Feeds:
Berichten
Reacties

Fontaan

fontaan

Raafje, groep 3, haar eerste grotemensentanden komen er bijna aan:

- “Ik heb een werkstuk gemaakt. Over een fontaan.”

Ik, een groot mens, een beetje traag van begrip:

- “Een fontaan? Bedoel je misschien een fontein?”

- “Neehee, een fontáán!”

- “Zo’n ding dat water omhoog spuit?”

- “Neeeej, joh, een bérg natuurlijk! Waar allemaal vuur uit komt.”

- “Oh, een vulkaan!”

- “Ja, dat zeg ik toch?! Een fontaan!”

paraplu

Raar eigenlijk, om op een prachtige zonnige dag als vandaag over een paraplu te schrijven. Maar ik kan er niets aan doen, ik moet de laatste tijd veel aan die paraplu denken. Die paraplu? O ja: de transgenderparaplu. Vanwege het kleurrijke gezelschap dat eronder schijnt te willen schuilen, stel ik mij ook die parpaplu als veelkleurig voor. Een regenboogparaplu. Dan schijnt de zon ook niet voor niks.

Wat ben ik dol geweest op die paraplu! Wat een leuke mensen heb ik er onder leren kennen. Wat een gekrakeel heb ik meegemaakt over wie er nu wel of niet onder mogen. Het ging aan de wereld goeddeels voorbij, maar tjonge, wat was het knus onder die paraplu. Toch bekruipt mij de laatste tijd steeds vaker het verlangen om me maar eens lekker nat te laten regenen, liever dan me onder het kleurige scherm te verdringen. Die leuke mensen weet ik toch wel te vinden en dat gekrakeel kan ik heel goed missen.

Het is nog maar een paar jaar geleden dat ik mijzelf “transgender” noemde, als ik dan toch een etiket moest hebben. Vaak vertelde ik er wel bij dat het niet was omdat ik mij zo gendervrij of genderloos of tussengender voelde, maar omdat ik niet voor het gebaande transpad kon kiezen. Transgender uit nood, zeg maar. Hoe ik ook mijn best deed,  het lukte mij niet om van die nood een deugd te maken. Transgender is voor mij geen identiteit, hooguit een woord om globaal samen te vatten welke geschiedenis er achter mijn identiteit als vrouw ligt. Een bijvoeglijk naamwoord.

In de afgelopen twee jaar heb ik gemerkt dat het voor mij steeds vanzelfsprekender goed voelt om vrouw te zijn in deze wereld. Ik ervaar in dit “hokje” zoveel ruimte om mijzelf te zijn, dat ik niet de behoefte voel om mijn heil erbuiten te zoeken. Er door een ander uit gezet worden doet pijn. Als het alleen aan mijzelf lag, kon de deur wel achter mij dicht. En dat is een krasse uitspraak voor iemand die heel erg “in de kerk geboren” is.

Dit besef wordt  sterker wanneer ik kritisch blijk over de paraplu, vooral op momenten dat de mensen om mij heen juist enthousiast zijn. Zo herinner ik me de Eerste Transgender Infodag in Eindhoven, vorig jaar, waar ik struikelde over de zinsnede “Transgenders zijn zeker ook geen homo.” Echt?! Dit jaar had ik weer zo’n moment, toen ik las hoe de organisatie van de Queer Kick-off BiTransdag over biseksuelen en “transgenders” sprak: “We ontmoeten elkaar op de scheidslijn man/vrouw. Die ervaren we beiden niet of niet zo scherp.” Echt?! Afgezien van het gedrang eronder heeft een paraplu nog een ander makke: hij heeft maar één handvat en het maakt nogal wat uit wie dat vasthoudt. Die hoeft hem maar een klein beetje scheef te houden en er worden mensen nat, ook zonder duwen of dringen.

In een andere column, waarin ik de paraplu even wilde oplichten om zichtbaar te maken wie er allemaal onder schuil gaan, was mijn intentie nog erop toe te zien dat – als het even kon – niemand nat zou worden. Vandaag denk ik, dat het misschien helemaal niet zo erg is om een buitje regen op het hoofd te voelen. Het is dan ook een prachtige dag.

