Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘culinair’ Category

Gastronomie

Komende week is het wetenschapsweek, lees ik net in de krant. Daar wil ik ook eens iets aan bijdragen. Nu eens geen gemopper over alle humbug die wij voor een kompas in deze duistere wereld aanzien of over alle gemanipuleer (“onderzoek heeft uitgewezen dat”) waarmee we tegenover elkaar ons gelijk proberen te halen. Nee, het mag een keertje gaan over iets wat er werkelijk toe doet, in mijn ogen althans. Het thema van de wetenschapsweek is “voeding” en laat dat nou net een van mijn passies zijn.

Ervaringsdeskundigheid telt niet zwaar mee als we het over wetenschap hebben, maar toevallig ben ik deskundige op het gebied(je) van de Romeinse gastronomie. In de afgelopen kwart eeuw heb ik mij meer en minder intensief beziggehouden met de Romeinse eetcultuur. Daarbij heb ik de ervaringsdeskundigheid graag een woordje mee laten spreken in mijn pogingen de smaak van wat de Romeinen aten in mijn eigen keuken opnieuw tot leven te roepen. Verder is mijn deskundigheid eerder een grabbelton dan een geordend systeem. Voor deze gelegenheid til ik het deksel op en reik voorzichtig met mijn arm in de diepte.

Zelfs op het gebied van de tuinbouw probeert men zich te onderscheiden door groenten te kweken die de gewone man zich niet kan veroorloven. Kolen worden vetgemest als kapoenen, te groot voor de tafels der armen. Asperges waren door de natuur bedoeld om in het wild te groeien, zodat iedereen ze zelf kon plukken. Nu worden in de buurt van Ravenna exemplaren gekweekt die wel een pond per stuk wegen. God allemachtig, wat een monstruositeiten van de eetlust!

Dit citaat komt uit een andere grabbelton, de Naturalis Historia van Plinius de Oudere. Maar wat een mooi aanknopingspunt! Nu kan ik u vertellen wat hier allemaal mee samenhangt, want trouw aan mijn eigen wetenschapsopvatting leg ik liever verbanden dan dat ik de boel ontleed. Deze opmerking van Plinius staat namelijk niet op zichzelf. Niet in Plinius’ eigen werk en evenmin daarbuiten. Zij past volkomen in een (moraal)filosofische traditie die aan De Natuur een geweldig gezag toekent. Lees Seneca er maar op na, bij Macrobius kom je haar nog tegen en ook in onze tijd is de weerklank ervan nog lang niet verstomd.

Ik heb het altijd jammer gevonden dat we de wereld van de oudheid vooral kennen vanuit de beleving van dit soort moralisten, hoe aanstekelijk die ook kan zijn. De uitvinders op het gebied van de lekkerbekkerij hebben ons geen werken nagelaten. Alleen een handvol titels zijn bewaard gebleven, als fossielen ingebed in de klei van het gemopper van hun tijdgenoten. Wie wordt daar niet verschrikkelijk nieuwsgierig naar? Gelukkig kun je als wetenschapper al die negatieve oordelen ook als glasplaten zien, die je mee kunt nemen naar de donkere kamer van je verbeelding (wat is wetenschap zonder verbeelding?!), waar je ze onder het vergrotingsapparaat legt en tenslotte het oorspronkelijke beeld uit de ontwikkelbaden boven water haalt.

Als ik nog genoeg tijd van leven heb, hoop ik ooit het resultaat van die vorm van wetenschap aan mijn medemensen te kunnen tonen. Misschien als een serie portretten: de pioniers van de Westerse gastronomie, grondleggers van een nog altijd ondergewaardeerde wetenschap. Vroeger omdat die zich richtte op ‘het lagere’, nu omdat de menselijke zintuigen en beleving als meetinstrumenten eigenlijk niet meer in tel zijn. Of hooguit als we er statistiek op los kunnen laten en met percentages kunnen gaan schermen.

Nee, ik zou willen streven naar een vrolijk soort wetenschap. Eten is een ambacht, zegt onze Johannes van Dam, maar daaromheen bestaat een wetenschap. Een wetenschap waarin het niet draait om onderzoek, waarheidsvinding of falsifieerbaarheid. Voorop staan verbeelding, passie en genot, en de meeste van deze is de liefde. In de kookkunst kan de liefde bij uitstek tot uiting komen. Percenten en indelingen schuiven wij terzijde, om het gemopper van overernstige oude lieden geven ook wij geen rooie cent. Wij wijden ons geheel en al aan de smaak, waarover misschien heel veel valt te twisten, maar die – misschien wel als enige – bij machte is om ons boven onze twisten uit te tillen.

