Barmhartig zijn of niet barmhartig zijn, dat was de vraag in het vorige blog. Een nogal filosofische vraag, lijkt het, en niet zo’n moeilijke vraag, als je het mij vraagt. Nu heb ik makkelijk praten want ik geniet het bijzondere voorrecht om beroepshalve barmhartig te mogen zijn. Voorrecht? Als het bij mythische verhalen bleef misschien wel, maar elke dag wanneer ik mijn nobele taak op mij neem, begeef ik mij in een woud van morele dilemma’s. Of zie ik mij geplaatst achter een moreel mengpaneel, om eens een wat eigentijdser metafoor te proberen.
Het is natuurlijk alleszins prachtig om barmhartig te zijn, maar laten we vooral niet vergeten dat het op dit punt veel zaliger is om te geven dan om te ontvangen. Geen enkel mens geeft vrijwillig zijn autonomie prijs, zelfs niet een deel ervan. Zodra iemand’s intermenselijke betrekkingen gekleurd worden door afhankelijkheid, raakt het zelf in een benarde positie. En elke zorgrelatie bevindt zich onvermijdelijk in het spanningsveld van macht en afhankelijkheid. Vanuit die basis moeten wij samen zien te werken om verder leven mogelijk te maken.
Als verzorgende in de thuiszorg wordt ik daarbij gesteund en ingeperkt door een indrukwekkend web van regels, normen en (gelukkig!) waarden. In een eerder blog kwam al de Nationale Beroepscode voor Verpleegkundigen en Verzorgenden ter sprake. Daarnaast is er een Werkdocument Belevingsgerichte Zorg. En mijn dagelijkse praktijk wordt streng gereguleerd door protocollen voor bijna elke handeling die ik ten behoeve van mijn cliënten verricht. O ja, en vergeet de Arbo-regels niet! Het is beslist niet de bedoeling dat ik mijn diepgevoelde menselijke impuls tot barmhartigheid uitleef ten koste van mijn eigen gezondheid.
Al die regels, helpen die nou echt? Of creëren ze slechts nieuwe problemen en dilemma’s? Ik weet het niet. Laat ik zeggen dat ik bezig ben dat te ontdekken. Het is al meer dan eens voorgekomen dat ik die regels onhandig vind, soms zelfs onmenselijk. Tegelijkertijd heb ik ook al ondervonden dat “gevoel” en “intuïtie” in mijn werk toch echt niet zonder methodische zorgvuldigheid kunnen. Ik vind het extreem moeilijk als ik een 99-jarige dame die vergaat van de pijn niet eens even een paar paracetamolletjes uit haar eigen keukenkastje mag geven, omdat er geen door de wijkverpleging gecontroleerde medibox aanwezig is. Maar op mijn eigen nogal impulsieve kompas varen en daardoor een terminale tachtiger een gevaarlijke dubbele dosis toedienen, waarbij wij rakelings langs de schadelijke gevolgen daarvan zeilden, is ook niet niks. En wat doe je iemand aan door haar huis, dat een zo sfeervol en eigen was te meubileren met een hoog/laag-bed, een krukje en een po-stoel? Of jezelf als je dat niet doet, zodat je haar in voor jou onmogelijke houdingen moet wassen en aankleden?
En dan, als je al die regels weet toe te passen en de zorgvisie kunt vertalen naar de dagelijkse praktijk, dan sta je opeens middenin die ingewikkelde dynamiek tussen de menselijke karakters. Want die kun jij niet thuislaten, maar de zorgbehoeftigen evenmin. Een kreng van een wijf blijft een kreng van een wijf, ook als zij haar eigen voeten niet meer kan wassen. Met een beetje pech wordt het zelfs uitvergroot. En een hoekige hoofdzuster wordt niet zomaar de vriendelijkheid zelve aan het bed van een kwetsbaar oud mens. Wat ik tot nog toe het mooiste vind, is dat we het geen van allen opgeven, al is het vaak echt moeizaam en ingewikkeld. Ik zie mijzelf en mijn collega’s iedere dag met passie de wijk in gaan en, of we nu dankbaarheid troffen dan wel verwensingen, met heuse arbeidsvoldoening weer terug naar kantoor komen.

[...] mijn bespiegelingen over barmhartigheid haalde ik een bijbelwoord aan – “het is zaliger te geven dan te [...]