Sjakie, de musical

veruca

Twee dochters betekent dit jaar twee toneeluitvoeringen zien. Onze jongste schitterde afgelopen donderdag in een rol die haar duidelijk op het lijf geschreven was. Twee rollen, zelfs.

Op de Vrije School is het traditie dat de zesde klas (groep 8, voor wie de oude telling niet meer kent) aan het slot van hun lagere school-tijd een musical op de planken zetten. Laura’s klas had gekozen voor Sjakie en de chocoladefabriek naar het boek van Roald Dahl. Niets kant en klaars, maar een script dat nog geschreven moest worden, liedjes die gedicht moesten worden, een mise en scène die bedacht moest worden en tenslotte een decor dat pas gaandeweg in de fantasie ontstond. En dan nog gebouwd moest worden.

Dat alles is binnen niet veel meer dan zeven weken gerealiseerd in een prachtig creatief proces, dat veel van leerlingen en ouders en – niet vergeten! – de juf heeft gevraagd. Maar dat hen allemaal ook dichter bij elkaar heeft gebracht en heeft laten genieten van elkaars inzet en talenten. Voordat ik het over het talent van mijn dochter ga hebben, eerst even het verhaal.

Sjakie en de chocoladefabriek is geen luchtig kinderboek. Humor kent het wel: er wordt vooral veel gegrimlacht. Fantasie is er ook, niet in banen geleid door televisie of computergames. Maar bovenal is het een verhaal met een moraal. Roald Dahl heeft een heel duidelijke boodschap. De wereld van Sjakie kent goeien en fouten, of beter: één goeie en veel fouten.

Vijf kinderen vinden de felbegeerde gouden wikkel in een Wonka-reep en winnen daarmee een rondleiding vol verrassingen door de pas heropende chocladefabriek van Willy Wonka. Caspar Slok, een moddervet joch, dat niets anders doet dan snoepen. Violet Beauderest, een meisje dat dwangmatig kauwgom kauwt en daar compleet op gefixeerd is. Veruca Peper, een verwend nest, dat door haar ouders altijd op haar wenken bediend wordt. Joris Tevee, de jongen met vierkante ogen, voor de huidige generatie niet vanwege een teveel aan tevee, maar door zijn game-verslaving. En tenslotte Sjakie Stevens, een armeluiskind, dat zo uit Dickens weggelopen zou kunnen zijn.

Gedurende de sprookjesachtige tocht door de wondere wereld van Willy Wonka blijken de eerste vier zozeer verstrikt in hun eigen obsessies, dat ze zich stuk voor stuk een ramp op de hals halen. Caspar ziet in de chocoladerivier zijn dromen werkelijkkheid worden. Zijn gulzigheid wordt hem de baas, hij tuimelt erin en komt in de vuilkoker terecht. Violet vergrijpt zich aan een stuk 3-gangen kauwgum, dat zich nog in de experimentele fase bevindt en genietend van het toetje (bosbessenpudding), verandert zij in een enorme bosbes: af naar de sapcentrifuge. Veruca moet en zal een Wonka-eekhoorntje hebben. Als haar dat niet gegeven wordt, gaat ze er zelf wel eentje halen. De eekhoorntjes overweldigen haar en houden haar voor een gefloten nootje: af naar het afval. Joris Teevee raakt al te enthousiast over een ander experiment van Wonka en flitst zichzelf over naar een andere plek, waarbij hij ongewild verkleind wordt.

Het mag duidelijk zijn: al deze kinderen hebben hun ongeluk te danken aan hun eigen ondeugd. Zij zijn gefixeerd op hebben en krijgen. Hoe anders is Sjakie! In zijn leven valt naast de dagelijkse koolsoep, de zorg voor bedlegerige grootouders en één jaarlijkse Wonka-reep niet veel te krijgen en te hebben. Hij is dan ook de enige die oog heeft voor de veelheid aan wonderen in de fabriek. Zijn reactie toont dat hij uit heel ander hout gesneden is: “Kan ik hier misschien werken?” Een kind naar Wonka’s hart en de enige die de ultieme verrassing waard is: een tocht met de glazen lift tot hoog in de lucht, vanwaar hij het hele fabrieksterrein kan overzien. En dan krijgt hij te horen, dat hij kan komen werken en zal worden opgeleid tot opvolger en erfgenaam van Willy Wonka.

