Feeds:
Berichten
Reacties

18052013

Ruim vijftien jaar geleden woonde ik aan het Waterlooplein te Amsterdam. Tot de vaste punten in mijn dagbesteding hoorde een dagelijks half uurtje scharrelen of struinen. Tussen het moment dat de aardappels geschild en de groenten gewassen waren en het moment dat ik ze op het vuur zette, liep ik een ritueel rondje over de verlaten markt om te zien of er nog iets van mijn gading was bij wat de marktkooplui hadden achtergelaten.

Op een dag stond ik samen met een wat oudere dame te rommelen in een doos met serviesgoed. De overvloed was van zo’n aard dat rivaliteit niet aan de orde was en er veeleer een prettig gevoel van medeplichtigheid ontstond. Want voor iedereen die zich aan het straatjutten overgeeft is het toch een soort van guitly pleasure. “Weet je,” zei de vrouw naast mij, “Ik heb altijd drie keer plezier van wat ik hier vind. Als ik het vind, als ik het oppoets en in de kast zet, maar vooral als ik het weer weggooi.” “Dat heeft u daar eventjes raak geformuleerd,” antwoordde ik met een glimlach van herkenning. Je hebt sterke benen nodig om de weelde die schuilt in ‘wat de mensen zoal weg doen’ te kunnen dragen.

Met vallen en opstaan zijn de mijne sterk genoeg geworden om een verstokte scharrelmens door het leven te helpen. Ik neem niet langer elk naaikistje van elke overleden oma mee naar huis en als op een dag de verleiding toch te groot lijkt, ligt op de volgende straathoek gelukkig alweer een hoop huisvuil klaar om het netjes terug te leggen. Daar wacht het dan op mijn zwakkere broeders of zusters, en dat zijn er nogal wat. Morgensterren kun je ze niet meer noemen, want ze zijn al op de vooravond van de ophaaldag actief, vanaf een uur of half acht. Morsige mannetjes met fietstassen vol koper en lood, en vrouwen die me doen afvragen of ik niet mijn best moet doen om er iets slonziger uit te zien. Maar vooral Bulgaren in busjes.

Mijn kinderen zijn met die hebbelijkheid van mij opgegroeid en hebben er vaak van mee genoten: ik ga voorbij aan de uiterst behendige en zelfstandige locomotief Toenka en noem slechts Patou, de meer dan levensgrote knuffelhond, die na een jaar reeds zijn vulling begon te verliezen en daarom weer de straat op moest, al had hij volgens Roos “nog nooit iemand kwaad gedaan”. Ach, hoe leer je je kinderen dan nog dat niet alles geschikt is om mee naar huis te slepen? Ik probeerde dat zoals ik het andere ouders zag doen: zodra zij iets oprapen noem je het ‘bah!’ en neemt het ze uit handen. Maar vervolgens begint het steggelen, want argumenteren is net zoiets als poepen en plassen: dat doen kinderen geheel uit zichzelf, je hoeft ze alleen maar te leren het netjes te doen.

Zo liep ik op een ochtend met mijn jongste terug naar huis, nadat we haar zus naar school hadden gebracht. Het was woensdagochtend, ophaaldag in onze buurt. Terwijl ik in gedachten bezig was structuur aan te brengen in de rest van de dag, rukte Laura haar handje los uit de mijne en rende naar een vuilnishoop, waar onder een paar grauwe zakken een alleraardigst poppenbedje-zonder-bodem lag. “Bah nee, mee jau!” zei ze en zeulde het ding al achter zich aan. Daar had ik niet van terug. Samen hebben we er een nieuwe bodem in getimmerd – van wijnkistjeshout, ook op straat gevonden – en ik kan er veilig van uit gaan dat mijn kleinkinderen hun poppen met veel liefde in dat bedje te slapen zullen leggen.

16052013

*

Alle Menschen werden Brüder.

Friedrich von Schiller

*

Allemans vriend is niemands vriend.

Nederlands gezegde

*

Ik merkte het pas dagen later, dat ik zomaar – zonder het te willen – mijn eerste blogbericht over het thema ‘broederschap’ had geschreven. En als ik wat verder achterom kijk, blijkt dat ik er al veel vaker mee doende ben geweest. Hier bijvoorbeeld, en hier, hier, hier, hier, en vooral hier. Al snel wordt duidelijk waarom ik het er liever niet over heb en het vervolgens toch doe: ik heb met het thema altijd moeite gehad.

