Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2014

Vind-ik-niet-leuk

14032014a

Voor wie het lot van mijn potkachel ter harte gaat: er is verandering gekomen in de stand van zaken. Een paar weken geleden ontving ik voor de zesde keer een formulier van Stadgenoot met het verzoek mij akkoord te verklaren met hun plan om in mijn huis een HR-ketel met CV-installatie te installeren. In de begeleidende brief meldde men dat de rechter inmiddels in hun voordeel had beslist in een kort geding tegen 9 weigeraars. Als ik niet binnen twee weken zou tekenen voor akkoord, dan zou men mijn dossier overdragen aan de juridische afdeling, waarna sommatie en dagvaarding zouden volgen.

Het duurde even voor ik het vonnis van de kantonrechter had gevonden op internet, maar niet lang voordat mij vervolgens de moed in de schoenen zonk. De rechter oordeelt dat Stadgenoot een renovatie-voorstel doet volgens artikel 7:220.2 van het Burgerlijk Wetboek en dat dit voorstel bovendien aan de redelijkheidseis voldoet.

14032014b

Blijkt dat het ministerie van VROM al in 2008 de strijdbijl tegen open verbrandingstoestellen heeft opgepakt. Hoewel men er een hard hoofd in heeft of die wel echt wettelijk te verbieden zijn, adviseert men verhuurders, vooruitlopend op het ‘wettelijke spoor’, een ‘praktisch spoor’ te volgen, zodat mijn potkachel en haars gelijken binnen een paar decennia uitgefaseerd raken. De bezwaren van huurders hiertegen leggen in ’s rechters ogen weinig of geen gewicht in de schaal.

En als we het dan toch over momentum hebben: ongeveer gelijktijdig aan dit vonnis stelde CU-kamerlid Schouten een aantal kamervragen met de bedoeling het onafwendbare proces te versnellen. Om haar verzoek aan de minister voor Wonen en Rijksdienst kracht bij te zetten komt zij op de proppen met een Facebook pagina die binnen 5 dagen 11000 vind-ik-leuks had gekregen. Dus zó wordt vandaag de dag de stem des volks gehoord, dacht ik, enigszins schamper. Toen ik echter over de schouder van een van mijn kinderen mee keek naar de betreffende pagina, werd het me koud om het hart. Het is een soort in memoriam voor twee kinderen die aan koolmonoxide-vergiftiging zijn overleden.

Ten overstaan van zulk persoonlijk leed is het natuurlijk ongepast om nog over ‘aanvaardbaar risico’ of ‘afdoende maatregelen’ te beginnen. Verdere kanttekeningen bij de hele gang van zaken zal ik ook maar voor me houden. Stilletjes teken ik het vonnis van mijn potkachel. Kan dadelijk op de bus. Postzegel niet nodig. Maar leuk vind ik het niet.

Advertenties

Read Full Post »

13032014

Hoe kan het dat ik de dagboeken van Etty Hillesum nu pas lees? Waarschijnlijk had ik er iets over gehoord dat me afschrikte: ik verwachtte mogelijk een heilige tegen te komen, in wier gezelschap ik mij slecht op mijn gemak zou voelen. Omdat ik me al heel lang en heel basaal slecht op mijn gemak voelde in het leven, probeerde ik dat waar ik maar kon te reduceren. Destijds waarschijnlijk terecht, nu overbodig. Ik trof in haar dagboekbladen een leuke vrouw, die helemaal niet zo ver van mij af stond en met wie ik mij graag zou vereenzelvigen.

Op aanraden van haar therapeut – en geliefde – Julius Spier hield Etty de laatste anderhalf jaar van haar leven een dagboek bij. Daarin kunnen wij haar innerlijke ontwikkeling volgen, in samenhang met haar historisch bepaalde plaats in het leven en de wereld: zij was joods en ging welbewust de vernietiging die het Derde Rijk haar had toebedeeld tegemoet. In de loop van het verhaal komt er nog een derde rol bij: God doet zijn intrede in haar leven en wordt een licht op haar pad, ook al voert dat naar een verbijsterend einde.

Hoe kan het dat die dagboeken pas 38 jaar na de oorlog gepubliceerd werden? Vrienden van Etty Hillesum hebben vanaf 1947 geprobeerd een uitgever te vinden, maar moesten hun pogingen na enige jaren staken. En dat terwijl zij een wereld die worstelde met de vraag hoe men na Auschwitz nog in God zou kunnen geloven zoveel te vertellen had! Misschien was die wereld te zeer gegrepen geraakt door het besef dat dit niet had mogen gebeuren en dat een herhaling koste wat het kost diende te worden voorkomen. Het besef dat een God de mensheid zou vergunnen op te staan na zulk een val of dat de mens niet zelfstandig het goede zou kunnen bereiken is niet iets wat gemakkelijk ingang vindt. Nog steeds niet.