Mijn dochter, een kind naar mijn hart, speelde de rol van Veruca Peper. En hoe! Zouden wij haar toch teveel verwend hebben? Het was bijna té echt! “Je zult wel blij zijn, dat je niet echt zo’n dochter hebt,” was een opmerking die elk compliment vergezelde. Ik denk dat ik het geheim wel ken, want mij komt die stampvoetende drama-queen helemaal niet zo onbekend voor. De buitenwereld krijgt haar niet vaak te zien en ook thuis houdt ze zichzelf meestal aardig kort aangelijnd, maar hier kreeg die kant van haarzelf heel even de vrije teugel. Je kon haar zien genieten. En iedereen met haar.

medea

Gisteravond mocht ik meemaken hoe mijn oudste dochter meespeelde in een door haar en haar medeleerlingen van het Gerrit van der Veen College zelf bewerkte versie van Euripides’ Medea. Ik was diep onder de indruk, niet alleen van het spel, maar zeker ook van de lading die zij aan deze klassieke tragedie wisten mee te geven. Voor wie het niet kent, eerst het verhaal.

Jason, een rücksichtslose social climber, voor wie vrouwen niet veel meer zijn dan sporten op de ladder naar de top, steelt in Kolchis het gulden vlies, daarbij geholpen door Medea, de plaatselijke koningsdochter. Het arme kind is verblind door haar verliefdheid, geeft haar volk en haar eigen identiteit op en volgt hem naar zijn land. Daar schenkt zij hem drie kinderen en gaat ervan uit nog lang en gelukkig met hem te leven. Haar eigen liefde is zo groot, dat zij niet eens lijkt te merken hoe weinig die beantwoord wordt.

Tot Jason uit berekening een tweede verstandshuwelijk sluit met de Griekse koningsdochter Glaukè. Haar moeder Kreon (gespeeld door een meisje en ja: een vrouw met macht kan ook koning zijn!) wil Medea uit de weg hebben en Jason stemt daarin toe, omdat het tenslotte “voor iedereen het beste is”.

Maar Medea, die haar eigen vaderland heeft verraden terwille van Jason, voelt zich tot in het diepst van haar ziel gekwetst door Jason’s verraad. Opeens is zij statenloos en kan geen kant meer uit. Gedreven door wraakzucht en jaloezie brengt zij eerst haar rivale op gruwelijke wijze om het leven. Uit angst dat haar kinderen zullen moeten delen in de straf die haar wacht, doodt zij ook hen. Daarmee is de strijd voorbij en is duidelijk dat een tragedie alleen verliezers kent.

Wat de voorstelling van de leerlingen van het Gerrit van der Veen College zo bijzonder maakt, is dat zij aan het verhaal op indringende wijze het perspectief van het kind hebben toegevoegd. Dat zien wij in alles terug: het sobere decor bestaat uit niets anders dan opgeprikte kindertekeningen. Het stuk opent met het voorlezen van zeer persoonlijke en openhartige brieven, die de leerlingen zelf aan hun ouders hebben geschreven. Daarin laten zij heel simpele wensen horen, zoals die vermoedelijk aan de keukentafel thuis nauwelijks aan bod komen.

Buitengewoon origineel zijn de intermezzo’s van de “gelukkige gezinnen”. Een klassiek “koor” van vier leerlingen geeft op hilarische toon een cynisch commentaar op wat er gebeurt in de vorm van met poppen nagespeelde alternatieve scenario’s voor het drama. Zij putten daarbij uit heel alledaagse en juist daardoor zeer confronterende echtscheidingsverhalen.

Onze eigen wereld komt zo nu en dan huiveringwekkend dichtbij. Het sterkst is dat in de scène waarin Medea en Jason de ruzie beleven die de catastrofe onafwendbaar maakt. De drie kinderen snappen niets van wat zich tussen die grote mensen afspeelt, maar voelen goed dat het niet pluis is. Met hun handen tegen hun oren proberen zij wanhopig aan lekkere dingen te denken, tot ze merken dat de werkelijkheid zo hevig aanwezig is, dat die zich niet langer laat buitensluiten.