Na de maaltijd kijken we, een glas port in de hand, naar Babettes gaestebud.

Advertenties

Read Full Post »

Vin bourru

Zelf wijn maken van gratis fruit is leuk en helemaal niet moeilijk. Ik doe het al 23 jaar en iedere keer is het weer een verrassing hoe hij smaakt. Eigenlijk heb je er een complete wijnmakersuitrusting voor nodig en een boek vol recepten, maar zonder dat kan het ook.

Wat je wel even moet doen is naar de plaatselijke snackbar gaan en vragen of ze een lege frituurvetemmer voor je hebben. Let op: een emmer waar fritesaus of tomatenketchup in gezeten heeft is geen geschikt alternatief! En verder moet je het geheim kennen en met flair toepassen.

Het geheim van het wijnmaken is eigenlijk heel simpel: imiteer de oorspronkelijke druivenmost en laat die vergisten. Druivenmost heeft een suikergehalte van 14 % en een zuurgraad van ongeveer 7 gram per liter. En natuurlijk de smaakstoffen die de wijn haar karakter geven. Vruchten die je momenteel in de vrije natuur of in je tuin vindt, zoals bramen en vlierbessen, bevatten teveel zuur en te weinig suiker. Daarom moet je er water en suiker bij doen. Wat de smaakstoffen betreft doen ze het op zichzelf vrij aardig, maar toevoeging van wat ander fruit kan het uiteindelijke resultaat aardig verlevendigen. Ik doe er bijvoorbeeld vaak wat van de pulp bij die overblijft na het maken van zwarte bessengelei.

Om met gebruik van deze vruchten een droge rode tafelwijn te benaderen, moet je voldoende water en suiker toevoegen. Ga ervan uit dat je voor tien liter wijn ongeveer 3 kilo fruit nodig hebt, 2,5 kilo suiker  en een liter of 8 water. Overgiet de bramen of vlierbessen  met 5 liter water en houd de boel een poosje tegen de kook aan om wilde gistcellen en schimmels te doden. Laat afkoelen. In geval van de vlierbessen zeef je die er meteen uit met een oud stuk laken of kussensloop. Voeg de helft van de suiker toe en een zakje Brugman’s gist, die is heel sterk.

Neem vervolgens 1,5 à 2 kilo bananen en snijd die in plakjes, doe er twee liter koud water bij en breng het zachtjes aan de kook. Laten pruttelen tot de prut grijs kleurt, laten afkoelen en zeven. Dit vocht bij de inmiddels gistende most doen: het zal ervoor zorgen dat je wijn vol smaakt in plaats van schraal. Na een week zeef je ook de bramen eruit. Voeg eventueel een beetje water toe om de emmer zo vol mogelijk te houden, net niet tot de rand. Nu moet je de wijn suiker gaan voeren, om de andere dag een onsje. Zo blijft de gisting aan de gang en wordt je wijn steeds alcoholrijker.

Het belangrijkst is ervoor te zorgen dat er zo weinig mogelijk zuurstof bij de most komt, dus houd het deksel op de emmer. Proef wel af en toe en bepaal zelf of je denkt dat er meer water of vruchtensap bij moet. In het begin zal je wijn zuurder smaken dan je lief is, maar dat komt vanzelf goed: alcohol smaakt zoetig, dus tegen de tijd dat er 12 % alcohol in zit, is het geheel weer in balans. Om de wijn echt helder en stil te laten worden, moet je minstens twee flessen met waterslot hebben. En een hevelslang. Daarom is het raadzaam deze Château Improvista zodra je haar lekker begint te vinden hooguit één keer voorzichtig van de droesem af te schenken en jong te drinken. Vin bourru noemen de Fransen dat.

Proost!

Read Full Post »

Een enkele keer eten wij hier thuis konijn. Toen ik voor zo’n gelegenheid aan de toonbank van de scharrelslager om de hoek stond, riep de slagersvrouw naar achter: “Cor, heb jij effe een konijntje voor mevrouw? Neem Kareltje maar!” Toen zij zag dat ik moest lachen, zei ze: “Ja, bij u kan ik dat wel doen. Dat wist ik.” Wat zij wist was dat ik van het boerenland kom en op de volkstuin nog altijd degene ben die met Kerst de overtollige hanen slacht. Voor de ‘coq au vin Madame Maigret’.

