Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2014

09042014

 

Op het spoor gezet van de robotica kwam ik terecht op een plek waar ik nog nooit van gehoord had, maar die mij meteen heel bekend voorkwam: Uncanny Valley. Ik voelde mij daardoor ook een tikje ‘unheimlich‘, want het leek erop dat ik de manier waarop men daarover schreef wel begreep, maar dat ik een en ander zelf anders voelde. Niet dat ik dat vervelend vond, integendeel bijna: er kwamen allerlei vragen in mij op en dat vind ik prettig, tot op zekere hoogte. Verwondering is heilzaam, verwarring op zijn tijd ook nog wel, zolang het niet ongemerkt in verbijstering overgaat.

Zo verwonderde het mij dat er op de bodem van het dal in het grafiekje hierboven een lijk lag, en nog twee spaden dieper een ‘zombie‘. En hoe zit het precies met die ‘positieve emotionele respons’? Is positief hetzelfde als gewenst en ervaren wij allen dezelfde gevoelens als positief of ben ik daarin misschien een beetje raar? Kun je gewoon en raar naar believen met elkander ruilen, als in: nu ben jij even raar, afgesproken? Is het zinvol of wenselijk om deze kloof te overbruggen of te dempen? Word je een lijk of een zombie als je probeert eroverheen te springen en de overkant net niet haalt?

Ruim een jaar geleden bevond ik mij in de snijzaal van de medische faculteit waar mijn oudste dochter studeert. Het klinkt misschien paradoxaal, maar het verbaasde mij dat ik me daar volkomen op mijn gemak voelde, want ik meende te weten dat dat eigenlijk niet hoorde. Aan de andere kant: wat de andere ouders voelden, weet ik niet. Mensen zijn niet altijd even doorzichtig. Onder de levenden bevonden zich twee doden, een man en een vrouw, die aanvankelijk afgedekt met een zeiltje op twee tafels lagen. In de loop van de les werden zij onthuld en tot in het diepste van hun lichaam voor ons opengelegd. Wij mochten alles aanraken, optillen, vasthouden. Al die tijd was hun gelaat onbedekt. Mijn dochter vertelde dat men daarmee probeerde te voorkomen dat je zou gaan denken dat daar een ding lag in plaats van een mens.

Ik was getroffen door de sfeer van eerbied (een positieve emotionele respons, als je het mij vraagt) die de ruimte vulde. Later heb ik geprobeerd te begrijpen waarom alles wat ik daar zag en voelde mij zo vertrouwd leek. Of dat gelukt is weet ik niet zeker, maar ik kwam uit bij de constatering dat ik mij zo dikwijls had opgehouden in het grensgebied tussen leven en dood, dat ik mij daar geen kloof meer voorstel maar een woud waar men kan wandelen. Het was alsof ik daar eerder was geweest, toen ik dieren slachtte en bereidde en ook nu, wanneer ik mensen die dicht bij de dood zijn help bij de verzorging van hun lichaam. Misschien ben ik wel raar en zou ik daarin meer afstand moeten nemen, maar ergens ben ik wel gesteld op de intimiteit die daarin mogelijk lijkt: het zou niet eens erg zijn als je van rol kon wisselen.

Maar dan iets dieper, waar de ‘zombie‘ zich beweegt, wordt het daar ‘uncanny‘? Ik heb nog nooit een zombie ontmoet, dus moet mij behelpen met het aan elkaar knopen van eindjes ervaring, waarvan ik mij voorstel dat die er bij in de buurt komen. Het woord zombie hoorde ik voor het eerst uit de mond van mijn broertje, in de tijd dat hij zich tussen zelfmoordpoging en zelfmoord bevond. Hij gebruikte het om aan mij uit te leggen hoe hij zich voelde, voor zover je een woord als ‘voelen‘ kunt gebruiken om juist het ontbreken ervan te beschrijven. Ik vond dat een zeer beangstigende geestestoestand, maar ik bleef pogingen doen tot compassie – in mijn ogen een positieve emotionele respons. Later heb ik zelf steeds vaker perioden van vervreemding, depersonalisatie en dissociatie ervaren, zodat zelfs daarmee een soort vertrouwde omgang ontstond.