Aan het einde van het stuk, als iedereen beseft hoezeer machteloosheid bij machte is alles wat je lief is kapot te maken, rapen de kinderen hun eigen lijkjes – in de vorm van poppetjes – van de grond en vertellen elkaar wat zij van ouders verlangen, mochten zij de kans op nog een leven krijgen. Ondertussen loopt Medea naar een hoek van het toneel en ontvouwt een brief en begint voor te lezen:

“Dit is een brief aan vader en moeders. En ik ben het kind.”

Daarmee zijn wij terug bij het begin van het stuk, middenin de beleving van onze eigen kinderen, waarin onze beperktheid en hún hoop en verlangen elkaar ontmoeten. Zoals elke dag.

Huis te Vraag

huistevraag

Niet ver van waar ik woon ligt, ingeklemd tussen een woonwijk en een industrieterreintje, de begraafplaats Huis te Vraag. Op een terp, in de hoek van een overgeschoten stukje zompige veenweide, rusten een paar honderd doden. Nog doder dan dood, zou ik bijna zeggen, want er wordt al meer dan twintig jaar niemand meer bijgezet. Het kerkhof zelf is stervende.

In de voormalige aula woont een kunstenaarsechtpaar, dat paden en zerken in bescherming neemt tegen woekerende klimop en brutale zaailingen van berk en kastanje. Op een subtiele manier wordt het voortschrijdend verval niet zozeer een halt toegeroepen, maar in een staat van aarzeling gebracht. Vergankelijkheid in slow motion.

Ik kom daar regelmatig, omdat achter het raam van het wachthuisje bij de ingang van tijd tot tijd een vers gedicht en verse bloemen prijken, waar ik graag bij stil sta. Op een dag trof ik daar die ongewone hovenier, met een ouderwetse zeis de walkant maaiend. Nieuwsgierig als ik ben en verzot op verhalen, knoopte ik met hem een gesprek aan. Hoewel hij me waarschuwde dat hij erg op zichzelf was en niet zo open naar andere mensen, duurde het niet lang voor hij mij een betekenisvol deel van zijn binnenwereld had toevertrouwd. Toevertrouwd, dus dat ga ik hier niet herhalen.

Wel het volgende kleinood. Hij vertelde mij dat er onder zijn beschermelingen verscheidene zijn met een bijzondere levens- of stervensgeschiedenis. Eén ervan was bij leven kassier bij een bank of wisselloper, zo precies weet ik het niet meer. In ieder geval bracht zijn werk met zich mee dat hij zich regelmatig met grote sommen gelds in het verkeer begaf. Op zekere dag fietste hij over het Muntplein, toen het handvat van zijn geldkoffertje brak. Het koffertje viel op straat en klapte open. Net op dat moment stak er een gure windvlaag op van over de Amstel en al het geld wervelde als een hoop herfstbladeren de lucht in.

De man is niet naar zijn baas teruggegaan om de calamiteit te melden, maar meteen naar zijn eigen huis, waar hij zich zonder aarzelen heeft verhangen. “Waarom?” vroeg de tuinman van de doden zich hardop af. “Het gebeurde was in zekere zin een ramp, maar toch: dat kán de reden niet geweest zijn.” Hij haalde de strekel een paar keer bedachtzaam langs het blad van zijn zeis, als om de stilte te vullen die hij nodig had om het zich nog een keer af te vragen: “Dat kán de reden niet geweest zijn.” Daarop leek hij in gedachten te verzinken, hij sloeg de zeis weer in het riet en ik wist dat het gesprek ten einde was.

“Dat kán de reden niet geweest zijn.” Ik vermoed dat hij daar vaak over nadacht.

pis

Reclamejongens weten het en maken er handig gebruik van: nét niet té foute humor en spelen met seksistische stereotypen doen het altijd goed in een tv-commercial. En als je het ook nog door kinderen laat zeggen, dan heb je een zeer werkzame cocktail van schattigheid en gruwel gebrouwen. Ik heb ‘m maar één keer gezien, – tevergeefs zit ik avond aan avond voor de buis om me ervan te vergewissen of ik mijn ogen wel mocht geloven – maar hij bleef me wel bij, die reclame voor de nieuwste, krachtigste, veiligste toiletreiniger.

