Feeds:
Berichten
Reacties

Noblesse oblige

*

Als niet komt tot iet, kent iet zichzelve niet.

Die wijsheid kreeg ik op het hart gedrukt, toen ik het dorp waar ik geboren ben verliet om “in de grote stad” te gaan studeren. Ik hoopte ooit terug te keren om in onze kerk de kansel te betreden, degene die mij zag gaan hoopte dat ik mijn eenvoudige komaf nooit zou verloochenen. Het eerste is er nooit van gekomen, aan het tweede heb ik mij, geloof ik, wel kunnen houden. Maar dat ik de sociale mobiliteit die zo kenmerkend was voor de tweede helft van de vorige eeuw gemakkelijk heb gevonden, kan ik niet zeggen. Heel lang heb ik gedacht dat het daar aan lag dat ik mij altijd en overal een vreemde eend in de bijt heb gevoeld.

Misschien vond ik het daarom zo leuk om een andere vreemde vogel – Meindert Fennema, scheidend hoogleraar politicologie – in het zonnetje te zien staan. De interviews die ik de afgelopen tijd las boden een wonderlijk feest van herkenning! Klassenhaat, sympathiseren met extreem links, en dan toch weer die bewondering voor de oude elite. De behoefte ergens bij te horen, tót het daarvoor benodigde conformisme als een te hoge prijs wordt gevoeld. Een instinctieve afkeer van het dédain dat de huidige (linkse) elite koestert voor “gewone mensen”. Grote woorden, dat wel, maar telkens toch voldoende herkenbaar.

Wat ik zeker ook herken is zijn constatering dat de elite van de vorige eeuw het hele zootje ongeregeld, dat in de zeventiger jaren dankzij de aardgasbel bij Slochteren opeens de collegebanken overspoelde, van harte in haar gelederen heeft willen opnemen. Ook op persoonlijk niveau heb ik dat mogen ervaren. Nooit heeft mijn afkomst of de onvanzelfsprekendheid van mijn omgangsvormen en opvattingen hen ervan weerhouden mij te laten delen in de kennis, ervaring, boeken, muziek, culinaire genoegens, vrijetijdscultuur, vakantiehuisjes, kortom alles wat binnen hun klasse generaties lang was gecultiveerd. Ik snap wel dat Fennema het woord “zorgzaam” verbindt aan die oude elite.

Tegelijk was ik een kind van mijn tijd, een tijd die een enorme nivelleringsdrang over de samenleving bracht. De hele sociale beweging en ook het feminisme voedden een sterk wantrouwen tegen “geprivilegeerdheid”. Ondertussen zag ik hoe mensen uit de elite hun privilege als een opdracht zagen. Ik weet nog goed hoe dat het voor mij ingewikkeld maakte om wat ik beleefde te plaatsen en te bepalen waar mijn loyaliteiten lagen. Ook het dragen van een dubbel paspoort kun je als een opdracht zien. Noblesse oblige, zou de oude elite zeggen.

Ik vind het mooi om te zien hoe Meindert Fennema aan die opdracht vorm heeft gegeven. Hij is overtuigend als hij de morele kwaliteiten van de oude elite nar waarde schat en ten voorbeeld stelt aan de elites die zich nu vormen. Hij is de politieke correctheid ruim voorbij als hij de populisten en hun achterban met een open geest in plaats van met dédain beziet. Hij toont een constructieve betrokkenheid, maar zal zich nooit zonder reserve met één groep in de samenleving identificeren. Vandaag over een week ga ik naar De Balie, om te horen wat zijn idee voor Nederland is.

 

Van God los

Amusant is een woord dat opvallend vaak klinkt in het interview dat Wilfred van de Poll ergens in de vorige week had met Herman Philipse, auteur van het boek God in the Age of Science. Misschien moet ik de heer Philipse ook maar amusant vinden. Ik had gehoord dat het een vervelende man was, maar iemand die zes jaar van zijn leven wijdt aan een boek waarin hij alle grote religieuze denkers weerlegt en dan zegt dat “het hoofdstuk God nu wel gesloten is” omdat hij er “klaar mee” is, zo iemand is toch in ieder geval óók amusant.