Zo lijkt elke kuil een bodem te hebben, waar je rustig kunt liggen of vanwaar je de weg omhoog naar de rand kunt zoeken. Misschien een rare, maar voor mij geruststellende gedachte.

Advertenties

Read Full Post »

Goede bedoelingen

07042013

 

Natuurlijk was het goed bedoeld, daar twijfel ik niet graag aan. Net zoals de zoon het goed bedoelde, toen hij op zoek ging naar een “barmhartige arts die euthanasie wil verlenen” aan zijn moeder die dat zelf niet nodig vond, maar die wel ooit had verklaard dat het leven dat zij nu leidt haar niet leefbaar leek. Maar in de meeste gevallen is het hebben van goede bedoelingen niet genoeg, eigenlijk begint het dan pas. In het geval van onze goede bedoelingen met de goede dood geldt dat misschien nog wel sterker dan in het leven dat zich op grotere afstand van het graf afspeelt. Bij de dood is het erop of eronder.

Ik kom hierop doordat ik het laatst met een van mijn ‘zorgvragers’ over euthanasie had. Zij begon daarover tegen mij, omdat haar huisarts er tegen haar over begonnen was. Nog maar net was zij uit het ziekenhuis naar huis gestuurd met een akelige diagnose, waar geen behandelcombinatie meer aan vast zat. Nu denk ik: dan begint dus de zorg, want palliatieve zorg is – al klinkt het een beetje raar – mijn lust en mijn leven. Haar huisarts begon echter meteen over euthanasie. Misschien wist zij niet dat haar patiënte een vroom katholieke gelovige was, voor wie de dood Gods werk is, probeer ik nog vergoelijkend te denken. Maar vervolgens begin ik me af te vragen hoe het zit met haar kennis van verwerkingsprocessen: mensen in de situatie van mijn mevrouw hebben doorgaans de behoefte om eerst een hele poos over de klap te praten, dan pas komt het ‘hoe nu verder’ aan bod. En dan begint, dat zei ik al, wat mij betreft de zorg.

Wat me aan deze situatie nog het meeste trof, is dat ze niet op zichzelf staat. In de afgelopen twee jaar heb ik precies dezelfde scène nog een paar keer meegemaakt, waardoor ik het moeilijker vind om zoiets als een incident te zien. Ik zou het ook nog geen trend willen noemen, maar begin er liever over te praten voordat het zover is. Ondertussen denk ik er bijna dagelijks over na en dan probeer ik voor al om mij te verplaatsen in de huisartsen die met deze op het eerste oog onbesuisde benadering komen. Waaruit is die ontstaan, behalve uit goede bedoelingen?

In de discussies over de toenemende vraag naar euthanasie komt herhaaldelijk naar voren dat het menselijkerwijs gesproken erg moeilijk is om het aanbod daarmee in evenwicht te brengen. Hoezeer wij het er met ons allen ook over eens zijn dat een mens moet mogen sterven als hij of zij dat wil, de menselijke psyche is niet zonder meer toegerust om daar een actieve rol in te spelen. Gevoelsmatig vergt het nogal wat om iemand dat spuitje te geven. Ondertussen loopt de maatschappelijke druk op artsen langzaam maar zeker op. Ik kan mij voorstellen dat onder die druk sommige artsen (misschien juist de gevoeligste) hun gevoelens hypercorrigeren in de richting van wat sociaal wenselijk lijkt.

Vervolgens probeert mijn voorstellingsvermogen in de huid van die mevrouw daar op dat bed te kruipen. Als ik haar was zou ik op mijn beurt ook een druk ervaren, de druk om die goed bedoelende arts ter wille te zijn en liefst zo gauw mogelijk met een kloek besluit te komen. En met al die geluiden over voltooide levens in de media kan dat maar één besluit zijn. Of heb ik nog een goede reden om ‘erop’ te kiezen in plaats van ‘eronder’? Dat kan niet de bedoeling zijn van al die goede bedoelingen, denk ik dan.