Stel je het volgende voor: een aandoenlijk knulletje van een jaar of vijf doet heus zijn best om als een echte man te plassen. Zijn zusje, iets ouder en veel wijzer, levert commentaar en maakt ons allemaal medeplichtig aan haar wijsheid: het is een illusie dat die jongens ooit zullen leren hun plas te doen zonder de hele boel eronder te spetteren. Maar gelukkig is er vernieuwde Huppeldepiep (de naam ben ik vergeten, toch niet zulke goeie reclamejongens!), waardoor het toilet 24 uur lang schoon blijft, wat er ook gebeurt. En om haar woorden kracht bij te zetten, beweegt het kind met een sierlijke zwaai een fles van dat wonderspul langs de rand van de pot. Sterretjes schitteren in een vlaag van stralend blauw.

Lach maar! Het lijkt immers een grap, maar als je goed kijkt, is dit precies de manier waarop wij met ons allen de ene generatie stoethaspels na de andere grootbrengen. Met liefde, want ach, onze dappere jagers hebben in het dagelijks leven al zo weinig te richten en te mikken. En zolang wij staande houden dat het eigenlijk maar inadequate lummels zijn, blijven wij in de waan dat we de wijsten zijn, gerustgesteld dat zij niet zonder ons kunnen. Daarvoor gaan we graag met onze toverfles het toilet rond.

Het lijdt geen twijfel dat Glorix en consorten geen enkel belang hebben bij een verandering in de mannelijke plascultuur. Niettemin hebben onderzoeken allang aangetoond, dat zittend plassen ook voor mannen gezonder zou zijn: de blaas wordt vollediger geleegd en prostaatklachten zouden zelfs kunnen worden voorkomen. Niet alle wijsheid is echter even welkom in deze wereld. Mannen horen nu eenmaal staand te plassen. Om dit laatste bolwerk van mannelijkheid in stand te houden is onlangs zelfs een heuse Stichting opgericht: “Ik Blijf Staan!”.

Nu nog even wachten tot de reclames voor toiletreinigers de betuttelende vrouwen buiten beeld laten en mannen tonen, die met een krachtig middel in een stoere flacon zelf de strijd met de gele spetters aanbinden.

Zwakke blaas

plas

Wie kent dat niet? Het gesprek gaat over luizen en opeens begint het bij iedereen rond de haarwortels te kriebelen. Zo verging het mij deze week ook ongeveer, maar dan op een andere plek in mijn lijf, en ik voelde me er wat meer alleen in. Van verschillende kanten in mijn omgeving klonken enthousiaste geluiden over de nieuwe website van Kathalijne Buitenweg: “Geen gezeik, iedereen gelijk”. En wat had ik nou weer? Ik voelde onmiddellijk mijn zwakke blaas opspelen!

Misschien is het de slogan, die mij de knieën tegen elkaar doet drukken. Daarmee haakt GroenLinks vrolijk aan bij de leuze “Geen gezeik, iedereen rijk” van de Tegenpartij. We schrijven 1980, de tijden van Jacobse en van Es en de heren van het Simplisties Verbond. Simpel is trouwens een mooi woord in deze contekst. Verschijnselen in de sfeer van vooroordelen en discriminatie zijn (al te) menselijke manieren om het leven te versimpelen tot een vaak wrede eenvoud. Wat niet betekent dat iedereen er evenveel mee opschiet en helemaal niet dat ze eenvoudig te bestrijden zijn. Zeker niet door zelf simpel te gaan doen.

tegen

Of is het vooral dat woordje “uitbannen” in het persbericht waarmee de nieuwe website wordt aangekondigd, waardoor het voelt alsof ik moet plassen? Hè, wat vind ik dat toch een naar woord: “uitbannen”! Het klinkt puriteins en ruikt naar het spulletje in de flitspuit van mevrouw Helderder. (”Zaza, waar ben je?!”) Het maakt de weg vrij om de zaken waar het hier om gaat veilig te demoniseren. Dat ze daardoor niet verdwijnen, maar wel naar een taboesfeer verplaatst worden, zie ik als een groot nadeel van zo’n benadering. Dingen die onbespreekbaar worden, worden alleen hardnekkiger en blijven hun werk onzichtbaar doen.

