Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for augustus, 2012

Ziezo, het echte avontuur hebben we gehad, en overleefd. Daarmee is een schuld gedelgd en hoef ik me niet meer te schamen voor de gewone toerist die ik ben of voor de simpele behoeften die schuilgaan achter de activiteiten (of het nietsdoen!) die ik bega. Op al mijn reizen heb ik het slechts één keer zonder reisgids gedaan. Al die andere keren heb ik mijn beleving in gang laten zetten door de betekenissen die andere reizigers voor mij aan een weg of een plaats hadden gegeven. Alleen: voor mijn Balkonia bestaat nog geen reisgids. Die zal ik zelf moeten schrijven.

En dan moet ik meteen denken aan een merkwaardig boek, dat ik nooit gelezen heb en dat ik waarschijnlijk nooit zal vinden, waarvan ik slechts weet dat het bestaat: iemand heeft ooit een boek geschreven over het dorp, ergens in Amerika waar hij was opgegroeid. Een soort Boek van Alle Dingen was het geworden. Over die paar vierkante kilometers grond had hij alles opgeschreven wat er maar over te weten viel. Over de grond zelf, van de bouwvoor tot op het magma eronder. Over de hemel erboven, tot aan de rand van het heelal. Over de mensen, de dieren en de planten die er woonden. Alles, tot aan de uiterste grenzen van ruimte en tijd, wat betrekking had op zijn dorp heeft hij beschreven.

Zo zou ik mijn eigen reisgids van Balkonia willen schrijven. Zittend in een stoel zou ik een reis willen maken in de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte, zover als dat kan zonder me echt buiten het blikveld dat ik hier geniet te hoeven begeven. Zodat iemand die hier na mij komt een aanknopingspunt heeft om te kunnen zien wat er rond dit kleine stukje plankier te beleven valt. Als een spin in een web moet diegene alle draden kunnen bewandelen waaraan dit balkonnetje in de wereld hangt. Aanstekelijk moet het zijn, zodat de reiziger, als die weer thuis is,  zelf in eigen tuin en in archieven gaat snuffelen en graven.

Er komt een hoofdstuk over de geologie, over het ontstaan en de ontginning van het laagveen waarop Amsterdam drijft. En dan over de geschiedenis van dit plekje: nog geen honderd jaar geleden lag hier het platteland en stonden hier slechts een paar boerderijen. Kon ik de tijd als een paar dia-beelden over elkaar heen leggen, dan keek ik vanaf mijn achterbalkon op het dak van boerderij Veen Rust. Iets verder naar de horizon zag ik kinderen in een slootje spelen en aan de overzijde van de Schinkel kon ik misschien nog net Huis De Vraag ontwaren. Als ik mijn blik wat naar het zuiden zou verleggen, lag daar ’t Huys met het Toorentje, bekend van oude kaarten en van een prachtige prent uit 1727. Maar dan komen opeens de uitbreidingsplannen van Wibaut en Berlage, een geschiedenis apart.

Natuurlijk zal ik iets over Jop van Epen moeten vertellen, de architect van dit prachtige huizenblok, niet zonder ook uit te leggen wat wetenswaardig is over de Amsterdamse School-architectuur. Voor de echte toerist zal ik met mijn vinger wijzen naar de pittoreske details én naar het monumentale aan het complex.

Botaniseren doe ik in een gedeelte over Noord-Balkonia, waar de vegetatie de zeggenschap over de ruimte van mij heeft overgenomen. En oh, die prachtige beschrijving van een ‘bomenwandeling’ langs het Noorder-Amstel kanaal, die ik een jaar of wat geleden samen met Roos heb gemaakt als biologie-werkstuk, die komt er integraal in.

Over de mensen (en dieren) in en om dit huis valt vast en zeker veel te schrijven, etnologisch, demografisch, genealogisch, en zo meer. Zou het mogelijk zijn te achterhalen wie er allemaal op mijn verdieping hebben gewoond sinds de bouw van dit blok in 1929? Van één gezin weet ik het toevallig en daarmee krijgt dit huis een heel speciale verbinding met de geschiedenis van Europa.

