Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juni, 2014

Hutkoffer

05062014

 

Al heeft het er alle schijn van dat Le Petit Prince het resultaat is van een confrontatie met de meest zuivere kinderlijke onbevangenheid die je je maar kunt voorstellen, het blijft natuurlijk bovenal schijn. De Saint-Exupéry schreef het boek op het midden van de Tweede Wereldoorlog, toen hij drieënveertig jaar oud was en nog maar een jaar te leven had. Dat maakt het tot een soort testament, waarin hij aan de mensheid de wijsheid vermaakt die zijn gang door het leven hem heeft opgeleverd. Nu hoeven wij met ons allen weliswaar het wiel en het buskruit niet telkens opnieuw uit te vinden, maar in hoe wij ons verhouden tot de wereld doen wij dat – onontkoombaar – wel. Daarbij is een dergelijke nalatenschap een waardevolle leeftocht, want het leven is vol van ‘choses trop oubliées.

Ik las onlangs nog iets dat mogelijk in die categorie valt: De resten van het vaderschap van Cornelis Verhoeven, een bundel essays met als ondertitel Beschouwingen over de levensloop. Verhoeven liep tegen de vijftig toen hij dit werk publiceerde en had juist zijn eigen vader verloren. Ook hij lijkt iets te willen doorgeven, de toekomst in, al hoor ik hem vooral met zachte en bedachtzame stem tegen een inmiddels alweer luidkeels overstemde tijdgeest in bulderen. Een ‘tegendenker‘, al doe ik zijn originaliteit daarmee eigenlijk geen recht. Om het goed te maken wil ik hem hier uitgebreid citeren, een hele paragraaf uit het essay Gezegende leeftijd:

Kenmerkend voor de cultuur waarin wij leven is behalve de snelle afschrijving waaraan de vooruitgang gemeten wordt, de overtuiging dat activiteit het enige teken van een gezond leven is: leven is doen, ingrijpen in de wereld en die naar zijn eigen hand zetten. Beide punten kunnen voorwerp zijn van een ernstige kritiek op de normen van de samenleving en die kritiek is het meest op haar plaats in een beschouwing over de ouderdom, de levensfase waarin niet alleen de activiteit afneemt, maar waarin bovendien de betrekkelijkheid ervan in allerlei opzichten doorzien wordt. We kunnen niet eerlijk praten over de ouderdom en zijn gezondheid zonder de rechtmatigheid van dit inzicht ter sprake te brengen.
Het gaat hier dus – maar dat hoeft nauwelijks benadrukt te worden – niet om gezonde lichaamsbeweging of intense belangstelling voor de buitenwereld. Het activisme dat aanleiding geeft tot kritiek op onze cultuur en dat een doem legt op de ouderdom is veeleer de overtuiging dat het leven van de mens een produkt is van zijn eigen wil en inspanningen, dat hij er in alle opzichten actief tegenover staat, en dat het buiten die activiteit een zinloze aangelegenheid is. De bekoorlijkheid van de jeugd en van de gedachte dat zij de toekomst heeft, wordt voor ee groot deel bepaald door de illusie dat die toekomst vrijheid zal zijn, gelegenheid om het leven en het lot in eigen handen te nemen. Maar het is een eenvoudig, hoewel moeilijk te incasseren gegeven, dat de mens in minstens even sterke mate de getuige is van zijn eigen bestaan als de voltrekker daarvan. Daaraan is niets tragisch of ziekelijks. De jeugdige overmoed kan met evenveel recht een ziekte genoemd worden als de gelatenheid die kenmerkend is voor de ouderdom. De inhoud van een mensenleven is te rijk om het produkt van een planmatige activiteit te kunnen zijn. Wie terugziet op zijn leven, hoe actief dat ook geweest mag zijn, zal ontdekken dat daarin de vruchten van zijn eigen activiteit en de uitkomsten van zijn plannen in de minderheid zijn vergeleken bij onverwachte gebeurtenissen in de vorm van geluk of tegenspoed. De belangrijkste dingen doen wij niet zelf, maar ze worden ons aangedaan, zij zijn meer een geschenk dan een prestatie. Hieruit volgt dat het aandeel in ons bestaan waarop de passieve deugden aanspraak kunnen maken, minstens even groot moet zijn als het aandeel van de activiteit. Leven is de gelijktijdigheid van het een en het ander, en in een sterfelijk leven verdient de passiviteit niet minder gecultiveerd te worden dat de actie. Maar in een cultus van de jeugd en een economie van afschrijving worden deze kwaliteiten in hoge mate verwaarloosd of verdacht gemaakt als reactionair of onderdanig. De problematiek van de ouderdom wordt door deze vergissing in hoge mate verhevigd.