Daarom ben ik helemaal niet blij met een overheid die kwetsbare groepen in bescherming wil nemen met een steeds uitgebreider en fijnmaziger stelsel van verbodsbepalingen. Die hebben nog nooit iets de wereld uit geholpen, integendeel. Wij discrimineren allemaal, want dat zit in de aard van het beessie, dus we kunnen dat maar beter in ons bewustzijn behouden en er met elkaar over in gesprek blijven. Zo’n gesprek begint wat mij betreft zo vroeg mogelijk, thuis en op school, tussen volwassenen en kinderen. En niet door wat er in de sfeer van pesten en uitsluiten gebeurt simpelweg te verbieden, maar door zichtbaar te maken wat het met jezelf en anderen doet. Laat de overheid zich daar op richten, niet met richtlijnen en regelgeving, maar met geld voor het realiseren van creatieve initiatieven die op de werkvloer ontstaan. Al het goede hoeft niet van boven te komen.

Zodra ik klaar ben met plassen, ga ik Animal Farm maar weer eens lezen. (Wie kent dat nog?) All animals are equal. Mensen – gelukkig! – niet. En laten we asjeblieft niet doen alsof dat wel zo is. Of zou moeten zijn.

Turkoois

turk

*

*

De ontdekking

Als je goed om
je heen kijkt
zie je dat alles
gekleurd is


K. Schippers


Kleur is voor mij het meest fascinerende van alles. Als ik ooit met pensioen zal gaan, wil ik mijn eigen restje tijd besteden aan onderzoek naar kleur. Naar hoe mensen kleur zien, hoe zij kleur beleven. Naar Goethe’s kleurenleer. Naar de zweverige gedachtenspinsels van Liane Collot-d’Herbois. Naar, naar,…. naar Alles. Want alles is kleur.

Eén van mijn eerste confrontaties met de waarheid, dat wij ieder voor zich in een werkelijkheid leven die wij maar tot op zekere hoogte delen met de werkelijkheid van anderen, was toen mijn lief en ik ruzie kregen over de kleur van haar jurk. Een turquoise jurk. Volgens haar was die jurk groen, volgens mij blauw. En ja, inmiddels weet ik ook dat ruzie altijd gaat over gelijk hebben en niet over de waarheid.

Jaren later wilde mijn jongste dochter haar kamer een nieuw kleurtje geven: drie tinten turquoise. Getweeën togen wij naar de verfwinkel en kwamen terug met haar drie kleuren: drie kleuren groen. Mintgroen, ik weet het bijna zeker. In ieder geval verre van blauw. Een kind van haar moeder, zeg je dan.

Ach, neem nu de kleur van wijn! Hoe zag Homerus die turquoise Middellandse Zee, toen hij haar ‘oinopa ponton’ (‘het wijn-ogend diep’) noemde? Blauw? Schuimend? Donker? Fonkelend? Maar Homerus was toch blind? Smaakte zijn wijn dan misschien turquoise?

Over witte wijn zijn wij het in Europa redelijk eens. Ook de druiven waarvan die meestal gemaakt wordt noemen we ‘wit’. En niemand stoort zich eraan, dat die eigenlijk groen zijn en de wijn eerder goudgeel. Of strogeel. Geelgroen?

Rode wijn wordt gemaakt van blauwe druiven. In Frankrijk noemt men de druiven ‘noir’ en de wijn ‘rouge’. Op Sicilië zijn beide ‘nero’: als een neger. In Griekenland ‘mavro’: als een Moor. Maar zijn Afrikanen nu blauwzwart of bruinzwart?

Alle kleuren van de regenboog, dat zijn er maar drie, als je goed kijkt: rood, geel en groen. En wie wordt er nu bang, omdat het niet de elementaire kleuren rood, geel en blauw zijn? Een drukker maakt van cyaan, geel, magenta en zwart elke kleur die je maar wilt. Het beeldscherm waar u op dit moment naar kijkt, doet hetzelfde met rood, groen en blauw: minimaal 256 en maximaal miljoenen kleuren.

