donkere wolken. Het blaadje One World, waar mijn dochter haar maatschappelijke stage heeft gedaan en dat nu ook hier in de bus valt, koos het als thema voor zijn zomernummer: nooit meer werken. Daarin wordt een andere ziener aangehaald, die beweert dat iedereen tussen de top en de onderkant straks weliswaar niets om handen heeft, maar die tevens een leuke nieuwe wereld voorspelt waarin dat helemaal niet erg is:

Het schier oneindige aanbod van spotgoedkope online diensten is de grote zegen van de nieuwe tijd. Wie buiten het groepje toppers valt, zegt Tyler Cowen daarom geruststellend, hoeft heus niet te wanhopen. Je kunt gratis of tegen spotprijzen genieten van de prachtigste films, de mooiste boeken en de leukste spellen. Maar ook, belangrijk, gratis onderwijs krijgen in de vorm van colleges van grootheden in de kwantummechanica, de dialectiek van Hegel of de eurocrisis. Alles is voorhanden, en oneindig deelbaar tegen meerkosten die de nul naderen.

Sheila Sitalsing in One World, juli/augustus 2014

Kortom, er is straks een grote behoefte vaan postmoderne cultuurconsumenten, full time.

Al roerend in mijn eigen koffiedik zie ik echter opeens dat het ook nog heel anders kan lopen. Ik zie hoe hele groepen mensen zich uit deze rare wereld terugtrekken en ‘dubbel gemengde‘ (= mannen en vrouwen, homo- en heteroseksuelen én dubbelgemengde individuen) kloosters stichten, op al die plekken waar De Economie geen heil in ziet. Met liefde en aandacht de grond bewerken, net zo lang tot zij die liefde beantwoordt en weer vruchtbaar wordt. Met liefde en aandacht elkanders geest cultiveren, tot er muziek, gedichten en verhalen klinken en de voorwerpen om ons heen in kleuren en vormen naar ons lachen. Dat blijft namelijk: de mogelijkheid om lief te hebben, tegen een meerwaarde die dicht bij oneindig komt.

Read Full Post »

Hutkoffer

05062014

 

Al heeft het er alle schijn van dat Le Petit Prince het resultaat is van een confrontatie met de meest zuivere kinderlijke onbevangenheid die je je maar kunt voorstellen, het blijft natuurlijk bovenal schijn. De Saint-Exupéry schreef het boek op het midden van de Tweede Wereldoorlog, toen hij drieënveertig jaar oud was en nog maar een jaar te leven had. Dat maakt het tot een soort testament, waarin hij aan de mensheid de wijsheid vermaakt die zijn gang door het leven hem heeft opgeleverd. Nu hoeven wij met ons allen weliswaar het wiel en het buskruit niet telkens opnieuw uit te vinden, maar in hoe wij ons verhouden tot de wereld doen wij dat – onontkoombaar – wel. Daarbij is een dergelijke nalatenschap een waardevolle leeftocht, want het leven is vol van ‘choses trop oubliées.

Ik las onlangs nog iets dat mogelijk in die categorie valt: De resten van het vaderschap van Cornelis Verhoeven, een bundel essays met als ondertitel Beschouwingen over de levensloop. Verhoeven liep tegen de vijftig toen hij dit werk publiceerde en had juist zijn eigen vader verloren. Ook hij lijkt iets te willen doorgeven, de toekomst in, al hoor ik hem vooral met zachte en bedachtzame stem tegen een inmiddels alweer luidkeels overstemde tijdgeest in bulderen. Een ‘tegendenker‘, al doe ik zijn originaliteit daarmee eigenlijk geen recht. Om het goed te maken wil ik hem hier uitgebreid citeren, een hele paragraaf uit het essay Gezegende leeftijd:

