Ruim vijftien jaar geleden woonde ik aan het Waterlooplein te Amsterdam. Tot de vaste punten in mijn dagbesteding hoorde een dagelijks half uurtje scharrelen of struinen. Tussen het moment dat de aardappels geschild en de groenten gewassen waren en het moment dat ik ze op het vuur zette, liep ik een ritueel rondje over de verlaten markt om te zien of er nog iets van mijn gading was bij wat de marktkooplui hadden achtergelaten.
Op een dag stond ik samen met een wat oudere dame te rommelen in een doos met serviesgoed. De overvloed was van zo’n aard dat rivaliteit niet aan de orde was en er veeleer een prettig gevoel van medeplichtigheid ontstond. Want voor iedereen die zich aan het straatjutten overgeeft is het toch een soort van guitly pleasure. “Weet je,” zei de vrouw naast mij, “Ik heb altijd drie keer plezier van wat ik hier vind. Als ik het vind, als ik het oppoets en in de kast zet, maar vooral als ik het weer weggooi.” “Dat heeft u daar eventjes raak geformuleerd,” antwoordde ik met een glimlach van herkenning. Je hebt sterke benen nodig om de weelde die schuilt in ‘wat de mensen zoal weg doen’ te kunnen dragen.
Met vallen en opstaan zijn de mijne sterk genoeg geworden om een verstokte scharrelmens door het leven te helpen. Ik neem niet langer elk naaikistje van elke overleden oma mee naar huis en als op een dag de verleiding toch te groot lijkt, ligt op de volgende straathoek gelukkig alweer een hoop huisvuil klaar om het netjes terug te leggen. Daar wacht het dan op mijn zwakkere broeders of zusters, en dat zijn er nogal wat. Morgensterren kun je ze niet meer noemen, want ze zijn al op de vooravond van de ophaaldag actief, vanaf een uur of half acht. Morsige mannetjes met fietstassen vol koper en lood, en vrouwen die me doen afvragen of ik niet mijn best moet doen om er iets slonziger uit te zien. Maar vooral Bulgaren in busjes.
Mijn kinderen zijn met die hebbelijkheid van mij opgegroeid en hebben er vaak van mee genoten: ik ga voorbij aan de uiterst behendige en zelfstandige locomotief Toenka en noem slechts Patou, de meer dan levensgrote knuffelhond, die na een jaar reeds zijn vulling begon te verliezen en daarom weer de straat op moest, al had hij volgens Roos “nog nooit iemand kwaad gedaan”. Ach, hoe leer je je kinderen dan nog dat niet alles geschikt is om mee naar huis te slepen? Ik probeerde dat zoals ik het andere ouders zag doen: zodra zij iets oprapen noem je het ‘bah!’ en neemt het ze uit handen. Maar vervolgens begint het steggelen, want argumenteren is net zoiets als poepen en plassen: dat doen kinderen geheel uit zichzelf, je hoeft ze alleen maar te leren het netjes te doen.
Zo liep ik op een ochtend met mijn jongste terug naar huis, nadat we haar zus naar school hadden gebracht. Het was woensdagochtend, ophaaldag in onze buurt. Terwijl ik in gedachten bezig was structuur aan te brengen in de rest van de dag, rukte Laura haar handje los uit de mijne en rende naar een vuilnishoop, waar onder een paar grauwe zakken een alleraardigst poppenbedje-zonder-bodem lag. “Bah nee, mee jau!” zei ze en zeulde het ding al achter zich aan. Daar had ik niet van terug. Samen hebben we er een nieuwe bodem in getimmerd – van wijnkistjeshout, ook op straat gevonden – en ik kan er veilig van uit gaan dat mijn kleinkinderen hun poppen met veel liefde in dat bedje te slapen zullen leggen.