Als ik hem zo hoor denk ik: “Eerst zien, dan geloven.” Het lijkt me namelijk niet erg waarschijnlijk dat hij er klaar mee is. Want zoals een echte rebel nooit vrij zal zijn (die voelt zich niet senang in vrijheid en zoekt vanzelf een nieuwe strijd op), zo zal iemand als Philipse zijn fascinatie niet zomaar loslaten. Philipse is nog lang niet van God los. Net zo goed als ik waarschijnlijk nooit zal ophouden mij te verbazen over mensen die zich inspannen om bewijzen te vinden voor het bestaan of niet-bestaan van God. Het zal wel amusant zijn, maar hoe, dat ontgaat mij.

Afgelopen zaterdag stond in Trouw een piepklein tekstje van zijn zus, Carine Philipse, dat ik hier graag integraal citeer:

God en de familie

Trouw wijdde veel aandacht aan het nieuwe boek van mijn broer, Herman Philipse. Hij schreef een wetenschappelijke onderbouwing van zijn al eerder verschenen ‘Atheïstisch Manifest’ en verklaarde in deze krant dat “het hoofdstuk God nu wel gesloten is”. In mijn leven ligt dat anders. Zelf heb ik 35 jaar met overgave gewerkt als (vrijzinnig) predikant in de ziekenhuissector. Nu ben ik met flexpensioen en schrijf ik een boek over mystiek. Het klopt dus wat een briefschrijver deze week al opmerkte, dat in de familie Philipse heel verschillend over het onderwerp wordt gedacht.
Eerlijk gezegd heb ik nooit begrepen wat voor zin het heeft, te willen bewijzen dat God bestaat of niet. Geloven is wat mij betreft niet het voor waar houden van een aantal geloofswaarheden, waarvan de juistheid of onjuistheid door middel van de wetenschap kan worden bewezen. Geloof speelt zich af in een ander taalveld en op een andere belevingslaag dan de wetenschap. Beide kunnen heel goed naast elkaar bestaan en bijten elkaar niet.

Zou er misschien ergens op aarde een wetenschapper wonen die zijn leven wijdt aan de vraag hoe het eigenlijk zit met het evolutionaire voordeel van verschillende taalvelden en belevingslagen? En hoe geloof genetisch verankerd of in het brein gesitueerd is? Of zou dat niet amusant genoeg zijn?

Tot het Al-Ene

Tegenwoordig heb je bij een ontluikende interesse in de filosofie De Wereld van Sofie tot je beschikking. Toen ik jong was en mijn beschouwelijke geaardheid ontdekte, bestond dat boek nog niet. Wel waren er twee overzichten van de filosofie waarin ik een poos met heel veel plezier heb gewoond. Dat waren De filosofie van het Belcampisme (van Belcampo, natuurlijk) en Tot het Al-Ene van Nico van Suchtelen, een deel uit zijn verzamelde werk, dat eind zeventiger jaren nog werd verramsjt bij De Slegte in Amsterdam.

Het boek van Belcampo had iets heerlijk onconventioneels, al was het opgezet als een “geschiedenis van de filosofie”. Soms leek het een langgerekte column, dan weer een schelmenroman en de auteur hechtte absoluut niet aan objectiviteit. Van hem leerde ik dat elke filosofie meer duidelijk maakt over de persoonlijkheid van de filosoof (en over de tijdgeest) dan over de wereld. Ook zijn eigen boek toonde netjes zijn ziel in de spiegel van de wereld die hij beschreef. Herhaaldelijk zag ik de nuchtere, ietwat schampere huisarts achter zijn bureau zitten – hij zal wel een pijp gerookt hebben – terwijl op het stoeltje tegenover hem Sartre plaatsnam, of Kierkegaard. Pathologische gevallen – vanuit zijn perspectief – met een “gebrekkig affectief rapport”.

Van Suchtelen schreef een heel ander boek, dat niet de humor of nuchterheid in mij aansprak, maar wel woorden gaf aan mijn hang naar mystiek. Door hem te lezen werd het me duidelijk dat filosofie draait om het stilzetten van de wereld. Filosofen lijken al dat gewriemel, gewemel en gewarrel eigenlijk maar hinderlijk te vinden. Daar kon ik me wel wat bij voorstellen. Dat alles wat bestaat zo van elkaar verschilt is lastig, dus wat doe je: laten zien dat alles in wezen hetzelfde is. Vuur, bijvoorbeeld, of juist water. Of lucht, of aarde. Of toch maar weer een mengsel van die vier. Opgebouwd uit dezelfde onzichtbare deeltjes kan ook nog. Maar van Suchtelen liet zien dat je ook heel goed de andere kant uit kan denken. Net zo lang tot alles God is.