Read Full Post »

03042014

*

 

voor Irene

*

Net toen ik mijn grote broer Google voor de zoveelste maal tevergeefs met hetzelfde verzoek had benaderd en ik vreesde dat een van ons beiden de deur met een klap in ’s anders gezicht dicht zou gooien, zag ik het juweel schitteren tussen de rotzooi in zijn kolenschoppen van handen. Al zeker drie jaar was ik telkens weer op zoek gegaan naar een verhaal uit mijn kleuterjaren, dat weliswaar grote indruk op mij had gemaakt, maar waarvan ik mij geen woord meer herinnerde. Vage beelden die mijn geestesoog destijds had gevormd spookten nog wel door mijn hoofd, maar Google is geen ‘beelddenker‘, dus daar schoten we niets mee op.

Vandaag heb ik de titel gevonden, en een paraphrase van de inhoud én een fragment. Het boekje dat mij rond mijn vierde levensjaar werd voorgelezen is ongetwijfeld Het Druivejurkje van Pauline Jacoba Cohen-de Vries geweest. Heel kort: het gaat over een verwend prinsesje, dat haar moeder ten einde raad brengt door te blijven zeuren om een jurkje van druivenschilletjes. Uiteindelijk komt er een aardmannetje aan te pas, dezelfde die de kinderwens van de koningin in vervulling had doen gaan:

Langzaam kwam de kabouter op haar toe. Toen stak hij beide handen in z’n zakken, trok de dikke wenkbrauwen samen en zei, een beetje spottend:
“Zoo, zoo! Hier hebben we dus de jonge dame, die zoo hard schreeuwen en gillen kan, dat wij ’t hier hooren kunnen.”
Hij stond haar maar op z’n dooie gemak te bekijken. En voor ’t eerst van haar leven schaamde Machteld zich en begreep zij, hoe leelijk en dom het was, zoo’n keel op te zetten.
“En wat was er gisteren weer aan de hand?” vervolgde de kabouter. “Waar heb je zoo om gedwongen, dat je moeder er geen raad meer mee wist?”
“Ik wou zoo graag een druivejurkje hebben,” zei het meisje zachtjes.
“Een wàt?” De dikke wenkbrauwen werden hoog opgetrokken.
“Een jurkje, van hetzelfde goed, waar de druiveschilletjes van gemaakt zijn. ’t Zou zoo beeldig zijn. Maar je kunt het niet bij een koopman krijgen. ’t Moet getooverd worden.”
En opeens keek ze hem vriendelijk aan en vleide: “Kan jij tooveren? Toe zeg, geef me dan zoo’n jurkje. Ik zou er zóó blij mee zijn.”
De kabouter stond naar den grond te kijken, en streek over zijn lange grijze baard. Hij scheen diep na te denken. Maar opeens hief hij ’t hoofd weer op en zei: “Goed, je kunt zoo’n jurkje van mij krijgen. Maar je moet het eerst verdienen.”

Hoewel ik allesbehalve een prinsesje was (wij waren met velen en hadden weinig geld – druiven zag ik eens per jaar in de fruitmand, die mijn moeder van de diaconie kreeg als zij weer bevallen was), wist ik meteen dat dit verhaal over mij ging. Heel jong al was ik rijk aan onmogelijke verlangens. Soms joeg ik ze na, maar vaker nog ging ik ervoor op de vlucht. Bovendien kwam me in het leven zoveel simpelweg aanwaaien, dat ik bij uitstek een kabouter nodig had om van mij een heel mens te maken. Tenslotte is tenminste één van mijn onmogelijke verlangens werkelijkheid geworden. “Ben je nu gelukkig?” vraagt men zo nu en dan.

Jawel, zeg ik dan in alle eerlijkheid, maar als het erop aankomt valt dat geluk niet eenvoudig samen met de vervulling van mijn verlangen. Liever zou ik het een ‘bijwerking’ willen noemen. Terugkijkend ben ik vooral gelukkig met alles wat ik op de weg naar hier heb mogen doen, met wat ik meemaakte en hoe dat alles mij gevormd heeft. Vooruitkijken leek een tijd lang moeilijker, omdat ik een groot deel van mijn vroegere rijkdom kwijt was. Maar de laatste weken gebeuren er opeens allemaal dingen die me op pad sturen. Eén ervan wil ik hier noemen, omdat het me weer aan mijn druivejurkje deed denken. Ter gelegenheid van het feest dat ik onlangs vierde, kreeg ik van de vriendin aan wie ik dit berichtje opdraag een gedicht in het Hebreeuws. Ik kan het niet lezen, maar zij verzekerde mij dat het pure schoonheid is en zij kan het weten. Zij weet ook hoe onvertaalbaar het is. En ik zie hier een vingerwijzing van mijn aardkabouter in: ga je de moeite getroosten om er zo dicht bij te komen als je kan.