Eerst even over het woord zelf. Natuurlijk is het zo dat vrouwen als vanzelfsprekend inbegrepen zijn, zodra we het over broederschap hebben. Maar als je je probeert voor te stellen dat wij met ons allen besluiten om de komende twee, drie eeuwen uitsluitend van zusterschap te spreken, omdat de mannen daar als vanzelfsprekend bij horen, dan voel je meteen dat er iets niet klopt. Met ‘broederschap’ klopt er dus ook iets niet.

Als alternatief ligt ‘verbondenheid’ mij nog het meest na aan het hart. Solidariteit klinkt wat te politiek en ‘eendracht’, daar komt a priori weinig van terecht. Maar hoezeer ik er ook naar kan verlangen, naar die verbondenheid, ik hoor daarbij altijd adders schuifelen onder het gras. Ongeveer zoals Maxim Februari in een al wat oudere column mijmert, terwijl hij aan de rand van een “transcendente verjaardagspartij” gezeten gadeslaat hoe alle anderen zich verliezen in het zoeken naar verbinding.

En het gevaar is niet denkbeeldig dat een praktijk die begint met de verbinding van mensen, eindigt met de uitsluiting van mensen.

Ik zou het wel sterker willen stellen: volgens mij is het een natuurwet, dat solidariteit niet kan bestaan zonder uitsluiting. (Zie het gezegde hierboven.) Daar zullen we het mee moeten doen, tot alle mensen broeders zijn. Gelukkig leert men al doende. Gedurende de jaren dat ik mij ophield binnen emancipatiebewegingen heb ik eerst geleerd dat uitsluiting zo ongeveer de wortel van alle kwaad was. Dat vond ik zelf eigenlijk ook al. Later heb ik ondervonden dat de hypercorrecte inclusiviteit die daaruit voortvloeide zeker zo hinderlijk kon zijn. Ik ging me daarvan claustrofobisch en buitengesloten tegelijk voelen, in mijn eigen begrenzingen aangetast bovendien.

Ondertussen is mijn jongste dochter met haar schoolklas op zeilkamp. Daar zal zij ongetwijfeld leren hoe je moet ‘laveren’ om op koers te blijven. Met het metaforische gebruik van die term heeft zij al meer ervaring. Niet in de laatste plaats toen bekend werd dat de schoolleiding had besloten één van haar klasgenoten, een jongen met vrij ernstige gedragsproblemen, niet te laten deelnemen aan de werkweek. Terwijl onder de ouders een rel leek te ontstaan, waarbij de woorden solidariteit en uitsluiting niet van de lucht waren, bleek de klas in staat om deze beslissing niet noodzakelijkerwijs te zien als een conflict dat dwingt partij te kiezen. Wel hebben zij hun klasgenoot heel duidelijk laten weten dat zijn (nood)gedwongen afwezigheid bij dit gemeenschappelijke gebeuren niet wegneemt dat hij er gewoon bij hoort.

Van onze kinderen valt veel te leren.

09052013

Toen ik de beroemde pesto alla Genovese leerde kennen was het nog een deftig goedje. Het zat in piepkleine, prijzige potjes, vol peperdure ingrediënten: olijfolie (duur!), pijnboompitten (duur duur!), parmesaanse kaas (duur, duur, duur!) en vooral basilicum, het kruid dat over zichzelf zegt dat het aan koningen en koninginnen voorbehouden is. En ik vond het eerlijk gezegd niet eens zo lekker…..

Later – en nu nog – stond het gewoon in de schappen van AH en nog later – nu – is het crisis en zetten wij ons elitair-culinair geneuzel in een hoekje op de vliering. Droog bewaren, weggooien kan altijd nog. Bovendien, als ik nog even echt pedant mag doen: pesto is eigenlijk boerenkost. In wezen is het niets anders dan het ‘moretum’ van de Romeinen. Die aten het natuurlijk niet zelf, maar schreven er gedichten over en namen het op in hun landbouwencyclopedieën. Ik heb daar elders over geschreven.

Recent – vorige week nog – maak ik zelf weer pesto, of moet ik het moretum noemen? De basis is van een schitterende eenvoud: fijngestampte kruiden, olie, azijn, zout en kaas en/of noten. Als olie kies ik de olijfolie van Euroshopper, even maagdelijk als boers. Ik heb altijd wel een restje amandelen of walnoten (alles mag, behalve pinda’s) in huis en van de kaas bewaar ik het stukje dat tegen de korst aan zit voor dit soort gelegenheden. Parmesan en Grano Padano laat ik met liefde voor de laatste rijken liggen.