Kijken we naar mensen, dan hebben we niets meer aan een computer. Miljarden kleuren bestaan alleen in het echt. Of wij ze kunnen onderscheiden, is iets anders. Als het om gender gaat, zien wij misschien wel alle kleuren (), maar we benoemen er slechts twee. Voor deze gelegenheid niet zwart en wit, maar blauw en groen. Waarom? Dan snap ik het tenminste: ik oog kennelijk turquoise. Dat wil zeggen: blauw, als je het mij vraagt. Maar kijk niet gek op als je iemand treft die mij toch echt als groen ziet. En daarvoor hoeft zo iemand niet eens van Mars te komen.

Photoshop

kab

Ik vermoed dat heel de moderne westerse wereld met van verbazing open mond naar dit plaatje heeft staan staren. Het zijn twee versies van het staatsieportret van de nieuwe Israëlische regering. De bovenste is het origineel, de onderste werd afgedrukt in een ultra-orthodoxe krant. De twee vrouwelijke ministers, die in het kabinet zitting hebben, zijn er met een beeldbewerkingsprogramma uit vewijderd en zowaar vervangen door (welke??)mannen. Wat een gotspe! En hoe komen ze erbij?!

Wel, dat werd in de berichtgeving netjes uitgelegd: het is orthodoxe Joden van een bepaalde signatuur niet toegestaan vrouwen af te beelden. Sommige Joden nemen de tzniut heel serieus. Blijkbaar nog serieuzer dan het negende van de Tien Geboden: gij zult geen valse getuigenis spreken. Beelden spreken ook.

Of het nu onze verontwaardiging wekt of eerder spotlust, het bericht is nog op een heel ander niveau kwalijk vanuit feministisch perspectief: het beneemt ons het zicht op een veel schrijnender scheefstand. Want hoe is het mogelijk, dat in een land waar vrouwen zelfs – al meer dan een halve eeuw! -  als vanzelfsprekend in het leger participeren, slechts twee ministerposten door vrouwen ‘bemand’ worden? Wie staat daar bij stil?

Overigens gaan de letterknechten wel met hun tijd mee: photoshoppen is iets waarin de Here nog niet had voorzien. En waar dus ook geen religieuze regelgeving over bestaat. Opeens vraag ik mij af hoe diezelfde kranten het deden in de dagen van Golda Meir (1898-1978), die van 1969 tot 1974 premier van Israël was. In 1956, hetzelfde jaar dat Marga Klompé in ons land als eerste vrouw zitting nam in het kabinet, werd zij al minister van Buitenlandse Zaken.

Kijk, hier is ze: een prachtvrouw, geen rimpeltje is aan Photoshop ten prooi gevallen.

golda

Transparant

zien

Voorafgaand aan mijn eerste vergadering met de redactie van LOVER, liep ik met twee andere vrouwen door de AH in de Indische Buurt, op zoek naar iets wat voor een maaltijd door kon gaan. Onderweg lieten we een spoor van elkaar verkennend gekwetter achter, het ging van de hak op de tak. Bij de kassa aangekomen was het gesprek aangeland bij bekenden die we met elkaar deelden.

E: “O ja, G.! Ik vind haar heel leuk!!!”

Ik: “Ik vind hém ook heel leuk.” En, ter verduidelijking van de wisseling van aanwijzend voornaamwoord: “Hij heeft liever hem.”

E., tegen Z.: “En jij, wat ben jij liever, een hij of en zij?”

Of zij wist wat haar overkwam en hoe zij dat vervolgens oppikte, weet ik niet, want haar antwoord werd overstemd doordat de caissière mij het bedrag van mijn aankopen noemde en door mijn eigen antwoord op diezelfde vraag. Dat stond al te trappelen achter mijn stembanden.

“Ik een zij, graag!” flapte ik uit, want als er één ding is waar ik graag duidelijk over ben, dan is het dát wel.

E.: “Ja, maar dat wéét ik, want aan jou kan ik het zien.”

Ik geloof dat ik wel weet wat E. aan mij kon zien, namelijk wie ik ben en wat ik graag wil. Kan het mooier?

Oudere Berichten »