Dat die kindertijd op de boerderij van mijn grootouders mij een andere kijk op dieren en het nuttigen ervan heeft meegegeven dan ‘de moderne mens’ erop nahoudt, merk ik vooral wanneer ik weer eens een cultuurfilosofisch artikel over onze vervreemding op dat punt onder ogen krijg. Steevast wordt daarin breed uitgemeten hoe onze houding tegenover dieren alleen nog de extremen van sentiment en brutaliteit lijkt te kennen. Alles er tussenin is teloorgegaan sinds wij niet meer opgroeien met de dieren die wij eten.

De kat, die vroeger van muizen en kliekjes leefde en die mijn oma resoluut van haar schoot veegde wanneer zij opstond om koffie in te schenken, is nu een gourmet en als het goede leven haar teveel wordt, staat er een gezondheidszorg op menselijke maat voor haar klaar. Crematoria, urntjes of zelfs een marmeren grafsteentje omlijsten het heengaan van onze huisdieren. Zelfstandig creperen en rustig wegrotten onder een graspol in een hoek van de tuin is er niet meer bij. Er wordt zelfs serieus gedacht over juridische constructies waarbij een hond in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien middels de levensverzekering van zijn baasje, mocht die eerder sterven.

Aan de andere kant leven de varkens die ons karbonaadje leveren in omstandigheden waarvoor ‘beestachtig’ een understatement is. Ons lekkere stukje vlees komt uit Dante’s hel, maar in de hel geloven wij niet meer, temeer daar we die nooit te zien krijgen. Behalve degenen die er werken (en dat went snel, naar het schijnt) weet geen mens hoe het toegaat in een kippenslachterij, waar men probeert of de ‘productie’ kan worden opgevoerd van 100 naar 103 braadkuikens per minuut. En wie is er wel eens binnen geweest in zo’n schuur waar meer dan duizend biggen huizen?

De filosofen zeggen dat een mens, wanneer hij oogcontact maakt met een dier, een lichtelijk verwarrend mengsel voelt van verwantschap en afstand. In hun ogen herkennen wij onze eigen angst en pijn, lust en vreugde, maar wij laten hen niet delen in ons mens-zijn. Binnen dat spanningsveld hebben mensen eeuwenlang hun landbouwhuisdieren verzorgd, gedood en opgegeten. Getuige de religieuze rituelen waarmee dat eertijds gepaard ging, is het nooit helemaal gewoon geweest. Het eten van dieren brengt ons misschien toch wel zo dicht bij kanibalisme, dat wij daarbij van nature een huiver ervaren, die wij vroeger bij de goden neerlegden en die ons nu door de industrialisering van de vleesproductie wordt ontnomen. Ten gunste van de Economie.

Sommigen verwachten namelijk dat het herstellen van onze dagelijkse omgang met de dieren die wij eten het einde zou betekenen van de bio-industrie. Ik twijfel nogal: ik heb van nabij gezien hoe de hierboven aangestipte ‘herkenning’ bij het zien van varkens in een mesterij niet altijd plaatsvindt. En ook binnen de herinnerde idylle van mijn kindertijd werden wreedheden jegens dieren begaan. Toch: het verzorgen van de biggen en het rapen van de eieren op de boerderij van mijn grootouders hebben mij een soort eerbied bijgebracht voor de dieren die ik eet. En al kan ik dus slechts voor mijzelf spreken, die eerbied maakt dat één keer in de week vlees eten genoeg is, mits dat vlees van de scharrelslager komt.

Van Kareltje, of van Clara 35.

Read Full Post »

Het gebeurt niet heel geregeld, dat wij thuis een drie gangen-menu krijgen, dus het was echt een beetje feest toen Laura haar kookopdracht voor school uitvoerde. Voor Laura zelf was het reuze spannend, want haar kookervaring beperkte zich tot nu toe tot pizzarondjes, appeltaart en een spiegelei. Vandaar naar een diner was een hele sprong.

Er zit ook heel wat aan vast: je menu vaststellen, een boodschappenlijstje maken, de boel in huis halen. En dan begint het pas. Want wat doe je op welk moment en hoe zorg je dat het allemaal precies op tijd op de borden ligt? Tegen het eind van de middag loopt de spanning behoorlijk op. Gezonde stress, zie ik, want Laura is wel helemaal on top of it.