Tijdens de afgelopen maand van de filosofie las ik twee boeken van iemand die – hoogstwaarschijnlijk – net als ik nog colleges van deze Verhoeven genoten heeft. Van Joke Hermsen las ik eerst haar roman Blindgangers, waarin zij de desillusies en het nihilisme beschrijft waarin haar eigen generatie (ook de mijne!) dreigt te verzanden. Aansluitend nam ik haar essay-bundel Kairos ter hand, dat een antwoord op haar eigen roman lijkt te zijn. Een optimistisch antwoord, dat ik lang niet altijd even overtuigend vond, maar dat kan ook aan mij liggen. Haar kritiek op onze tijdgeest en op de vaart waarmee wij ons de toekomst in storten spreekt mij beslist meer aan. Ook zij is een vijftiger, die een begin lijkt te maken met het overlaten van de wereld aan de generaties die nu staan te trappelen van ongeduld. Niet voor niets is het boek opgedragen aan haar kinderen.

In haar streven te bepalen wat van belang is en waarde heeft in onze houding ten opzichte van de toekomst, zie ik haar veelvuldig teruggrijpen naar denkers die haar zijn voorgegaan, in het bijzonder naar Hannah Ahrendt. Dat maakt haar tot een ‘meedenker‘, al is die term recentelijk opgeëist door de huidige ‘denker des vaderlandsRené Gude. Alweer een vijftiger, die stilstaat bij wat hij de mensen van nu mee kan geven. Op 22 maart hield hij in de Grote Kerk te Naarden de Comenius-lezing onder de titel Van stemming naar bestemming – Ambachtelijk zingeven. Eigenlijk betoont hij zich hierin toch een tegendenker: hij richt zich met name tegen een teveel aan individualisme, marktwerking, competitie en komt aan met vermogens die we ‘verleerd zijn‘.

Ook hij grijpt expliciet terug en schroomt niet de term ‘zingeving‘ op te diepen en daaraan als adjectief ook nog eens ‘ambachtelijk‘ mee te geven. Hij durft zelfs op te roepen tot hernieuwde collectiefvorming, met als bestemming “de samenleving zoals die zou kunnen zijn: de goede samenleving”. “Daarin zit hem de crux. Praten over collectieven moet conserverend zijn, niet conservatief.” Als classica vind ik het zeer sympathiek om hem in zijn verinnerlijkte boekenkast naar het gedachtegoed van de filosofische scholen uit de oudheid te zien reiken. Daarin vindt hij geen antwoord, maar een veelheid aan antwoorden. Hij is overduidelijk een vos, in de zin die Isaiah Berlin daaraan gegeven heeft.

Nog zo’n vos en ook een vijftiger – al is hij de jongste – is Maxim Februari, die op 12 april in De Rode Hoed de Kousbroeklezing hield. Zijn boodschap is het meest toekomstgericht, het meest concreet en van een grote urgentie. Maar ook hij grijpt daarbij terug, of beter misschien: hij wil iets waarvan hij de waarde heeft leren inzien ervoor behoeden een wegwerpartikel te worden. Daarin sluit zijn maatschappijkritiek aan bij die van zijn generatiegenoten, al is hij misschien eerder een ‘dwarsdenker‘, die niet tegen de stroom in denkt en ook niet (sturend) met de stroom mee, maar in elke door hem gewenste richting dwars er doorheen. Hij schuwt het gebruik van grote woorden niet en waagt het zijn toehoorders ergens toe op te roepen:

Maar goed, Kousbroek heeft nadrukkelijk geweigerd een verbinding te leggen tussen alfa-, bèta- en gammadenken, en dus moeten we het zelf doen. Politieke vrijheden opeisen tegenover het internet der dingen. Menselijke waarden opleggen aan de techniek. Het is zonder twijfel de zwaarste opgave van onze tijd en we zullen alleen slagen als we ongegeneerd alfa worden en allereerst het menselijke zien in onszelf.

Wat mij opviel aan de eerste twee auteurs in mijn leesreis, is hoe actueel hun inzichten nog altijd zijn. Wat hebben degenen die na hen kwamen er eigenlijk mee gedaan? Helpt het wel als iemand zijn of haar wijsheid als proviand voor de toekomst uitdeelt? Hoe zal het de woorden van Hermsen, Gude en Februari vergaan? Het ligt niet in mijn aard om hierover optimistisch te zijn, maar om pessimisme moet je bij mij ook niet aankomen. Er is weliswaar niets nieuws onder de zon, maar we stappen ook geen twee keer in dezelfde rivier. Kortom: het menselijk samenleven is een ouwe hutkoffer vol verkleedkleren, waaromheen een kluwen kleuters zich verdringt alvorens zo echt mogelijk het schouwtoneel van de wereld te betreden. Daar moeten we het maar mee doen.