Dan de kruiden: ik neem een flinke handvol zevenblad en een bosje daslook. Wacht even! Die is toch officieel beschermd? Die mag je helemaal niet plukken. Stel je voor dat iedereen dat doet! (Hier raak ik aan mijn andere thema, gelijkheid, en roep ik bij deze graag op tot vertrouwen in de mensheid: wees niet bang dat iedereen dat doet. De meeste mensen zijn niet ‘zo’ en degenen die hun groente uit beemd en berm halen weten doorgaans heel goed hoe je moet oogsten zonder de plant uit te putten.) Daslook en zevenblad dus, zolang het nog jong en sappig is.

Tenslotte het onvergelijkelijke genoegen van het fijnstampen der benodigdheden. Geloof mij, een mens kan niet zonder vijzel. Een vijzel is een bezit voor het leven, sterker, ze zal je moeiteloos overleven. Een vijzel haalt de haast uit je bestaan en brengt liefde in je pesto. Dat zul je proeven, jij en je disgenoten, wanneer jullie een royale kwak door de dampende pasta op je bord roert. Of op een snee brood, feestelijk besmeerd: het is maar één keer crisis.

08052012

Even dacht ik dat hele gelijkheidsverlangen bij de moraalfilosofen, idealisten en utopisten in de schoot te kunnen schuiven. Maar afgezien van hoe het in mijzelf op kan spelen, zie ik het op zijn tijd in alle hoeken en gaten van onze westerse cultuur terug. In de mode die op straat voorbij loopt, op de akkers buiten de stad, bij de komkommers die in de supermarkt te koop liggen, in de protocollenzucht op mijn werk. Overal sijpelt het streven naar eenvormigheid  door. Niet alleen ten aanzien van onszelf: alles wat wij aanraken lijkt als vanzelf te vereenvormigen.

Even tussendoor: soms vraag ik mij af hoe het op dit punt in het pre-industriële tijdperk zat? Of in ander culturen zit? Wat was er eerder: al die verschillende kippen of al die volmaakt identieke eieren? Achter deze vragen heeft zich een zekere zorgelijkheid in mijn gemoed genesteld.

Daarom was ik zeer verheugd weer eens een tegengeluid te horen in Trouw van zaterdag 9 maart j.l., daarin stond een essay van Frits de Lange, hoogleraar ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit te Groningen. De Lange plaatst kanttekeningen bij de boodschap van managementgoeroe Stephen R. Covey, vooral vanwege het uitwaaieren van zijn visie naar andere levensterreinen. “Maar Covey wilde meer dan leidinggevenden in organisaties coachen. Hij wilde van elk mens een mini-manager maken, de leider van zijn eigen leven,” schrijft De Lange.

Zonder af te doen aan de sterke kanten van Covey’s streven, wijst de ethicus – met veel verwijzingen naar wijsgerige en christelijke ethische tradities – op de fundamentele onmogelijkheid de samenleving naar deze visie in te richten. “Als iedereen een leider is, wie is er dan nog volger?” merkt hij terecht op. Il faut de tout pour faire un monde. Verder wijst hij op het belang van aanpassen, zich voegen in het leven en op de noodzaak tegenslag en verlies een plaats in je leven te gunnen. Eenvormigheid of eenzijdigheid is ook binnen een en dezelfde persoon niet echt leefbaar. Tenslotte trekt De Lange een nog verstrekkender conclusie: “Moet niet elk pedagogisch ideaal dat op wil voeden tot een bepaald mensentype met argusogen worden bekeken?”

Natuurlijk is het een heel genoeglijke bezigheid om de mensen om je heen onder te verdelen in een beperkt aantal mensentypen. Twee: introverten en extraverten. Vier: sanguinici, melancholici, flegmatici en cholerici. Twaalf: daar helpt de dierenriem een handje. Zo wordt ieders decor een beetje stiller en dat geeft rust. Maar dan komt de neiging om het ene mensentype boven het andere te stellen of één boven alle andere. En vervolgens de wens om zelf tot het meest ideale type te behoren of zelfs om deze best of all possible worlds nog wat idealer te maken. Gelukkig zijn er mensen met argusogen.

02052013a

Crisis is kans, hebben we dat de laatste tijd niet iets te vaak gehoord? In ieder geval een kans voor journalisten, want de kranten hebben vol gestaan met door nijvere trendwatchers gesignaleerde verschuivingen in ons bestedings- en activiteitenpatroon. Jan en alleman probeert zich te warmen aan de veronderstelde veerkracht van het volk. Heeft niet Plasterk het zotte idee geopperd dat de overheid haar handen wel van het stedelijk groen af zou kunnen trekken? De burgers gaan dan vanzelf allerlei initiatieven ontplooien om hun leefomgeving op te fleuren, zul je zien. Ja ja, crisis is kans, minister tuinkabouter!