Hij was het die de Ethica van Spinoza vertaalde voor de Wereldbibliotheek en die ging ik uiteraard ook lezen. Ik werd helemaal stil van die meest indrukwekkende poging de wereld stil te krijgen. Tegelijk ontdekte ik weer iets nieuws: Spinoza was eigenlijk juist bezig zijn eigen binnenwereld tot rust te brengen. Affect na affect kreeg een keurig plekje en als de meester Q.E.D sprak kon je een speld horen vallen. Zo ontdekte ik dat wereld en innerlijk elkaars spiegelbeeld zijn, waarbij beiden een even grote werkelijkheidswaarde toekomt. Je kunt aan beide kanten beginnen, als je de boel stil wilt krijgen.

Wat mij nu het mooiste lijkt – en misschien kán ik dat wel gewoon – is zelf van binnen stil worden en vanuit die stilte naar de wereld kijken. Om te zien hoe prachtig dat allemaal wriemelt en wemelt en warrelt, mooi en verschrikkelijk tegelijk. Ongeveer zoals in dit gedicht van Vasalis:

TIJD

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte en beefde,
wat stil lijkt. ‘k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen…
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur,
vlammen en doven: flakkrend vuur.
- De wanhoop en vanzelfsprekendheid
in de gebaren van de dingen
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd…
Hoe kón ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?

Papyrologie

Een van de boeiendste disciplines waarmee ik tijdens mijn studie klassieken kennis maakte, was de papyrologie. Voor wie het niet weet: dat is de wetenschap die zich bezig houdt met het ontcijferen van stukjes tekst die staan op snippertjes papyrus die men heeft gevonden in het droge woestijnzand van Egypte. Vaak niet meer dan een paar woorden, soms een halve brief van een kind in den vreemde aan haar ouders, zelfs wel eens – in losse snippers – een zwaar gehavend gedicht van Sappho.

Eigenlijk bedrijf ik nog elke dag papyrologie. Niet met mijn ogen, maar met mijn oren. Het draait niet om stukjes geschreven tekst, maar om flarden van gesproken zinnen, die uit hun contekst weg dwarrelen en juist daardoor akelig intrigerend kunnen zijn. Daarnet liep ik over een brug en kwam mij met ferme tred een meisje tegemoet, dat al lopend in een mobiele telefoon praatte.

“…. word ik zo moe van, weet je, ik bedoel: als je dan zelfmoord wilt plegen …”

En weg was ze alweer. Het fragmentje van haar gesprek (met wie?) waaide mijn richting uit en een rafelig randje haakte aan mijn sjaal, net onder mijn linker oor. Door een heel alledaagse alchemie is het woord nu geest geworden en dwarrelt het rond in mijn binnenwereld. Op de meest onwaarschijnlijke momenten zal het daar opduiken, omringd door een kaleidoscopische wolk associaties. De kans dat ik de moeite zal nemen deze papyrus te ontcijferen is klein.

Dat is anders met al die losse blaadjes levensverhaal van mijn cliënten in de zorg, die op vergelijkbare wijze hun weg naar mijn binnenkant hebben gevonden. Die zijn om puzzels mee te maken. Een deel van de oogst van deze week:

Ja, ik had altijd ruzie met m’n man. En as ik dan echt kwaad werd, dan haalde ik m’n gebit eruit en smeet ’t door de kamer. Altijd. Gek, ik weet niet waarom, maar ik deed het. En soms knalde ‘t dan ergens tegen an en brak ‘t in tweeën. Dan pakte m’n man de helfte op en sprong ie d’rect op z’n fiets. Hup, naar de  … eh …. Nou ja, as ’t dan zes uur was, dan was ’t alweer heel en konden we eten. Hij wist wel dat ie fout zat ….

De zelfde ochtend, twee straten verder:

Me moeder heb ons nooit liefde gegefe. Toen ze dood zou gaan, wilde ze zo graag in d’r eige huissie sterve. Maar dan moest er een nachtzuster komme en die moest je toentertijd self betale. Ik zei – we ware met ons achte – as we nou elk honderd gulde lappe, dan ken ze thuis dood gaan. En niemand wou ‘t, maar ik kon d’r niet weg late hale. Dus ik betale. In die eerste nacht is ze toen overlede …..