Advertenties

Read Full Post »

02062014

 

Het verhaal kende ik al, mijn dochter Laura en haar klas kende ik al, haar schoolgebouw kende ik al. O ja, en mijzelf, natuurlijk ook. Tenminste, dat dacht ik. Toch hadden wij nog nooit zó als een levend planetarium om elkaar heen gewerveld als op die woensdagavond. Heerlijk, hoe die kinderen theater kunnen maken! In de afgelopen weken had klas 11E van het Geert Groote College Amsterdam onder begeleiding van twee bevlogen drama-docentes zelf een toneelbewerking gemaakt van De Kleine Prins van Antoine de Saint-Exupéry. Uiteraard mochten wij komen kijken.

En beleven dat een verhaal in het theater iets heel anders doet dan in de beslotenheid van een boek. Op papier is het vlees als het ware woord geworden, op het toneel wordt het woord weer vlees. Je verbeelding krijgt wat minder ruimte, maar je zintuigen moeten opeens veel harder aan het werk. Zeker in de bewerking die onze kinderen van het sprookje hadden gemaakt. Alleen in het begin mochten de toeschouwers blijven zitten, daarna werden we letterlijk bij de hand genomen voor een tocht door het hele schoolgebouw en zelfs daarbuiten. Theater zonder podium, een uitkomst voor iemand als ik die altijd al na een kwartier ongemakkelijk op haar stoel heen en weer begint te schuifelen.

Laura was de roos, waar het verhaal mee begon: “Ik heb moeilijkheden met een bloem,” zei het prinsje immers, en daarom was hij van huis weggegaan. Als ik denk aan de moeilijkheden die zij en de jongen die het prinsje speelde met elkaar hebben gehad, dan was het niet minder dan een wonder om te zien hoe het spel die verhoudingen op een heel ander plan bracht. Hier mochten, nee moesten, zij allebei kwetsbaar zijn. Maar goed, het verhaal is middelpuntvliedend, dus daar bleef het niet bij. Na de openingsscène nodigde het prinsje ons uit om in drie groepen met zijn drie alter ego’s mee te gaan voor een reis langs de planeten.

Hier hadden de leerlingen zich op een zo aanstekelijke manier uitgeleefd in het creëren van de verschillende tonelen, dat ik ze het liefst allemaal zou beschrijven. Met rekwisieten die uit twintig verschillende huishoudens bijeen gescharreld waren (en dus niet op het budget drukten!) waren echte juwelen van decors in elkaar gezet. Less is more. En wat een inventief gebruik van de ruimtelijke gegevenheden! Stel je een slang voor die – arme jongen! – in een toepasselijke ‘onesie‘ op zijn buik door het zand van een nog niet betegeld stukje schoolplein kruipt. Of een jongen met een Febo-baret op, die fastfood verkoopt vanachter de balie in de kantine: hun versie van de “marchand de pilules perfectionnées“.

Op dat moment deelde ons prinsje minuscule broodjes hamburger uit, waarvan we proefondervindelijk vaststelden dat het wine-gums waren.

Het mooiste vond ik de vos, toch al mijn lieveling in het verhaal, die in (alweer) een ‘onesie‘ op een verhoogde vlonder in het handarbeidlokaal zat. Ik kreeg er kippenvel van toen ik die heerlijke dialoog door de ruimte hoorde gaan en het elkaar langzaam naderen voor mijn ogen zag gebeuren. Benevolent besluipen, met wederzijdse instemming. En dan dat afscheid, waarbij wel gehuild mocht worden, maar dat je niet in termen van verlies hoefde te zien. Daarbij kregen ook wij een geheim mee:

Voici mon secret. Il est très simple : on ne voit bien qu’avec le coeur. L’essentiel est invisible pour les yeux. -L’essentiel est invisible pour les yeux, répéta le petit prince, afin de se souvenir. -C’est le temps que tu a perdu pour ta rose qui fait ta rose si importante. -C’est le temps que j’ai perdu pour ma rose… fit le petit prince, afin de se souvenir. -Les hommes on oublié cette vérité, dit le renard. Mais tu ne dois pas l’oublier. Tu deviens responsable pour toujours de ce que tu as apprivoisé. Tu es responsable de ta rose… -Je suis responsable de ma rose… répéta le petit prince, afin de se souvenir.

Daar konden we het mee doen, want in het dagelijks bestaan komen we maar al te vaak wonderlijk dicht bij de karikaturen die Antoine de Saint-Exupéry van ons heeft geschilderd. Het is makkelijk om uit het oog te verliezen wat er werkelijk toe doet in het leven. Moeilijker is het je te herinneren wat er allemaal ‘trop oublié‘ is en dan de weg naar de kern terug te vinden.