Om de ogen enige wijdsheid te gunnen, zou ik willen schrijven over de hemel boven dit plekje aarde. Over weer en klimaat, en over de sterrenhemel, want ook van hieruit loopt een weg naar het andere einde van het universum. Voorlopig ben ik nog niet klaar. Waarschijnlijk blijft het wel alleen bij grasduinen: met het inplakken van mijn vakantiefoto’s loop ik immers ook al 27 jaar achter ……

Advertenties

Read Full Post »

Balkonia (1)

Wanneer ik mijn cliënten vertel dat ik binnenkort twee weken vakantie heb, willen zij natuurlijk graag weten waar de reis heen gaat. “Naar Balkonia!” zeg ik dan, vol enthousiasme. Tot nu toe is er nog niemand geweest die de uitdrukking kende. Voor alle duidelijkheid dus: ik zeg daarmee dat ik mijn twee weken verlof op mijn eigen balkon zal doorbrengen. Op twee balkons nog wel: Noord-Balkonia en Zuid-Balkonia. Over beide reisbestemmingen zal ik nog uitgebreid verslag doen, maar nu eerst over mijn avontuurlijke reis naar Noord-Balkonia.

Gisterochtend om vijf voor half acht trok ik de voordeur achter me dicht en meteen sloeg de schrik me om het hart: al mijn sleutels lagen nog boven in mijn huiskamer. Mijn gedachten zwierven op dit vroege ochtenduur rond, ergens in het grensgebied tussen Mensenrijk en Dierenrijk, een veelbelovend Niemandsland. “Wat doe je daar dan ook?” hoor ik een verstandige tweevoeter ergens ver over de grens lachen. Met een zucht neem ik de verantwoordelijkheid voor mijn handelen op mij en ga lopend op weg naar mijn werk. Gelukkig hebben ze daar een dienstfiets voor pechvogels  en dommeriken.

Mijn werk is gelukkig zo veeleisend dat ik me vijf uur lang niet druk heb kunnen maken over de vraag hoe ik die middag weer in mijn huis zou geraken. (Over de soortgrens nadenken is er trouwens ook niet bij.) Maar van uitstel komt niet altijd afstel en na een heerlijke wandeling langs het Noorderamstelkanaal stond ik dan toch weer voor de vaste deur. In het hele trappenhuis was geen levende ziel aanwezig om voor mij open te doen. Met de deur boven zou ik wel raad weten; hoe, dat vertel ik hier maar niet.

Plan B voerde mij een paar straten verderop, naar een vriendin die wel eens voor mijn katten zorgt. Zou zij misschien nog een exemplaar van mijn huissleutel in haar bezit hebben? Nee, helaas. Plan B 2.0 dan maar: mijn dochter in Amsterdam Noord bellen en haar vragen of ze mij wil komen redden. Mobiel wilde eerst aan de lader, eerder kon ze niets voor mij betekenen. Bijna zag ik de eerste golfjes chagrijn over mijn frustratiedrempel klotsen, toen er een buurman aan kwam lopen. Die was zeker zo aardig geweest om even voor mij naar Laura te bellen, ware het niet dat hij zonder mobiel de deur uit was gegaan. “Ik wil ‘m wel even halen,” zei hij nog bereidwillig, maar daar was geen tijd meer voor. Ik moest handelen, en wel heel snel, want mijn frustratiedrempel stond op het punt het te begeven.

Ik keek naar boven, waar zich tussen mijn voorbalkon en dat van de buurman naast mij een vijf meter lange dakgoot bevond. Mijn bloed werd koud: ‘sangfroid’, precies wat ik nodig had. Resoluut stapte ik het portiek in en belde aan. De buurman bleek thuis, ik legde hem uit wat mijn situatie was en dat ik wilde proberen om via zijn balkon door de dakgoot mijn huis binnen te komen. Of ik de vraag in het Engels wilde herhalen. Ook zonder dat ik op het woord ‘eavesgutter’ kon komen, begreep hij wat ik wilde en liet hij me zowaar naar boven komen.

Toen ik de hoge balkonrand zag en de vijf meter lange dakgoot die me van mijn eigen balkon scheidde, stond mijn verstand reeds op nul. Onder nul, zullen sommigen zeggen. Gelukkig wist de buurman me nog over te halen mijn handtas bij hem achter te laten: “Please, let me take your purse. I’ll bring it down for you.” Net op tijd, want ik stapte al met één been in de goot. En daar ging ik. Het was alsof ik op water liep, zo heerlijk zelfverzekerd voelde ik mij! Pas toen ik een minuut later (met mijn sleutels in de hand!) beneden stond om van de buurman mijn tasje aan te pakken, voelde ik mijn knieën klappertanden.

De satellietfoto van Google Maps geeft een mooi idee van hoe dit avontuurlijke tochtje er uit ziet. Langs dat schuine oranje pannendakje in het midden loopt de dakgoot, tien meter boven het maaiveld. En kijk nou toch, daar staat onze oude HY nog, lichtblauw te knipogen vanuit het verleden!