Het geloof van Etty Hillesum is eerder christelijk dan joods. Zij leest de Bijbel met het Nieuwe Testament erbij en verdiept zich in Augustinus en Rilke. Maar bovenal is haar geloofsbeleving persoonlijk en mystiek. Juist daaruit put zij haar kracht om het goede te doen in een wereld die zij niet kan verbeteren. Dikwijls voelt zij zich daarin onbegrepen, regelmatig treft haar vanuit haar omgeving het verwijt dat je je toch niet zomaar neer kan leggen bij wat er gaat gebeuren. Maar ondertussen wordt zij zich steeds sterker bewust van de helderheid en eerlijkheid die ten grondslag ligt aan haar mystiek. Kom, ik laat haar even aan het woord en houd verder maar mijn mond.

Het is soms nauwelijks te verwerken en te bevatten, God, wat jouw evenbeelden op deze aarde elkaar allemaal aandoen in deze losgebroken tijden. Maar daarvoor sluit ik me niet op in m’n kamer, God, ik blijf alles onder ogen zien en wil voor niets weglopen en van de ergste misdaden tracht ik iets te begrijpen en te doorgronden en ik tracht altijd weer de naakte, kleine mens op te sporen, die dikwijls niet terug te vinden is. Midden in de monstrueuze ruines van zijn zinloze daden. Ik zit hier niet in een rustige kamer met bloemen te zwelgen in Dichters en Denkers God te prijzen, dat zou heus geen kunst zijn en ik geloof ook niet dat ik zo weltfremd ben als mijn goede vrienden vertederd zeggen. Ieder mens heeft nu eenmaal z’n eigen realiteit, ik weet het, maar ik ben geen verdroomde fantaste, God, een nog wat bakvisachtige ‘schöne Seele’. Ik zit oog in oog met jouw wereld, God, en ontvlucht de realiteit niet in schone dromen – ik meen dat er plaats is voor schone dromen naast de wreedste realiteit – en ik blijf je schepping prijzen, God – ondanks alles!

Read Full Post »

Italy Landslide

Eigenlijk had ik een heel ander blog willen schrijven dan dit. Vorige week las ik The Mosquito Coast van Paul Theroux en dat had ik – agglomererend als ik gewend ben te denken – graag in verband gebracht met andere lectuur van de afgelopen weken. En met mijn eigen geschrijf over “mij verhouden tot het idealisme van mijn jeugd”. Het werd al met al reeds een behoorlijke kluwen of klont en misschien had deze of gene het best aardig gevonden om te lezen hoe ik dat aanpakte, maar goddank: het hoeft niet meer. Waarschijnlijk heb ik hierover ondertussen ook wel eens genoeg geschreven.

Mijn jongste dochter Laura is (naast een jongere vriendin) degene die dit thema regelmatig in mij aanraakt. Zij overweegt Future Planet Studies te gaan studeren en is gegrepen door Eradicating Ecocide van Polly Higgins. In gesprekken met haar word ik mij langzaam sterker bewust van wat er leeft achter mijn manier van reageren op deze materie. Natuurlijk wil ik niet cynisch zijn en wellicht ben ik dat ook helemaal niet en hoort iemand van mijn leeftijd het enthousiasme van de jeugd nu eenmaal met enige reserve, maar vooral welwillendheid aan te horen. Ondertussen komt het me gevoelsmatig erg na.

Naarmate mijn kind mij meer uitdaagt, merk ik duidelijker dat er in mijn innerlijk iets ligt dat doet denken aan zo’n rotsblok middenin een akker, waar ik al jaren omheen loop te ploegen. Kennelijk wordt het tijd dat ik daar eens mee in het reine kom. Dezelfde gesprekken brengen me tot het inzicht dat mijn eindeloze hang naar associëren en het leggen van verbanden me daarbij niet zal helpen. Zo nu en dan kijkt zij mij vol verbazing aan en zegt: “Ja, maar dat is toch helemaal niet hetzelfde?” of: “Ja, maar dat kun je ook heel anders zien.” En dan is het plotseling alsof de akker groter wordt en het rotsblok kleiner.

Daarna hebben we het nog een hele poos over teleurstellingen en wat die met je kunnen doen en andersom. Want daar draait het om, en om levenskunst. Dus gaan mijn vingers later op de avond langs de titels in mijn boekenkast. Wat zal ik lezen, nu ik ziek op bed lig? Terwijl het vraagteken rustig plaatsneemt achter deze vraag in mijn hoofd, houden mijn vingers halt bij de dagboeken van Etty Hillesum. Misschien durf ik die nu wel aan.

Read Full Post »

 03032014

Zijn levenseinde was als volgt: toen hij zijn school verliet, struikelde hij en viel, waarbij hij een teen brak. Hij sloeg met zijn vuist op de grond en citeerde een versregel uit de Niobe, een tragedie:

Ik kom, ik kom, je hoeft me niet te roepen!

Vervolgens stierf hij ter plekke door zijn adem in te houden.