In het kielzog van die mediamieke feeststemming ga ik er een gooi naar doen om mijn lieve lezenden zo nu en dan mee te laten genieten van het plezier dat ik aan de crisis beleef. Als werkende arme (= wel een baan, maar desondanks een inkomen op bijstandsniveau) heb ik daar immers alle kans toe?

Zo heb ik vandaag de bakfiets herontdekt. Goddank bestaat-ie nog! Want je kunt nog zo’n goedkope kast op de kop tikken, als je een busje moet huren om ‘m thuis te krijgen, dan wordt het alsnog prijzig.

“Do you know ‘ow to ggrride a bakfietsss, madam?” vroeg de aardige Italiaanse jongeman van MacBike mij ietwat argwanend? “Yes, I have done it before,” zei ik, naar waarheid. Ik vertelde er maar niet bij dat die gelegenheid inmiddels bijna veertig jaar geleden is. Een vrouw is zo jong als zij zich voelt, nietwaar? (Weet iemand nog wat Brio was?) “It is great fun!” lachte de jonge fietsenmaker nog, terwijl hij mij hartelijk uit zwaaide. Op naar het Juttersdok, waarover later meer.

Alweer een zorgelijke, maar niettemin behulpzame man. “Kunt u met een bakfiets fietsen?” vroeg hij ongelovig. “Ja, hij staat al bij de achterdeur,” zei ik. Hij haalde zijn schouders op en volgde braaf mijn aanwijzingen: ik had niet voor niets een halve nacht wakker gelegen om na te denken over hoe die kast op die bakfiets moest komen te liggen. Hij keek me nog na tot ik de straat uit was, toen moest hij het wel loslaten. Komt goed, dacht ik, maar spannend was het wel.

Een bakfiets is een ontdekking op zich, die leidt tot nog meer ontdekkingen. Stel het je maar voor: een vrijloop heeft hij niet, dus als je de brug af gaat, moet je oppassen, want dan fietst de bakfiets jou. De brug op gaat makkelijker dan je zou denken, vanwege de extreem lage versnelling, maar die zorgt er tevens voor dat je op de vlakke weggedeelten niet vooruit lijkt te komen. Kijk aan, een kans om te ervaren dat ergens in je achterhoofd nog een vroeger, lang vergeten besef van tempo en tijd voor je klaar ligt!

Net terwijl je je daarover verheugt probeert een voetganger (bouwjaar na 1975) nog even gauw voor je langs de weg over te steken. De moderne mens! Hoe moet hij weten dat iemand op een bakfiets niet zo wendbaar is als een gewone fietser? Binnensmonds vloekend op die vent probeer je je ogen op de weg te houden en met een hand die je eigenlijk aan het stuur niet kunt missen grijp je ergens tussen je dijen naar de rem. Precies de handrem van een auto, maar hij moet wel omlaag geduwd worden. Pfff!

Uiteindelijk gaat alles goed en als ik na een paar uur als een volleerde bakfietser het pleintje voor MacBike op draai en het ding behendig naar zijn plekje manoeuvreer, maakt de jongeman lachend het gebaar van Rosie the Riveter. Crisis is fun!

02052013b

De W van stamppot eten

27042013

Toen de mensen om mij heen maar bleven vragen wat ik vond van de commotie rond het Kroningslied, legde ik uiteindelijk zuchtend mijn boek opzij en stapte ik uit mijn wereldvreemdheid om me eerst maar eens van de feiten te vergewissen. Goed, ik had al wel gehoord dat het in de virtuele ruimte, waar zoveel mensen dagelijks hun verbale scheten laten, een dag lang niet te harden was geweest, toen de tekst van het lied bekendgemaakt werd. Maar die tekst kende ik helemaal niet. Even spieken bij mijn dochter.

Die begon meteen heel hard te lachen en zei: “Dit moet je zien!” Op haar laptop toverde zij een – door mij uiteraard gemiste – uitzending van Pauw en Witteman tevoorschijn, waarin juist de laatste maten van het gewraakte lied weerklonken. “Als je nog geen republikein was, dan werd je het nu wel,” probeerde de eerste grappenmaker. Toen kwam de echte hofnar aan het woord. Men had een soort schoolmeester opgeduikeld, die met zijn wijsvinger langs de regels van de tekst ging en deze woord voor woord begon te corrigeren.