Kenmerkend voor de cultuur waarin wij leven is behalve de snelle afschrijving waaraan de vooruitgang gemeten wordt, de overtuiging dat activiteit het enige teken van een gezond leven is: leven is doen, ingrijpen in de wereld en die naar zijn eigen hand zetten. Beide punten kunnen voorwerp zijn van een ernstige kritiek op de normen van de samenleving en die kritiek is het meest op haar plaats in een beschouwing over de ouderdom, de levensfase waarin niet alleen de activiteit afneemt, maar waarin bovendien de betrekkelijkheid ervan in allerlei opzichten doorzien wordt. We kunnen niet eerlijk praten over de ouderdom en zijn gezondheid zonder de rechtmatigheid van dit inzicht ter sprake te brengen.
Het gaat hier dus – maar dat hoeft nauwelijks benadrukt te worden – niet om gezonde lichaamsbeweging of intense belangstelling voor de buitenwereld. Het activisme dat aanleiding geeft tot kritiek op onze cultuur en dat een doem legt op de ouderdom is veeleer de overtuiging dat het leven van de mens een produkt is van zijn eigen wil en inspanningen, dat hij er in alle opzichten actief tegenover staat, en dat het buiten die activiteit een zinloze aangelegenheid is. De bekoorlijkheid van de jeugd en van de gedachte dat zij de toekomst heeft, wordt voor ee groot deel bepaald door de illusie dat die toekomst vrijheid zal zijn, gelegenheid om het leven en het lot in eigen handen te nemen. Maar het is een eenvoudig, hoewel moeilijk te incasseren gegeven, dat de mens in minstens even sterke mate de getuige is van zijn eigen bestaan als de voltrekker daarvan. Daaraan is niets tragisch of ziekelijks. De jeugdige overmoed kan met evenveel recht een ziekte genoemd worden als de gelatenheid die kenmerkend is voor de ouderdom. De inhoud van een mensenleven is te rijk om het produkt van een planmatige activiteit te kunnen zijn. Wie terugziet op zijn leven, hoe actief dat ook geweest mag zijn, zal ontdekken dat daarin de vruchten van zijn eigen activiteit en de uitkomsten van zijn plannen in de minderheid zijn vergeleken bij onverwachte gebeurtenissen in de vorm van geluk of tegenspoed. De belangrijkste dingen doen wij niet zelf, maar ze worden ons aangedaan, zij zijn meer een geschenk dan een prestatie. Hieruit volgt dat het aandeel in ons bestaan waarop de passieve deugden aanspraak kunnen maken, minstens even groot moet zijn als het aandeel van de activiteit. Leven is de gelijktijdigheid van het een en het ander, en in een sterfelijk leven verdient de passiviteit niet minder gecultiveerd te worden dat de actie. Maar in een cultus van de jeugd en een economie van afschrijving worden deze kwaliteiten in hoge mate verwaarloosd of verdacht gemaakt als reactionair of onderdanig. De problematiek van de ouderdom wordt door deze vergissing in hoge mate verhevigd.

Tijdens de afgelopen maand van de filosofie las ik twee boeken van iemand die – hoogstwaarschijnlijk – net als ik nog colleges van deze Verhoeven genoten heeft. Van Joke Hermsen las ik eerst haar roman Blindgangers, waarin zij de desillusies en het nihilisme beschrijft waarin haar eigen generatie (ook de mijne!) dreigt te verzanden. Aansluitend nam ik haar essay-bundel Kairos ter hand, dat een antwoord op haar eigen roman lijkt te zijn. Een optimistisch antwoord, dat ik lang niet altijd even overtuigend vond, maar dat kan ook aan mij liggen. Haar kritiek op onze tijdgeest en op de vaart waarmee wij ons de toekomst in storten spreekt mij beslist meer aan. Ook zij is een vijftiger, die een begin lijkt te maken met het overlaten van de wereld aan de generaties die nu staan te trappelen van ongeduld. Niet voor niets is het boek opgedragen aan haar kinderen.

In haar streven te bepalen wat van belang is en waarde heeft in onze houding ten opzichte van de toekomst, zie ik haar veelvuldig teruggrijpen naar denkers die haar zijn voorgegaan, in het bijzonder naar Hannah Ahrendt. Dat maakt haar tot een ‘meedenker‘, al is die term recentelijk opgeëist door de huidige ‘denker des vaderlandsRené Gude. Alweer een vijftiger, die stilstaat bij wat hij de mensen van nu mee kan geven. Op 22 maart hield hij in de Grote Kerk te Naarden de Comenius-lezing onder de titel Van stemming naar bestemming – Ambachtelijk zingeven. Eigenlijk betoont hij zich hierin toch een tegendenker: hij richt zich met name tegen een teveel aan individualisme, marktwerking, competitie en komt aan met vermogens die we ‘verleerd zijn‘.