Eerst maakt zij de frambozenpudding klaar, want die moet lekker koud zijn tegen de tijd dat wij aan ons toetje toe zijn. De vruchtjes die het zullen decoreren moeten juist een beetje warm gezet worden: die komen om deze tijd van het jaar uit de diepvries.

Dan gaan de broodjes de oven in, zodat ze nog net een beetje warm zijn als de maaltijd begint. Ondertussen snijdt Laura tomaten en mozzarella in fraaie dunne plakjes. Die legt zij om en om tegen elkaar op een bord, met een blaadje verse basilicum ertussen. Het lijkt de Italiaanse vlag wel!

O ja, de broccoli moet in de pan, gelukkig is-ie al wel gesneden! En dan kunnen we aan het voorgerecht. Laura dekt snel de tafel en dient op. Wij laten ons verwennen.

Nu kan Laura zelf ook weer een beetje ontspannen. Van de weeromstuit vergeet zij de broccoli, die nog op het vuur staat. Oei, dat wordt geen al dente meer! Snel giet zij de groente af en begint aan het piece de resistance, de lamskarbonaadjes. Ze gaan de grillpan in, die al heel lang heeft staan voorverwarmen op het gasstel. Vanuit de kamer horen wij een hevig gesis en gesputter, maar Laura roept niet om hulp. Even later komt zij de kamer in met drie lamskarbonades en voor haar vegetarische zus een gezonde burger.

En dan wordt het even stil. Laat ik alleen voor mijzelf spreken: daar ligt op mijn bord het heerlijkste, sappigste, precies goed gegrilde lamsvlees dat ik in jaren geproefd heb. Rose van binnen, een fraai grillstreepje van buiten, peper en zout erop, hmmm, nu weet ik weer dat gastronomie een eerbiedwaardige wetenschap is en keukenprinses een hoogstaand beroep.

Terwijl wij nog even beduusd nagenieten van zoiets goddelijks, wordt het dessert binnengedragen. Rose-rood, zoet en fris, een tikje zomers en o zo zacht. Als het laatste likje ervan verdwenen is, zijn wij niet “vol”, maar wel voldaan. Laura mag dit van nu aan elke week doen!

Read Full Post »

Warmoes

rozet

In het vroege voorjaar brengt de tuin ons vooral verwachting. De oogst bestaat  alleen in ons verlangen en vraagt eerst nog vrachten mest en arbeid. Maar als onze moestuin niet alleen een kale akker is, dan is er ook nu al van te eten. Langs heggen, paden en slootkanten of in een aangrenzend stukje boomgaard steken tal van interessante “onkruiden” hun kopjes weer boven de grond. Dit grensgebied van wat wij in cultuur gebracht hebben biedt ons de kans kennis te maken met planten, die ooit vrij algemeen als groente gegeten werden, maar nu als zodanig ver in de vergetelheid zijn geraakt.

De landen rond de Middellandse Zee kennen op dit gebied een levende traditie, die terugrijkt tot voorbij het begin van onze jaartelling. Al in februari zie je overal op het Griekse platteland de oudere vrouwen gebogen door de olijfboomgaarden en langs de binnenwegen scharrelen, op zoek naar ‘ta chorta‘. Dat is een verzamelnaam voor allerlei eetbare onkruiden, die daar het hele jaar door, maar vooral in het voorjaar, veel gegeten worden. Ze worden zelfs op de markt als een zeer gewilde groente verkocht. De bereiding is even bescheiden als de herkomst: blancheren, een beetje hakken en op smaak brengen met zout, olijfolie en versgeperst citroensap.

Zo deden ook de Romeinen het al. Het overigens vooral aan de haute cuisine gewijde kookboek van Apicius geeft voor ‘herba rustica‘ een vrijwel identiek recept. Als alternatief noemt het een schotel, waarin de wilde groenten met nog een paar specerijen worden gaargestoofd. En dat is weer een praktijk die in de streek rond Carrara (maar vast ook elders) nog altijd voortleeft, getuige een recept dat ik op internet aantrof, met een lijst van maar liefst 21 geschikte kruiden.