Read Full Post »

Soort zoekt soort

*

Over de praatjes van de mensenkinderen zei ik bij mezelf: God stelt hen op de proef en wil aantonen dat ze eigenlijk vee zijn.

Prediker 3:18 (eigen vertaling)

*

Mijn dochter: “En, wat heb jij vandaag gedaan?”
Ik: “Ik heb op internet mee gediscussieerd over de vraag of mensen al dan niet een diersoort zijn.”
Zij: “Maar daar kun je toch helemaal niet over discussiëren?”
Ik: “Hoe bedoel je?”
Zij: “Nou, dat is toch gewoon zo?”
Ik: “Ik dacht dus van niet.”
Zij: “Nah ja, …..”

Waarschijnlijk gelooft nu bijna iedereen dat het ontstaan van de soorten een kwestie van evolutie is geweest en dat het begin daarvan enkele miljoenen jaren geleden te situeren is. En toch is dat niet waar. De oorsprong van de soorten is eenvoudig historisch te traceren en wel in de achttiende eeuw, in het werk van Linnaeus. In de negentiende eeuw ontstond er een ware rage. Mannen uit de zogenaamde ‘leisure class’ hielden zich onledig met het verzamelen en documenteren van alles wat onder de noemer van ‘natuurlijke historie’ kon worden gebracht. Vlinderjagers, vogelbalgenpreparateurs, schedeluitkokers – aan hen hebben wij het ontstaan der soorten te danken.

Want wat is in ‘s hemelsnaam het belang van het definiëren van soorten planten en dieren? Geloof me, het ging oorspronkelijk alleen maar om de vraag: “Heb jij deze al?” “Eh, nee…..” “Nou, ik lekker wel!” “En die heb ik dubbel. Zullen we ruilen?”  Op een gegeven moment begonnen de heren collectioneurs met het uitkoken van de kadavers van hun personeel *) en ontdekten zij dat de mensen ook wel een plekje in hun verzameling verdienden. In eerste instantie natuurlijk alleen mensen van nederige komaf, die immers van nature al dichter bij de dieren stonden, maar vandaag de dag is een intellectueel die zich niet tot het dierenrijk rekent een witte raaf geworden. Maar kom, laat ik ophouden, want ik word een beetje vals.

Ik vond, – als leek, en misschien juist daardoor – de wilde stukken van onze discussie erg mooi. De relatie tussen lichaam en geest! Onze dierlijke kant! De biologische overeenkomsten! Communicatie tussen mens en dier! Wat hebben we niet allemaal overhoop gehaald? Had ik maar geen tijd voor dat soort dingen, net als een van de andere deelnemers! Maar dat heb ik wel. En anders hebben dat soort dingen wel tijd voor mij: ze weten me altijd weer te vinden.

Daarom wil ik dit nog zeggen: ik heb geen enkele moeite met mijn verwantschap met de dieren of mijn dierlijke kant. Eerder andersom. Als het aan mijzelf lag had ik allang een paar van die ganzen of konijnen, die in de buurt van mijn huis hun best doen een plaag te worden, onder het deksel mijn braadpan gehad. Maar dan vervreemd ik mij van mijn buren en ook bij mijn welpen hoef ik met dat soort lekkers niet aan te komen. Mijn moeite met “de mens als diersoort” ligt veel dichter bij andere vraagstukken.

Grofweg gaat het dan om de toenemende aandacht voor ’s mensen biologie. “Wij zijn ons brein.” “Typisch testosteron.” Dat soort dingen. Dan denk ik: was de mens niet een wonderlijk wezen, dat boven zichzelf uit probeert te stijgen? En dan heb ik het niet over het resultaat of de gevolgen daarvan, daar valt ongelooflijk veel op af te dingen. Nee, het is dat streven, die poging verantwoordelijkheid te nemen voor onszelf en onze daden. Dat zie ik in de mensen en daar bewonder ik hen om. En ik denk dat we met die zo populaire fixatie op onze biologie onze andere – ‘menselijke’ – vermogens en verantwoordelijkheden wel eens uit het oog zouden kunnen verliezen. Of op z’n minst onderschatten.

*) Gerardus Vrolik (1775-1859), prepareerde het skelet van de huisonderwijzer van zijn kinderen. Zelf gezien in 1983 in het toenmalige Museum Vrolikianum.

Read Full Post »

Voor elke workaholic valt over het begin van de vakantie nog de slagschaduw van het werk: afkicken geblazen. Een begin van ‘leeg maken’, juist terwijl je bezig bent je koffers vol te proppen. Zo ben ik vandaag in mijn hoofd en mijn hart bezig me los te maken van een doorschijnende oude dame die ik bijna dagelijks op haar bed verzorg. Op haar sterfbed, in de voorkamer, waar de zon naar binnen schijnt. Het zou zomaar kunnen dat haar zoon tijdens mijn vakantie de balkondeuren lekker open zet en dat zij dan stilletjes, door een zomers briesje opgetild, naar buiten zweeft, de hemel in.

Iets anders van mijn werk leg ik maar even hier neer. Dan ben ik het tenminste kwijt. Het is al een aantal malen gebeurd dat wij als verzorgenden door de wijkverpleegkundigen (die voor ons binnen de organisatie een controlerende instantie zijn) werden aangesproken op een “veel te persoonlijke omgang” met de zorgvragers. “Wat de cliënten niet allemaal over jullie blijken te weten! Dat kan echt niet, hoor!” Natuurlijk voelde ik mij aangesproken, want het is mijn kracht én mijn zwakheid om niet anders dan “persoonlijk” te kunnen zijn. Daar wil ik graag iets over vertellen.

Ik denk dat ik wel snap waarom de wijkverpleegkundigen blijkbaar anders denken of voelen over het houden van gepaste afstand. Bij hun taak past ook een andere afstand. Zij komen in de huizen van onze cliënten om een wond te verbinden, een injectie te geven of een een stomaplak te vervangen. Dat zijn handelingen die in een medische sfeer thuishoren en waar gemedicaliseerd wordt, ontstaat vanzelf afstand. Soms zelfs zo sterk dat mensen zich (tijdelijk) dissociëren van een deel van hun lichaam. Een losse ledemaat geef je makkelijker aan iemand uit handen dan de meest intieme delen van je lichaam.

Wij daarentegen richten ons juist op het verzorgen van het hele lichaam, soms tot in het meest intieme gebied. De zorg voor de huid, waarbij de zorgvrager zich helemaal bloot moet geven vraagt om een respectvolle nabijheid. Eén van de manieren om die te bereiken is door als verzorgende zo nu en dan iets uit je persoonlijk leven aan hem of haar te geven. Ook de kwetsbaarheid van de hulpbehoevende vraagt eerder om nabijheid dan om afstand. Natuurlijk kun je iemand die zelf onder grote lijdensdruk leeft gemakkelijk belasten met je eigen verhalen, maar het omgekeerde kan ook het geval zijn.

Iemand die veel beperkingen en ongemakken te dragen heeft, loopt het risico om ongemerkt steeds sterker op zichzelf betrokken te raken. Wanneer tegelijkertijd van een toenemend isolement sprake is, dan kan de kans om een beetje mee te leven met de wederwaardigheden van ons verzorgenden een uitkomst bieden. “Dat moeten ze dan maar op een andere manier regelen,” vond een wijkverpleegkundige toen ik deze gedachte tijdens een overleg uitsprak. “Daar zijn wij niet voor!” Ik ben daar wel voor. Zelfs als ik daar een enkele keer spijt van krijg, doordat een hardcore roddelaarster met mijn “privé” aan de haal gaat en er een eigen “story” van maakt.

Ook wanneer iemand angstig is of in de put zit, kan een zorgvuldig en vooral oprecht delen van iets persoonlijks een belangrijke steun betekenen.  “Dat heb ik zelf ook (meegemaakt),” op een rustige manier gezegd en nadat de cliënt voldoende ruimte heeft gehad haar verhaal te doen, werkt vaak relativerend. Ze ziet immers dat jij er rustig onder bent. Je kunt het blijkbaar te boven komen of er valt kennelijk goed mee te leven. Met inachtneming van mijn eigen grenzen waar ik op het vlak van privacy prijs op stel, kan mijn persoonlijke inbreng veel bijdragen aan een sfeer van warmte en nabijheid. En die past mij in ieder geval beter dan het bewaren van afstand.

Read Full Post »

Vacare

*

Nondum vacabam, sed vacare vacabam, quaerebam quo vacarem vacans vacare.

vrij naar Augustinus

*

Net als die andere achttien procent van de Nederlanders ga ik deze zomer niet op (of is het ‘met’?) vakantie. Wel neem ik twee weken afstand van mijn werk, maar in die tijd zal ik nooit verder dan honderd kilometer van mijn huis geraken. Dat is in de afgelopen dertig jaar maar één keer eerder gebeurd. Voor mij een reden om op deze plaats eens te verkennen wat vakantie zoal kan betekenen. Daar neem ik vier weken de tijd voor. Misschien blijft het wel  stil en leeg.

Maar ook dan is het goed, want vacare betekent immers “leeg zijn”?

Read Full Post »

« Newer Posts