Read Full Post »

Ik zie rond

02042014

 

Een lente of vier geleden was ik getuige van de geboorte van een geitje. We waren in het Amsterdamse Bos op de Ridammerhoeve, op één van maart’s negen zomerse dagen. De meeste kinderen hadden het te druk met spelen en de ouders met hun kinderen, dus het viel bijna niemand op. Ook de andere geiten leken geen acht te slaan op de barende buurvrouw, die stil en gelaten in een hoekje van het hok stond. Eén jonkie lag al aan haar voeten in het stroo en zij was bezig het schoon te likken, toen er zich een tweede aandiende. Met een lichte schok schoot het kopje tevoorschijn uit een baaierd van bloed en slijm. Wat er toen gebeurde behoort tot de mooiste dingen die ik ooit heb mogen zien: het kopje draaide zich en keek in het rond.

In één oogopslag leek het de wereld in zich op te nemen. Ik stelde mij een camera obscura voor, ergens in de kleine geitenziel, die nog draalde in de warme moederschoot, en dat zich daarin een wereldbeeld vormde. You never get a second chance to make a first impression, zei ik in gedachten tegen de wereld om me heen. En ook al gaat het bij ons allemaal veel trager en ook heel diffuus, aan dat adagium ontkomt de wereld ook bij ons mensen niet. Een wereldbeeld, we bouwen er aan, ons leven lang, maar het fundament is gelegd in een tijd dat wij nog niet konden kiezen welke steen of welke plank de volgende zou zijn. Dat fundament neem je mee, zolang je verder leeft.

Het mijne heb ik te danken aan het gereformeerde gezin waarin ik ben opgegroeid, aan het dorpsleven, aan de boerderij van mijn grootouders en de dieren die daar met ons leefden. Wat ik ook later gebouwd en gesloopt en weer opgebouwd en verbeterd heb, het hele huis klinkt nog naar de bevindelijkheid van mijn ouders, grootouders, overgrootouders. De geur die er hangt, inmiddels een bouquet van grote complexiteit, draagt nog altijd onmiskenbaar een ondertoon van melk en mest. Nestgeur. Het licht komt er van buiten, dat wel.

Niet alleen in de donkere kamer van onze ziel, maar ook onder de koepel van ons menselijk samenleven bouwen we aan een wereldbeeld. Het verrijst als een tempel in ons midden. Of er een God of een Waarheid komt wonen, ik weet het niet. Dat we samen bouwen is al heel wat, en dat we daarbij voortdurend met elkaar praten nog belangrijker. Ondertussen is ons bouwsel een wereld op zich, waar je omheen kunt lopen en binnen kunt treden om het beetje bij beetje te ontdekken. Als je kiekjes maakt, hou je een album aan wereldbeelden over. Ik houd van dat album, de beelden erin zijn pure poëzie.

Een van de plaatjes waar ik graag zo nu en dan naar kijk is het volgende gedicht. Op de school van mijn dochter beginnen ze er de dag mee, elke dag. Alsof je de wereld heel even stil kunt zetten en als een toren op elkaar kunt stapelen. Meteen daarna begint hij weer te draaien, en al gauw zit er geen kop of staart meer aan. Maar dat moment van stilte is er geweest, genoeg om de echte wereld tegemoet te treden, voor een dag.

 

 

Ik zie rond in de wereld,
waarin de zon haar licht zendt,
waarin de sterren fonkelen,
waarin de stenen rusten,
de planten levend groeien,
de dieren voelend leven,
waarin de mens bezield
de geest een woning geeft;

Ik zie diep in de ziel,
die binnen in mij leeft,
De Godesgeest, hij weeft
in zon- en zielenlicht,
in wereldruimten buiten,
in zielendiepten binnen.

Tot u, o Godesgeest,
wil ik mij vragend wenden,
dat in mij kracht en zegen,
voor leren en voor arbeid,
tot wasdom mogen komen.

Read Full Post »

« Newer Posts