Diogenes Laertius, Leven en leer van beroemde filosofen

We zien het niet, want het speelt zich onder de grond af, maar de wortels van een plant zijn voortdurend aan verandering onderhevig: ze sterven af en groeien aan, al naar gelang de aarde voedsel en vocht biedt, maar ook in samenhang met wat er vanuit het loof naar beneden wordt gestuurd. Is die tak inmiddels door de wind afgerukt, of wordt dat blad door een ander overschaduwd? Zou het ook zo gaan met onze cultuur en haar wortels, vroeg ik mij onlangs af.

Dat kwam doordat ik het sap proefde in de discussies rond de zelfbeschikking over het levenseinde. Goed, doordat ik graag de weekendeditie van Trouw lees krijg ik nog wel wat vanuit de joods-christelijke wortels binnen, maar mijn indruk is toch dat dit blad moet vechten om het licht met ander gebladerte, dat uit een andere wortel spruit. Grieks, proef ik, en om wat specifieker te zijn: het komt uit de ‘stoa poikilè‘ van Athene, waar Zeno van Citium rond 300 voor Christus zijn lessen gaf. Op de drempel waarvan hij stierf door zijn adem in te houden, nadat hij zijn teen gebroken had.

Wat is eigenlijk de moraal van dit verhaal? Zag deze man misschien geen been meer in het leven, zodra hij niet kon gaan en staan waar hij wilde? Of moeten wij hem bewonderen om de heerschappij van zijn geest over het lichaam? Kernbegrippen in de stoïcijnse traditie waren ‘autarkie‘ en ‘apatheia‘, dus ik zit er waarschijnlijk niet erg ver naast als ik in dit verhaal en de filosofie die het wil illustreren de wortel zie van de huidige populariteit van het begrip zelfbeschikking. Hoe verleidelijk dat sap ook smaakt, ik zou het niet graag onversneden tot mij nemen. Vandaar een berichtje over een ander levenseinde, dat ik van dichtbij heb meegemaakt.

In het kader van mijn opleiding tot verzorgende in de thuiszorg moest ik leren wat er komt kijken bij de meer complexe zorg voor bedlegerige cliënten. Die komen niet allemaal in een verpleeghuis terecht. Zo kwam ik een poosje over de vloer bij het echtpaar Voorthuizen, waar in de woonkamer twee ziekenhuisbedden stonden, waarin meneer en mevrouw dagelijks door ons werden verzorgd. ’s Nachts waren de kinderen en kleinkinderen bij toerbeurt aanwezig. Alles liep er op rolletjes en als onze tijd nog legenden voort kon brengen, dan hoorde het verhaal van hun laatste levensjaar daar zeker tussen.

Ik kende deze mensen al, want ik had hen vier jaar tevoren een keer bijgestaan in het huishouden. Mevrouw was toen reeds wat stilletjes, vooral naast haar uitbundige man, maar nu bevond zij zich in het laatste stadium van dementie en ook lichamelijk (darmkanker, uitbehandeld) was zij aan haar eind. Meneer had een paar ernstige CVA’s doorgemaakt, dus hij kon niet meer praten (nou ja, met zijn ogen nog heel goed), moeilijk slikken (alles wat toch niet lekker was goten wij door een maagsonde direct naar binnen), niet meer poepen en piesen (daar hielpen een verblijfskatheter en klisma’s) en nauwelijks bewegen. Daarom moest hij liggend op bed gewassen worden en omdat hij toch graag nog wat voor het raam wilde zitten, tilden wij hem met een tillift uit bed om hem in een sta-op-stoel te plaatsen.

Vermoedelijk had Zeno van Citium allang met zijn vuist een gat in de aarde geslagen, maar meneer Voorthuizen bleef een blijmoedig mens, in elk geval tot zolang ik hem nog meegemaakt heb. Het was een voorrecht om hem te mogen verzorgen, alleen al om zijn ogen. Die zag ik niet als ik zijn achterste waste, maar dan spiegelden zij zich in de anders zo uitgedoofde blik van zijn vrouw in het bed ernaast, zodat die ook weer licht gaf. Maar de grootste lol kwam altijd als ik hem schone sokken aan moest trekken. Hoewel hij niet kon staan, kon hij zijn benen nog aardig bewegen en ik had er een hele klus aan die bijzondere rechtervoet van hem te vangen. En hij maar schaterlachen, zonder geluid.

Die voet, die had geen tenen meer. Dat wist ik nog van vroeger, want hij had me zeer geamuseerd verteld hoe die er door een tram waren afgereden. Destijds kocht hij nog schoenen: twee paar van hetzelfde model, in twee verschillende maten, waarvan de helft meteen in de vuilnisbak kon.

Uit welke culturele wortels dit leven zijn sap betrok weet ik niet, maar wanneer ik mijn metafoor trouw wil blijven, ben ik zonder meer geneigd om hier van bloemen en honing te spreken.

Read Full Post »

« Newer Posts