 

Read Full Post »

01062014

 

Tja, dat komt ervan, als je als ouder in de voetstappen van je kinderen treedt. Wat komt ervan? Dat ik afgelopen week mee liep in de Nacht van de Vluchteling, een sponsorloop, georganiseerd door de Stichting Vluchteling, met als doel geld bijeen te brengen voor noodhulp aan vluchtelingen in Syrië. In één nacht veertig kilometer lopen en dat als onderpand gebruiken om je eigen naasten tot naasten van die Syrische ontheemden te maken. Goed voor ruim vijfhonderd euro, dat is twaalf en een halve euro per kilometer, oftewel vijftig euro per uur. Een wonderlijke transactie, maar het leverde al met al een half miljoen euro op. En voor mij zelf was het een bijzondere belevenis, waar ik weer van alles bij heb lopen bedenken.

Zo werd ik er weer eens met mijn neus op gedrukt hoezeer ik mij normaliter omring met mensen die in hun manier van doen sterk op mij lijken. Bij de meer activistische bezigheden waar ik mij in het verleden mee ingelaten heb, leken de mensen vooral heel erg op elkaar. Een spektakel als de Nacht van de Vluchteling gaf me de gelegenheid mij te midden van een soort dwarsdoorsnede van Nederland te bevinden. Alleen vrouwen leken in de meerderheid. Soit, nog dertig kilometer.

Zo vroeg ik mij natuurlijk af hoeveel van dat halve miljoen er ‘aan de strijkstok’ bleef hangen. Mijn natte vinger vermoedde dat het organiseren van een dergelijke actie toch zeker zo’n tien procent van de bruto opbrengst kost. Is dat erg? Zou dat niet anders kunnen? Alleen vrijwilligers inzetten, iedereen zelf zijn boterhammen en thermosfles mee. Dan blijft er meer over voor de arme vluchtelingen. Jee, wat moet ik met dat soort calvinistische gedachten? Ha, een prullenbak! Nog vijfentwintig kilometer.

Maar toch: wat werden we in de watten gelegd! Nijvere handen hadden het hele parcours bewegwijzerd met stoepkrijt, pijlen en grappige aanmoedigingen. “Spelen mag,” bij een speeltuintje in een Vinex-wijk. Muziek, koffie, muesli-repen, krentenbollen, soep, zelfs Ben & Jerry ijs. “Mevrouw, zou u misschien een ijsje lusten?” vroeg het wellevendste padvindertje dat ik ooit gezien heb, toen ik in Rijswijk zijn clubhuis binnen strompelde. Er waren zelfs mensen bij het krieken van de dag uit hun huizen gekomen om ons aan te moedigen. Dát zou je die vluchtelingen wensen. Kom op, nog maar twintig kilometer.

Ach, en dan die ‘druppel op de gloeiende plaat’. Als er geen anderen waren om die te berde te brengen, dan deed mijn eigen hoofd het wel. Een half miljoen euro voor negen miljoen ontheemden. Dat is voor iedereen een snoepje, en dan nog wie het eerst komt het eerst maalt. Rekenkundig klopt het als een bus en eigenlijk zou dat een reden moeten zijn om niet aan dit soort onzin mee te doen. Maar als wij dit doen, dan zou het zomaar kunnen dat het op meer plekken gebeurt. En stel je eens een wereld voor zonder die druppels. Vooruit dus, nog vijftien kilometer.

Ondertussen is de zon opgekomen en wordt het langzaam warmer. Mijn wandelmaatje en ik worden stiller. De colonne heeft zich uitgerekt, want ieder loopt in zijn eigen tred. Ons tempo zakt, ons zuchten stijgt. Verdorie, het valt toch tegen. Een marsmuziekje dient zich aan vanuit mijn hersenschors en vult de leegte daarbinnen. Af en toe kijken we elkaar aan en voor het eerst die nacht beginnen we een heel klein beetje op vluchtelingen te lijken. Bijna klaar om onze schoenen uit te trekken en onze moed – niet meer dan een handje vol zand is er over – eruit te kieperen. Maar ja, wat dan? Op zo’n moment ben je maar wat blij dat je er niet alleen voor staat. Laten we het over die laatste tien kilometer maar niet hebben.

En dan is het eindpunt toch opeens nog maar één straat verder. Daar heerst een wonderlijke stemming van feestelijkheid en vermoeienis. Een levensgrote pluchen leeuw komt ons tegemoet en we krijgen een heuse knuffel. Het ontbijt is inmiddels een brunch geworden, maar er is nog genoeg. En: we hebben het gehaald! Met dank aan de organisatie en natuurlijk ook aan mijn dochter, die me op het idee bracht, en aan mijn beminden, die zo royaal gedoneerd hebben dat ik trots op ze ben.

 

31052014

Read Full Post »

« Newer Posts