Kennelijk was dat heel leuk, want het gelach klonk luid en diep vanuit de hoogopgeleide onderbuiken. Mij ontging de lol van meet af aan en toen ik de schoolmeester, die merkte dat hij de lachers massaal op z’n hand had, helemaal los zag gaan, vond  ik dat eigenlijk een onsmakelijk gezicht. Iemand of iets belachelijk maken vanwege een gebrek aan grammaticale correctheid veronderstelt dat je meent een streepje voor te hebben op anderen die jouw taal niet op gelijke wijze machtig zijn als jijzelf. Dat kan niet de bedoeling zijn van beschaving.

Wie het gezegd heeft, weet ik niet, maar het is zeker waar dat taal evenzeer (zo niet meer) bedoeld is om mensen op afstand te zetten als (dan) om ze met elkaar te verbinden. Taal heeft de macht emoties op te roepen en daar een spel mee te spelen waardoor emotionele gemeenschappen ontstaan. Wie de lachlust weet te wekken, krijgt de schapen moeiteloos achter zich. Zo ook hier. Niet altijd even aantrekkelijk om te zien, maar door het te intellectualiseren lijkt het boeiend.

De enige keer dat ik heb gelachen tijdens die kritische race door de tekst van het kroningslied, was toen de schoolmeester zijn toehoorders erop wees dat ‘stamppot’ niet met een W begint:

De W van Willem

De W van wakker, stamppot eten
Miljoenen coaches die beter weten

Natuurlijk klopt dit niet. Je zou het een soort zeugma kunnen noemen en dan snap je het opeens heel goed, net zo goed als ‘hier zet men koffie, thee en over de Zaan’. En wat een juweel van een taalfout is het dan, in deze context! Alles draait hier immers om verbinding:

De W van Willem is de W van wij

Die W van Willem is in z’n eentje een Alpha én Omega! Genoeg om een heel alfabet aan mythische verbindende elementen te omvademen. In mijn hoofd dartelt de taal vrolijk verder.

De W van water, nou, geef mij maar wijn

Vanavond eten we voorjaarsstamppot, met de W van worst. Daarbij hebben we het wellicht nog even over de vraag of de grammatica beschrijvend dan wel voorschrijvend zou moeten zijn. En heffen wij het glas op Willem, met de W van stamppot eten.

Geloven

24042013

Wat kunnen kinderen je toch kansen geven. Laatst vroeg mijn jongste dochter me wat “gelovig zijn” voor mij inhield. Zo zouden geloofsbelijdenissen geboren moeten worden, niet als poging tot een soort politieke consensus over wat mensen samen durven te geloven. Maar aan de andere kant: hoe vertel je een kind van zestien, zelfs zo een kind als zij, wat geloven of misschien zelfs christelijk geloven voor jou inhoudt.

Laat ik het doen zoals een mystica betaamt: vanuit de ontkenning.

Mijn geloof heeft geen inhoud, in mijn geloof staat een begrip als ‘ruimte’ centraal. Ruimte om tot stand te brengen en ruimte om te ontdekken.

Geloofswaarheden spelen niet echt een rol. God, vooruit, maar ‘God de Vader’, daar glij ik al uit.

Een verzoeningsleer, zoals die soms in welhaast juridische termen kan worden uiteengezet? Ik haal mijn schouders op.

Gek genoeg: met de oer-calvinistische begrippen Ellende, Verlossing en Dankbaarheid kan ik weer wel uit de voeten. Niet omdat ik mij zo ‘zondig’ voel, maar wel omdat de pijnlijke ervaring in een ‘gebroken’ wereld te leven of ‘afgesneden’ te zijn mij niet vreemd is. Het menselijk tekort kan ik niet zomaar weg relativeren. Hoe ermee te leven is iets waar ik niet omheen kan.

Ervan verlost worden? Ach, paradijsverlangens ken ik natuurlijk ook. Maar voor mij betekent ‘verlossing’ niet dat ik daar zal komen, in ieder geval niet ‘heden’, zoals de rover op Golgotha. Verlossing betekent wel iets dat ook ‘genade’ heet. Die hele last van het kwaad ligt niet op mijn schouders, dankzij Jezus, zou ik bijna zeggen.

Nu heb ik het woord al gezegd: dank. Het besef dat ik vrij ben om van mijn leven iets te maken, zonder eerst een schuld te moeten delgen, stemt dankbaar. En dankbaarheid kan zomaar leiden tot het verlangen om ‘goed te doen’, zoals verongelijktheid destructieve gevoelens wakker kan roepen. Maar wat is dan ‘goed’?

Dan ben ik weer terug bij af: het gaat niet om de inhoud, maar om de ruimte, en het verlangen.

Von deinen Sinnen hinausgesandt,
geh bis an deiner Sehnsucht Rand;
gib mir Gewand.

Rainer Maria Rilke

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.