Ook hij grijpt expliciet terug en schroomt niet de term ‘zingeving‘ op te diepen en daaraan als adjectief ook nog eens ‘ambachtelijk‘ mee te geven. Hij durft zelfs op te roepen tot hernieuwde collectiefvorming, met als bestemming “de samenleving zoals die zou kunnen zijn: de goede samenleving”. “Daarin zit hem de crux. Praten over collectieven moet conserverend zijn, niet conservatief.” Als classica vind ik het zeer sympathiek om hem in zijn verinnerlijkte boekenkast naar het gedachtegoed van de filosofische scholen uit de oudheid te zien reiken. Daarin vindt hij geen antwoord, maar een veelheid aan antwoorden. Hij is overduidelijk een vos, in de zin die Isaiah Berlin daaraan gegeven heeft.

Nog zo’n vos en ook een vijftiger – al is hij de jongste – is Maxim Februari, die op 12 april in De Rode Hoed de Kousbroeklezing hield. Zijn boodschap is het meest toekomstgericht, het meest concreet en van een grote urgentie. Maar ook hij grijpt daarbij terug, of beter misschien: hij wil iets waarvan hij de waarde heeft leren inzien ervoor behoeden een wegwerpartikel te worden. Daarin sluit zijn maatschappijkritiek aan bij die van zijn generatiegenoten, al is hij misschien eerder een ‘dwarsdenker‘, die niet tegen de stroom in denkt en ook niet (sturend) met de stroom mee, maar in elke door hem gewenste richting dwars er doorheen. Hij schuwt het gebruik van grote woorden niet en waagt het zijn toehoorders ergens toe op te roepen:

Maar goed, Kousbroek heeft nadrukkelijk geweigerd een verbinding te leggen tussen alfa-, bèta- en gammadenken, en dus moeten we het zelf doen. Politieke vrijheden opeisen tegenover het internet der dingen. Menselijke waarden opleggen aan de techniek. Het is zonder twijfel de zwaarste opgave van onze tijd en we zullen alleen slagen als we ongegeneerd alfa worden en allereerst het menselijke zien in onszelf.

Wat mij opviel aan de eerste twee auteurs in mijn leesreis, is hoe actueel hun inzichten nog altijd zijn. Wat hebben degenen die na hen kwamen er eigenlijk mee gedaan? Helpt het wel als iemand zijn of haar wijsheid als proviand voor de toekomst uitdeelt? Hoe zal het de woorden van Hermsen, Gude en Februari vergaan? Het ligt niet in mijn aard om hierover optimistisch te zijn, maar om pessimisme moet je bij mij ook niet aankomen. Er is weliswaar niets nieuws onder de zon, maar we stappen ook geen twee keer in dezelfde rivier. Kortom: het menselijk samenleven is een ouwe hutkoffer vol verkleedkleren, waaromheen een kluwen kleuters zich verdringt alvorens zo echt mogelijk het schouwtoneel van de wereld te betreden. Daar moeten we het maar mee doen.

Read Full Post »

16052014

*

 

Archaïscher Torso Apollos

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug,
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht. Du mußt dein Leben ändern.

Rainer Maria Rilke, Neue Gedichte

 

*

 

Archaïsche Torso van Apollo

Wij zagen nooit zijn  ongekend gezicht,
De oogappels die daarin rijpten. Maar
zijn torso gloeit nog als een kandelaar,
waarin zijn blik, met een getemperd licht,

nog glanzen blijft. Anders zou jou de boeg
der borstkas niet verblinden, en in ‘t zacht
draaien der lendenen was niet die lach
naar ‘t midden toe, dat het geslachtsdeel droeg.

Anders stond deze steen geknot, beschadigd,
in zijn doorschijnende schoudercascade,
en zou niet glinsteren als roofdierhuid,

en zou niet als een ster losbreken uit
zijn vorm: geen plek aan hem die jou niet ziet.
Zo doorgaan met je leven kun je niet.

(Vertaling: Peter Verstegen, Amsterdam 1998)

*

Wat voor “kwaal” je hebt, maakt niet uit.