Bestaat die traditie bij ons dan niet? Wij hebben immers zoveel aan de Romeinen ontleend? Veel van de ons bekende groenten zijn ooit door hen naar het Noorden gebracht en hier verder gecultiveerd. Sommige zijn later weer in onbruik geraakt. Wie eet er bijvoorbeeld nog zwartmoeskervel? In Engeland was het tot ver in de vorige eeuw een bekende ‘pot herb‘, bij ons komt het nog slechts sporadisch op Texel voor.

Pas als we wat verder teruggaan, naar de 17e eeuw, zien we opeens dat ook onze voorouders het begrip groente niet zo strikt begrensden. In een recept voor ‘warmoes‘ uit De verstandige kock of sorghvuldige huyshoudster (1669), uitgegeven door Marleen Willebrands (2006) duiken opeens kruiden op, die men in het Zuiden nog altijd als wilde groente waardeert. Een lijstje, dat verder kan worden aangevuld met wat Noël Chomel in zijn Algemeen huishoudelijk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek bij de beschrijving van ‘warmoes’ opsomt.

warmoes

“Neem helder putwater en doe er één of twee oudbakken, ronde, witte broden in, naar gelang u veel wilt koken. Hang de ketel boven het vuur en scherf intussen het blad van kervel, snijbiet, wat foelieblaadjes, bernagie of ossentong, de eerste blaadjes van zwarte aalbessen en van goudsbloemen, ook wat prei en kattekruid, een beetje spinazie, maar geen zuring, want die zou het te bleek maken. Als dit fijngehakt is en het brood een tijdje in het water heeft gekookt tot het aan stukken is, doe dan de moeskruiden bij het brood en laat ze gaarkoken. Doe er dan naar smaak boter en zout bij.” (Bron: De verstandige kock of sorghvuldige huyshoudster)

Heel authentiek, zo’n ouderwetse broodsoep. Spreekt het u niet aan? Probeer dan toch eens om voorjaarsonkruiden -geblancheerd en fijnghakt- te verwerken in een stamppot. Met spekjes, voor wie niet vegetarisch is.

Plantenlijstje: kervel (Anthriscus cerefolium), snijbiet (Beta vulgaris), komkommerkruid (Borago officinalis), ossentong (Anchusa officinalis), zwarte aalbes (Ribes nigra), goudsbloem (Calendula officinalis), prei (Allium porrum), kattenkruid (Nepeta cataria), spinazie (Spinacia oleracea), zuring (Rumex acetosa), brave hendrik (Chenopodium bonus-henricus), gewone engelwortel (Angelica sylvestris), speenkruid (Ficaria verna), raapstelen (Brassica var.), sla (Lactuca sativa), longkruid (Pulmonaria officinalis), kaasjeskruid (Malva sylvestris), melde (Atriplex hortensis), brandnetel (Urtica dioica), peterselie (Petroselinum crispum), waterkers (Nasturtium officinale), barbarakruid (Barbarea vulgaris).

Read Full Post »

Sint Theresia moet haar zomerke geven,
vijf dagen duurt dat mooie leven.

De afgelopen week was het weer zover. In al die jaren dat ik erop let heeft het niet één keer verstek laten gaan en het is alsof ik er dubbel van geniet doordat het een naam heeft: Trezeke’s zomer. Meestal is het de week ervoor, een enkele keer in de week erna, want het steekt niet zo nauw met die weerspreuken.

Wel met de dag waarop Sint Theresia van Àvila stierf: donderdag 4 oktober 1582. De volgende morgen was het opeens vrijdag 15 oktober, want paus Gregorius XIII voerde juist op dat moment zijn kalenderhervorming door. In Spanje en Portugal wel te verstaan, want in ons land werd hij pas rond 1700 van kracht. Sint Theresia’s heiligendag valt evenwel op 15 oktober.

De dag dat mijn lief en ik in Àvila ronddoolden, was in oktober 1989. Het was grauw en koud, geen weer voor een siësta, maar niettemin lag de stad er verlaten bij. Een sombere herfstwind blies kastanjebladeren in onze haren en wierp een vlucht kauwen van de kantelen. ‘t Liefst waren we zo weer in de auto gestapt om verder te rijden, verlangend naar lamplicht en warm avondeten. Maar we moesten wachten tot de winkels weer openden, want hoe konden wij in de stad van de heilige Theresia zijn geweest zonder haar ‘yemas’ te proeven?