Tegen een kale, okerkleurige rotswand aan de rand van mijn binnenwereld ligt een stuk Egyptische woestijngrond. Droog zand bewaart hele bergen snippers en propjes, kattebelletjes en halve schriften. Ontelbare flarden van de levens van andere mensen. Die gaan heel vaak over moeders die geen liefde konden geven, over mannen die door een beroerte in monsters veranderden, verre familieleden die op een gegeven moment gek geworden zijn en nichtjes die niet wilden deugen. Soms over een verliefdheid die niet kon, vanwege het verschil in geloof. Terwijl het toch de enige liefde was die het lot voor haar had weggelegd. Zelden gaat het over zelfmoord. Daarvoor moet je over een brug lopen, terwijl van de andere kant een meisje aan komt lopen, dat in een mobiele telefoon praat.

De schutting

*

Houd van je buren
, maar laat de schutting staan.

Chinees spreekwoord

*

Laatst sprak ik met een vriend over dit blog en kwamen wij tot de conclusie dat het zich beweegt rond een aantal vaste thema’s. Eén daarvan zou je de titel “grenzen” mee kunnen geven. Dat is er dan meteen eentje waar ik voorlopig niet mee klaar ben. Grenzen kom ik immers op allerlei terreinen van het leven en op verschillende niveau’s tegen en anders wordt ik wel uitgedaagd om ze te “stellen”, zoals dat tegenwoordig heet. En als dat nog niet ingewikkeld genoeg is, dan wordt het dat wel doordat wij in elk grensgebied zowel met onze gevoelens als met onze cognitieve constructies van doen hebben. In het vorige bericht opperde ik al eens hoe gespannen de verhouding tussen die twee kan zijn.

Om iemand te kunnen zijn heb ik anderen nodig, plus een grens die mij van die anderen scheidt. Om intimiteit te kunnen ervaren heb ik een omhulling nodig, waarbinnen ik veilig ben en waar ik iemand kan uitnodigen. Om saamhorigheid te kunnen beleven heb ik een groep mensen nodig, die slechts kan bestaan bij de gratie van het bestaan van andere groepen.

Dit klinkt allemaal nog redelijk eenvoudig, nietwaar? Ingewikkeld wordt het wanneer je die dingen aan het doen bent. De grens tussen mij en de anderen kan me krankzinnig eenzaam maken, als er geen raampjes en deurtjes in zitten. Op het vlak van intimiteit hebben we te maken met mensen die denken dat ze die ook kunnen bereiken door eenvoudigweg tot iemand door te dringen, letterlijk of figuurlijk. En als het om groepen gaat, nou ja, dan wordt het allemaal vele malen uitvergroot en voor het individu moeilijk te beïnvloeden. Niemand wil oorlog en toch is die er altijd.

Onze eigen tijd ligt nog in de schaduw van een oorlog, die ons heeft doordrongen van de consequenties die uitsluitingsmechanismen kunnen hebben. Tegelijkertijd zijn wij in de greep van de globalisering en krijgen we de kans om ons – zij het op een nogal abstracte manier – kosmopoliet te voelen. Wat niet wil zeggen dat oude zegswijzen als “allemansvriend is niemands vriend” en “het hemd is nader dan de rok” of “het bloed kruipt waar het niet gaan kan” opeens hebben afgedaan. Misschien is het zelfs zo: hoe minder dergelijke noties tot ons bewustzijn behoren, hoe onzichtbaarder zij hun werk doen. Omdat mensen niet zonder lijken te kunnen.

Het meest opvallende voorbeeld hiervan in het politieke domein is wel de brede steun die het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren om ritueel slachten te verbieden kreeg. Ik weet zeker dat die steun ook komt van al die mensen die – als je het hen vraagt – tegen elke vorm van uitsluiting en discriminatie zijn. Het hele streven komt immers voort uit het verlangen onze solidariteit ook tot de dieren uit te breiden? Wat me zo heeft getroffen in deze kwestie, is dat men zich niet of nauwelijks bewust leek te zijn van de nieuwe uitsluitingsgrond die hier werd gecreëerd.

Tussen Keulen en Parijs
Ligt de weg naar Rome
Al wie met ons mee wil gaan
Die moet onze manieren verstaan.

Onze manieren zijn kennelijk seculier, op dit moment. Zo’n tendens mag het parlement uiteraard weerspiegelen, maar ik hoop van harte dat de overheid hier uiteindelijk niet in mee zal gaan. Het is toch de taak van de overheid om te zorgen dat de verschillende bevolkingsgroepen in ons land in een leefbare vrede met elkaar kunnen samenwonen? Daarin past niet een wet die sommigen de ruimte ontzegt om anders te zijn.

Niet dat ik de zaken eenvoudiger zou willen voorstellen dan ze zijn, maar ik zou het Chinese spreekwoord boven dit bericht graag als graffiti op een heleboel schuttingen zien staan.

Ervaring en verklaring

Het was een bijzonder woelige tijd in mijn leven. Mijn wereld begon te kapseizen en zou weldra op zijn kop staan en hoe ik mij ook zou wenden of keren, ik zelf zou naar alle waarschijnlijkheid ergens ondersteboven of binnenstebuiten terecht komen. Hoe kon ik zorgen dat ik voor zo’n toekomstperspectief toegerust zou zijn? Het gelukkige toeval wilde dat ik juist in die tijd contact had met de hoofdredacteur van het blad Vruchtbare Aarde *,die zich juist in die tijd bezig hield met labyrinten. Hij vertelde mij vol enthousiasme dat juist in die tijd een zekere Henk Coppens een labyrint had geschilderd op de klinkers van de Amsterdamse Noordermarkt.

Op een stille, maar winderige zondagmorgen fietste ik – nog voor het kerkvolk op de been was – naar de aangewezen plek en vond daar het labyrint. Het was klein, althans in mijn beleving, en nodigde daardoor uit om met een behoedzame stap te betreden. Zo goed en zo kwaad als het ging – gelukkig keek er niemand mee – trok ik mijn gedachten uit en kleedde mij in eerbied (of onbevangenheid). In mijn handen droeg ik, voor mij uit, mijn vraag, die bonsde als een hart: “Hoe nu? Hoe nu? Hoe nu?” Boven mijn hoofd ruiste de wind door de takken van de iepen. En toen, boven die geluiden uit, klonken ergens in mij of om mij heen de woorden van een lied, dat ik zeker twintig jaar niet meer gehoord had.

Ruwe stormen mogen woeden,
alles om mij heen zij nacht,
God, mijn God zal mij behoeden,
God houdt voor mijn heil de wacht.

Enige tijd later vertelde ik deze ervaring aan iemand die belangstelling leek te hebben voor mijn welbevinden. Toen ik uitgesproken was, nam hij vlug een halve hap lucht en zei: “Maar dat was natuurlijk je eigen innerlijke kern, die daar sprak.” Ik was een beetje verbouwereerd door deze onverwachte “verklaring”. Zelf had ik daar niet naar gezocht, er was niets in mij wat daar om vroeg. Moest ik er iets mee? Voegde zo’n duiding misschien iets toe? Nee, ik had eerder het gevoel dat de man naast mij op het schoolplein probeerde iets van mij af te nemen. Of zichzelf van iets te bevrijden, of zich gerust te stellen.

Naast allerlei andere nuttige toepassingen hebben cognitieve constructies soms ook een bezwerende functie. Stel je voor, dat op een lege plek waar iets onbenoembaar en onverklaard is gebleven opeens zomaar het ondoorgrondelijke gezicht van God zou verschijnen. Tremendum et fascinans. Niet ondenkbaar, want de Rede is nog lang niet rond met alles te verklaren. Kennis mag dan wel macht zijn, zij is doorgaans veel te klein om de menselijke ervaring te omvatten. Bovendien lijken beleving en rationaliteit uit verschillende werelden afkomstig en spreken zij elkaars taal slechts gebrekkig. Menselijke angst laat zich niet wegredeneren (Denk aan de tragiek in Goethe’s Erlkönig!), slechts door in het domein van het gevoel iets betekenisvols te ervaren kan zij plaats maken voor vertrouwen.

Dat ik – juist in die tijd – iets deed wat ik nooit zelf bedacht zou hebben, – want veel te bang voor het ondoorgrondelijke gezicht van God – werd voor mij een vertrouwenwekkende ervaring, die mij bovendien iets heeft teruggegeven wat ik, verdwaald in de doolhoven van gelovige en ongelovige cognitieve constructies, was kwijtgeraakt.

Moet ik lang zijn hulp verbeiden,
zijne liefde blijft mij leiden:
door een nacht, hoe zwart, hoe dicht,
voert Hij mij in ‘t eeuwig licht.

* Grappig: de website van Vruchtbare Aarde bevat na bijna tien jaar nog altijd elementen die ik destijds gemaakt heb. Deze villa en het bos waar zij in staat liggen in werkelijkheid ± 1000 kilometer uit elkaar. Op het bospad liep mijn  broer Marinus, die ik  heb weg gegumd, een grand randonné.

Als ik het niet zelf al wist, dan kwam ik er wel achter via die leuke testjes in de oude Psychologie Magazines van mijn dochter: ik heb een ernstig verstoorde verhouding met ladders en loopbanen. Voorts ben ik ontzettend onhandig met hiërarchieën en pikordes. Een volkomen kluns op het gebied van competitie en concurrentie. Het is een wonder dat ik nog zo goed terecht gekomen ben.  Of ben ik dat eigenlijk helemaal niet? Een arbeiderskind dat een universitaire studie heeft voltooid en uiteindelijk werk doet waarvoor zij alsnog een opleiding op mbo-niveau moet volgen: zo iemand heeft er toch een rommeltje van gemaakt, of niet soms?

Hoe praat ik dat voor mijzelf goed? De testjes waar ik het net over had reiken verschillende strategieën aan. Ik zou mezelf gevoelens van superioriteit kunnen aanmeten. Ongeveer zoals een bohemien kan neerkijken op burgerluitjes, volgens Alain de Botton in zijn boek Statusangst. Ben ik niet een heel kleurrijk iemand, die bovendien niet in een keurslijf leeft? Hou meteen maar op, ik voel me niet op mijn gemak met de afstand tussen mij en al die zogenaamde grijze muizen, die ik dan in de anderen moet zien. Ik kijk liever om mij heen dan naar beneden.

De ontdekking

Als je goed om
je heen kijkt
zie je dat alles
gekleurd is

K.Schippers

Die testjes zeggen over mij dat ik kies voor de tactiek van de ontkenning en de ontwijking. Politieke spelletjes? Ik doe er niet aan mee. (“Er boven staan” lukt niet, anders had ik de superieure route wel gekozen.) Competitie? Niet belangrijk. Dat die neiging niet altijd even handig is, merk ik wel nu ik in teamverband werk. Kan ik dit ongemak misschien compenseren met mogelijke voordelen die mijn favoriete “afweermechanisme” me oplevert? Wie weet, maar liever: hoe kom ik er bij dat ik dat zou moeten doen? Je eigenheid omarmen is immers ook een goede mogelijkheid?

Ooit las ik een interview met Peter van Straaten, waarin hij bekende dat hij al vroeg in zijn leven moeite had met “het competitieve element”. Hij herinnerde zich hoe hij in de zandbak zat en een jongetje naast hem zei: “Ik heb lekker vééél grotere schoenen dan jij-ij!” Op dat moment realiseerde hij zich: “De wereld is een wedstrijd en ik doe daar niet aan mee.”

Iedereen die geniet van zijn tekeningen zal blij zijn dat hij die keuze heeft gemaakt. De positie van buitenstaander is namelijk bijzonder geschikt, zo niet noodzakelijk voor het ontwikkelen van zowel de scherpe satirische blik als de milde empathie die ervoor zorgen dat zijn cartoons ons zo weten te raken. Binnen het denkraam van Alain de Botton en de psychologische testjes zou je deze uitkomst als een geslaagde compensatie van een gebrek kunnen duiden. Maar waarom zou je?

In mijn eigen leven heb ik me nooit op een ladder gewaagd en in het horizontale vlak heb ik geen overzichtelijke loopbaan gevolgd maar eerder een soort doolhof uitgehakt in de wildernis die de werkelijkheid in mijn beleving is. Wel een labyrint met lage haagjes. Want ik kijk heel graag om mij heen. Om te genieten van hoe kleurrijk alles en iedereen is. En te zien dat het leven meer dan drie dimensies kent. Dat het niet alleen gaat over competitie en compensatie, maar – bijvoorbeeld – ook nog over compassie en contemplatie. O ja, en over bonvivialiteit [sic], in alle potentiële betekenissen van het woord.

PS: Na 20 uur heeft Google mijn neologisme geregistreerd. Vanaf nu kan iedereen de bonvivialiteit cultiveren.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.