*

 

Met dank aan Joke Hermsen, die in haar nieuwe boek Kairos een heel hoofdstuk wijdt aan deze ‘diagnose-behandel-combinatie‘.

Read Full Post »

Zie de mens

09052014

 

Het was niet geheel onverwacht dat ik twee blogberichten geleden aan mijn wiskundelerares moest denken. Ik denk de laatste paar jaar wel vaker aan haar. Zou ze nog leven? En hoe is het dan met haar? Hoe zou het zijn om haar nog een keer te zien en haar te laten weten wat zij voor mij heeft betekend? Dat kon ik haar destijds onmogelijk zeggen, eigenlijk ben ik haar pas veel later op haar waarde gaan schatten. Zij was onhandig, onpraktisch, niet knap en niet getrouwd, kortom: het ergste wat er van een vrouw kon worden in het leven, vanuit puberperspectief. En toch is zij van alle docenten uit mijn jeugd degene die de diepste indruk heeft achtergelaten.

Dan denk ik natuurlijk aan de tijd waarin ik, altijd braaf geweest, vrij plotseling onhandelbaar begon te worden. Obstinaat, heette dat toen nog. Ik was geschorst en merkte dat ik daarbij de heimelijke bewondering van mijn medeleerlingen, die een dergelijke maatregel doorgaans opleverde, moest ontberen. Terwijl ik op mijn kamertje lag te mokken, heeft zij op een middag tien kilometer gefietst om mij op te zoeken en mij in alle oprechtheid de Parcival-vraag te stellen: “What ails thee?” Eng mens!

Maar bovenal denk ik aan al die maandagmiddagen dat wij het laatste uur wiskunde hadden en zij met ons de dagsluiting moest doen. Sommige docenten lazen een overdenking uit een mapje, liefst zo kort mogelijk, anderen een stukje uit de Bijbel, maar zij zong met ons een psalmvers. Altijd hetzelfde: de eerste twee coupletten van Psalm 139.

Heer, die mij ziet zoals ik ben,
Dieper dan ik mijzelf ooit ken,
Kent Gij mij, Gij weet waar ik ga,
Gij volgt mij waar ik zit of sta.
Wat mij te diepste houdt bewogen,
’t Ligt alles open voor uw ogen.

Gij zijt zo diep vertrouwd met mij:
Wie weet mijn wegen zoals Gij?
Gij kent mijn leven woord voor woord,
Gij hebt mij voor ik spreek gehoord.
Ja, overal op al mijn wegen
En altijd weer komt Gij mij tegen.

Al was ik nog zo’n krengige puber, de ontroering in haar stem ontging mij niet. Pas veel later ging ik mij afvragen waarom zij telkens weer naar die woorden terugkeerde. Was het omdat die haar zelf troost schonken? Of wilde zij ons laten weten dat ook wij minder alleen waren dan we dachten, te midden van  al die rare worstelingen met dat geweldige leven dat aan onze voeten lag?

Tijdens de afgelopen maand van de filosofie heb ik elke dag aan haar gedacht, en aan de psalm die zij ons week in week uit heeft laten zingen. Dat kwam doordat ik in het al eerder gememoreerde essay van Jos de Mul las over Freud en zijn ‘derde krenking’:

Nadat Copernicus de menselijke trots al een knauw had gegeven door aan te tonen dat de aarde niet het middelpunt van het heelal is, betekende deze tweede krenking [Darwin’s evolutie-theorie] dat we ons maar een beetje onderscheiden van de andere dieren. En Freud voegde daar, zoals hij niet al te bescheiden opmerkte in zijn ‘Inleiding in de psychoanalyse’, nog een derde krenking aan toe: slechts een klein deel van onze gedachten is bewust, de meeste psychische processen verlopen onbewust.

Hoezo ‘krenking’, denk ik dan? Dat wisten we toch al lang? Maar misschien had hij geen wiskundelerares om hem in alle bescheidenheid duidelijk te maken dat de menselijke psyche zo’n raadsel is voor onszelf, dat er een God aan te pas moet komen om haar te peilen.

The Brain is just the weight of God, ­
For, ­Heft them, Pound for Pound ­
And they will differ, if they do ­
As Syllable from Sound.

Emily Dickinson

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »