Krap dertig jaar geleden was er iemand die mij enige levenswijsheid probeerde bij te brengen.
“Weet je wat er bij jou aan scheelt?” zei ze.
“Nou?”
“Jij accepteert jezelf niet zoals je bent?”
“???”
“Om te beginnen accepteer jij je eigen machteloosheid niet.”
Ik zou niet durven zeggen dat ik in de drie decennia die volgden op deze wijze les ook echt wijzer ben geworden. Maar ik denk wel dat ik iets geleerd heb over machteloosheid.
Bijvoorbeeld dit: er is iets merkwaardig paradoxaals aan het besef van machteloosheid. Het is beangstigend en geruststellend tegelijk. Immers, werkelijk álles kan jou en je geliefden overkomen. Veel erger dan je had kunnen denken, bovendien. En je kunt er helemaal niets tegen doen. Blijf daar maar eens rustig onder. Maar aan de andere kant kan dat besef je ook bevrijden van een enorme schuldenlast. Je hoeft het leven niet te dragen, het leven draagt jou. En laat je vallen, als het zo uitkomt.
En nog iets, waar ik aan moest denken toen ik gisteren in een film over de Watersnoodramp van ’53 zo’n echte Zeeuwse boer hoorde zeggen: “Het is Gods wil.” Dan weet ik opeens weer hoe weinig het bevindelijke calvinisme waarin ik was opgegroeid hielp als het ging om zoiets als “het accepteren van mijn eigen machteloosheid”. Ik was immers het evenbeeld van een Almachtige God, die tegelijk barmhartig en rechtvaardig heette te zijn, liefdevol zelfs, maar die tegelijkertijd dingen deed of duldde, die zich erg moeilijk met dat soort noties laten rijmen. Ik heb dat altijd erg verwarrend gevonden.
Een god die minder persoonlijk is, zoals wellicht Allah, of de onverschillige “deus sive natura” van Spinoza lijkt me al behulpzamer. Die laat in ieder geval wat meer ruimte voor een rouwproces op menselijke maat, denk ik dan. Of zou ik uiteindelijk toch tot de mieren moeten gaan om wijs te worden? Zoals wanneer een mensenvoet achteloos stapt op hun stad van zand – kijk ze radeloos rondrennen! De stervenden kronkelen zich rond hun eigen kleine kern en de levenden brengen de weerloze cocons van hun kinderen in veiligheid. En dan begint het te regenen. Maar ziet: enkele minuten later is er al bijna niets meer te zien van de ontreddering. Het leven gaat door.
Natuurlijk weet ik in de verste verte niet of zij zich ook druk maken om de zin ervan of om de theodicee. Toch waag ik het te betwijfelen dat zij zich een voorstelling maken van de Schoen van God. Maar ook of dat getuigt van een wijsheid die ooit binnen mijn bereik zal komen. En of ik daar iets mee aan zou kunnen vangen. Mijn twijfels en vragen kunnen nog wel dertig jaar mee.