Toen we eindelijk zo’n kostbaar doosje met twaalf van die zoetige zaligheden hadden bemachtigd, vond ik het eerst bijna griezelig om er eentje in mijn mond te steken. Zozeer leek het op een rauwe eierdooier met alleen maar een laagje poedersuiker eromheen. Ik deed het toch, met mijn ogen dicht. Na die eerste was ik helemaal vertederd, alsof ik in de stille somberte achter mij een stem hoorde fluisteren: “Neem maar, dit is mijn lichaam.” En ik nam er nog één. En nog één.

Zelf heb ik ze nog nooit gemaakt, maar ga het zeker doen. Het lijkt niet moeilijk: in een dikke stroop van een half pond suiker en een tiental eetlepels water, waarin een pijpje kaneel of wat citroenschil heeft getrokken, roer je twaalf losgeklopte eierdooiers. Je blijft roeren, op heel zacht vuur, tot de massa van de bodem van de pan loslaat, maar pas op dat het niet te heet wordt, anders gaat het schiften. Laat afkoelen en vorm er balletjes van ter grootte van een dooier. Rol die door de poedersuiker tot ze niet meer kleven. Klaar.

En dan moet het herfst zijn, en stil. Ik doe mijn ogen dicht en wacht op een heilig fluisteren.

Read Full Post »

Paglierina

Tussen de souvenirs van mijn vakantie bevindt zich een beduimeld, want stukgelezen, kaartje met de volgende tekst*:

Nella paglierina fresca gli aromi sono equilibrati e piacevoli di latte appena munto, la pasta tende a fondere in bocca ed il sapore é fresco e delicato.
Con l’aumentare della stagionatura, il prodotto acquisisce naturalmente aromi pieni ed intensi con sentori di nocciola e talvolta di fungo.
Prodotta fin dai tempi antichi dai pastori nelle nostre montagne cuneesi.
La stagionatura avviene in grotte naturali sui graticci di paglia, i quali lasciano sulla crosta tipiche striature ricoperte di muffe biancastre.

Het hing aan een kaasje, dat we kochten op de Col de Larche, toen we vanuit Italië de Alpen over trokken. ‘t Kaasje was snel op en smaakte weinig spectaculair: een eenvoudige brie van geitenmelk. Maar die tekst, daar heb ik nog avonden lang van genoten. Hardop voorlezend, met een bedachtzaamheid, die net iets meer dan een enkele spatie tussen de woorden liet, proefde ik in deze aanprijzing oneindig veel meer dan welke kaas dan ook ooit waar zou kunnen maken.

Alleen al de muziek van het Italiaans! Klank en ritme roepen, op poëtische wijze, heel die kleine, weidse wereld op, waarin de paglierina wordt geboren. Luister: de galm van de klok om de nek van de belhamel verheft zich boven het geklingel van de geitenbelletjes. Een hommel zoemt in de blauwe campanula. In de sparren hoger op de helling fluit zachtjes de koele bergwind. ’s Avonds striemen straaltjes melk in de emmer, eerst zingend tegen het blanke metaal, dan ritmisch brommend in een witte baard van schuim. Terwijl in de stal de kudde zich zuchtend aan het herkauwen zet, stremt de herder de melk. Van de nog korrelige wrongel vormen zijn vingers de kaasjes, die hij vol liefde op een bedje van stro in een grot te rijpen legt. En dat doet hij elke dag weer, ‘dai tempi antichi’.

Gastronomie is meer dan alleen lekker eten. Meer ook dan de kunst van het bereiden van een voortreffelijke maaltijd. Zij omvat alle zorg die wordt besteed aan de aarde, de planten en de dieren, die ons voedsel voortbrengen. Alle eerbiedwaardige tradities: de Liefde, die leidt naar vervoering. Tenslotte is gastronomie het spreken en schrijven over eten, waarin alles samen komt. Als dat goed gaat, zoals in de tekst bij het kaasje, dan worden daardoor al onze zinnen gestreeld en diepe herinneringen naar boven gehaald. Misschien worden wij zelfs geraakt door die Liefde voor het leven dat ons voedt.

* Probeer het eens hardop te lezen: de ‘u’ is een ‘oe’, de ‘gl’ een ‘lj’, de ‘sc’ een ‘sj’ en de ‘ch’ een ‘k’.
Van een vertaling zie ik af: die zou hooguit naar kaaspapier smaken, niet naar kaas.

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »